HvJ EU 26 februari 2026, C-403/22, ECLI:EU:C:2026:133

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

26 februari 2026 ( *1 )

„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Luchtvrachtmarkt – Besluit van de Europese Commissie waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer wordt vastgesteld – Onderlinge afstemming van onderdelen van de prijs voor luchtvrachtdiensten (brandstoftoeslag, veiligheidstoeslag en weigering van betaling van commissies over toeslagen) – Rechten van de verdediging – Recht op toegang tot het dossier – Belastende en ontlastende bewijzen – Inkomende luchtvrachtdiensten – Territoriale bevoegdheid van de Commissie – Gekwalificeerde gevolgen – Mededeling van punten van bezwaar – Recht om te worden gehoord – Eén enkele voortdurende inbreuk – Geografische reikwijdte van de mededingingsregeling – Ter verdediging aangevoerd middel inzake overheidsdwang – Toepassingsvoorwaarden – Bewijs van deelname aan één enkele voortdurende inbreuk – Berekening van de geldboete – Volledige rechtsmacht van het Gerecht van de Europese Unie – Onjuiste opvatting”

In zaak C‑403/22 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 17 juni 2022,

SAS Cargo Group A/S, gevestigd te Kastrup (Denemarken),

Scandinavian Airlines System Denmark-Norway-Sweden, gevestigd te Stockholm (Zweden),

SAS AB, gevestigd te Stockholm,

vertegenwoordigd door B. Creve en M. Kofmann, advokater, en door G. Forwood en J. Killick, avocats,

rekwirantes,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Dawes en C. Zois als gemachtigden, bijgestaan door B. Doherty, BL,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, E. Regan en D. Gratsias, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 april 2024,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met hun hogere voorziening verzoeken SAS Cargo Group A/S (hierna: „SAS Cargo”), Scandinavian Airlines System Denmark-Norway-Sweden (hierna: „SAS Consortium”) en SAS AB (hierna samen: „SAS Cargo e.a.”) primair om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 maart 2022, SAS Cargo Group e.a./Commissie (T‑324/17, EU:T:2022:175; hierna: „bestreden arrest”), houdende gedeeltelijke verwerping van hun beroep tot volledige of gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 – Luchtvracht) (hierna: „litigieus besluit”), voor zover dit besluit hen betreft, en subsidiair tot verlaging van de aan hen opgelegde geldboete.

Toepasselijke bepalingen

Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer

2 De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, ondertekend te Luxemburg op 21 juni 1999 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (PB 2002, L 114, blz. 1, met rectificatie in PB 2015, L 210, blz. 38) (hierna: „Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer”) is in werking getreden op 1 juni 2002. De artikelen 8 en 9 van deze overeenkomst stemmen mutatis mutandis overeen met respectievelijk de artikelen 101 en 102 VWEU.

3 Artikel 11 van deze overeenkomst luidt als volgt: „1. De bepalingen van artikel 8 en 9 worden toegepast […] door de instellingen van de Gemeenschap in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht vermeld in de bijlage bij deze overeenkomst, met inachtneming van de behoefte aan intensieve samenwerking tussen de instellingen van de Gemeenschap en de Zwitserse autoriteiten. 2. De Zwitserse autoriteiten beslissen, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 8 en 9, over de toelaatbaarheid van mededingingsregelingen […] met betrekking tot routes tussen Zwitserland en derde landen.”

4 Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) is met ingang van 5 december 2007 toepasselijk verklaard in het kader van die overeenkomst, bij besluit nr. 1/2007 van het Gemengd Comité luchtvervoer Gemeenschap/Zwitserland, opgericht bij de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer van 5 december 2007 tot vervanging van de bijlage bij de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer (PB 2008, L 34, blz. 19). Deze verordening heeft op die datum verordening (EEG) nr. 3975/87 van de Raad van 14 december 1987 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de mededingingsregels op ondernemingen in de sector luchtvervoer (PB 1987, L 374, blz. 1) vervangen, die sinds de inwerkingtreding van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer was opgenomen in de bijlage bij deze overeenkomst.

VWEU

5 Artikel 101, lid 1, VWEU bepaalt: „Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan‑ of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden; b) het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen; c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen; […]”

EER‑Overeenkomst

6 Artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER‑Overeenkomst”) stemt mutatis mutandis overeen met artikel 101 VWEU.

7 Verordening nr. 1/2003, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 411/2004 van de Raad van 26 februari 2004 (PB 2004, L 68, blz. 1), is opgenomen in de EER‑Overeenkomst bij besluit nr. 130/2004 van het Gemengd Comité van de EER van 24 september 2004 tot wijziging van bijlage XIV (Mededinging), Protocol 21 (betreffende de tenuitvoerlegging van mededingingsregels ten aanzien van ondernemingen) en Protocol 23 (betreffende de samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten) bij de EER‑Overeenkomst (PB 2005, L 64, blz. 57), dat op 19 mei 2005 in werking is getreden, evenals bij besluit nr. 40/2005 van het Gemengd Comité van de EER van 11 maart 2005 tot wijziging van bijlage XIII (Vervoer) en Protocol nr. 21 (betreffende de tenuitvoerlegging van mededingingsregels ten aanzien van ondernemingen) bij de EER‑Overeenkomst (PB 2005, L 198, blz. 38), dat nog dezelfde dag in werking is getreden.

Richtsnoeren van 2006

8 De punten 13, 25, 28, 29 en 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening [nr. 1/2003] worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren van 2006”) luiden als volgt: „13. Om het basisbedrag van de op te leggen boete vast te stellen zal de [Europese] Commissie uitgaan van de waarde van de op de desbetreffende geografische markt in de [Europese Economische Ruimte (EER)] verkochte goederen of diensten van de onderneming die rechtstreeks of indirect verband houden met de inbreuk. De Commissie zal over het algemeen gebruikmaken van de verkopen van de onderneming in het laatste volledige jaar waarin zij aan de inbreuk heeft deelgenomen […]. […] 25. Onafhankelijk van de duur van de deelname van een onderneming aan de inbreuk voegt de Commissie bovendien aan het basisbedrag een bedrag van tussen 15 % en 25 % van de waarde van de verkopen […] om ondernemingen ervan te weerhouden deel te nemen aan horizontale overeenkomsten inzake prijzen, marktverdeling en productiebeperking. De Commissie kan ook bij andere inbreuken een dergelijk extra bedrag toevoegen. Voor het bepalen van het aandeel van de waarde van de verkopen dat in een bepaald geval in aanmerking moet worden genomen houdt de Commissie rekening met een aantal factoren, […]. […] 28. Het basisbedrag van de boete kan worden verhoogd wanneer de Commissie vaststelt dat er sprake is van verzwarende omstandigheden, zoals: – wanneer een onderneming een identieke of soortgelijke inbreuk pleegt of voortzet nadat de Commissie of een nationale mededingingsautoriteit heeft vastgesteld dat deze onderneming in strijd met artikel [101] of artikel [102 VWEU] heeft gehandeld. Het basisbedrag zal worden verhoogd tot 100 % per vastgestelde inbreuk; […] 29. Het basisbedrag van de boete kan worden verlaagd wanneer de Commissie vaststelt dat er sprake is van verzachtende omstandigheden, zoals: […] – wanneer het mededingingsbeperkende gedrag door de overheidsinstanties of de regelgeving werd toegestaan of aangemoedigd. […] 37. Hoewel de algemene methode voor de vaststelling van geldboeten in deze richtsnoeren uiteen wordt gezet kunnen de bijzondere kenmerken van een gegeven zaak of de noodzaak om een bepaald afschrikkend niveau te bereiken, een afwijking van deze methode of van de in punt 21 vastgestelde maxima rechtvaardigen.”

Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit

9 De voorgeschiedenis van het geding en het litigieuze besluit, zoals deze in de punten 1 tot en met 63 van het bestreden arrest zijn uiteengezet, kunnen ten behoeve van de onderhavige procedure worden samengevat als volgt.

10 SAS Cargo e.a. zijn actief op de markt voor luchtvrachtdiensten. SAS Cargo, een aanbieder van vrachtdiensten, is een indirecte dochteronderneming in exclusief eigendom van SAS. Tot 1 juni 2001 was SAS Cargo niet juridisch zelfstandig, maar vormde zij een bedrijfsonderdeel van SAS Consortium. SAS Consortium behoort toe aan SAS.

11 In de vrachtsector verzorgen luchtvaartmaatschappijen het vervoer van vrachtladingen door de lucht (hierna: „vervoerders”). Gewoonlijk verrichten de vervoerders vrachtdiensten voor expediteurs, die het vervoer van deze ladingen regelen namens de verzenders. Als tegenprestatie betalen deze expediteurs aan de vervoerders een prijs die bestaat uit tarieven per kilogram en verschillende toeslagen.

Administratieve procedure

12 Op 7 december 2005 heeft de Commissie uit hoofde van haar mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3), een verzoek om immuniteit ontvangen van Deutsche Lufthansa AG (hierna: „Lufthansa”) en twee van haar dochtermaatschappijen, Lufthansa Cargo AG en Swiss International Air Lines AG. Volgens dit verzoek bestonden er tussen verschillende vervoerders mededingingsverstorende contacten over onderdelen van de prijs van op de luchtvrachtmarkt verrichte diensten, namelijk over de invoering van de zogenoemde „brandstof‑ en veiligheidstoeslagen” en de weigering van deze vervoerders om de expediteurs een commissie over toeslagen te betalen (hierna: „weigering om commissie te betalen”).

13 Op 14 en 15 februari 2006 heeft de Commissie in de bedrijfsruimten van verschillende vervoerders onaangekondigde inspecties verricht.

14 Na die inspecties hebben verschillende vervoerders, waaronder SAS Cargo en SAS Consortium, een verzoek om immuniteit ingediend op grond van de in punt 12 hierboven genoemde mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken.

15 Op 19 december 2007 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar toegezonden aan 27 vervoerders, waaronder SAS Cargo e.a., die vervolgens schriftelijke opmerkingen hebben ingediend. Tussen 30 juni en 4 juli 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Oorspronkelijk besluit

16 Op 9 november 2010 heeft de Commissie besluit C(2010) 7694 definitief betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer (zaak COMP/39258 – Luchtvracht) (hierna: „oorspronkelijk besluit”) vastgesteld. Dit besluit was gericht tot 21 vervoerders, waaronder SAS Cargo e.a.

17 In dat besluit werd uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders hun handelswijze inzake de tariefbepaling van vrachtdiensten onderling hadden afgestemd door afspraken te maken over de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissie te betalen, en zodoende hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer, die plaatsvond op het grondgebied van de EER en Zwitserland.

Arresten van 16 december 2015

18 Bij arrest van 16 december 2015, SAS Cargo Group e.a./Commissie (T‑56/11, EU:T:2015:990), heeft het Gerecht het oorspronkelijke besluit nietig verklaard voor zover het betrekking had op SAS Cargo e.a. Bij twaalf andere arresten van dezelfde dag heeft het Gerecht dit besluit eveneens geheel of gedeeltelijk nietig verklaard voor zover het betrekking had op 12 andere vervoerders of groepen van vervoerders.

19 Het Gerecht was van oordeel dat dit besluit ontoereikend was gemotiveerd.

Litigieus besluit

20 Op 20 mei 2016 heeft de Commissie een brief gestuurd aan de vervoerders die in het oorspronkelijke besluit waren genoemd en daartegen beroep hadden ingesteld bij het Gerecht. In die brief werd deze vervoerders meegedeeld dat zij voornemens was om in een nieuw besluit vast te stellen dat zij hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer op alle in dat oorspronkelijke besluit vermelde routes. Er werd hun een termijn van een maand toegekend om opmerkingen in te dienen. Zij hebben allen van deze mogelijkheid gebruikgemaakt.

