Conclusie A-G IJzerman 23 november 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2341
De belastingdienst is in 2009 van een tipgever te weten gekomen dat een aantal Nederlandse belastingplichtigen, waaronder belanghebbende, bankrekeningen aanhield in Luxemburg welke zijn verzwegen voor de belastingdienst. Belanghebbende heeft desgevraagd geen (volledige) openheid van Luxemburgse zaken verschaft. In een eerdere civiele procedure is belanghebbende door de voorzieningenrechter veroordeeld om alle informatie betreffende buitenlandse bankrekeningen en/of andere in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen aan de Inspecteur te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Belanghebbende heeft weliswaar bepaalde informatie verstrekt, maar de Inspecteur is van mening dat de gevraagde inlichtingen en gegevens door belanghebbende in onvoldoende mate zijn verstrekt. Over de jaren 2001 tot en met 2009 zijn (navorderings)aanslagen IB/PVV met boete opgelegd. Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft nog geen uitspraken op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft de Inspecteur op 4 november 2013 verzocht om de bezwaarfase ter hand te nemen en inzage te geven in het gehele dossier. Dat heeft de Inspecteur geweigerd. De Inspecteur verlangt namelijk dat belanghebbende eerst de gevraagde informatie over de buitenlandse bankrekeningen volledig zal verstrekken. Pas daarna wil de Inspecteur uitspraken op bezwaar doen en verdere inzage verstrekken in het dossier. In de onderhavige procedure is in geschil of de Inspecteur dit opschortingsrecht heeft. Belanghebbende heeft op 11 december 2013 de Rechtbank verzocht om bij wege van voorlopige voorziening de Inspecteur, op straffe van een dwangsom, te gelasten alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen aan belanghebbende en uitspraak op bezwaar te doen in alle lopende bezwaarprocedures. In hoger beroep heeft het Hof belanghebbende in zoverre in het gelijk gesteld. Het Hof heeft geoordeeld dat aan de Inspecteur geen opschortingsrecht als voornoemd toekomt en heeft de Inspecteur veroordeeld om binnen twee weken na de Hofuitspraak alsnog de uitspraken op bezwaar bekend te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom per dag dat de Inspecteur daarmee in gebreke blijft. Het Hof gaat daarbij uit van een dwangsom per dag per afzonderlijke beschikking (belastingaanslag, boetebeschikking en heffingsrentebeschikking), dus als te rekenen per dag en maal drie. Sinds de ingebrekestelling is volgens het Hof aldus reeds verbeurd € 68.040. Het geheel der overige dwangsommen, zolang de Inspecteur in gebreke blijft uitspraken op de bezwaren te doen, kan volgens de Hofuitspraak oplopen tot maximaal € 1.620.000. In cassatie komt de Staatssecretaris op tegen het oordeel van het Hof dat de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar niet was opgeschort. Voorts wordt opgekomen tegen ’s Hofs oordeel dat per afzonderlijke beschikking een dwangsom verschuldigd is. De A-G heeft in de wetsgeschiedenis geen aanwijzing gevonden dat de wetgever heeft bedoeld een (algemeen) opschortingsrecht als waarop de Inspecteur zich heeft beroepen te creëren. De wel in de wet genoemde opschortingsgronden, dat het niet tijdig beslissen is te wijten aan de aanvrager of aan overmacht aan de zijde van het bestuursorgaan, doen zich volgens de A-G in casu niet voor. Het derde middel is gericht tegen de berekening van de door het Hof aan de Inspecteur opgelegde dwangsom als drievoudig verschuldigd: per belastingaanslag, per boetebeschikking en per heffingsrentebeschikking. De A-G merkt op dat de heffingsrentebeschikking accessoir is aan de opgelegde belastingaanslag. De heffingsrentebeschikking volgt als een automatisme uit de wet. De inspecteur behoeft hiervoor geen nadere inhoudelijke afweging te maken. Dat rechtvaardigt volgens de A-G de constatering dat er tussen de aanslag en de heffingsrentebeschikking een zodanige samenhang is, dat zij in dit kader als één beschikking hebben te gelden. Voor de vergrijpboetebeschikking is dat, naar de A-G meent, genuanceerder. Weliswaar is ook de vergrijpboete accessoir aan de aanslag in die zin dat de vergrijpboete een percentage van de in de aanslag vervatte grondslag kan bedragen, althans verband houdt met het bedrag van de aanslag, maar de inspecteur moet voor de vergrijpboete wél een afzonderlijke, inhoudelijke beoordeling maken. Zoals of er sprake is van (grove) schuld of (voorwaardelijk) opzet, en overige omstandigheden. Aan de andere kant heeft de wetgever samenhang gezien waar volgt uit artikel 24a, lid 2 en 3, AWR, dat een tegen een belastingaanslag gericht bezwaar in principe geacht wordt mede te zijn gericht tegen de heffingsrente en de boete. Zo bezien ligt het volgens de A-G in de rede die wettelijke regeling door te trekken naar de dwangsomregeling, ook waar het gaat om een met een belastingaanslag samenhangende boetebeschikking. Een en ander betekent dat de A-G ter bepaling van de hoogte van de verschuldigde en voorziene dwangsommen zou willen uitgaan van één beschikking bestaande uit de belastingaanslag cum annexis de heffingsrentebeschikking en de boetebeschikking. Het derde middel slaagt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 11 AWR
- Artikel 12 AWR
- Artikel 16 AWR
- Artikel 24a AWR
- Artikel 27j AWR
- Artikel 47 AWR
- Artikel 49 AWR
- Artikel 52a AWR
- Artikel 1:3 Awb
- Artikel 3:2 Awb
- Artikel 3:3 Awb
- Artikel 4:13 Awb
- Artikel 4:14 Awb
- Artikel 4:15 Awb
- Artikel 4:17 Awb
- Artikel 6:2 Awb
- Artikel 6:3 Awb
- Artikel 6:6 Awb
- Artikel 6:12 Awb
- Artikel 6:15 Awb
Aangehaalde uitspraken
- HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2895
- Conclusie A-G IJzerman 17 augustus 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1702
- HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1352
- Hof 's-Hertogenbosch 26 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:626
- ABRvS 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:27
- HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3437
- Hof Arnhem-Leeuwarden 18 november 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8845
- Hof 's-Hertogenbosch 26 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1944
- CRvB 5 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1917
- ABRvS 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1870
- Hof Arnhem-Leeuwarden 18 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1375
- Rb. Zeeland-West-Brabant 5 februari 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:618
- HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1042
- ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1564
- ABRvS 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2564
- Hof 's-Gravenhage 24 april 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW4595
- Rb. Breda 25 mei 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ9996
- ABRvS 5 november 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN7266
- ABRvS 22 juli 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0575
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:368