Hof 's-Hertogenbosch 6 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1714
Art. 8:42 Awb. Art. 8:29 Awb. Wet openbaarheid van bestuur (Wob). BZN (Bank Zonder Naam). Tussenuitspraak geheimhoudingskamer. Verschil tussen geheimhouding en beperkte kennisneming. Bij geheimhouding mogen de rechter, die de hoofdzaak beslist, en belanghebbende geen kennis nemen van de ongeschoonde (delen van de) stukken. Bij beperkte kennisneming neemt de rechter, die de hoofdzaak beslist, met toestemming van belanghebbende (artikel 8:29, lid 5 van de Awb) wel kennis van die stukken (in ongeschoonde vorm), maar belanghebbende niet. De Inspecteur verzoekt om op grond gewichtige redenen stukken gegevens te mogen schonen en deze gegevens geheim te mogen houden. De Inspecteur voert als redenen aan: (A) De betrekkingen van Nederland met andere staten (artikel 10, tweede lid, onder a, van de Wob). (B) Geheimhoudingsplicht (artikel 67 van de AWR). (C) Het voorkomen van een directe, ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden. (D) Het belang van ongehinderde opsporing en vervolging van strafbare feiten. (E) Belanghebbende heeft gegevens niet nodig voor zijn verdediging. (F) De bescherming van de persoons- en bedrijfsgegevens van derden (G) Controlestrategische overwegingen. De geheimhoudingskamer oordeelt als volgt: Ad (A): Bij de Wob gaat het om bekendmaking aan derden, terwijl het in het kader van artikel 8:29 van de Awb gaat om bekendmaking aan belanghebbende van stukken, die op zijn zaak betrekking hebben. Voor een weigering van de Inspecteur om gegevens en bescheiden te verstrekken op de voet van artikel 8:29 van de Awb moet een sterkere grond aanwezig zijn dan de redenen waarom krachtens de Wob een verzoek om informatie kan worden geweigerd (vgl. voorzieningenrechter Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 19 april 2004, 03/02778, ECLI:NL:GHSHE:2004:AP0827). Ad (B): De geheimhoudingsplicht moet ingevolge artikel 67, lid 2, aanhef, onderdeel a van de AWR wijken voor andere wettelijke bepalingen, in dit geval artikel 8:42 van de Awb. Ad (C): Dat op de persoonlijke levenssfeer van derden een directe, ernstige inbreuk zal plaatsvinden indien hun namen niet worden geschoond is niet zonder meer een gewichtige reden (vgl. Hoge Raad 3 april 2009, 07/13014, ECLI:NL:HR:2009:BH9184). Ad (D): Dat opsporing en vervolging van strafbare feiten (in een andere staat) zou worden gehinderd is door de Inspecteur in dit geval niet aannemelijk gemaakt. Ad (E): Dat belanghebbende gegevens niet nodig heeft voor verdediging van zijn standpunt is niet beslissend. Wel beslissend is of het belang bij geheimhouding door de Inspecteur aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende. De geheimhoudingskamer is van oordeel, dat de onder (A) tot en met (E) genoemde redenen geen gewichtige redenen zijn. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat bij de onder (F) en (G) genoemde redenen het belang van de Inspecteur aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van de belanghebbende en dus gewichtige redenen zijn en geheimhouding gerechtvaardigd is.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof 's-Hertogenbosch 3 april 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1033
- HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1129
- Hof 's-Hertogenbosch 17 mei 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ5564
- Rb. Breda 8 september 2010, ECLI:NL:RBBRE:2010:BN7832
- Rb. Breda 8 september 2010, ECLI:NL:RBBRE:2010:BN7865
- Rb. Breda 8 september 2010, ECLI:NL:RBBRE:2010:BN7870
- Rb. 's-Gravenhage 15 juni 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8231
- Rb. Haarlem 8 juni 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BM8870
- HR 3 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9184
- HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823
- HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5868
- HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3489
- Hof 's-Hertogenbosch 19 april 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AP0827
- HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1755