21 Op 17 maart 2017 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld ten aanzien van 19 vervoerders, waaronder SAS Cargo e.a.

22 In het litigieuze besluit wordt uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders hun handelwijze inzake de tariefbepaling van vrachtdiensten wereldwijd onderling hebben afgestemd via de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissie te betalen (hierna: „litigieuze mededingingsregeling”), en zodoende één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer hebben gepleegd.

23 In punt 4 van dit besluit, met het opschrift „Beschrijving van de feiten” heeft de Commissie met name aangegeven dat het onderzoek een wereldwijd kartel aan het licht had gebracht dat was gebaseerd op een netwerk van bilaterale en multilaterale contacten tussen concurrenten die gedurende lange tijd in stand waren gehouden en betrekking hadden op de handelwijze die zij besloten of gepland hadden te volgen dan wel overwogen te volgen, met betrekking tot de verschillende in het vorige punt vermelde onderdelen van de prijs voor vrachtdiensten. Zij heeft benadrukt dat dit netwerk van contacten het gemeenschappelijke doel had om de tariefbepaling van de concurrenten onderling af te stemmen of de onzekerheid over hun prijsbeleid weg te nemen. Vervolgens heeft zij beschreven welke contacten hadden plaatsgevonden betreffende respectievelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissie te betalen, en een feitelijke beoordeling gemaakt van het bewijs betreffende zowel de litigieuze mededingingsregeling in haar geheel als elk van de adressaten van dat besluit afzonderlijk.

24 In punt 5 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Toepassing van de relevante mededingingsregels”, heeft de Commissie artikel 101 VWEU op de feiten van de zaak toegepast, waarbij zij heeft gepreciseerd dat de verwijzingen naar dat artikel tevens moesten worden geacht te verwijzen naar artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer, aangezien die bepalingen van overeenkomstige toepassing waren, tenzij anderszins werd vermeld.

25 Wat in dit verband haar bevoegdheid betreft, heeft de Commissie de grenzen van haar temporele en territoriale bevoegdheid onderzocht om in het onderhavige geval een inbreuk op de mededingingsregels vast te stellen en daarvoor een sanctie op te leggen.

26 Eerst heeft zij in de overwegingen 822 tot en met 832 van het litigieuze besluit onder punt 5.2 ervan, met het opschrift „Bevoegdheid van de Commissie”, in essentie aangegeven dat zij om te beginnen artikel 101 [VWEU] niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Europese Unie en luchthavens buiten de EER (hierna: „Unie-derdelandenroutes”) die vóór 1 mei 2004 plaatsvonden, dat zij vervolgens artikel 53 van de EER‑Overeenkomst niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen die vóór 19 mei 2005 plaatsvonden met betrekking tot Unie-derdelandenroutes en met betrekking tot routes tussen luchthavens in landen die partij zijn bij de EER‑Overeenkomst maar geen lid zijn van de Unie en luchthavens in derde landen [hierna: „EER(zonder Unie)-derdelandenroutes”] en dat zij ten slotte artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Unie en luchthavens in Zwitserland (hierna: „Unie-Zwitserlandroutes”) die vóór 1 juni 2002 plaatsvonden. Zij heeft in overweging 832 van het litigieuze besluit verduidelijkt dat dit besluit „niet [was] bedoeld om eventuele schendingen van artikel 8 van de Overeenkomst [EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer] vast te stellen ter zake van luchtvrachtdiensten […] tussen Zwitserland en derde landen”.

27 Vervolgens heeft de Commissie in punt 5.3.8 „Toepasselijkheid van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst op inkomende vliegroutes” van het litigieuze besluit, dat de overwegingen 1036 tot en met 1046 omvat, de argumenten afgewezen waarmee verschillende beschuldigde vervoerders aanvoerden dat de Commissie de grenzen van haar territoriale bevoegdheid ten aanzien van de regels van internationaal publiekrecht had overschreden door een inbreuk op deze twee bepalingen vast te stellen en deze te bestraffen met betrekking tot de routes vanuit derde landen naar de EER (hierna: „inkomende routes” en, wat de op deze routes aangeboden vrachtdiensten betreft, „inkomende vrachtdiensten”).

28 Meer bepaald heeft de Commissie in overweging 1045 van dat besluit erop gewezen dat mededingingsverstorende praktijken in derde landen op het gebied van inkomende vrachtdiensten „geacht kunnen worden onmiddellijke, wezenlijke en voorzienbare gevolgen te hebben binnen de [Unie en de EER], aangezien de hogere kosten van het luchtvervoer naar de EER en de daaruit voortvloeiende hogere prijzen van de ingevoerde goederen per definitie gevolgen zullen hebben voor de consumenten in de EER”. Zij heeft daaraan toegevoegd dat die praktijken in het onderhavige geval ook dergelijke gevolgen konden hebben voor de verrichting van luchtvrachtdiensten door andere vervoerders binnen de EER, tussen de verschillende hubs in de EER die door vervoerders uit derde landen werden gebruikt en de luchthavens van bestemming binnen de EER waarnaar vracht werd vervoerd door de vervoerders uit derde landen die niet zelf op de betreffende bestemmingen vlogen.

29 Bovendien heeft zij in overweging 1046 van het litigieuze besluit vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling „mondiaal actief” was, dat de regelingen betreffende de inkomende routes een integraal onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst vormden en dat de uniforme toepassing van de toeslagen op mondiale schaal een essentieel element van de mededingingsregeling was.

30 Punt 5.3 van het litigieuze besluit, betreffende de toepassing in de onderhavige zaak van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, omvat de overwegingen 833 tot en met 1052. Ten eerste heeft de Commissie in overweging 846 van dit besluit vastgesteld dat de beschuldigde vervoerders hun gedragingen onderling hadden afgestemd en/of prijsstellingen hadden beïnvloed, „hetgeen uiteindelijk [had] geleid tot onderling afgestemde prijzen met betrekking tot” de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van commissies over die toeslagen aan de expediteurs. In overweging 861 van datzelfde besluit heeft de Commissie geoordeeld dat het „[algemene] plan om de tarieven voor luchtvrachtdiensten op elkaar af te stemmen” waarvan het bestaan door haar onderzoek aan het licht was gekomen, aantoonde dat er sprake was van „een complexe inbreuk […], bestaande uit verschillende maatregelen die hetzij als overeenkomst, hetzij als een onderling afgestemde feitelijke gedraging kunnen worden gekwalificeerd, waarbij de concurrenten de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust hebben vervangen door een feitelijke samenwerking”.

31 Ten tweede heeft de Commissie in overweging 869 van het litigieuze besluit vastgesteld dat „de gedragingen in de onderhavige zaak één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 [VWEU vormden]”, waarbij zij in de overwegingen 870 tot en met 902 ervan heeft toegelicht dat de betrokken afspraken slechts één mededingingsverstorend doel dienden, namelijk om de mededinging binnen de luchtvrachtsector in de EER te vervalsen, dat zij betrekking hadden op de verrichting van vrachtdiensten en de daarvoor geldende prijzen, dat steeds dezelfde ondernemingen daarbij betrokken waren, dat die afspraken één enkele voortdurende inbreuk vormden, en dat zij betrekking hadden op drie onderdelen, namelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissie te betalen. In dit verband heeft zij met name in overweging 882 van dat besluit opgemerkt dat SAS Cargo e.a. betrokken waren bij twee van de drie onderdelen van de enkele inbreuk, namelijk de brandstoftoeslag en de veiligheidstoeslag, en „gezien hun betrokkenheid bij de andere elementen van de inbreuk […] niettemin redelijkerwijze een uitwisseling van informatie tussen de andere partijen inzake dit soort verbonden kwestie als de betaling van commissies over de toeslagen [zouden] hebben kunnen voorzien en […] bereid [waren] om het risico te nemen”.

32 Ten derde heeft de Commissie in overweging 903 van dat besluit vastgesteld dat de betrokken mededingingsverstorende gedraging ertoe strekte de mededinging in ten minste de Unie, de EER en Zwitserland te beperken. In overweging 917 ervan heeft zij daaraan in essentie toegevoegd dat dan ook geen acht hoefde te worden geslagen op de concrete gevolgen van deze gedraging.

33 In de overwegingen 922 tot en met 971 van dat besluit heeft de Commissie de WOW‑alliantie onderzocht, die ten tijde van de feiten in kwestie bestond uit Lufthansa, SAS Cargo, Singapore Airlines Cargo Pte Ltd en Japan Airlines International Co. Ltd (hierna: „Japan Airlines”). Zij heeft in overweging 971 opgemerkt dat „[g]ezien het bepaalde in de WOW[-alliantieovereenkomst] en de uitvoering die daaraan is gegeven, […] de Commissie [meent] dat de coördinatie van de toeslagen tussen de leden van de WOW[-alliantie] heeft plaatsgevonden buiten het toegestane kader van de alliantie dat daarvoor geen rechtvaardiging biedt. De WOW‑leden waren zich bewust van het feit dat die coördinatie verboden was. Tevens waren zij zich ervan bewust dat bij de afstemming van de toeslagen ook een aantal vervoerders betrokken was die geen lid waren van de WOW‑alliantie. De Commissie is derhalve van oordeel dat het bewijs omtrent de contacten tussen de WOW‑leden […] aantoont dat zij deel hebben genomen aan de inbreuk op [artikel 101 VWEU] als beschreven in het onderhavige besluit.”

34 Ten vierde heeft de Commissie in de overwegingen 972 tot en met 1021 van het litigieuze besluit de regelgeving van zeven derde landen onderzocht, waarvan verschillende beschuldigde vervoerders stelden dat die regelgeving hen ertoe verplichtte om de toeslagen onderling af te stemmen en zodoende in de weg stond aan de toepassing van de relevante mededingingsregels. Zij was van oordeel dat deze vervoerders niet hadden aangetoond dat zij onder dwang van die derde landen hadden gehandeld.

35 Ten vijfde heeft de Commissie in de overwegingen 1024 tot en met 1035 van dat besluit geoordeeld dat de enkele voortdurende inbreuk de handel tussen de lidstaten, tussen de partijen bij de EER‑Overeenkomst en tussen de partijen bij de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer merkbaar ongunstig kon beïnvloeden.

36 Punt 7 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Duur van de inbreuk”, omvat de overwegingen 1146 tot en met 1169 ervan. Blijkens overweging 1146 van dat besluit heeft de Commissie vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling op 7 december 1999 was begonnen en tot en met 14 februari 2006 had voortgeduurd. Zij heeft in deze overweging 1146 verduidelijkt dat deze mededingingsregeling een inbreuk vormde op: – artikel 101 VWEU voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de Unie; – artikel 101 VWEU voor de periode van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-derdelandenroutes; – artikel 53 van de EER‑Overeenkomst voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de EER; – artikel 53 van de EER‑Overeenkomst voor de periode van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de EER(zonder Unie)-derdelandenroutes; – artikel 8 van de Overeenkomst EG‑Zwitserland inzake luchtvervoer voor de periode van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-Zwitserlandroutes.

37 In overweging 1169 van het litigieuze besluit heeft de Commissie met betrekking tot SAS Cargo e.a. vastgesteld dat de inbreuk had geduurd van 13 december 1999 tot en met 14 februari 2006.

38 In punt 8 van dat besluit heeft de Commissie zich gebogen over de te nemen corrigerende maatregelen en de op te leggen geldboeten, daarbij verwijzend naar de richtsnoeren van 2006. Zij heeft met name op basis van punt 37 van deze richtsnoeren de basisbedragen van de geldboeten met 50 % verlaagd omdat een deel van de diensten met betrekking tot de inkomende routes en de uitgaande routes vanuit de EER naar derde landen, met uitzondering van Unie-Zwitserlandroutes, buiten het door de EER‑Overeenkomst bestreken grondgebied werden verricht en een deel van de schade die was ontstaan dus wellicht buiten dat grondgebied viel. Voorts heeft de Commissie overeenkomstig punt 29 van die richtsnoeren de beschuldigde vervoerders een aanvullende verlaging van de basisbedragen van 15 % toegekend, op grond dat bepaalde reguleringsstelsels de litigieuze mededingingsregeling hadden aangemoedigd.

39 De Commissie meende in de overwegingen 1221, 1223 en 1227 tot en met 1229 van het litigieuze besluit ook dat het aanvullende bedrag van 16 % van de waarde van de verkopen op grond van punt 25 van de richtsnoeren van 2006 zodanig tussen SAS Cargo e.a. moest worden verdeeld dat het de duur van de deelname van elk van deze entiteiten aan de enkele voortdurende inbreuk weerspiegelde. Zij heeft SAS Cargo en SAS Consortium overeenkomstig punt 28 van deze richtsnoeren een verhoging met 50 % van het basisbedrag van de geldboete opgelegd wegens recidive, en op grond van punt 29 van die richtsnoeren heeft zij aan SAS Cargo e.a. een verlaging van 10 % van het basisbedrag van de geldboete toegekend wegens hun beperkte deelname aan de enkele voortdurende inbreuk. Voorts heeft de Commissie hun geldboete verminderd met 15 % om rekening te houden met hun bijdrage in het kader van hun clementieverzoek. De aan SAS, SAS Cargo en SAS Consortium opgelegde geldboeten zijn aldus vastgesteld op respectievelijk 38250000 EUR, 64812500 EUR en 14875000 EUR.

40 De artikelen 1, 3 en 4 van het dispositief van het litigieuze besluit luiden als volgt: „Artikel 1 Door hun prijsstellingsgedrag bij het wereldwijd verrichten van luchtvrachtdiensten te coördineren ten aanzien van de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van over toeslagen verschuldigde commissies hebben de volgende ondernemingen één enkele voortgezette inbreuk gepleegd op artikel 101 [VWEU], artikel 53 van de [EER‑Overeenkomst] en artikel 8 van de Overeenkomst [EG‑Zwitserland] inzake luchtvervoer met betrekking tot de volgende routes en voor de volgende perioden: 1) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst wat betreft [intra-EER-routes], voor de volgende perioden: […] o) SAS […] van 17 augustus 2001 tot en met 14 februari 2006; p) [SAS Cargo] van 1 juni 2001 tot en met 14 februari 2006; q) [SAS Consortium] van 13 december 1999 tot en met 28 december 2003; […] 2) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU wat betreft [Unie-derdelandenroutes], voor de volgende perioden: […] o) SAS […] van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006; p) [SAS Cargo] van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006; […] 3) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 53 van de EER‑Overeenkomst wat betreft [EER(zonder Unie)-derdelandenroutes] voor de volgende perioden: […] o) SAS […] van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006; p) [SAS Cargo] van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006; […] 4) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 8 van de Overeenkomst [EG‑Zwitserland] inzake luchtvervoer wat betreft [Unie-Zwitserlandroutes], voor de volgende perioden: […] o) SAS […] van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006; p) [SAS Cargo] van 1 juni [2002] tot en met 14 februari 2006; q) [SAS Consortium] van 1 juni 2002 tot en met 28 december 2003; […] Artikel 3 Voor de in artikel 1 bedoelde enkele voortgezette inbreuk […] worden de volgende geldboeten opgelegd: […] n) [SAS Consortium]: 5355000 EUR; o) [SAS Cargo en SAS Consortium], zijnde ieder hoofdelijk aansprakelijk: 4254250 EUR; p) [SAS Cargo e.a.], zijnde ieder hoofdelijk aansprakelijk: 5265750 EUR; q) [SAS Cargo] en SAS […], zijnde ieder hoofdelijk aansprakelijk: 32984250 [EUR]; r) [SAS Cargo]: 22308250 [EUR]; […] Artikel 4 De in artikel 1 genoemde ondernemingen maken onverwijld een einde aan de in dat artikel bedoelde enkele en voortgezette inbreuk, voor zover zij zulks nog niet hebben gedaan. Zij onthouden zich tevens van herhaling van alle in artikel 1 genoemde handelingen en gedragingen met eenzelfde of soortgelijk doel of gevolg.”

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

41 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 mei 2017, hebben SAS Cargo e.a. beroep ingesteld, primair tot vaststelling door het Gerecht van maatregelen tot organisatie van de procesgang of maatregelen van instructie waarbij de Commissie werd gelast hun toegang te verlenen tot het volledige dossier van de bij haar aanhangige zaak of tot elke andere maatregel die het Gerecht noodzakelijk achtte, tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het litigieuze besluit voor zover dit hen betreft, en subsidiair tot verlaging van de bij dit besluit aan hen opgelegde geldboete.

42 Ter ondersteuning van dit beroep hebben SAS Cargo e.a. vijf middelen tot nietigverklaring aangevoerd. Het eerste middel betrof schending van de rechten van verdediging en van het beginsel van „equality of arms” doordat de toegang tot belastende en ontlastende bewijzen was geweigerd. Het tweede middel betrof schending van het recht om te worden gehoord en onbevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten, en laatstgenoemd artikel toe te passen op vrachtdiensten die verricht worden op routes tussen Zwitserland en de drie EER‑staten die geen lid zijn van de Unie [hierna: „EER(zonder Unie)-Zwitserlandroutes”]. Met het derde middel voeren zij een onjuiste beoordeling aan van de gedragingen waarbij rekwirantes betrokken waren alsook van het feit dat aan die gedragingen het bewijs werd ontleend dat rekwirantes aan de enkele voortdurende inbreuk hadden deelgenomen of daarvan op de hoogte waren. Het vierde middel betrof schending van artikel 266 VWEU, artikel 296, tweede alinea, VWEU en artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), op grond dat het litigieuze besluit innerlijk tegenstrijdige punten bevatte. Het vijfde middel betrof fouten bij de vaststelling van het bedrag van de aan rekwirantes opgelegde geldboete.

43 Ter ondersteuning van hun vordering tot wijziging van het bedrag van de geldboete hebben zij het geheel van de argumenten ter ondersteuning van hun vijfde middel tot nietigverklaring aangevoerd.

44 Bij beschikking van 7 januari 2021 heeft het Gerecht de mondelinge behandeling heropend, omdat het van oordeel was dat partijen moesten worden verzocht om hun opmerkingen in te dienen over een argument waarover zij hun standpunten niet hadden besproken. In dit verband heeft het Gerecht de Commissie op 12 januari, 2 maart en 12 april 2021 schriftelijke vragen gesteld. De Commissie heeft de laatste vraag beantwoord op 22 april 2021 (hierna: „antwoord van 22 april 2021”). SAS Cargo e.a. hebben op 14 mei 2021 hun opmerkingen over de antwoorden van de Commissie op al deze vragen ingediend. Op 26 juli 2021 heeft het Gerecht de mondelinge behandeling opnieuw gesloten.

45 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht: – artikel 1, lid 1, onder o), p) en q), lid 2, onder o) en p), lid 3, onder o) en p), en lid 4, onder o), p) en q), van het litigieuze besluit nietig verklaard voor zover daarin wordt vastgesteld dat SAS Cargo e.a. hebben deelgenomen aan het onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk dat verband houdt met de weigering om commissie te betalen; – artikel 1, lid 2, onder o) en p), van dit besluit nietig verklaard voor zover daarin wordt vastgesteld dat op de routes vanuit Thailand naar de Unie van 20 juli 2005 tot en met 14 februari 2006 inbreuk is gemaakt op artikel 101 VWEU voor wat betreft het onderdeel dat verband houdt met de brandstoftoeslag; – artikel 1, lid 3, onder o) en p), van dit besluit nietig verklaard voor zover daarin wordt vastgesteld dat op de routes vanuit Thailand naar de EER van 20 juli 2005 tot en met 14 februari 2006 inbreuk is gemaakt op artikel 53 van de EER‑Overeenkomst voor wat betreft het onderdeel dat verband houdt met de brandstoftoeslag; – artikel 3, onder n) tot en met r), van dat besluit nietig verklaard; – het bedrag van de opgelegde geldboete vastgesteld als volgt: – voor SAS Consortium op 7030618 EUR; – voor SAS Cargo en SAS Consortium, zijnde ieder hoofdelijk aansprakelijk, op 5937909 EUR; – voor SAS Cargo e.a., zijnde ieder hoofdelijk aansprakelijk, op 6314572 EUR; – voor SAS Cargo en SAS, zijnde ieder hoofdelijk aansprakelijk, op 29045427 EUR; – voor SAS Cargo op 21687090 EUR; – het beroep verworpen voor het overige, en – de Commissie verwezen in haar eigen kosten en in drie vierde van de kosten van SAS Cargo e.a., die een vierde van hun eigen kosten zullen dragen.

46 Het Gerecht heeft met name het eerste middel gedeeltelijk aanvaard. In dit verband heeft het geoordeeld dat de Commissie SAS Cargo e.a. ten onrechte de toegang had geweigerd tot bepaalde passages in de antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar die in het litigieuze besluit waren genoemd. Het heeft echter geoordeeld dat dit geen invloed had op de vaststelling van de Commissie dat artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst van toepassing waren op de gedragingen in Hongkong en Japan waarvan de vervoerders beschuldigd werden.

47 Wat het tweede middel betreft heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie SAS Cargo e.a. in artikel 1, lid 3, van het litigieuze besluit niet aansprakelijk had gesteld voor een inbreuk op artikel 53 van de EER‑Overeenkomst op de EER(zonder Unie)-Zwitserlandroutes. Het Gerecht heeft niettemin vastgesteld dat de Commissie had erkend dat zij had nagelaten een bedrag van 262084 EUR uit te sluiten van de waarde van de verkopen van vrachtdiensten die SAS Cargo e.a. in 2005 over de EER(zonder Unie)-Zwitserlandroutes hadden gerealiseerd. Aangezien het Gerecht van oordeel was dat deze omstandigheid uitsluitend betrekking had op de inkomsten die in aanmerking moesten worden genomen voor de berekening van het basisbedrag van de geldboete, heeft het dit tweede middel echter afgewezen.

48 In het kader van het derde middel, dat gedeeltelijk is aanvaard, heeft het Gerecht met name geoordeeld dat het feit dat bepaalde in het litigieuze besluit tegen SAS Cargo e.a. in aanmerking genomen bewijzen volgens deze vervoerders moesten worden afgewezen, niet kon afdoen aan de aanwijzingen die de Commissie had aangevoerd om aan te tonen dat zij hadden deelgenomen aan de onderdelen van de enkele voortdurende inbreuk die verband hielden met de brandstof‑ en veiligheidstoeslag. Het Gerecht heeft echter met betrekking tot de in Thailand toepasselijke regeling geconstateerd dat SAS Cargo e.a. hadden kunnen aantonen dat de autoriteiten van dat land vanaf 20 juli 2005 een rechtskader hadden gecreëerd waardoor concurrerend optreden tussen de vervoerders bij de vaststelling van het bedrag aan brandstoftoeslag voor uitgaande routes uit dat land niet meer mogelijk was. Het heeft ook vastgesteld dat de Commissie hen ten onrechte aansprakelijk had gesteld voor het onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk met betrekking tot de weigering om commissie te betalen.

49 In het kader van het vijfde middel heeft het Gerecht vastgesteld dat de Commissie, aangezien deze instelling SAS Cargo e.a. ten onrechte aansprakelijk had gesteld voor het onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk in verband met de weigering om commissie te betalen, de mate van hun deelname aan de enkele voortdurende inbreuk had overschat. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie derhalve de rechtmatigheid van het litigieuze besluit had aangetast, omdat de Commissie SAS Cargo e.a. geen verlaging van meer dan 10 % van het basisbedrag van de geldboete had toegekend wegens hun beperkte deelname aan de enkele voortdurende inbreuk.

50 Op grond van deze vaststellingen heeft het Gerecht het litigieuze besluit nietig verklaard in de in punt 45 hierboven genoemde mate en de vordering tot nietigverklaring voor het overige afgewezen.

51 Wat de vordering tot wijziging van het bedrag van de geldboete betreft heeft het Gerecht de over de EER(zonder Unie)-Zwitserlandroutes gerealiseerde inkomsten uitgesloten van de waarde van de verkopen aangezien deze routes niet binnen het bestek van de enkele voortdurende inbreuk vielen.

52 Gelet op het antwoord van de Commissie op een van de schriftelijke vragen van het Gerecht en ter waarborging van de gelijke behandeling van de beschuldigde vervoerders die beroep tegen het litigieuze besluit hadden ingesteld, heeft het Gerecht evenwel geoordeeld dat het van belang was om de omzet ter hoogte van 7991282 EUR van SAS Cargo e.a. over de routes die uitsluitend binnen respectievelijk Denemarken, Zweden en Noorwegen werden verzorgd (hierna: „binnenlandse routes”) alsnog op te nemen in de waarde van de verkopen die voor deze vervoerders in aanmerking moest worden genomen.

53 Bovendien heeft het Gerecht, gelet op zijn gedeeltelijke aanvaarding van bepaalde middelen tot nietigverklaring, de coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk verlaagd ten opzichte van de in het litigieuze besluit vastgestelde coëfficiënt, een extra bedrag vastgesteld dat iets lager was dan het door de Commissie vastgestelde bedrag en, wegens de beperkte deelname van rekwirantes aan de enkele voortdurende inbreuk, een verlagingspercentage toegepast dat hoger was dan het door de Commissie vastgestelde percentage. Het Gerecht heeft daarentegen geoordeeld dat de uitsluiting van bepaalde bewijzen geen extra verlaging wegens een beperkte deelname aan de enkele voortdurende inbreuk rechtvaardigde.

54 Op basis van deze elementen heeft het Gerecht geoordeeld dat de aan rekwirantes opgelegde geldboeten moesten worden vastgesteld op de in punt 45 hierboven vermelde bedragen.

55 Het Gerecht heeft het beroep verworpen voor het overige.

Vorderingen van partijen in hogere voorziening

56 SAS Cargo e.a. verzoeken het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarbij hun beroep tot nietigverklaring is verworpen; – het litigieuze besluit geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover het hen betreft; – de aan hen opgelegde geldboete nietig te verklaren of aanzienlijk te verlagen; – subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en – de Commissie te verwijzen in de kosten van zowel de hogere voorziening als de procedure bij het Gerecht.

57 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening te verwerpen en rekwirantes te verwijzen in de kosten; – subsidiair, indien de hogere voorziening wordt toegewezen, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en de beslissing omtrent de kosten aan te houden.

Hogere voorziening

58 Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren SAS Cargo e.a. vijf middelen aan. Hun eerste middel betreft onjuiste rechtsopvattingen van het Gerecht bij de beoordeling van de schending van hun rechten van verdediging en van hun recht op toegang tot het dossier. Hun tweede middel betreft onjuiste rechtsopvattingen inzake hun recht om te worden gehoord over de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen van mededingingsverstorende praktijken in de Unie (hierna: „criterium van de gekwalificeerde gevolgen”) en over de inkomende routes. Met hun derde middel stellen zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de toepassing van dit criterium. Hun vierde middel betreft onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling of er sprake is van één enkele voortdurende inbreuk. Met hun vijfde middel stellen zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht.

Eerste middel: rechten van de verdediging en recht op toegang tot het dossier

59 Het eerste middel van SAS Cargo e.a. bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel betogen zij dat het Gerecht hun rechten van verdediging en hun recht op toegang tot het administratieve dossier van de Commissie heeft geschonden door haar weigering om hun toegang te verlenen tot belastende bewijzen niet te bestraffen. Met het tweede onderdeel voeren zij dezelfde schendingen aan voor wat betreft de toegang tot ontlastende bewijzen.

Eerste onderdeel: belastende bewijzen

– Argumenten van partijen

60 SAS Cargo e.a. wijzen erop dat zij bij het Gerecht hadden aangevoerd dat hun rechten van verdediging waren geschonden doordat het litigieuze besluit is gebaseerd op beschrijvingen van regelgevingskaders en bestuurlijke praktijken van derde landen, die met name voortvloeien uit de antwoorden van andere vervoerders op de mededeling van punten van bezwaar en uit documenten die naar die antwoorden verwijzen. Deze documenten zijn hun echter niet meegedeeld, terwijl het gaat om belastend bewijs. Zoals blijkt uit de punten 104 tot en met 109, 115 en 124 van het bestreden arrest heeft het Gerecht weliswaar hun betoog met betrekking tot bepaalde antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar aanvaard, maar hun ten onrechte de toegang geweigerd tot andere categorieën belastende documenten.

61 In de eerste plaats heeft het Gerecht in punt 110 van het bestreden arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie zich niet had gebaseerd op niet openbaar gemaakte documenten inzake de veiligheidstoeslag in Japan. Uit de overwegingen 1008 en 1012 van het litigieuze besluit blijkt namelijk dat sommige partijen hadden verklaard dat onderlinge afstemming noodzakelijk was op het gebied van de brandstoftoeslag en niet op het gebied van de veiligheidstoeslag en voorts dat haar door andere vervoerders – weliswaar niet afdoende – bewijzen waren overgelegd. SAS Cargo e.a., die zelf opmerkingen over de veiligheidstoeslag hadden ingediend waaruit bleek dat overweging 1008 onjuist was, hadden dus toegang moeten hebben tot de antwoorden van deze andere vervoerders op de mededeling van punten van bezwaar om de vaststellingen van de Commissie dienaangaande na te gaan.

62 In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 112 tot en met 114 van dat arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat SAS Cargo e.a. geen toegang nodig hadden tot de documenten die de Commissie had gebruikt om de reguleringsstelsels van Japan en andere derde landen te beoordelen, op grond dat het litigieuze besluit slechts de toepasselijke bepalingen beschreef en de informatie over het rechtskader van de betrokken derde landen in beginsel openbaar en toegankelijk was.

63 Ten eerste is de inhoud van het nationale recht een feitelijke kwestie die met bewijzen moet worden vastgesteld. De conclusies van de Commissie betreffende de regelgeving van deze derde landen hadden dus noodzakelijkerwijs moeten worden gebaseerd op documenten in het dossier die niet openbaar zijn gemaakt. Voorts gaat het om belastend bewijs aangezien het tegen SAS Cargo e.a. is gebruikt. Ten tweede heeft het in dat punt 114 aangehaalde arrest van het Gerecht van 27 september 2006, Jungbunzlauer/Commissie (T‑43/02, EU:T:2006:270), geen betrekking op het nationale recht maar op de rechtspraak van de Unierechter, en is het dus niet relevant. Ten derde blijkt uit niets in het dossier dat de betrokken regelgeving toegankelijk was voor het publiek. Ten vierde worden in het litigieuze besluit ook de administratieve eisen vermeld die van toepassing zijn in de andere derde landen waarvan de reguleringsstelsels in dat besluit worden aangekaart, zoals blijkt uit de punten 558 tot en met 661 van het bestreden arrest. Deze eisen zijn echter niet openbaar voor het publiek.

64 In de derde plaats heeft het Gerecht niet geantwoord op het argument van SAS Cargo e.a. dat de Commissie hun toegang had moeten geven tot de antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar die betrekking hadden op de Japanse regelgeving. Zo heeft het Gerecht met name niet geantwoord op hun argument betreffende overweging 1011 van het litigieuze besluit, waarvan het echter akte heeft genomen in punt 103 van het bestreden arrest. Het Gerecht had op zijn minst moeten opmerken waarom het geen rekening heeft gehouden met de argumenten van SAS Cargo e.a. betreffende belastende bewijzen die tot de gedeeltelijke of volledige nietigverklaring van het litigieuze besluit had kunnen leiden.

65 De conclusies van het Gerecht in de punten 115 en 124 van het bestreden arrest zijn, gelet op het voorgaande, eveneens onjuist.

66 De Commissie antwoordt dat dit onderdeel ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

67 Als uitvloeisel van het beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging impliceert het recht op toegang tot het dossier dat de Commissie de betrokken onderneming de mogelijkheid moet geven om alle stukken van het onderzoeksdossier te onderzoeken die relevant kunnen zijn voor haar verdediging. Daartoe behoren zowel de belastende als de ontlastende stukken, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie (arrest van 1 juli 2010, Knauf Gips/Commissie, C‑407/08 P, EU:C:2010:389, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 14 mei 2020, NKT Verwaltung en NKT/Commissie, C‑607/18 P, EU:C:2020:385, punt 262).

68 Volgens vaste rechtspraak van het Hof levert het feit dat een document niet is meegedeeld slechts een schending van de rechten van verdediging op wanneer de betrokken onderneming aantoont dat de Commissie dat document heeft gebruikt om haar grief te staven dat een inbreuk is gepleegd, en deze grief alleen met dat document kan worden bewezen. Indien er andere schriftelijke bewijzen bestaan waarvan partijen tijdens de administratieve procedure kennis hadden en die specifiek de conclusies van de Commissie staven, doet het wegvallen van een niet-meegedeeld belastend stuk als bewijs niet af aan de gegrondheid van de in het bestreden besluit in aanmerking genomen grieven. De betrokken onderneming dient dus aan te tonen dat de Commissie in haar beschikking tot een ander resultaat zou zijn gekomen indien een niet-meegedeeld document op grond waarvan de Commissie deze onderneming heeft beschuldigd, als belastend bewijsmiddel zou zijn uitgesloten (arrest van 1 juli 2010, Knauf Gips/Commissie, C‑407/08 P, EU:C:2010:389, punt 13 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

69 In de eerste plaats moet, wat in de onderhavige zaak de grief tegen punt 110 van het bestreden arrest betreft, worden opgemerkt dat het Gerecht in dat punt erop heeft gewezen dat uit de in overweging 1012 van het litigieuze besluit aangehaalde passage, die luidt dat „partijen niet [hebben] gesteld dat zij hun gedragingen op het gebied van de veiligheidstoeslag of commissies over de toeslagen onderling moesten afstemmen”, niet blijkt dat de Commissie zich op niet openbaar gemaakte belastende gegevens heeft gebaseerd. In dat verband heeft het Gerecht erop gewezen dat de Commissie met deze vaststelling enkel opmerkte dat in antwoord op de mededeling van punten van bezwaar geen enkel bewijs van een dergelijke verplichting is verstrekt.

70 Door in essentie te stellen dat de Commissie het vermeende ontbreken van beweringen over een verplichting om de veiligheidstoeslag onderling af te stemmen op zich als belastend bewijs heeft aangemerkt, betwisten SAS Cargo e.a. in feite enkel de lezing van overweging 1012 in het bestreden arrest door het Gerecht.

71 De hogere voorziening is overeenkomstig artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie echter beperkt tot rechtsvragen.

72 Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen alsmede om de bewijzen te beoordelen. Wanneer deze bewijzen volgens de ter zake geldende regels zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen alsmede de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, is het namelijk uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen welke waarde moet worden gehecht aan de overgelegde bewijzen. De beoordeling van deze feiten en bewijzen levert, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig door het Hof kan worden getoetst in hogere voorziening (arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punt 22, en 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

73 Deze grief is dus niet-ontvankelijk aangezien SAS Cargo e.a. niet stellen dat het Gerecht in punt 110 van het bestreden arrest het litigieuze besluit onjuist heeft opgevat.

74 Voor zover SAS Cargo e.a. betogen dat overweging 1008 van het litigieuze besluit onjuist was, volstaat de vaststelling dat dit betoog niet is gericht tegen het bestreden arrest, waarvan de betwiste passages deze overweging zelfs niet specifiek vermelden, maar tegen het litigieuze besluit. Dit betoog moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard (zie naar analogie arrest van 29 juni 2023, TUIfly/Commissie, C‑763/21 P, EU:C:2023:528, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

75 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat het Gerecht, zoals in punt 111 van het bestreden arrest is vermeld, in de punten 112 tot en met 114 ervan heeft geantwoord op het betoog van SAS Cargo e.a. inzake niet openbaar gemaakte documenten die de Commissie ter onderbouwing heeft gebruikt en die niet noodzakelijkerwijs afkomstig waren van andere vervoerders tot wie de mededeling van punten van bezwaar was gericht. Zij verwezen in dit verband naar de documenten op basis waarvan de Japanse wetgeving en de overeenkomsten inzake luchtdiensten (hierna: „ASA’s”) die van toepassing waren in andere derde landen dan Hongkong en Japan, zouden zijn geanalyseerd en die in de overwegingen 998 tot en met 1001, 1009, 1010 en 1013 tot en met 1019 van het litigieuze besluit zijn vermeld.

76 In punt 112 van dat arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat overwegingen 998 tot en met 1001, 1009, 1010 en 1013 tot en met 1019 niet verwezen naar enig stuk in het onderzoeksdossier en dat de Commissie zich had beperkt tot een beschrijving van de toepasselijke bepalingen van de Japanse wetgeving en de ASA’s waarbij de betrokken derde landen partij zijn, en tot de vaststelling dat niet was aangetoond dat deze bepalingen de vervoerders ertoe verplichten om hun tarieven onderling af te stemmen. Het Gerecht heeft ook opgemerkt dat bepaalde vervoerders tot wie de mededeling van punten van bezwaar was gericht, naar de betrokken bepalingen verwezen in hun betoog in antwoord op deze mededeling, zoals bleek uit de overwegingen 1002, 1003 en 1013 van het litigieuze besluit.

77 In punt 113 van dat arrest heeft het Gerecht opgemerkt dat SAS Cargo e.a. verzuimden uit te leggen in welk opzicht de betrokken passages van dat besluit het bestaan aantoonden van een of meerdere niet openbaar gemaakte belastende documenten waarop de Commissie zich had gebaseerd.

78 In punt 114 van dat arrest heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat, zelfs als werd verondersteld dat rekwirantes beoogden de Commissie te verwijten dat zij hun geen toegang had verleend tot de tekst van de betrokken rechtsbepalingen, het rechtskader op het gebied van toeslagen in Japan en de andere betrokken derde landen op zich geen belastend element kan vormen en dat deze informatie in beginsel hoe dan ook publiek en toegankelijk is. Het Gerecht heeft voorts toegevoegd dat de mededeling van punten van bezwaar hen tijdens de administratieve procedure overigens in staat had gesteld om hun standpunt over de betrokken rechtsbepalingen op zinvolle wijze kenbaar te maken.

79 Uit deze elementen blijkt om te beginnen dat het Gerecht in de punten 112 en 113 van het bestreden arrest niet heeft vastgesteld dat SAS Cargo e.a. geen toegang nodig hadden tot de documenten die de Commissie had gebruikt om de reguleringsstelsels van Japan en andere derde landen te beoordelen, zoals zij in deze grief stellen, maar dat de passages van het litigieuze besluit waarnaar zij verwezen niet het bestaan aantoonden van niet openbaar gemaakte belastende documenten waarop de Commissie zich in dat besluit had gebaseerd. De kritiek op die punten moet dus ongegrond worden verklaard voor zover zij is gebaseerd op deze onjuiste lezing van het bestreden arrest.

80 Voor zover SAS Cargo e.a. vervolgens tegen punt 114 van het bestreden arrest aanvoeren dat het inderdaad om belastende documenten gaat, dat de in punt 114 aangehaalde rechtspraak niet relevant is en dat niet is aangetoond dat de betrokken regelgeving openbaar is, volstaat het op te merken dat dit betoog betrekking heeft op overwegingen van het Gerecht die ten overvloede zijn geformuleerd, zoals blijkt uit de punten 75 tot en met 78 van dit arrest. Dit betoog moet derhalve als niet ter zake dienend worden afgewezen op grond van de vaste rechtspraak van het Hof dat grieven tegen in een uitspraak van het Gerecht ten overvloede geformuleerde overwegingen niet tot vernietiging van die uitspraak leiden en dus niet ter zake dienend zijn (arresten van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 537, en 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie, C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 263 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

81 Voor zover SAS Cargo e.a. de punten 558 tot en met 561 van het bestreden arrest betwisten, kan ten slotte worden volstaan met de opmerking dat het Gerecht in die punten heeft verwezen naar instructies van het Thaise ministerie van Luchtvaart in een brief die SAS Cargo e.a. zowel tijdens de administratieve procedure als bij het Gerecht hadden overgelegd. SAS Cargo e.a. voeren geen enkel juridisch argument aan waaruit blijkt hoe deze vaststelling zou kunnen wijzen op een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de beoordeling in de punten 103 tot en met 115 van het bestreden arrest van het betoog dat SAS Cargo e.a. met betrekking tot beweerdelijk belastende bewijzen hadden aangevoerd.

82 Overeenkomstig artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie alsmede artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet een hogere voorziening duidelijk aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of van het betrokken middel. De onderdelen van een hogere voorziening waarin geen argumenten naar voren worden gebracht waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoen niet aan dit vereiste en moeten niet-ontvankelijk worden verklaard (arrest van 4 oktober 2024, Ferriere Nord/Commissie, C‑31/23 P, EU:C:2024:851, punten 51 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

83 De grief betreffende de punten 558 tot en met 561 is derhalve niet-ontvankelijk.

84 In de derde plaats zij eraan herinnerd dat de motiveringsplicht die op het Gerecht rust krachtens artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 53, eerste alinea, ervan, inhoudt dat het Gerecht duidelijk en ondubbelzinnig de door deze rechterlijke instantie gevolgde redenering tot uitdrukking moet laten komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen (arresten van 11 april 2013, Mindo/Commissie, C‑652/11 P, EU:C:2013:229, punt 29, en 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie, C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

85 De motiveringsplicht verlangt echter niet van het Gerecht dat het een uitputtende uiteenzetting geeft die achtereenvolgens alle door de partijen in het geding uitgedrukte redeneringen volgt. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarop het Gerecht zich baseert en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht in het kader van een hogere voorziening uit te oefenen (arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 372, en 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie, C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 114 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

86 Uit de punten 103 tot en met 109 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht heeft geantwoord op het betoog van SAS Cargo e.a. dat de Commissie hun toegang had moeten geven tot de aangevoerde antwoorden van de andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar die betrekking hadden op de Japanse regelgeving. Zoals in punt 103 is vermeld, had dit betoog met name betrekking op overweging 1011 van het litigieuze besluit, die juist verband houdt met de antwoorden van Japan Airlines en andere vervoerders op de mededeling van punten van bezwaar over de brandstoftoeslag voor vluchten vanuit Japan. Gelet op de in de punten 84 en 85 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak is de gestelde niet-nakoming door het Gerecht van zijn motiveringsplicht dus niet aangetoond.

87 Uit het voorgaande volgt dat het eerste onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond moet worden verklaard.

Tweede onderdeel: ontlastende bewijzen

– Argumenten van partijen

88 SAS Cargo e.a. wijzen erop dat zij bij het Gerecht schending van hun rechten van verdediging hebben aangevoerd aangezien de Commissie hun na de mededeling van punten van bezwaar de door haar ontvangen mogelijk ontlastende documenten niet had verstrekt, waaronder zich met name antwoorden op deze mededeling van andere vervoerders bevonden alsmede de opmerkingen van andere adressaten van deze mededeling die aan het Gerecht waren overgelegd in het kader van hun beroepen tegen het oorspronkelijke besluit. Door dit betoog te verwerpen heeft het Gerecht blijk gegeven van onjuiste rechtsopvattingen.

89 In de eerste plaats heeft het Gerecht in punt 123 van het bestreden arrest geoordeeld dat het uit zijn arrest van 29 juni 1995, Solvay/Commissie (T‑30/91, EU:T:1995:115), voortvloeiende beginsel dat het niet aan de Commissie alleen is om te beslissen of een document relevant is voor de verdediging, niet van toepassing is op bewijzen die dateren van na de mededeling van punten van bezwaar. Het door het Gerecht in dit verband aangehaalde arrest, namelijk het arrest van het Gerecht van 16 juni 2011, Heineken Nederland en Heineken/Commissie (T‑240/07, EU:T:2011:284), sluit niet uit dat toegang wordt verleend wanneer dat noodzakelijk is om het beginsel van „equality of arms” te eerbiedigen. Het recht op behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces, die zijn opgenomen in de artikelen 41 en 47 van het Handvest, vereisen dat de vervolgingsautoriteiten alle relevante bewijzen waarover zij beschikken meedelen. Om te bepalen of toegang tot het bewijs moet worden verleend, is de kernvraag niet wanneer dat bewijs in het dossier van de Commissie is opgenomen, maar of het nuttig had kunnen zijn voor de verdediging. In dit verband beroepen rekwirantes zich erop dat aan de door het Handvest verleende rechten dezelfde reikwijdte moet worden toegekend als aan de gelijkwaardige rechten die worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) moeten de vervolgingsautoriteiten alle relevante bewijzen waarover zij beschikken – zowel belastend als ontlastend – meedelen, ook al achten zij deze niet relevant.

90 In de tweede plaats is de verwijzing in punt 117 van het bestreden arrest naar het arrest van het Gerecht van 12 juli 2011, Hitachi e.a./Commissie (T‑112/07, EU:T:2011:342), niet relevant, aangezien dit arrest betrekking heeft op „argumenten” van andere adressaten van de mededeling van punten van bezwaar, terwijl SAS Cargo e.a. toegang hebben gevraagd tot de „gegevens” van andere vervoerders. De ontlastende bewijzen van een vervoerder zouden zeer waarschijnlijk ook andere vervoerders vrijpleiten, zoals de Commissie heeft erkend door bepaalde bewijzen openbaar te maken die dateren van na deze mededeling.

91 In de derde plaats heeft het Gerecht in de punten 118 tot en met 122 van het bestreden arrest de bewijzen onjuist opgevat en niet geantwoord op rekwirantes’ betoog, door te oordelen dat zij geen begin van bewijs hadden geleverd van het nut van de gevraagde documenten voor de procedure. In het verzoekschrift en in de memorie van repliek voor het Gerecht is een dergelijk begin van bewijs echter uiteengezet voor wat betreft de gedragingen van de WOW‑alliantie, praktijken in derde landen, interne speculaties van andere vervoerders over SAS Cargo e.a. en uiteenlopende lokale praktijken, alsmede de verticale overeenkomsten voor de levering van capaciteit en de bijbehorende e‑mails aan zogenoemde „beste partners”. Deze elementen zijn voor een zeer groot deel niet door het Gerecht onderzocht.

92 Wat in het bijzonder deze e‑mails betreft heeft het Gerecht in de punten 476 tot en met 487 van het bestreden arrest de plausibele verklaring van SAS Cargo e.a. afgewezen dat deze door Lufthansa op ongevraagde en niet-wederkerige wijze waren verzonden aan de luchtvaartmaatschappijen die haar klanten waren, zodat het Gerecht die e‑mails als belastend bewijs heeft behandeld. In de verwante zaak die heeft geleid tot het arrest van het Gerecht van 30 maart 2022, Latam Airlines Group en Lan Cargo/Commissie (T‑344/17, EU:T:2022:185), heeft het Gerecht in punt 512 daarvan dezelfde e‑mails echter als ontlastend bewijs behandeld. Aldus heeft het Gerecht het beginsel geschonden dat een arrest met inbegrip van de motivering ervan erga omnes moet worden toegepast. Identieke bewijzen moeten, ongeacht de zaak, op dezelfde wijze worden beoordeeld.

93 Wat in de vierde plaats het door niet-beschuldigde vervoerders verstrekte bewijs betreft heeft het Gerecht in punt 121 van het bestreden arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of, subsidiair, zijn besluit niet gemotiveerd door te oordelen dat het betoog van SAS Cargo e.a. was gebaseerd op „uiterst algemene vermoedens”. In werkelijkheid hebben laatstgenoemden specifieke bewijzen overgelegd voor het feit dat de antwoorden van Air Canada en een andere luchtvaartmaatschappij, voor zover het hen betreft, ontlastend bewijs of, met andere woorden, en begin van bewijs bevatten dat deze documenten nuttig zouden zijn geweest voor hun verdediging. Het Gerecht heeft dus het beginsel van „equality of arms” en de rechten van de verdediging geschonden. SAS Cargo e.a. verwijzen met name naar de punten 477 en 478 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht zich baseert op e-mails tussen Lufthansa en een andere vervoerder als belastend bewijs tegen SAS Cargo e.a. Lufthansa is echter niet beschuldigd. Voorts hebben SAS Cargo e.a. geen toegang kunnen krijgen tot de door Lufthansa aangevoerde verweermiddelen en bewijzen, hetgeen sterk wijst op een weigering om toegang te verlenen tot ontlastende bewijzen. Het Gerecht heeft niet uitgelegd waarom dit begin van bewijs ontoereikend was en heeft zich niet uitgesproken over al het aangevoerde begin van bewijs.

94 In de vijfde plaats heeft het Gerecht in punt 118 van het bestreden arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat indien SAS Cargo e.a. toegang tot potentieel ontlastende bewijzen zou worden verleend na de mededeling van punten van bezwaar, zij zouden profiteren van de inspanningen van andere vervoerders en de grotere hoeveelheid middelen die deze vervoerders in voorkomend geval daaraan hebben besteed. De middelen van een persoon mogen geen gevolgen hebben voor zijn rechten van verdediging. Uit de rechtspraak blijkt enkel dat de argumenten in de andere antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar niet als ontlastend kunnen worden beschouwd.

95 De Commissie betoogt dat dit onderdeel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

96 Wat het niet meedelen van een beweerdelijk ontlastend document betreft is het vaste rechtspraak dat de betrokken onderneming enkel hoeft aan te tonen dat het verloop van de procedure en de inhoud van het besluit van de Commissie – ten nadele van deze onderneming – kunnen zijn beïnvloed doordat dit document niet is overgelegd. Het volstaat dus dat de onderneming aantoont dat zij die ontlastende stukken voor haar verweer had kunnen gebruiken doordat, indien zij zich tijdens de administratieve procedure daarop had kunnen beroepen, zij elementen had kunnen aanvoeren die niet overeenstemden met de deducties die de Commissie in dat stadium had verricht en dus op enigerlei wijze het oordeel van de Commissie in de eventuele beschikking had kunnen beïnvloeden, althans wat de zwaarte en de duur van het haar verweten gedrag en derhalve de hoogte van de geldboete betreft. De betrokken onderneming moet dus aantonen, ten eerste, dat zij tot bepaalde ontlastende bewijzen geen toegang heeft gehad en, ten tweede, dat zij deze voor haar verweer had kunnen gebruiken (zie in die zin arresten van 1 juli 2010, Knauf Gips/Commissie, C‑407/08 P, EU:C:2010:389, punten 23 en 24, en 14 mei 2020, NKT Verwaltung en NKT/Commissie, C‑607/18 P, EU:C:2020:385, punt 265 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

97 In de eerste plaats moet in de onderhavige zaak worden opgemerkt dat het Gerecht, zoals SAS Cargo e.a. stellen, in punt 123 van het bestreden arrest heeft aangegeven dat zij zich tevergeefs beriepen op het arrest van het Gerecht van 29 juni 1995, Solvay/Commissie (T‑30/91, EU:T:1995:115), aangezien het Gerecht in punt 254 van zijn arrest van 16 juni 2011, Heineken Nederland en Heineken/Commissie (T‑240/07, EU:T:2011:284), reeds had geoordeeld dat de overweging dat het niet alleen aan de Commissie stond om te bepalen welke documenten voor het verweer van de betrokken onderneming van nut konden zijn, betrekking had op stukken die zich in het dossier van de Commissie bevonden en niet kon worden toegepast op antwoorden van andere betrokken partijen op de door de haar meegedeelde punten van bezwaar.

98 Door te stellen dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie het potentieel ontlastende bewijs in de antwoorden van de andere deelnemers aan de mededingingsregeling op de mededeling van punten van bezwaar mocht beoordelen, vorderen SAS Cargo e.a. in wezen het recht op volledige en automatische toegang tot die antwoorden. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, bestaat een dergelijk recht echter niet. Aangezien het immers aan de onderneming is die zich op schending van haar rechten van verdediging beroept om een eerste aanwijzing te geven van het nut voor haar verdediging van dergelijke documenten die haar niet waren meegedeeld door de Commissie, kan niet worden geoordeeld dat de Commissie de rechten van verdediging van een onderneming heeft geschonden enkel doordat zij geen volledige en automatische toegang heeft verleend tot de antwoorden van de andere deelnemers aan de mededingingsregeling op de mededeling van punten van bezwaar (zie in die zin arresten van 28 november 2019, Brugg Kabel en Kabelwerke Brugg/Commissie, C‑591/18 P, EU:C:2019:1026, punt 40, en 14 mei 2020, NKT Verwaltung en NKT/Commissie, C‑607/18 P, EU:C:2020:385, punten 259, 260 en 265).

99 In dit verband moet worden opgemerkt dat de door SAS Cargo e.a. aangevoerde rechtspraak van het EHRM geen recht verleent op volledige en automatische toegang tot het dossier tijdens een administratieve procedure. SAS Cargo e.a. leggen hoe dan ook niet uit hoe deze rechtspraak afbreuk kan doen aan de benadering van de Commissie, die er juist in bestaat dat toegang wordt verleend tot documenten die zij na de mededeling van punten van bezwaar heeft ontvangen wanneer deze nieuwe, belastende of ontlastende, bewijzen kunnen vormen (zie naar analogie arrest van 14 mei 2020, NKT Verwaltung en NKT/Commissie, C‑607/18 P, EU:C:2020:385, punten 268 en 269).

100 De eerste grief van dit onderdeel is dus ongegrond.

101 Wat in de tweede plaats de grief inzake punt 117 van het bestreden arrest betreft moet worden opgemerkt dat het Gerecht daarin heeft opgemerkt dat SAS Cargo e.a. zich grotendeels enkel baseerden op het feit dat bepaalde beschuldigde vervoerders of adressaten van de mededeling van punten van bezwaar dezelfde argumenten hadden aangevoerd als zij in hun antwoorden op deze mededeling of in hun opmerkingen voor het Gerecht hadden gedaan. Onder verwijzing naar de punten 43 en 44 van zijn arrest van 12 juli 2011, Hitachi e.a./Commissie (T‑112/07, EU:T:2011:342), heeft het Gerecht opgemerkt dat dergelijke overwegingen echter niet geschikt zijn om het bestaan van ontlastend bewijs te kenschetsen.

102 Wat het niet meedelen van een ontlastend document betreft volgt uit de reeds in punt 96 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak dat de betrokken onderneming moet aantonen dat het verloop van de procedure en de inhoud van het besluit van de Commissie ten nadele van deze onderneming kunnen zijn beïnvloed doordat dit document niet is overgelegd. Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat SAS Cargo e.a. met hun algemene verklaringen voor het Gerecht, die het Gerecht in punt 117 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, aan die bewijslast hebben voldaan.

103 De grief tegen punt 117 van het bestreden arrest is derhalve ongegrond.

104 In de derde plaats moet worden opgemerkt dat SAS Cargo e.a., voor zover zij betogen dat het Gerecht in de punten 118 tot en met 122 van het bestreden arrest de bewijzen onjuist heeft opgevat en niet heeft geantwoord op hun betoog, niet opkomen tegen het juridische criterium dat in punt 118 is genoemd en in essentie in het voorgaande punt in herinnering is gebracht, maar tegen de toepassing ervan door het Gerecht.

105 In dit verband heeft het Gerecht in punt 119 van het bestreden arrest verwezen naar de documenten die ten grondslag lagen aan de verklaring van de Commissie betreffende de WOW‑alliantie in haar besluit van 4 juli 2005 in zaak COMP/M.3770 – Lufthansa/Swiss (PB 2005, C 204, blz. 3) en in essentie opgemerkt dat de Commissie zich niet op deze documenten had gebaseerd in het kader van de procedure die tot het litigieuze besluit heeft geleid. In punt 120 van het bestreden arrest heeft het Gerecht ook de gegevens onderzocht die zouden bewijzen dat er capaciteitsovereenkomsten zijn gesloten tussen Lufthansa en de adressaten van een aantal door Lufthansa verstuurde e‑mails over een aanpassing van de brandstoftoeslagtarieven. In deze context heeft het Gerecht opgemerkt dat SAS Cargo e.a. reeds in hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar dienaangaande het argument hadden aangevoerd dat zij dankzij gegevens uit het onderzoeksdossier reeds beschikten over een opsomming van vervoerders die partij waren bij een overeenkomst voor de aankoop van capaciteit met Lufthansa, en dat de Commissie hun argument in overweging 797 van het litigieuze besluit had verworpen. Daaruit heeft het Gerecht afgeleid dat SAS Cargo e.a. niet hadden aangetoond dat de mededeling van deze gegevens voor hen nuttig had kunnen zijn in het kader van hun verdediging.

106 In punt 121 van het bestreden arrest heeft het Gerecht ook het betoog van SAS Cargo e.a. onderzocht dat zij aan de door de niet-beschuldigde vervoerders overgelegde gegevens ontlastend bewijs ten behoeve van hun verdediging hadden kunnen ontlenen, aangezien deze vervoerders betrokken waren bij de litigieuze contacten die in het litigieuze besluit tegen SAS Cargo e.a. zijn aangevoerd. In dit verband heeft het geoordeeld dat SAS Cargo e.a. „op basis van uiterst algemene vermoedens” handelden en dat de door hen geformuleerde hypothese, door de algemeenheid ervan, echter geen voldoende nauwkeurige aanwijzing kon vormen voor het bestaan van ontlastend bewijs in de antwoorden van die vervoerders. In punt 122 van dat arrest heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat hetzelfde gold voor hun argument dat de bewijzen betreffende het merendeel van deze gedragingen in het bezit zijn van de andere beschuldigde vervoerders, aangezien hun werknemers slechts aan „een zeer klein deel” van de betrokken gedragingen hebben deelgenomen.

107 Vastgesteld moet dus worden dat SAS Cargo e.a. met hun kritiek op de punten 119 tot en met 122 van het bestreden arrest in feite de beoordeling van de feiten en bewijzen in deze punten door het Gerecht betwisten. De eventuele relevantie en bewijswaarde van de gestelde ontlastende bewijzen hebben immers duidelijk een feitelijk karakter, zodat zij als zodanig niet vatbaar zijn voor toetsing door het Hof (arrest van 19 december 2012, Heineken Nederland en Heineken/Commissie, C‑452/11 P, EU:C:2012:829, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Derhalve is deze kritiek niet-ontvankelijk.

108 In dit verband kan niet worden geoordeeld dat het Gerecht, zoals SAS Cargo e.a. eveneens stellen, in de punten 119 tot en met 122 de bewijzen onjuist heeft opgevat en niet heeft geantwoord op hun betoog. Van een onjuiste opvatting is sprake wanneer, zonder gebruik te maken van nieuwe bewijzen, de beoordeling van de bestaande bewijzen kennelijk onjuist of kennelijk in strijd met de bewoordingen ervan blijkt te zijn. Een dergelijke onjuiste opvatting moet echter duidelijk uit de stukken van het dossier blijken, zonder dat de feiten en bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld. Wanneer een rekwirant stelt dat bewijzen door het Gerecht onjuist zijn voorgesteld, moet hij bovendien precies aangeven welk bewijs volgens hem door het Gerecht onjuist is voorgesteld en aantonen welke fouten in de analyse het Gerecht tot deze verkeerde voorstelling hebben gebracht (zie in die zin arresten van 26 september 2024, JCDecaux Street Furniture Belgium/Commissie, C 710/22 P, EU:C:2024:787, punt 63, en 22 mei 2025, Luossavaara-Kiirunavaara/Commissie, C‑621/23 P, EU:C:2025:368, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

109 Gelet op deze eisen is het in punt 91 hierboven uiteengezette betoog ontoereikend om de gestelde onjuiste opvattingen aan te tonen, aangezien SAS Cargo e.a. met name niet uiteenzetten in welk opzicht de beoordeling van het Gerecht in het bestreden arrest kennelijk onjuist is.

110 Voorts kan, gelet op de reeds in de punten 84 en 85 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, niet worden geoordeeld dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen doordat het in de punten 119 tot en met 122 van het bestreden arrest de door SAS Cargo e.a. aangevoerde argumenten heeft afgewezen.

111 In de vierde plaats volstaat het op te merken dat SAS Cargo e.a., met het in punt 93 hierboven uiteengezette betoog, punt 121 van het bestreden arrest opnieuw betwisten door argumenten aan te voeren die vergelijkbaar zijn met de reeds in de punten 104 tot en met 110 hierboven afgewezen argumenten. Dit betoog moet derhalve deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard.

112 In de vijfde plaats heeft het in punt 94 hierboven uiteengezette betoog enkel betrekking op de tweede volzin van punt 118 van het bestreden arrest, die een overweging ten overvloede vormt zoals uit het woord „voorts” blijkt, zodat het niet ter zake dienend is overeenkomstig de in punt 80 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.

113 Uit het voorgaande volgt dat het tweede onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening en bijgevolg dit eerste middel in zijn geheel als deels niet-ontvankelijk, deels niet ter zake dienend en deels ongegrond moeten worden afgewezen.

Tweede middel: recht om te worden gehoord over het criterium van de gekwalificeerde gevolgen

114 Het tweede middel van SAS Cargo e.a. bestaat uit drie onderdelen. Met het eerste onderdeel betogen zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door te oordelen dat het feit dat de Commissie zich in het litigieuze besluit op het criterium van de gekwalificeerde gevolgen had gebaseerd zonder dat dit criterium in de mededeling van punten van bezwaar was vermeld, geen schending inhield van hun recht om te worden gehoord. Met het tweede onderdeel betogen zij dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de bewijzen die in dat besluit zijn aangevoerd om een beroep te doen op de toepassing van dit criterium, reeds voldoende waren uiteengezet in de mededeling van punten van bezwaar. Met het derde onderdeel betogen zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door te oordelen dat uit hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar bleek dat hun rechten van verdediging waren geëerbiedigd.

Eerste onderdeel: noodzaak om het criterium van de gekwalificeerde gevolgen in de mededeling van punten van bezwaar te vermelden

– Argumenten van partijen

115 SAS Cargo e.a. betogen dat het Gerecht in punt 140 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met de vaststelling dat de Commissie, door zich op het criterium van de gekwalificeerde gevolgen te baseren om haar bevoegdheid vast te stellen, geen nieuwe grieven had aangevoerd en evenmin de inhoud van de in de mededeling van punten van bezwaar vermelde grieven had gewijzigd. De rechtspraak vereist dat een mededeling van punten van bezwaar de tegen de adressaat van deze mededeling in aanmerking genomen elementen bevat, maar ook de kwalificatie daarvan. Aangezien het Gerecht in punt 140 heeft erkend dat de mededeling van punten van bezwaar niet verwees naar het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, had het niet terecht kunnen oordelen dat het irrelevant was dat dit criterium tijdens de administratieve procedure niet specifiek was besproken en dat dit geen schending van hun rechten van verdediging meebracht. De Commissie had op zijn minst een aanvullende mededeling van punten van bezwaar bij die van 2007 moeten vaststellen en een nieuwe hoorzitting moeten organiseren, aangezien zij belangrijke correcties in haar analyse had aangebracht.

116 Anders dan de Commissie stelt, hebben SAS Cargo e.a. in punt 34 van hun verzoekschrift voor het Gerecht een argument aangevoerd inzake een onjuiste „kwalificatie van de feiten”, namelijk dat in de mededeling van punten van bezwaar niet was vermeld dat de Commissie voornemens was zich op de feiten te baseren om „onmiddellijke, wezenlijke en voorzienbare gevolgen” aan te tonen of om het criterium van de gekwalificeerde gevolgen toe te passen. SAS Cargo e.a. betogen ook dat zij niet verplicht zijn hun hogere voorziening in dezelfde bewoordingen te formuleren als die van hun verzoekschrift.

117 De Commissie antwoordt dat dit onderdeel krachtens artikel 170 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet-ontvankelijk is. SAS Cargo e.a. hebben bij het Gerecht namelijk niet aangevoerd dat de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar het criterium van de gekwalificeerde gevolgen had moeten uiteenzetten „door middel van een kwalificatie van de feiten”, maar enkel dat de analyse van de Commissie was gebaseerd op feitelijke vaststellingen die hun niet waren meegedeeld, dat in de mededeling van punten van bezwaar niet was vermeld dat de Commissie voornemens was zich te baseren op de later in overweging 1045 van het litigieuze besluit gespecificeerde feiten en dat hun niet de mogelijkheid was geboden om op deze beweringen te reageren. Dit onderdeel is volgens de Commissie hoe dan ook ongegrond.

– Beoordeling door het Hof

118 Volgens artikel 170, lid 1, tweede volzin, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof mag het voorwerp van het geschil voor het Gerecht in hogere voorziening niet worden gewijzigd. Zo is het Hof in het kader van het onderzoek in hogere voorziening enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen die voor de rechter in eerste aanleg zijn aangevoerd. Een partij kan bijgevolg een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren, aangezien zij anders bij het Hof, waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig zou mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen (arresten van14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie, C‑280/08 P, EU:C:2010:603, punt 34, en 2 februari 2023, Spanje e.a./Commissie, C‑649/20 P, C‑658/20 P en C‑662/20 P, EU:C:2023:60, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

119 Een rekwirant mag niettemin een hogere voorziening instellen waarin hij voor het Hof middelen en argumenten aanvoert die uit het bestreden arrest voortvloeien en ertoe strekken de gegrondheid van dat arrest in rechte te betwisten (arresten van 29 november 2007, Stadtwerke Schwäbisch Hall e.a./Commissie, C‑176/06 P, EU:C:2007:730, punt 17, en 2 februari 2023, Spanje e.a./Commissie, C‑649/20 P, C‑658/20 P en C‑662/20 P, EU:C:2023:60, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

120 In het onderhavige geval blijkt uit het bestreden arrest en in het bijzonder uit punt 133 ervan inderdaad niet dat SAS Cargo e.a. bij het Gerecht een grief hebben geformuleerd dat in de mededeling van punten van bezwaar geen juridische kwalificatie van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was gegeven. Bovendien stellen zij niet dat het Gerecht in dat arrest de door hen aangevoerde argumenten onjuist heeft opgevat.

121 Zoals zij in het kader van dit onderdeel aanvoeren, blijkt echter uit punt 34 van hun verzoekschrift in eerste aanleg dat zij bij het Gerecht hadden aangevoerd dat in de mededeling van punten van bezwaar niet het voornemen van de Commissie was vermeld om zich te baseren op de feitelijke vaststellingen in deze mededeling, die zij overigens betwistten teneinde „onmiddellijke, wezenlijke en voorzienbare gevolgen” aan te tonen of om „het criterium van de gekwalificeerde gevolgen toe te passen”.

122 Zij hebben daarmee inderdaad niet uitdrukkelijk aangevoerd dat de Commissie heeft nagelaten om de grondslag van haar internationale bevoegdheid juridisch te kwalificeren. In punt 140 van het bestreden arrest heeft het Gerecht evenwel vastgesteld dat tussen partijen vaststond dat in de mededeling van punten van bezwaar, anders dan in het litigieuze besluit, niet werd verwezen naar het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, en in punt 145 van dat arrest dat de omstandigheid dat dit criterium tijdens de administratieve procedure niet specifiek was besproken, irrelevant was voor de beoordeling van de eerbiediging van hun rechten van verdediging, gelet op de in de punten 140 tot en met 144 daarvan door het Gerecht vermelde punten.

123 Tegen deze achtergrond en gelet op de in punt 119 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak moet het door de Commissie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen en het onderhavige onderdeel ten gronde worden onderzocht.

124 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging in elke procedure die kan leiden tot de oplegging van sancties, met name geldboeten of dwangsommen, een grondbeginsel is van het Unierecht, dat volledig in acht moet worden genomen (zie in die zin arresten van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie, 85/76, EU:C:1979:36, punt 9, en 16 juni 2022, Quanta Storage/Commissie, C‑699/19 P, EU:C:2022:483, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

125 Uit dien hoofde bepaalt verordening nr. 1/2003 dat aan partijen een mededeling van punten van bezwaar wordt toegezonden die duidelijk de belangrijkste feiten moet vermelden waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert. Een dergelijke mededeling van punten van bezwaar vormt de procedurele waarborg voor de toepassing van het grondbeginsel van Unierecht dat de rechten van de verdediging in elke procedure die tot een sanctie kan leiden, moeten worden geëerbiedigd. Dit beginsel vereist met name dat de mededeling van punten van bezwaar die de Commissie richt aan een onderneming waaraan zij wegens schending van de mededingingsregels een sanctie wil opleggen, de voornaamste tegen deze onderneming in aanmerking genomen elementen bevat, zoals de verweten feiten, de kwalificatie daarvan, de zwaarte en de duur van de veronderstelde inbreuk en de bewijsmiddelen waarop de Commissie zich baseert, zodat deze onderneming in de gelegenheid is om op zinvolle wijze haar argumenten aan te voeren in het kader van de tegen haar ingeleide administratieve procedure (zie in die zin arresten van 29 juni 2006, Showa Denko/Commissie, C‑289/04 P, EU:C:2006:431, punt 69, en 16 juni 2022, Quanta Storage/Commissie, C‑699/19 P, EU:C:2022:483, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

126 In de onderhavige zaak heeft het Gerecht in punt 141 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie reeds in de mededeling van punten van bezwaar had opgemerkt dat zij voornemens was een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst vast te stellen met betrekking tot de inkomende routes. Het Gerecht heeft dienaangaande aangegeven dat de Commissie in punt 129 van de mededeling van punten van bezwaar had opgemerkt dat de „inbreuk betrekking had op [vrachtdiensten] […] binnen de [Unie]/EER, in Zwitserland en op routes tussen luchthavens van de [Unie]/EER en derde landen over de hele wereld, in beide richtingen”. Bovendien heeft het Gerecht erop gewezen dat de Commissie in punt 1430 van de mededeling van punten van bezwaar had opgemerkt dat „alle mededingingsbeperkende activiteiten waarbij elk van de deelnemers betrokken was, deel uitmaakten van een algemene doelstelling, namelijk het bereiken van overeenstemming over de prijs of althans het wegnemen van prijsonzekerheid op de EER-markt voor vrachtvervoer, ook op routes tussen EER‑luchthavens en derde landen”.

127 In punt 142 van het bestreden arrest voegde het Gerecht hieraan toe dat de Commissie ook had gerechtvaardigd dat zij vanaf de fase van de mededeling van punten van bezwaar bevoegd was om een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst op de inkomende routes vast te stellen. In dit verband heeft het Gerecht vastgesteld dat de Commissie in overweging 1390 van deze mededeling had opgemerkt dat zij „bevoegd [was] om artikel [101 VWEU] toe te passen op afspraken inzake luchtvervoer tussen luchthavens van de [Unie] en derde landen die de handel tussen lidstaten ongunstig konden hebben beïnvloed”. Voorts heeft het Gerecht erop gewezen dat de Commissie in overweging 1394 van die mededeling daaraan had toegevoegd dat zij tevens „bevoegd [was] om artikel 53 van de EER‑Overeenkomst toe te passen op afspraken inzake luchtvervoer tussen de luchthavens van de [EER] en derde landen die de handel tussen de lidstaten en de overeenkomstsluitende partijen bij de EER‑Overeenkomst of tussen de partijen bij de EER‑Overeenkomst onderling, ongunstig kunnen hebben beïnvloed”.

128 Bovendien heeft het Gerecht in punt 147 van dat arrest vastgesteld dat alle feitelijke gegevens waarop de overwegingen 1045 en 1046 van het litigieuze besluit zijn gebaseerd, reeds voorkwamen in de mededeling van punten van bezwaar.

129 Hieruit volgt dat de Commissie, aangezien zij in het litigieuze besluit heeft vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling betrekking had op gedragingen die verband hielden met verkopen in landen die niet tot de Unie of de EER behoren, dit besluit niet in strijd met de in punt 125 hierboven in herinnering gebrachte verplichting heeft gebaseerd op grieven ten aanzien waarvan SAS Cargo e.a. hun argumenten niet hadden kunnen aanvoeren. Gelet op de door de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar vermelde gegevens die door het Gerecht zijn uiteengezet in de punten 141, 142 en 147 van het bestreden arrest – punten waarvan SAS Cargo e.a. niet stellen dat deze de mededeling onjuist weergeven – moesten SAS Cargo e.a. immers op de hoogte zijn van het feit dat de Commissie aan hen schending van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst in verband met die gedragingen zou verwijten.

130 Overigens heeft de kwalificatie van het precieze juridische criterium waarop de Commissie meent haar internationale bevoegdheid te kunnen baseren om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst toe te passen op mededingingsverstorende gedragingen die buiten die grondgebieden hebben plaatsgevonden, geen invloed op de inhoud van de voornaamste elementen waarop zij meent die bevoegdheid te kunnen baseren en die zij in aanmerking wil nemen tegen een onderneming waaraan zij wegens schending van die bepalingen een sanctie wil opleggen.

131 Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat de Commissie de rechten van verdediging schendt van ondernemingen waaraan een mededeling van punten van bezwaar is gericht, en in het bijzonder hun recht om te worden gehoord over de internationale bevoegdheid van de Commissie om mededingingsverstorende gedragingen buiten het grondgebied van de Unie of de EER te bestraffen, op de enkele grond dat zij in die mededeling niet uitdrukkelijk aangeeft dat zij haar bevoegdheid om dergelijke gedragingen te bestraffen wil baseren op „het uitvoeringscriterium” of het „criterium van de gekwalificeerde gevolgen”, of zelfs op een ander juridisch criterium dat zij naargelang van de omstandigheden geschikt zou kunnen achten om een dergelijke bevoegdheid te rechtvaardigen, wanneer zij, zoals in de onderhavige zaak, in die mededeling opmerkt dat zij voornemens is de adressaten ervan op basis van dergelijke gedragingen een sanctie op te leggen wegens schending van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst en daarbij de voornaamste elementen uiteenzet die zij daartoe in aanmerking wil nemen.

132 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 140 tot en met 142 en 146 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie, door zich in het litigieuze besluit te beroepen op het criterium van de gekwalificeerde gevolgen als basis voor haar bevoegdheid om een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst op de inkomende routes vast te stellen en te bestraffen, geen nieuwe grieven ten laste heeft gelegd aan SAS Cargo e.a., en evenmin de inhoud van de punten heeft gewijzigd die zij in de mededeling van punten van bezwaar voorlopig had vermeld. De Commissie had immers reeds in de mededeling van punten van bezwaar verklaard dat zij voornemens was hun een sanctie op te leggen voor een dergelijke inbreuk op die routes en had de voornaamste elementen uiteengezet die haar bevoegdheid daartoe rechtvaardigden.

133 Uit het voorgaande volgt dat het eerste onderdeel van het tweede middel van de hogere voorziening ongegrond moet worden verklaard.

Tweede onderdeel: inhoud van de mededeling van punten van bezwaar

– Argumenten van partijen

134 SAS Cargo e.a. stellen dat het Gerecht in de punten 141 en 142 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de mededeling van punten van bezwaar hun voldoende informatie inzake het criterium van de gekwalificeerde gevolgen had geboden en dat hun rechten van verdediging dus waren geëerbiedigd. De in de punten 141 en 142 van dat arrest bedoelde passages van die mededeling zijn enkel beweringen die niet met bewijzen worden gestaafd. Punt 5.2 van deze mededeling, dat betrekking heeft op de bevoegdheid van de Commissie, vermeldt noch dit criterium en de bestanddelen ervan, noch het bewijs dat in de onderhavige zaak aan dit criterium was voldaan.

135 Bovendien heeft het Gerecht in punt 147 van het bestreden arrest ten onrechte en zonder nadere precisering vastgesteld dat de bewijzen die in het litigieuze besluit waren aangevoerd om aan te tonen dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, voldoende waren uiteengezet in de mededeling van punten van bezwaar. Volgens de benadering van het Gerecht werd van SAS Cargo e.a. dus verlangd dat zij het door de Commissie gehanteerde juridische criterium raadden en deze volledige mededeling doorzochten naar informatie waarmee dit criterium kon worden gestaafd. De in punt 147 aangehaalde passages van de mededeling van punten van bezwaar bevatten zelfs niet de relevante feiten.

136 Volgens de Commissie is dit onderdeel ongegrond.

– Beoordeling door het Hof

137 In de eerste plaats kan, voor zover SAS Cargo e.a. in essentie betogen dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de mededeling van punten van bezwaar voldoende gegevens bevatte om hen in staat te stellen te begrijpen dat de Commissie voornemens was een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER‑Overeenkomst op de inkomende routes vast te stellen en dat hun rechten van verdediging bijgevolg waren geëerbiedigd, worden volstaan met de vaststelling dat dit betoog inhoudelijk niet verschilt van het betoog dat SAS Cargo e.a. reeds ter ondersteuning van het eerste onderdeel van dit middel hebben aangevoerd. Dit betoog moet derhalve als ongegrond worden afgewezen om dezelfde redenen als die in de punten 124 tot en met 133 hierboven zijn uiteengezet.

138 Wat in de tweede plaats de grief van SAS Cargo e.a. tegen punt 147 van het bestreden arrest betreft moet worden opgemerkt dat het Gerecht in dat punt heeft verklaard dat zij niet op goede gronden konden stellen dat de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen in de overwegingen 1045 en 1046 van het litigieuze besluit was gebaseerd op feiten die de Commissie niet had vermeld in de mededeling van punten van bezwaar.

139 In dat verband heeft het Gerecht opgemerkt dat alle feitelijke gegevens waarop de overwegingen 1045 en 1046 van het litigieuze besluit zijn gebaseerd, in de mededeling van punten van bezwaar voorkwamen. Daartoe heeft het Gerecht gepreciseerd dat de in die overweging 1045 genoemde grond inzake de gevolgen van de litigieuze gedraging voor de consumenten in de EER was gebaseerd op de overwegingen betreffende de prijsstructuur voor vrachtdiensten, de rol van tussenpersoon die de expediteurs vervulden tussen de vervoerders en de verzenders, en de aard van de enkele voortdurende inbreuk, die reeds waren vermeld in de punten 7, 104, 1396 tot en met 1411 en 1434 tot en met 1438 van de mededeling van punten van bezwaar. Het Gerecht heeft er ook op gewezen dat de in die overweging 1045 genoemde grond inzake de gevolgen voor de mededinging van interliningdiensten was gebaseerd op de overwegingen betreffende de werking van de vervoerssector als bedoeld in de punten 7, 9, 102 en 105 van deze mededeling. Het Gerecht heeft vastgesteld dat de geografische reikwijdte van de litigieuze mededingingsregeling en de opname van inkomende vrachtdiensten in de enkele voortdurende inbreuk als bedoeld in overweging 1046 van het litigieuze besluit aan de orde kwamen in de punten 3, 125, 129, 1045, 1390, 1394 en 1430 van die mededeling.

140 Door te stellen dat het Gerecht ten onrechte heeft vastgesteld dat de bewijzen die in het litigieuze besluit waren aangevoerd om aan te tonen dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan in de mededeling van punten van bezwaar voldoende waren uiteengezet, en de bedoelde passages van deze mededeling niet de relevante feiten bevatten, trachten SAS Cargo e.a. van het Hof dus een nieuwe beoordeling te verkrijgen van de inhoud ervan zoals die door het Gerecht is uiteengezet in het bestreden arrest, zonder aan te voeren dat deze onjuist is opgevat. Een dergelijke nieuwe beoordeling van de feiten valt overeenkomstig de in punt 72 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak echter buiten de bevoegdheid van het Hof in hogere voorziening.

141 Uit het voorgaande volgt dat het tweede onderdeel van het tweede middel van de hogere voorziening deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond moet worden verklaard.

Derde onderdeel: antwoorden van SAS Cargo e.a. op de mededeling van punten van bezwaar

– Argumenten van partijen

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken