Gerecht EU 14 december 2005, T-210/01, ECLI:EU:T:2005:456

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑210/01

General Electric Company

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Beroep tot nietigverklaring – Mededinging – Beschikking van Commissie waarbij concentratie onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard – Verordening (EEG) nr. 4086/89 – Luchtvaartmarkten – Verkrijging van Honeywell door General Electric – Verticale integratie – Gebundelde verkopen – Uitsluitingseffecten – Horizontale overlappingen – Rechten van verdediging”

Arrest van het Gerecht (Tweede kamer – uitgebreid) van 14 december 2005

Samenvatting van het arrest

1. Beroep tot nietigverklaring – Voorwerp – Beschikking op gebied van controle op concentraties – Beschikking gebaseerd op meerdere redeneringen, die elk volstaan als grondslag voor dispositief – Criteria voor onverenigbaarheid met gemeenschappelijke markt waaraan voor ten minste één van betrokken markten is voldaan – Beroep ongegrond

(Art. 230 EG; verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 2, lid 1, sub a, en 3)

2. Mededinging – Concentraties – Onderzoek door Commissie – Economische beoordelingen – Beoordelingsvrijheid – Rechterlijke toetsing – Omvang – Grenzen

(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 2)

3. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Geen vermoeden

(Verordening nr. 4064/89 van de Raad)

4. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Analyse van mogelijke toekomstige ontwikkelingen op betrokken markt – Noodzaak van nauwkeurige analyse – Rechterlijke toetsing – Omvang

(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 2, leden 2 en 3)

5. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Concentratie van conglomeraattype – Begrip – Inaanmerkingneming van waarschijnlijkheid van in leven roepen of versterken van machtspositie op referentiemarkt van onderneming die partij is bij concentratie – Toelaatbaarheid – Mogelijkheid dat Commissie zich baseert op voorzienbaar gedrag van uit concentratie voortgekomen entiteit – Voorwaarden – Nauwkeurige analyse op basis van deugdelijk bewijs

(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 2, leden 2 en 3)

6. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Concentratie van conglomeraattype – Inaanmerkingneming van voorzienbare mededingingsbelemmerende gedragingen – Toelaatbaarheid – Geen verplichting voor Commissie om waarschijnlijkheid ervan te beoordelen met inaanmerkingneming van risico’s die voor onderneming aan dergelijke gedragingen zijn verbonden

(Art. 82 EG; verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 2, leden 2 en 3)

7. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Criteria – Ontstaan of versterking van machtspositie waardoor daadwerkelijke mededinging op gemeenschappelijke markt op significante wijze wordt belemmerd – Cumulatieve voorwaarden – Interactie – Verplichting om overwegingen betreffende eerste criterium die ook relevant zijn voor tweede criterium, formeel met dit laatste in verband te brengen – Geen

(Art. 82 EG en 253 EG; verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 2, leden 2 en 3)

8. Mededinging – Machtspositie – Begrip

(Art. 82 EG)

9. Mededinging – Machtspositie – Kwalificatie wegens zeer groot marktaandeel – Beoordeling van versterking van marktaandeel op biedersmarkt gekenmerkt door gunning van klein aantal contracten van grote waarde

(Art. 82 EG)

10. Mededinging – Machtspositie – Bestaan – Invloed van levendige mededinging op betrokken markt – Geen, wanneer onderneming zich kan gedragen zonder daarmee rekening te moeten houden – Financiële concessies om bepaalde aanbestedingen betreffende goederen van grote waarde te winnen – Geen invloed

(Art. 82 EG)

11. Mededinging – Gemeenschapsregels – Toepassing door Commissie – Los van beoordelingen door autoriteiten van derde staten

12. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Mededingingsverstorende gevolgen van concentratie die resultaat zijn van directe verticale relatie – Gevolgen afhankelijk van toekomstige gedragingen van uit fusie voortgekomen entiteit – Verplichting voor Commissie zich te baseren op deugdelijk bewijs voor waarschijnlijkheid van gestelde mededingingsverstorende gedragingen – Vrije bewijswaardering

(Verordening nr. 4064/89 van de Raad)

13. Mededinging – Machtspositie voor verkoop van essentiële onderdelen – Verkoopweigering – Misbruik

(Art. 82 EG)

14. Mededinging – Concentraties – Onderzoek door Commissie – Aantonen dat in nabije toekomst gedraging zal bestaan die zal leiden tot ontstaan of versterking van machtspositie – Verplichting zich te baseren op deugdelijk bewijs

(Verordening nr. 4064/89 van de Raad)

15. Procedure – Aanvoering van nieuwe middelen in loop van geding – Nieuw middel – Begrip – Antwoord op vraag die Gerecht heeft gesteld bij wege van maatregel tot organisatie van procesgang – Daarvan uitgesloten

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 48 en 64, lid 3)

16. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Beschikking die verschilt van eerdere beschikking in zaak die vergelijkbare of identieke situaties betrof of waarin zelfde marktpartijen optraden – Omvang

(Art. 253 EG)

17. Mededinging – Gemeenschapsregels – Toepassing – Door Commissie daartoe vastgestelde regels – Verplichting voor Commissie om zich hieraan te houden – Mededeling inzake bepaling van markt – Omvang

(Art. 82 EG; mededeling 97/C 372/03)

18. Mededinging – Concentraties – Onderzoek door Commissie – Bepaling van relevante markt – Criteria – Substitueerbaarheid van producten – Begrip

(Verordening nr. 4064/89 van de Raad; mededeling 97/C 372/03 van de Commissie, punt 36)

19. Mededinging – Concentraties – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt – Door indirecte en betrekkelijk zwakke mededinging gekenmerkte markt – Verkrijging door onderneming met machtspositie van enige concurrent – Toelaatbaarheid – Voorwaarden – Aantonen dat vóór concentratie elke daadwerkelijke mededinging op markt ontbrak

(Art. 82 EG; verordening nr. 4064/89 van de Raad)

20. Mededinging – Concentraties – Onderzoek door Commissie – Verbintenissen van betrokken ondernemingen die aangemelde concentratie verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen maken

(Verordening nr. 4064/89 van de Raad)

21. Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Vaststelling van voorwerp van geschil – Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1)

22. Mededinging – Concentraties – Administratieve procedure – Toegang tot dossier – Eerbiediging van rechten van verdediging – Grenzen

(Verordening nr. 4064/89 van de Raad)

23. Mededinging – Administratieve procedure – Toegang tot dossier – Onderscheid naargelang het stukken à charge of stukken à décharge betreft

24. Mededinging – Administratieve procedure – Toegang tot dossier – Eerbiediging van rechten van verdediging – Grenzen

25. Mededinging – Concentraties – Administratieve procedure – Toegang tot dossier – Weigering van recht op toegang tussen besluit tot inleiding van procedure en mededeling van punten van bezwaar – Schending van rechten van verdediging – Geen

(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 6, lid 1, sub c)

26. Mededinging – Concentraties – Administratieve procedure – Toegang tot dossier – Recht van partijen bij concentratie om gedurende hele procedure bij gedeelten toegang te hebben – Geen

(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 18, lid 1)

27. Mededinging – Concentraties – Administratieve procedure – Korte intermediaire proceduretermijnen – Inaanmerkingneming van vereiste van snelheid bij beoordeling of rechten van verdediging zijn geëerbiedigd

(Verordening nr. 4064/89 van de Raad; verordening nr. 447/98 van de Commissie, art. 13 en 21)

28. Mededinging – Administratieve procedure – Optreden van raadadviseur-auditeur – Besluit tot wijziging van zijn positie tijdens procedure – Nieuwe functie rechtstreeks in plaats gekomen van oude

(Beschikking 2001/462 van de Commissie, art. 2, leden 1 en 2)

29. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Grondrechten – Eerbiediging verzekerd door gemeenschapsrechter – Inaanmerkingneming van Europees Verdrag inzake rechten van de mens

(Art. 6, lid 2, EU)

1. Wanneer bepaalde overwegingen van een beschikking op zich genomen die beschikking rechtens genoegzaam rechtvaardigen, hebben de eventuele gebreken in andere overwegingen van die handeling hoe dan ook geen gevolgen voor het dispositief.

Wanneer het dispositief van een beschikking van de Commissie is gebaseerd op meerdere redeneringen, die elk op zich als grondslag voor dat dispositief zouden volstaan, moet de beschikking in beginsel enkel nietig worden verklaard indien elk van die redeneringen onwettig is. In een dergelijk geval kan een gebrek of een andere onwettigheid die slechts een van die redeneringen betreft, de nietigverklaring van de bestreden beschikking niet rechtvaardigen, omdat dat gebrek of die onwettigheid geen beslissende invloed kan hebben gehad op het dispositief van de beschikking.

Deze regel geldt in het bijzonder bij beschikkingen op het gebied van de controle op concentraties. De Commissie moet een concentratie verbieden wanneer deze voldoet aan de criteria van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 4064/89. Blijkens artikel 2, lid 1, sub a, van die verordening moet de Commissie bij haar beoordeling van een concentratie onder meer rekening houden met de noodzaak een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt te handhaven en te ontwikkelen in het licht van, met name, de structuur van alle betrokken markten. Wanneer de Commissie nagaat of een concentratie een of meer machtsposities in het leven roept of versterkt, waardoor een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt aanzienlijk wordt belemmerd, dient zij dus te letten op de bestaande situatie op elk van de markten die door de aangemelde concentratie kunnen worden beïnvloed. Stelt zij vast dat op één van die markten aan bedoelde criteria wordt voldaan, dan moet zij de concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaren.

Een dergelijke beschikking kan dan ook slechts nietig worden verklaard, indien niet enkel werd vastgesteld dat sommige van haar overwegingen onwettig zijn, maar ook dat de eventuele overwegingen die niet door die onwettigheid worden beïnvloed, niet volstaan om de onverenigbaarheid van de aangemelde concentratie met de gemeenschappelijke markt te rechtvaardigen. Dit doet echter niet af aan de noodzaak te onderzoeken of bepaalde in de beschikking gesignaleerde mededingingsaspecten elkaar versterken, zodat het gekunsteld zou zijn om elk ervan afzonderlijk te beoordelen.

(cf. punten 42‑45, 48, 734)

2. De Commissie beschikt, wat economische vraagstukken betreft, over een beoordelingsmarge bij de toepassing van de materiële bepalingen van verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, in het bijzonder van artikel 2 ervan. Dit betekent, dat de gemeenschapsrechter bij zijn toezicht enkel dient na te gaan of de aan de beslissing ten grondslag liggende feiten materieel juist zijn en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling.

Wat de aard van dat toezicht betreft, bestaat er een wezenlijk verschil tussen, enerzijds, de feitelijke gegevens en constateringen waarvan de rechter de eventuele onjuistheid in het licht van de hem voorgelegde argumenten en bewijselementen kan vaststellen, en, anderzijds, de beoordelingen van economische aard.

Ofschoon de Commissie bij de toepassing van de materiële bepalingen van verordening nr. 4064/89 over een beoordelingsvrijheid beschikt, betekent dit niet dat de gemeenschapsrechter de juridische kwalificatie van economische gegevens door de Commissie niet mag controleren. De gemeenschapsrechter moet immers niet slechts nagaan of de bewijselementen waarop de Commissie zich baseert, materieel juist, betrouwbaar en coherent zijn, maar ook of deze elementen het relevante feitenkader vormen dat voor de beoordeling van een ingewikkelde situatie in aanmerking moeten worden genomen, en of zij de eraan verbonden conclusies kunnen dragen.

(cf. punten 60, 62-63, 253)

3. Verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen schept geen vermoeden met betrekking tot de verenigbaarheid van een aangemelde concentratie met de gemeenschappelijke markt, zodat niet kan worden gesteld dat de Commissie in geval van twijfel bij voorkeur goedkeuring moet hechten aan een bij haar aangemelde concentratie. Zij dient zich steeds een duidelijk beeld te vormen over die verenigbaarheid en dienovereenkomstig te beslissen.

(cf. punt 61)

4. Gelet op de beoordelingsmarge waarover de Commissie, wat economische vraagstukken betreft, bij de toepassing van de materiële bepalingen van verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen beschikt, is een doeltreffende rechterlijke controle des te noodzakelijker wanneer de Commissie de mogelijke toekomstige marktontwikkeling als gevolg van de beoogde concentratie analyseert.

Bij een dergelijke prospectieve analyse moet zeer zorgvuldig te werk worden gegaan, omdat het er niet om gaat gebeurtenissen uit het verleden te onderzoeken, waarvoor vaak tal van gegevens beschikbaar zijn om de oorzaken ervan te kunnen begrijpen, en ook geen actuele gebeurtenissen, maar om gebeurtenissen te voorzien die zich met meer of minder grote waarschijnlijkheid in de toekomst zullen voordoen indien geen beschikking wordt vastgesteld die de voorgenomen concentratie verbiedt of de voorwaarden ervan preciseert. Voor een prospectieve analyse, waarbij men onderzoekt in hoeverre een concentratie de factoren kan wijzigen die de stand van de mededinging op een gegeven markt bepalen, teneinde na te gaan of zij tot een aanzienlijke belemmering van een daadwerkelijke mededinging kan leiden, is het nodig dat men zich een beeld vormt van de diverse ketens van oorzaak en gevolg, om vervolgens te kiezen voor die waarvan de waarschijnlijkheid het grootst is.

(cf. punt 64)

5. Concentraties van het conglomeraattype leiden niet tot horizontale overlappingen van de activiteiten van de concentratiepartners noch tot verticale betrekkingen tussen die partners in strikte zin. Ofschoon dergelijke concentraties in het algemeen geen mededingingsbeperkende gevolgen hebben, kunnen deze zich in bepaalde gevallen wel voordoen. Wanneer derhalve de Commissie bij een prospectief onderzoek van de gevolgen van een concentratie van het conglomeraattype op grond van de door haar geconstateerde conglomeraatseffecten tot de conclusie komt, dat naar alle waarschijnlijkheid in de relatief nabije toekomst een machtspositie zal ontstaan of zal worden versterkt en dat de mededinging op de betrokken markt door de concentratie aanzienlijk zal worden belemmerd, is zij verplicht ze te verbieden.

Concentraties van het conglomeraattype leveren bepaalde specifieke problemen op, in de eerste plaats omdat het onderzoek van een dergelijke concentratie een prospectieve analyse over een langere periode in de toekomst kan omvatten, en in de tweede plaats omdat een bepaalde gedraging van de uit de fusie voortgekomen entiteit goeddeels bepalend kan zijn voor de gevolgen van de concentratie. Zo zal het vaak slecht voorzienbaar, onzeker en moeilijk vast te stellen zijn welke oorzaken na de concentratie welke gevolgen zullen hebben. Daarbij komt het heel sterk aan op de kwaliteit van het bewijs dat de Commissie aanvoert in de motivering van een beschikking waarin de concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, aangezien dit bewijs het standpunt van de Commissie moet ondersteunen, dat haar verwachting van de economische ontwikkelingen die zich zonder die beschikking zullen voordoen, realistisch is.

(cf. punten 65‑66)

6. Bij het onderzoek van de gevolgen van een concentratie van het conglomeraattype door de Commissie moet de waarschijnlijkheid van bepaalde gedragingen volledig worden onderzocht, dat wil zeggen met inachtneming zowel van de prikkels om tot dergelijke gedragingen over te gaan, als van de factoren die die prikkels kunnen verzwakken of zelfs wegnemen, daaronder begrepen de eventuele onwettigheid van die gedragingen.

Het zou echter ingaan tegen de preventiedoelstelling van verordening nr. 4064/89 om van de Commissie te verlangen dat zij bij iedere voorgenomen concentratie onderzoekt, in hoeverre de prikkels tot mededingingsbelemmerende gedragingen zwakker worden of zelfs geheel wegvallen wegens de onwettigheid van die gedragingen of het feit dat zij waarschijnlijk aan het licht zullen komen en aanleiding zullen geven tot vervolging door de bevoegde communautaire of nationale autoriteiten, en dat daar sancties op zullen volgen. In principe moet de Commissie dus het eventueel onwettige en dus strafbare karakter van een gedraging in aanmerking nemen als factor die de prikkel voor een onderneming om zich op een bepaalde manier te gedragen, kan verzwakken of zelfs wegnemen. Voor deze beoordeling is echter geen volledig en gedetailleerd onderzoek nodig van de diverse mogelijk toepasselijke rechtsordes en het daarin gevoerde strafrechtelijk beleid, want een analyse van de waarschijnlijkheid van een inbreuk en de strafbaarstelling ervan in de diverse rechtsordes zou te speculatief zijn.

Wanneer de Commissie dus zonder een specifiek en gedetailleerd onderzoek het onwettige karakter van de betrokken gedraging kan vaststellen door toetsing aan artikel 82 EG of aan andere bepalingen van gemeenschapsrecht die zij moet handhaven, is zij verplicht dat te doen en dient zij er rekening mee te houden bij de beoordeling van de waarschijnlijkheid dat de uit de fusie voortgekomen entiteit zich daadwerkelijk zo zal gedragen.

Ofschoon de Commissie derhalve bij de vaststelling van een fusiecontrolebeschikking mag uitgaan van een summiere analyse, op basis van de informatie waarover zij op dat moment beschikt, van de wettigheid van de betrokken gedragingen en de waarschijnlijkheid van bestraffing, dient zij niettemin in het kader van haar beoordeling aan te geven welke gedragingen zij verwacht, en in voorkomend geval het ontmoedigend effect van het feit dat die gedragingen naar gemeenschapsrecht duidelijk of zeer waarschijnlijk onrechtmatig zijn, in te schatten en in aanmerking te nemen.

(cf. punten 70‑75, 303-304, 424-425, 468)

7. Artikel 2, leden 2 en 3, van verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen bevat twee cumulatieve criteria, waarvan het eerste het in het leven roepen of versterken van een machtspositie betreft, en het tweede een aanzienlijke belemmering van de mededinging in de gemeenschappelijke markt. Een concentratie kan dus slechts worden verboden, indien aan beide criteria van artikel 2, lid 3, is voldaan.

Van dergelijk misbruik kan echter sprake zijn wanneer een onderneming met een machtspositie deze zodanig versterkt, dat de dan bereikte mate van overheersing de mededinging wezenlijk belemmert, dat wil zeggen slechts ondernemingen laat voortbestaan die zich slechts in afhankelijkheid van de overheersende onderneming kunnen gedragen. Het versterken van een machtspositie kan op zich de mededinging dus wezenlijk belemmeren, en wel zozeer, dat die versterking alleen al misbruik van die positie oplevert.

Des te meer kan de versterking of het in het leven roepen van een machtspositie in de zin van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 4064/89 in bepaalde gevallen het bewijs vormen van een aanzienlijke belemmering van een daadwerkelijke mededinging. Dit betekent niet, dat het tweede criterium van artikel 2 van verordening nr. 4064/89 juridisch samenvalt met het eerste, maar enkel dat uit één feitelijk onderzoek van een bepaalde markt kan blijken dat aan alle twee de criteria is voldaan.

De omstandigheden waarmee de Commissie kan aantonen dat de concurrenten van een onderneming zozeer in hun vrijheid van handelen beperkt worden, dat de conclusie dat die onderneming een machtspositie heeft verkregen of versterkt, gewettigd is, zijn vaak dezelfde als die welke van belang zijn voor de vraag, of door dat ontstaan of die versterking van de machtspositie de daadwerkelijke mededinging in de gemeenschappelijke markt aanzienlijk zal worden belemmerd. Een situatie die de vrijheid van de concurrenten om een zelfstandig commercieel beleid te voeren, aanmerkelijk beïnvloedt, kan immers ook een belemmering van een daadwerkelijke mededinging met zich brengen.

Wanneer uit de overwegingen van een beschikking waarin de onverenigbaarheid van een aangemelde concentratie met de gemeenschappelijke markt wordt vastgesteld, ook indien die overwegingen formeel enkel het onderzoek naar het ontstaan of de versterking van een machtspositie betreffen, blijkt dat die concentratie aanzienlijke mededingingsbeperkende gevolgen zal hebben, kan die beschikking dus niet onwettig worden geacht – hetzij vanuit het gezichtspunt van de motiveringsplicht van artikel 253 EG, hetzij met betrekking tot de grond van de zaak – enkel omdat de Commissie haar beschrijving van de relevante gegevens niet uitdrukkelijk en specifiek in verband heeft gebracht met het tweede criterium van artikel 2 van verordening nr. 4064/89. De tegengestelde opvatting zou de Commissie immers een zuiver formele verplichting opleggen, die haar zou dwingen sommige van die overwegingen twee keer weer te geven, eerst bij haar onderzoek naar het ontstaan of de versterking van een machtspositie op een bepaalde markt, en dan nogmaals met betrekking tot de aanzienlijke belemmering van de mededinging op de gemeenschappelijke markt.

(cf. punten 84, 86-89)

8. Een machtspositie blijkt uit de omstandigheid dat de betrokken onderneming in een situatie van economische macht verkeert, waardoor zij de handhaving van een daadwerkelijke mededinging op de betrokken markt kan verhinderen doordat zij de mogelijkheid heeft zich in aanzienlijke mate onafhankelijk te gedragen tegenover haar concurrenten en afnemers en, ten slotte, de consument. Om het bestaan van een machtspositie aan te tonen, behoeft de Commissie niet aannemelijk te maken dat de concurrenten van een onderneming van de markt zullen worden verdreven, al is het maar op termijn.

(cf. punten 85, 114, 243)

9. Ofschoon de betekenis van marktaandelen van markt tot markt kan verschillen, vormen zeer grote marktaandelen op zichzelf, en behoudens buitengewone omstandigheden, het bewijs van het bestaan van een machtspositie. Dat kan het geval zijn bij een marktaandeel van 50 %.

Dat een onderneming op een markt die wordt gekenmerkt door de gunning van een klein aantal contracten van grote waarde de laatste aanbestedingen heeft gewonnen, betekent niet noodzakelijk dat een van haar concurrenten niet de eerstvolgende kan winnen. Wanneer hij een competitief product heeft en er geen andere zwaarwegende factoren zijn die de schaal ten gunste van de eerste vennootschap doen doorslaan, kan een concurrent steeds een belangrijke opdracht krijgen en zijn marktaandeel met één klap aanzienlijk vergroten.

Dit rechtvaardigt echter niet de conclusie, dat marktaandelen bijna geen betekenis hebben voor de beoordeling van de macht van de verschillende fabrikanten op een dergelijke markt, vooral wanneer die aandelen betrekkelijk stabiel zijn of een geleidelijke versterking van de positie van een onderneming te zien geven. Ook op een biedersmarkt is het feit dat een fabrikant zijn marktaandeel verscheidene jaren achtereen kan handhaven of zelfs versterken, een aanwijzing voor zijn kracht op die markt. Onvermijdelijk komt er immers een moment waarop het verschil tussen het marktaandeel van een fabrikant en dat van zijn concurrenten niet meer kan worden toegeschreven aan het geringe aantal aanbestedingen dat de vraagkant van de markt vormt.

(cf. punten 115, 149-151, 540, 571)

10. Wanneer een onderneming door de prijsverlagingen van haar concurrenten gedwongen wordt haar eigen prijzen te verlagen, valt dit in het algemeen niet te verenigen met de onafhankelijkheid die voor een machtspositie kenmerkend is.

Het bestaan van mededinging, hoe levendig ook, op een bepaalde markt sluit echter het bestaan van een machtspositie op diezelfde markt niet uit, daar deze positie in wezen wordt gekenmerkt door het vermogen van de betrokken onderneming om zich te gedragen zonder in haar marktstrategie rekening met die mededinging te moeten houden, en zonder daardoor schadelijke gevolgen van die houding te ondervinden. Het eventuele bestaan van mededinging op de markt is dus stellig relevant voor de vraag of er sprake is van een machtspositie, maar het is op zich geen omstandigheid die beslissend is voor het antwoord op die vraag.

Op een markt van producten die worden verkocht in het kader van aanbestedingen die periodiek plaatsvinden, die elk betrekking hebben op verkopen voor grote bedragen en die door langdurige onderhandelingen worden gekenmerkt, is het onvermijdelijk dat de bieders in de ene of de andere vorm financiële concessies doen, want zulke concessies zijn een normaal onderdeel van een onderhandelingsproces. In een dergelijke context is het enkele feit dat een onderneming prijsafslagen heeft aangeboden teneinde bepaalde contracten te verkrijgen, op zich dus niet onverenigbaar met het bestaan van een machtspositie van die onderneming.

(cf. punten 116‑117, 184, 215, 249)

11. De omstandigheid dat de bevoegde autoriteiten van een of meer derde staten een twistpunt in het raam van hun eigen procedures op een bepaalde manier beoordelen, volstaat op zich niet om een eventuele afwijkende beoordeling van de bevoegde gemeenschapsautoriteiten als onjuist aan te merken. De in de communautaire administratieve procedure aangevoerde gegevens en argumenten en de toepasselijk rechtsregels zijn niet per se dezelfde als die welke de autoriteiten van de betrokken derde staat in aanmerking hebben genomen, en als gevolg daarvan kan de beoordeling in de twee gevallen verschillen. Wanneer een partij meent, dat de redenering die aan de conclusie van de autoriteiten van een derde staat ten grondslag ligt, bijzonder relevant is en evenzeer in de communautaire procedure opgaat, kan zij dit altijd als een argument ten gronde aanvoeren; die redenering behoeft echter niet bewijskrachtig te zijn.

(cf. punt 179)

12. De mededingingsverstorende effecten van een concentratie, die het resultaat zijn van een directe verticale relatie van leverancier en afnemer, hangen af van de toekomstige gedragingen van de uit de concentratie voortgekomen entiteit, zonder welke gedragingen dit aspect van de concentratie geen enkel schadelijk effect zou hebben. Het staat dus aan de Commissie om met deugdelijk bewijs de waarschijnlijkheid van die gedragingen aan te tonen.

In bepaalde gevallen kan dit bewijs bestaan in economische onderzoeken van de waarschijnlijke ontwikkeling van de marktsituatie, die aannemelijk maken dat er voor de uit de fusie voortgekomen entiteit een prikkel bestaat om zich op een bepaalde manier te gedragen.

Daar echter in het gemeenschapsrecht het beginsel van de vrije bewijswaardering heerst, is het ontbreken van dat soort bewijs op zich niet beslissend. Met name in een situatie waarin het zonneklaar is dat het commerciële belang van een onderneming een bepaalde gedraging, zoals het aangrijpen van de mogelijkheid om het bedrijf van een concurrent te verstoren, bijna onontkoombaar maakt, maakt de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout door uit te gaan van de waarschijnlijkheid dat de uit de fusie voortgekomen entiteit zich daadwerkelijk zo zal gedragen. In een dergelijk geval kunnen de simpele economische en commerciële realiteiten van de zaak het door de rechtspraak vereiste deugdelijk bewijs al opleveren.

(cf. punten 295‑297, 433)

13. Een machtspositie ontneemt een onderneming weliswaar niet het recht om voor haar eigen commerciële belangen op te komen, maar bepaalde gedragingen leveren misbruik op wanneer zij specifiek tot doel hebben die machtspositie te versterken en te misbruiken. Zo vormt een weigering van een onderneming met een machtspositie om een essentieel onderdeel aan haar concurrenten te leveren, op zich misbruik van die positie.

(cf. punt 306)

14. Bij de analyse van de gevolgen van een concentratie moet de Commissie wat de toekomstige ontwikkeling van de markt betreft, aan de hand van deugdelijk bewijs en met een voldoende mate van waarschijnlijkheid niet slechts aantonen dat een door haar verwachte gedraging in de betrekkelijk nabije toekomst zal plaatsvinden, maar ook dat die gedraging in de betrekkelijk nabije toekomst zal leiden tot het ontstaan of de versterking van een machtspositie. De Commissie kan er niet mee volstaan, een reeks logische, maar hypothetische ontwikkelingen te schetsen, waarvan de praktische verwezenlijking volgens haar kwalijke gevolgen voor de mededinging op een aantal verschillende markten dreigt te hebben. Het is integendeel haar taak, een specifieke analyse te geven van de waarschijnlijke ontwikkeling van elke markt waarvoor zij wil aantonen dat de aangemelde concentratie een machtspositie in het leven zal roepen of versterken, en daarvoor deugdelijk bewijs te leveren.

(cf. punten 327, 429, 433, 464)

15. Het in aanmerking nemen door het Gerecht van de antwoorden van een partij op vragen die bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht zijn gesteld, wanneer de wederpartij in voorkomend geval de gelegenheid heeft gehad zich ter terechtzitting over die antwoorden uit te laten, is niet in strijd met artikel 48 van dat Reglement.

(cf. punt 505)

16. Uit het feit dat de Commissie, anders dan het geval is met een beschikking die geheel in de lijn van een vaste beschikkingspraktijk ligt, niet kan volstaan met een summiere motivering wanneer zij de draagwijdte van een praktijk verruimt, maar daarvoor een expliciete motivering moet geven, kan niet worden afgeleid dat de Commissie niet slechts haar beschikking moet motiveren onder verwijzing naar de zaak waarop de beschikking betrekking heeft, maar bovendien specifiek de redenen moet vermelden waarom zij tot een andere conclusie is gekomen dan in een eerdere zaak die vergelijkbare of identieke situaties betrof of waarin dezelfde marktpartijen optraden.

(cf. punt 513)

17. De Commissie kan niet afwijken van regels die zij zichzelf heeft gesteld. In zoverre als de mededeling inzake de bepaling van de relevante markt voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht in dwingende bewoordingen en zonder ruimte te laten voor enige beoordelingsvrijheid de methode omschrijft die de Commissie voortaan voor de afbakening van markten zal gebruiken, dient de Commissie die mededeling dan ook daadwerkelijk in acht te nemen.

Wanneer de Commissie in een mededeling bewoordingen bezigt die haar de mogelijkheid laten om uit de bewijselementen en invalshoeken die in theorie relevant kunnen zijn, die te kiezen welke in de omstandigheden van het concrete geval het meest dienstig zijn, moet ervan worden uitgegaan, dat de Commissie een grote vrijheid van handelen behoudt.

De Commissie heeft zich in de mededeling inzake de bepaling van de relevante markt niet speciaal vastgelegd op een bijzondere methode om de substitueerbaarheid aan de vraagzijde te beoordelen, maar verklaard dat haar benadering zal moeten afhangen van de concrete omstandigheden, en daarmee haar handen verregaand vrij gehouden teneinde elk geval op passende wijze te kunnen behandelen.

(cf. punten 516, 519)

18. Nu punt 36 van de mededeling inzake de bepaling van de relevante markt preciseert dat „[d]e functionele verwisselbaarheid of de gelijkaardigheid van de kenmerken [...] op zich onvoldoende criteria [zijn], omdat de gevoeligheid van de afnemers voor wijzigingen van de betrokken prijs ook op andere overwegingen kan zijn gebaseerd”, volgt hieruit met betrekking tot het onderzoek door de Commissie van de verenigbaarheid van een concentratie met de gemeenschappelijke markt a contrario, dat in bepaalde gevallen, of zelfs als algemene regel (tenzij bijzondere omstandigheden in een andere richting wijzen), producten die functioneel verwisselbaar zijn en gelijkaardige kenmerken hebben, vervangingsproducten zijn.

(cf. punt 524)

19. Wat de toepassing van artikel 82 EG betreft, houdt de vaststelling van het bestaan van een machtspositie op zich geen verwijt aan het adres van de betrokken onderneming in; het betekent slechts dat deze onderneming, wat ook de oorzaken van haar machtspositie mogen zijn, een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om zich zo te gedragen, dat zij geen afbreuk doet aan een daadwerkelijke en onvervalste mededinging op de gemeenschappelijke markt. Verder is het begrip misbruik in de zin van artikel 82 EG een objectief begrip, dat betrekking heeft op de gedragingen van een onderneming met een machtspositie, die de structuur kunnen beïnvloeden van een markt waar de mededinging juist als gevolg van de aanwezigheid van die onderneming al is verzwakt, en door het gebruik van andere middelen dan gebruikelijk zijn bij een normale mededinging met goederen of diensten op basis van ondernemersprestaties, de instandhouding of ontwikkeling van de op die markt nog bestaande mededinging kunnen verhinderen.

In een situatie waarin de enige onmiddellijke mededinging op een gegeven markt indirect en al betrekkelijk zwak is, is de verkrijging door een onderneming van de enige concurrent die op die markt nog producten verkoopt, bijzonder schadelijk. De in het kader van het verbod van misbruik van machtspositie ontwikkelde beginselen dienen dan ook op overeenkomstige wijze op het verwante gebied van het toezicht op concentraties te worden toegepast in die zin, dat hoe sterker de overheersende positie van een onderneming is, hoe groter haar bijzondere verantwoordelijkheid om zich te onthouden van gedragingen die de op de markt nog bestaande mededinging verder kunnen verzwakken, laat staan uitschakelen.

In een dergelijk geval dienen de partijen bij de concentratie dus aan te tonen, dat vóór de concentratie elke daadwerkelijke mededinging ontbrak.

(cf. punten 549‑551)

20. In het kader van verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen is de Commissie slechts bevoegd verbintenissen te aanvaarden die geschikt zijn om de aangemelde concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te maken. Daarbij moet ervan worden uitgegaan, dat door de partijen aangeboden structuurverbintenissen slechts aan dat criterium voldoen in zoverre als de Commissie met zekerheid kan concluderen dat de uitvoering ervan mogelijk is en dat de erdoor in het leven geroepen nieuwe commerciële structuren voldoende levensvatbaar en duurzaam zijn om zeker te stellen, dat het in de betrekkelijk nabije toekomst niet zal komen tot het ontstaan of de versterking van een machtspositie of van de belemmeringen voor een daadwerkelijke mededinging, die de verbintenissen moeten voorkomen.

(cf. punten 555, 612)

21. Om de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de essentiële feitelijke en juridische omstandigheden waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk zijn weergegeven in de tekst van het verzoekschrift zelf. Ofschoon de tekst van het verzoekschrift op specifieke punten kan worden gestaafd en aangevuld door verwijzingen naar uittreksels uit bijgevoegde stukken, kan een algemene verwijzing naar andere stukken, ook al zijn die bij het verzoekschrift gevoegd, geen alternatief zijn voor de vermelding van de essentiële elementen van het juridische betoog, die in het verzoekschrift moeten voorkomen.

(cf. punt 592)

22. De procedure van toegang tot het dossier in mededingingszaken is bedoeld om degenen die een mededeling van punten van bezwaar hebben ontvangen, in staat te stellen kennis te nemen van het bewijsmateriaal in het dossier van de Commissie, opdat zij een dienstig antwoord kunnen geven op de conclusies waartoe de Commissie op basis van dat materiaal is gekomen. Het recht op toegang tot het dossier vindt derhalve zijn rechtvaardiging in de noodzaak, de betrokken ondernemingen de mogelijkheid te bieden zich naar behoren te verweren tegen de grieven die in de mededeling van punten van bezwaar tegen hen zijn ingebracht.

Niettemin kan de toegang tot bepaalde stukken worden geweigerd, met name stukken of delen daarvan die bedrijfsgeheimen van andere ondernemingen bevatten, interne documenten van de Commissie, informatie waardoor klagende partijen die onbekend wensen te blijven, kunnen worden geïdentificeerd, en inlichtingen die onder voorbehoud van geheimhouding aan de Commissie zijn verstrekt.

Het recht van ondernemingen op bescherming van hun bedrijfsgeheimen moet in evenwicht worden gebracht met de bescherming van de rechten van de verdediging. Zo kan er een verplichting zijn voor de Commissie, deze tegengestelde belangen met elkaar in overeenstemming te brengen door het opstellen van niet-vertrouwelijke samenvattingen van de stukken die bedrijfsgeheimen of andere gevoelige informatie bevatten. Deze beginselen zijn ook van toepassing op de toegang tot de dossiers in zaken betreffende concentraties die in het kader van verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen worden onderzocht, ook al kan bij de toepassing van deze beginselen in redelijke mate rekening worden gehouden met het vereiste van snelheid, dat de algemene opzet van deze verordening kenmerkt. Er is geen reden om wat de rechten van de verdediging betreft, in concentratieprocedures een ander of hoger niveau van bescherming toe te passen dan in procedures betreffende inbreuken op het communautaire mededingingsrecht.

(cf. punten 629‑631)

23. In een administratieve procedure in een mededingingszaak moet met betrekking tot de toegang tot het dossier worden onderscheiden tussen stukken die uitsluitend à charge zijn, en stukken à décharge of die gegevens à décharge bevatten. Stukken à charge zijn slechts relevant in zoverre als de Commissie er voor haar beslissing gebruik van maakt, in welk geval zij aan de belanghebbende moeten worden meegedeeld; blijven zij buiten beschouwing, dan heeft het niet mededelen ervan geen enkel gevolg voor de wettigheid van de procedure. Wanneer daarentegen een onderneming tijdens de administratieve procedure geen toegang blijkt te hebben gehad tot een stuk à décharge, dat wil zeggen een stuk dat zij voor haar verweer had kunnen gebruiken en dat, indien zij er gebruik van had kunnen maken, de administratieve procedure een andere afloop had kunnen geven, moet de redenering in de beschikking, waarvoor dat stuk van belang was, in principe als ongeldig worden beschouwd.

(cf. punt 649)

24. Een verzoek om vertrouwelijke behandeling in mededingingsprocedures kan grond opleveren om de toegang tot van derden afkomstige stukken, zoals klachten, te weigeren. Een onderneming die een machtspositie op de markt inneemt, kan namelijk vergeldingsmaatregelen nemen tegen concurrenten, leveranciers of afnemers die aan het door de Commissie geleide onderzoek hebben meegewerkt, en derde ondernemingen die de Commissie in het kader van haar onderzoek documenten ter hand stellen waarvan de overhandiging naar hun mening tot represailles tegen hen kan leiden, zullen dit enkel doen wanneer zij weten dat rekening zal worden gehouden met hun verzoek om vertrouwelijke behandeling.

(cf. punt 650)

25. In mededingingsprocedures heeft het recht om te worden gehoord slechts betrekking op de bezwaren die de Commissie denkt in aanmerking te nemen.

Aangezien een inleidingsbeschikking in de zin van artikel 6, lid 1, sub c, van verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen niet tot doel heeft punten van bezwaar aan de partijen mee te delen, maar om een voorlopige indicatie te geven van de ernstige twijfels die de Commissie aanleiding geven om de tweede onderzoeksfase te openen, kan een onderneming niet stellen dat het feit dat zij vóór de verzending van de mededeling van punten van bezwaar geen toegang tot het dossier heeft gehad, afbreuk heeft gedaan aan haar mogelijkheid om verweer te voeren. Doordat de onderneming, na toegang te hebben gekregen tot het administratieve dossier van de Commissie, gelegenheid heeft gehad om schriftelijke en mondelinge opmerkingen over de mededeling van punten van bezwaar te maken, heeft zij haar mening over de in aanmerking genomen punten van bezwaar tijdig kenbaar kunnen maken.

(cf. punten 692‑693)

26. Ingevolge artikel 18, lid 1, van verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen moeten de partijen bij een concentratie weliswaar vanaf de inleiding van de procedure in staat worden gesteld opmerkingen te maken, maar dit betekent niet, dat de Commissie al in dat vroege stadium toegang tot haar administratief dossier moet geven. Dat toegang tot het administratief dossier van de Commissie voor de partijen noodzakelijk is om aan het eind verweer te kunnen voeren tegen de door de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar geformuleerde punten van bezwaar, mag niet zo worden uitgelegd, dat de Commissie het dossier gedurende de hele procedure steeds bij gedeelten voor partijen toegankelijk moet maken. Dit zou voor de instelling een onevenredige belasting betekenen.

(cf. punt 694)

27. Om het door verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties vastgelegde tijdschema te kunnen eerbiedigen, moeten de in elk stadium van de procedure bepaalde tussentermijnen eveneens kort zijn. Dit maakt de omstandigheden waaronder alle betrokkenen bij de procedure moeten werken, per definitie minder gunstig, maar dat offer werd in de ogen van de wetgever gerechtvaardigd door het voordeel van een snelle afwikkeling van de procedure in haar geheel, met name gelet op het commerciële belang van de partijen bij een zo voortvarend mogelijke verwezenlijking van de door hen aangemelde concentratie. Dienaangaande moet bij de beoordeling van beweerde schendingen van de rechten van de verdediging in het kader van een procedure krachtens verordening nr. 4064/89 rekening worden gehouden met het vereiste van snelheid dat kenmerkend is voor de algemene structuur van die verordening.

Ingevolge artikel 21 van verordening nr. 447/98 betreffende de aanmeldingen, de termijnen en het horen van betrokkenen en derden overeenkomstig verordening nr. 4064/89, dat onder meer van toepassing is op de overeenkomstig artikel 13 van die verordening bepaalde termijn waarbinnen een mededeling van punten van bezwaar moet worden beantwoord, moet de Commissie bovendien rekening houden met de tijd die nodig is voor het voorbereiden van verklaringen, en met de spoedeisendheid van de zaak. Het is dus de taak van de Commissie om de rechten van de verdediging van de aanmeldende partijen en de noodzaak om snel een eindbeschikking vast te stellen, met elkaar overeen te brengen.

De partijen bij een aangemelde concentratie kunnen dus slechts stellen dat de hun in het kader van de procedure toegestane termijnen te kort zijn, wanneer die termijnen niet evenredig zijn aan de duur van de procedure in haar geheel.

(cf. punten 701‑703)

28. Ook al is door de inwerkingtreding van besluit 2001/462 betreffende het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures de positie van de raadadviseur-auditeur in zoverre gewijzigd als hij overeenkomstig artikel 2, lid 2, van dat besluit administratief thans onder het lid van de Commissie belast met mededingingszaken ressorteert in plaats van onder het directoraat-generaal Concurrentie, uit het besluit blijkt duidelijk, dat de nieuwe functie van raadadviseur-auditeur rechtstreeks in de plaats komt van de in besluit 94/810 geregelde oude functie met dezelfde naam. Bij gebreke van een beschikking tot beëindiging van zijn mandaat overeenkomstig artikel 2, lid 1, van besluit 2001/462, is de oude raadadviseur-auditeur na de inwerkingtreding van dat besluit dus in functie gebleven.

Deze uitlegging van genoemde besluiten vindt steun in de objectieve noodzaak om in overeenstemming met het beginsel van goed bestuur de continuïteit van de functie-uitoefening door de raadadviseur-auditeur te verzekeren. Het was immers onvermijdelijk dat besluit 2001/462 in werking trad op een moment waarop verscheidene procedures al aanhangig waren. Als het effect van die inwerkingtreding, zonder dat een nieuwe raadadviseur-auditeur werd benoemd, zou zijn dat niemand bevoegd was die functie uit te oefenen, hadden die procedures niet voortgezet kunnen worden, hetgeen aan de bepalingen van verordening nr. 4064/89, alsook aan die van besluit 2001/462 wat die procedures betreft, hun nuttig effect had ontnomen. De raadadviseur-auditeur die bij de inwerkingtreding van besluit 2001/462 in functie was, heeft dan ook zijn bevoegdheid tot nader order behouden, althans tot de afsluiting van de procedures die hem al waren toegewezen.

(cf. punten 719‑720)

29. De fundamentele rechten maken deel uit van de algemene rechtsbeginselen waarvan de eerbiediging door de gemeenschapsrechter wordt verzekerd. Daarbij laten het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg zich leiden door de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, en door de richtsnoeren geboden door de internationale verdragen voor de bescherming van de mensenrechten waaraan de lidstaten hebben medegewerkt en die zij hebben ondertekend. Van bijzondere betekenis is hier het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Voorts bepaalt artikel 6, lid 2, EU: „De Unie eerbiedigt de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het [...] Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens [...] en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht.”

(cf. punt 725)

ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer – uitgebreid)

14 december 2005 (*)

„Beroep tot nietigverklaring – Mededinging – Beschikking van de Commissie waarbij een concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard – Verordening (EEG) nr. 4086/89 – Luchtvaartmarkten – Verkrijging van Honeywell door General Electric – Verticale integratie – Gebundelde verkopen – Uitsluitingseffecten – Horizontale overlappingen – Rechten van de verdediging”

In zaak T‑210/01,

General Electric Company, gevestigd te Fairfield, Connecticut (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door N. Green, C. Booth, QC, J. Simor en K. Bacon, barristers, S. Baxter, solicitor, L. Vogel en J. Vogel, advocaten, alsmede aanvankelijk door M. Van Kerckhove, advocaat, en vervolgens door J. O’Leary, solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal, P. Hellström en F. Siredey-Garnier als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

ondersteund door

Rolls-Royce plc, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door A. Renshaw, solicitor,

en door

Rockwell Collins, Inc., gevestigd te Cedar Rapids, Iowa (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door T. Soames, J. Davies en A. Ryan, solicitors, en P. D. Camesasca, advocaat,

interveniënten,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 3 juli 2001 waarbij een concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de werking van de EER-overeenkomst wordt verklaard (zaak COMP/M.2220 – General Electric/Honeywell) (PB 2004, L 48, blz. 1),

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: J. Pirrung, kamerpresident, V. Tiili, A. W. H. Meij, M. Vilaras en N. J. Forwood, rechters,

griffier: J. Plingers, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 mei 2004,

het navolgende

Arrest

De toepasselijke regeling

1 Artikel 2, leden 2 en 3, van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 395, blz. 1, met rectificatie in PB 1990, L 257, blz. 13), laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1310/97 van de Raad van 30 juni 1997 (PB L 180, blz. 1) (hierna, zoals gerectificeerd en gewijzigd, „verordening nr. 4064/89”), bepaalt:

„2. Concentraties die geen machtspositie in het leven roepen of versterken die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, moeten verenigbaar verklaard worden met de gemeenschappelijke markt.

3. Concentraties die een machtspositie in het leven roepen of versterken die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd, moeten onverenigbaar verklaard worden met de gemeenschappelijke markt.”

Antecedenten van het geding

2 General Electric Company (hierna: „GE” of „verzoekster”) is een gediversifieerde industriële onderneming die actief is op het gebied van vliegtuigmotoren, huishoudapparaten, informatiediensten, energiesystemen, verlichting, industriële en medische systemen, kunststoffen, omroepactiviteiten, financiële dienstverlening en transportsystemen.

3 Honeywell International Inc. is actief op de volgende markten: luchtvaartsystemen en ‑diensten, automobielproducten, elektronische materialen, speciale chemicaliën, hoogwaardige polymeren, transport‑ en energiesystemen, en de bewaking van woon‑ en bedrijfsgebouwen.

4 Op 22 oktober 2000 sloten GE en Honeywell een overeenkomst tot overname door GE van het volledige kapitaal van Honeywell (hierna: „concentratie”), waardoor deze een volle dochteronderneming van GE zou worden.

5 Op 5 februari 2001 ontving de Commissie de formele aanmelding van de concentratie, overeenkomstig artikel 4 van verordening nr. 4064/89.

6 Van mening dat verordening nr. 4064/89 op de concentratie van toepassing zou kunnen zijn, besloot de Commissie op 1 maart 2001 de onderzoeksprocedure van artikel 6, lid 1, sub c, van genoemde verordening en artikel 57 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) in te leiden (hierna: „inleidingsbesluit”).

7 Op 15 maart 2001 dienden GE en Honeywell bij de Commissie hun gezamenlijke opmerkingen over het inleidingsbesluit in.

8 Op 8 mei 2001 zond de Commissie een mededeling van de punten van bezwaar (hierna: „MPB”) aan GE, waarop deze op 24 mei 2001 antwoordde.

9 Op 29 en 30 mei 2001 namen GE en Honeywell deel aan een hoorzitting bij de Commissie.

10 Op 14 en 28 juni 2001 stelden GE en Honeywell gezamenlijk twee reeksen verbintenissen voor om de concentratie voor de Commissie aanvaardbaar te maken.

11 Op 3 juli 2001 stelde de Commissie beschikking 2004/134/EG (zaak COMP/M.2220 – General Electric/Honeywell) vast, waarbij de concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de EER-Overeenkomst werd verklaard (PB 2004, L 48, blz. 1; hierna: „bestreden beschikking”).

De bestreden beschikking

12 Het dispositief van de bestreden beschikking luidt als volgt:

„Artikel 1

De concentratie waarbij [GE] de zeggenschap zou verwerven over de onderneming Honeywell International Inc. wordt hierbij onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en met de werking van de EER-Overeenkomst verklaard.

Artikel 2

De [bestreden] beschikking is gericht tot:

[GE]

[...]”

13 De motivering van de bestreden beschikking kan worden samengevat als volgt.

14 Volgens de Commissie had GE vóór de concentratie zelf al een machtspositie op de wereldmarkten voor straalmotoren voor grote commerciële vliegtuigen en voor grote regionale vliegtuigen (zie punten 45‑83 en 84‑87 van de bestreden beschikking, alsook punten 107‑229). Haar sterke marktpositie, samen met het commerciële hefboomeffect van haar financiële kracht en verticale integratie op het gebied van vliegtuigleasing, zijn elementen die, met andere, tot de conclusie noopten dat GE op die markten een machtspositie had. Uit het onderzoek bleek volgens de Commissie ook, dat Honeywell al de grootste leverancier is van elektronische en niet-elektronische luchtvaartsystemen (punten 241‑275), van motoren voor zakenvliegtuigen (punten 88 en 89), en van startapparatuur, een essentieel onderdeel bij de productie van straalmotoren, in het bijzonder straalmotoren voor grote commerciële vliegtuigen (punten 331‑340).

15 De samenvoeging van de activiteiten van de twee vennootschappen zou op verscheidene markten machtsposities doen ontstaan of bestaande machtsposities versterken. In het bijzonder de bestaande machtspositie van GE op de wereldmarkt van straalmotoren voor grote commerciële vliegtuigen zou worden versterkt door de „verticale” effecten van de concentratie door de integratie van GE’s activiteit als fabrikant van straalmotoren met die van Honeywell als fabrikant van startapparatuur voor die motoren (punten 410‑427 van de bestreden beschikking). Op de diverse wereldmarkten van elektronische en niet-elektronische luchtvaartsystemen, waar Honeywell al vóór de concentratie sterke posities innam, zouden eveneens machtsposities ontstaan als gevolg van tweeërlei „conglomeraatseffecten”. In de eerste plaats zou het daarbij gaan om de gevolgen van het zogenoemde „share shifting” (verschuiving van marktaandelen), dat wil zeggen dat de financiële kracht van GE Capital, een van verzoeksters werkmaatschappijen, en de commerciële voordelen van de activiteit bestaande in de aankoop en leasing van vliegtuigen, hoofdzakelijk door een andere werkmaatschappij van verzoekster, GE Capital Aviation Services, zich over die markten zouden gaan uitstrekken (punten 342‑348 en 405‑411). In de tweede plaats zouden dergelijke effecten te verwachten zijn doordat de uit de fusie voortgekomen entiteit in de toekomst zou gaan werken met gebundelde verkopen – pure, technische en gemengde –, zoals straalmotoren van het vroegere GE tezamen met elektronische en niet-elektronische systemen van het vroegere Honeywell (punten 349‑404). Volgens de Commissie zou de toekomstige praktijk van gebundelde verkoop ook de al bestaande machtspositie van GE op de markt van straalmotoren voor grote commerciële vliegtuigen versterken.

16 Verder voorziet de Commissie een versterking van de bestaande machtspositie van GE op de wereldmarkt van straalmotoren voor grote regionale vliegtuigen, en het ontstaan van een machtspositie van de uit de fusie voortgekomen entiteit op de wereldmarkt van straalmotoren voor zakenvliegtuigen, onder meer door „horizontale overlappingen”, aangezien GE en Honeywell vóór de concentratie beiden als fabrikant op die markten aanwezig zijn (punten 428‑431 en 435‑437 van de bestreden beschikking). Door een horizontale overlapping tussen de twee partijen bij de concentratie zal er volgens de Commissie eveneens een machtspositie ontstaan op de wereldmarkt van kleine gasturbines voor schepen (punten 468‑477).

17 Van oordeel, dat de door de partijen bij de concentratie aangeboden verbintenissen de door de operatie veroorzaakte mededingingsproblemen niet konden oplossen (punten 500‑533 en 546‑563 van de bestreden beschikking), concludeert de Commissie in punt 567 van de beschikking, dat de concentratie verscheidene machtsposities in het leven zal roepen dan wel versterken, waardoor een daadwerkelijke mededinging in de gemeenschappelijke markt op significante wijze zal worden belemmerd, en dat de concentratie daarom onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt moet worden verklaard in de zin van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 4064/89.

Het procesverloop

18 Bij verzoekschrift, op 12 september 2001 neergelegd ter griffie van het Gerecht, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld. Ook Honeywell heeft op die dag beroep tegen de bestreden beschikking ingesteld (zaak T‑210/01).

19 Bij akten, respectievelijk op 11, 15 en 16 januari 2002 neergelegd ter griffie van het Gerecht, hebben Rolls-Royce plc, Rockwell Collins Inc. (hierna: „Rockwell”) en Thales SA verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Commissie.

20 Verzoekster heeft verzocht om bepaalde gegevens in haar stukken en in die van de Commissie ten aanzien van interveniënten vertrouwelijk te behandelen.

21 Bij beschikking van 26 juni 2002 heeft de president van de Eerste kamer van het Gerecht Rolls-Royce en Rockwell toegelaten tot interventie en verzoeksters verzoek om vertrouwelijke behandeling, onder voorbehoud van de opmerkingen van interveniënten, toegewezen. Overeenkomstig artikel 116, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is Thales toegelaten tot interventie ter terechtzitting op basis van het rapport ter terechtzitting.

22 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht bij besluit van het Gerecht van 13 september 2004 (PB C 251, blz. 12) is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Tweede kamer. In verband daarmee is de zaak aan die kamer toegewezen.

23 Krachtens artikel 14 van het Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht, op voorstel van de Tweede kamer en na partijen overeenkomstig artikel 51 van het Reglement te hebben gehoord, de zaak aan een uitgebreide rechtsprekende formatie toegewezen.

24 Bij op 2 februari 2004 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft Thales afstand van interventie gedaan. Bij beschikking van 23 maart 2004 heeft de president van de Tweede kamer (uitgebreid) van het Gerecht daarvan akte genomen, na de andere partijen te hebben gehoord.

25 Bij brief van 17 maart 2004 heeft verzoekster verzocht om voeging van de onderhavige zaak met zaak T‑210/01. De president van de Tweede kamer (uitgebreid) heeft overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering de beslissing over een eventuele voeging naar die formatie verwezen.

26 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan, en in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering, heeft het de partijen vragen gesteld. Voorts heeft het Gerecht de Commissie verzocht om vóór de terechtzitting een aantal documenten over te leggen. Partijen hebben aan die verzoeken gevolg gegeven.

27 Ter terechtzitting van 25 mei 2004 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op vragen van het Gerecht. Aan het eind van deze terechtzitting is de mondelinge behandeling gesloten.

28 Bij brief van 8 juni 2004 heeft verzoekster ter griffie van het Gerecht een verzoek om heropening van de mondelinge behandeling ingediend, alsmede aanvullende opmerkingen over bepaalde aspecten van de zaak, onder overlegging van verscheidene nieuwe stukken. Bij beschikking van 8 juli 2004 heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 62 van het Reglement voor de procesvoering besloten de mondelinge behandeling te heropenen.

29 Na de partijen te hebben gehoord, heeft het Gerecht bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering besloten de door verzoekster op 8 juni 2004 ingediende stukken en opmerkingen aan het dossier toe te voegen. De opmerkingen van de Commissie en interveniënten over het belang van die gegevens voor de onderhavige zaak zijn eveneens in het dossier opgenomen.

30 Door het Gerecht daartoe uitgenodigd, hebben partijen aanvullende opmerkingen en stukken ingediend met betrekking tot de door verzoekster in haar aanvankelijke opmerkingen opgeworpen vragen. Ook deze opmerkingen en stukken zijn in het dossier opgenomen.

31 De mondelinge behandeling is vervolgens op 23 november 2004 opnieuw gesloten.

Conclusies van partijen

32 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

– de bestreden beschikking nietig te verklaren;

– de Commissie in de kosten te verwijzen.

33 De Commissie, ondersteund door Rolls-Royce en Rockwell, concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– verzoekster in de kosten te verwijzen.

In rechte

34 In haar memories werpt verzoekster een aantal vragen op met betrekking tot de strekking van haar beroep, de draagwijdte van het toezicht van het Gerecht en de door de Commissie in de bestreden beschikking toegepaste algemene criteria. Deze vragen zullen eerst worden behandeld.

35 Verzoekster betwist de vaststelling van de Commissie die in de bestreden beschikking het uitgangspunt is voor andere aspecten van de analyse van de mededingingssituatie, te weten dat verzoekster al vóór de concentratie een machtspositie op de markt van straalmotoren voor grote commerciële vliegtuigen bezat. Dit aspect zal als eerste worden onderzocht.

36 Verzoekster verwerpt voorts de conclusies van de Commissie met betrekking tot de verticale overlapping, de conglomeraatseffecten en de horizontale overlappingen waartoe de concentratie zou leiden. Deze punten zullen successievelijk in de tweede, de derde en de vierde plaats aan de orde komen.

37 Ten slotte stelt verzoekster dat de procedure die tot de bestreden beschikking heeft geleid, gebreken vertoont Deze aspecten zullen als laatste worden behandeld.

A – Preliminaire punten

1. Het verzoek om voeging

38 Wanneer twee zaken waarin de verzoekers niet dezelfden zijn, worden gevoegd, kan dat geen wijziging brengen in de strekking van de door elk van hen afzonderlijk ingediende verzoekschriften; anders zou inbreuk worden gemaakt op de zelfstandigheid en het autonome karakter van elk van die beroepen (arrest Hof van 21 juni 2001, Moccia Irme e.a./Commissie, C‑280/99 P-C‑282/99 P, Jurispr. blz. I‑4717, punten 61‑68, in het bijzonder punt 66).

39 Het Gerecht meent de onderhavige zaak niet met zaak T‑209/91 te moeten voegen, met name gezien de verschillende strekking van de twee beroepen. Het in verzoeksters brief van 17 maart 2004 gedane verzoek om voeging wordt derhalve afgewezen.

2. Het verband tussen de verschillende zuilen onder de conclusie van de Commissie inzake de onverenigbaarheid van de concentratie met de gemeenschappelijke markt

a) Argumenten van partijen

40 Verzoekster merkt op, dat de Commissie in haar verweerschrift beklemtoont dat de onderdelen van haar redenering in de bestreden beschikking elkaar versterken, en dat het daarom gekunsteld zou zijn om elk ervan los van de andere te beoordelen. Zo zou het in casu niet mogelijk zijn de uit het arrest van het Gerecht van 22 oktober 2002, Schneider Electric/Commissie (T‑310/01, Jurispr. blz. II‑4071), voortvloeiende oplossing naar analogie toe te passen. Het Gerecht overwoog daar, dat fouten in de analyse van de Commissie betreffende bepaalde onderzochte markten niet voldoende grond opleverden om een beschikking nietig te verklaren, wanneer deze tevens op een correcte analyse van andere markten was gebaseerd. Ter terechtzitting heeft verzoekster er in dit verband op gewezen, dat het Gerecht zijn eigen beoordeling van de concentratie niet in de plaats van de beoordeling van de Commissie kan stellen. Wanneer de communautaire rechter tot het oordeel komt dat sommige van de motieven van de bestreden beschikking onwettig zijn en andere niet, dan gaat het niet aan dat hij beoordeelt, of de correct bevonden elementen van de redenering van de Commissie volstaan om de conclusie inzake de onverenigbaarheid van de aangemelde concentratie met de gemeenschappelijke markt te schragen.

41 De Commissie herinnert eraan, dat de bestreden beschikking gebaseerd is op een combinatie van elkaar aanvullende feitelijke en juridische elementen, waaronder horizontale en verticale effecten en conglomeraatseffecten, doch dat elk van die elementen op zich genomen het verbod van de concentratie al rechtvaardigt.

b) Beoordeling door het Gerecht

42 Om te beginnen merkt het Gerecht op, dat wanneer bepaalde overwegingen van een beschikking op zich genomen die beschikking rechtens genoegzaam rechtvaardigen, de eventuele gebreken in andere overwegingen van die handeling hoe dan ook geen gevolgen hebben voor het dispositief (in overeenkomstige zin, arrest Hof van 12 juli 2001, Commissie en Frankrijk/TF1, C‑302/99 P en C‑308/99 P, Jurispr. blz. I‑5603, punten 26‑29).

43 Wanneer het dispositief van een beschikking van de Commissie is gebaseerd op meerdere redeneringen, die elk op zich als grondslag voor dat dispositief zouden volstaan, moet de beschikking in beginsel enkel nietig worden verklaard indien elk van die redeneringen onwettig is. In een dergelijk geval kan een gebrek of een andere onwettigheid die slechts een van die redeneringen betreft, de nietigverklaring van de bestreden beschikking niet rechtvaardigen, omdat dat gebrek of die onwettigheid geen beslissende invloed kan hebben gehad op het dispositief van de beschikking (in overeenkomstige zin, arrest Gerecht van 14 mei 2002, Graphischer Maschinenbau/Commissie, T‑126/99, Jurispr. blz. II‑2427, punten 49‑51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 Deze regel geldt in het bijzonder bij beschikkingen op het gebied van het toezicht op concentraties (in die zin, arrest Schneider Electric/Commissie, reeds aangehaald, punten 404‑420).

45 De Commissie moet een concentratie verbieden wanneer deze voldoet aan de criteria van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 4064/89. Blijkens artikel 2, lid 1, sub a, van die verordening moet de Commissie bij haar beoordeling van een concentratie onder meer rekening houden met de noodzaak een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt te handhaven en te ontwikkelen in het licht van, met name, de structuur van alle betrokken markten. Wanneer de Commissie nagaat of een concentratie een of meer machtsposities in het leven roept of versterkt, waardoor een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt aanzienlijk wordt belemmerd, dient zij dus te letten op de bestaande situatie op elk van de markten die door de aangemelde concentratie kunnen worden beïnvloed. Stelt zij vast dat op één van die markten aan bedoelde criteria wordt voldaan, dan moet zij de concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaren.

46 In punt 567 van de bestreden beschikking preciseert de Commissie: „Om alle hierboven uiteengezette redenen is de Commissie tot de conclusie gekomen, dat de concentratie zou leiden tot het ontstaan of het versterken van een machtspositie op de markt voor motoren voor grote commerciële vliegtuigen, straalmotoren voor grote regionale vliegtuigen, straalmotoren voor zakenvliegtuigen, elektronische en niet-elektronische luchtvaartsystemen, alsmede kleine gasturbines voor schepen, waardoor daadwerkelijke mededinging in de gemeenschappelijke markt aanzienlijk zou worden gehinderd.”

47 De bestreden beschikking brengt geen hiërarchie aan tussen de door de Commissie vastgestelde mededingingsproblemen op elk van de door haar onderzochte en vervolgens, in de in het voorgaande punt weergegeven conclusie, opgesomde markten. Integendeel, mede gelet op de bewoordingen van artikel 2 van verordening nr. 4064/89, kan die conclusie slechts zo worden begrepen, dat de concentratie op elk van de genoemde markten een machtspositie zou hebben doen ontstaan of, in voorkomend geval, zou hebben versterkt, waardoor een daadwerkelijke mededinging op de gemeenschappelijke markt aanzienlijk zou zijn belemmerd.

48 Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat de bestreden beschikking slechts nietig kan worden verklaard, indien niet enkel werd vastgesteld dat sommige van haar overwegingen onwettig zijn, maar ook dat de eventuele overwegingen die niet door die onwettigheid worden beïnvloed, niet volstaan om de onverenigbaarheid van de aangemelde concentratie met de gemeenschappelijke markt te rechtvaardigen. Dit doet echter niet af aan de noodzaak te onderzoeken of bepaalde in de bestreden beschikking gesignaleerde mededingingsaspecten elkaar versterken, zoals de Commissie in haar verweerschrift betoogt, zodat het gekunsteld zou zijn om elk ervan afzonderlijk te beoordelen.

3. De voorgestelde verbintenissen

49 Om te beginnen de geldigheid van de tweede reeks verbintenissen van 28 juni 2001: het staat vast dat de partijen bij de concentratie op 14 juni 2001 een eerste reeks verbintenissen hebben ingediend (zie punten 485‑533 van de bestreden beschikking). Onweersproken door verzoekster stelt de Commissie, dat die dag de laatste was waarop verbintenissen konden worden voorgesteld, als bedoeld in artikel 18, lid 2, van verordening (EG) nr. 447/98 van de Commissie van 1 maart 1998 betreffende de aanmeldingen, de termijnen en het horen van betrokkenen en derden overeenkomstig verordening nr. 4064/89 (PB L 61, blz. 1). De partijen bij de concentratie hebben echter op 28 juni 2001 een tweede reeks verbintenissen aangeboden (zie punten 534‑566 van de bestreden beschikking), ter vervanging van die van 14 juni 2001.

50 De enige verschillen tussen deze twee reeksen verbintenissen betreffen de verbintenis inzake de gedraging van GECAS en de structuurverbintenissen inzake de voorgenomen verkoop van bepaalde activiteiten van Honeywell op de diverse markten van elektronische en niet-elektronische luchtvaartsystemen. Het eventuele belang van deze verschillen zal hierna worden onderzocht, bij het onderzoek ten gronde van de conglomeraatseffecten.

51 Na zich in haar verzoekschrift te hebben gekeerd tegen de weigering van de Commissie om de gedragsverbintenissen in aanmerking te nemen, heeft verzoekster er ter terechtzitting voorts op gewezen, dat de Commissie door die weigering de hele administratieve procedure op losse schroeven had gezet en het de partijen bij de concentratie onmogelijk had gemaakt verbintenissen voor te stellen die een oplossing konden bieden voor, met name, de door de Commissie vastgestelde mededingingsproblemen als gevolg van de horizontale overlappingen. Wegens haar verstrekkende betekenis moet deze bewering in het kader van de preliminaire punten worden onderzocht.

52 In de MPB van 8 mei 2001 in deze zaak heeft de Commissie een duidelijke uiteenzetting gegeven van haar bezwaren met betrekking tot alle voor de mededinging schadelijke gevolgen van de fusie, met name de horizontale en verticale gevolgen ervan; deze bezwaren zijn nadien overgenomen in de bestreden beschikking (zie, in het bijzonder, punten 118‑122, 124‑126, 459‑468, 469‑471, 473, 474, 578‑586 en 612‑633 van de MPB). Als reactie op de in de MPB uiteengezette bezwaren van de Commissie heeft verzoekster op 14 juni 2001 onder meer structuurverbintenissen aangeboden, die de Commissie na onderzoek heeft afgewezen omdat ze in de praktijk niet te verwezenlijken zouden zijn. Voor het Gerecht heeft verzoekster geen gegevens of argumenten aangevoerd om duidelijk te maken, waarom de afwijzing van juist die verbintenissen onwettig of ongerechtvaardigd was (zie, in het bijzonder, punten 487, 555 e.v., 564 in fine, en 610 hierna). In zoverre als de betrokken verbintenissen in technisch of commercieel opzicht leemten vertoonden, zodat ze naar het oordeel van de Commissie een onvoldoende basis vormden om de concentratie te kunnen goedkeuren, kan de Commissie ter zake niet verantwoordelijk worden gehouden; evenmin kunnen die leemten worden toegeschreven aan een eventuele aarzeling van de Commissie om de potentiële doeltreffendheid van andere verbintenissen inzake gedragingen te accepteren. Het was immers de taak van de partijen bij de aangemelde operatie om, in beginsel vóór 14 juni 2001, in alle opzichten volledige en doeltreffende verbintenissen voor te stellen.

53 In haar opmerkingen na de heropening van de mondelinge behandeling heeft verzoekster haar antwoord op een ter terechtzitting gestelde vraag gecorrigeerd en toegegeven, dat de Commissie haar op 22 juni 2001 had medegedeeld waarom de verbintenissen van 14 juni 2001 onaanvaardbaar waren. Vervolgens betoogde zij, dat de Commissie bij haar de indruk had gewekt, dat indien zij de verbintenis inzake de toekomstige gedraging van GECAS zou versterken, dit voldoende was om de concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te maken. Als bewijs legde zij in dit late stadium van de procedure twee persberichten, van 14 en 18 juni 2001, alsmede een artikel van 11 februari 2002 over, waarin verslag werd gedaan van een onderhoud met het lid van de Commissie dat destijds met mededingingszaken was belast. Kort gezegd beweert verzoekster, dat de Commissie jegens haar toezeggingen heeft gedaan die bij haar een gewettigd vertrouwen hebben gewekt.

54 Verzoekster heeft uitsluitend om heropening van de mondelinge behandeling in verband met de verbintenissen gevraagd, teneinde de in het voorgaande punt bedoelde feitelijke onjuistheid recht te kunnen zetten. Voorzover zij zich thans op haar contacten met de Commissie beroept, komen die opmerkingen te laat en zijn zij dus niet ontvankelijk. Het argument inzake het gewettigd vertrouwen, dat voor het eerst ter terechtzitting is aangevoerd, is bovendien een nieuw middel, dat overeenkomstig artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet worden afgewezen.

55 Iedere particulier bij wie de gemeenschapsorganen gegronde verwachtingen hebben gewekt, kan zich op het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen beroepen (arresten Hof van 11 maart 1987, Van den Bergh en Jurgens/Commissie, 265/85, Jurispr. blz. 1155, punt 44, en 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C‑152/88, Jurispr. blz. I‑2477, punt 26). De door verzoekster bedoelde contacten tussen haar en de diensten van de Commissie na de indiening van de eerste reeks verbintenissen op 14 juni 2001, over de mogelijkheid een nieuwe, op bepaalde punten afwijkende reeks verbintenissen in te dienen, kunnen echter niet dergelijke verwachtingen en dus ook geen gewettigd vertrouwen hebben doen ontstaan.

56 De door verzoekster ter terechtzitting en na de heropening van de mondelinge behandeling aangevoerde argumenten betreffende de verbintenissen moeten derhalve worden afgewezen.

4. De bewijsstandaard en de omvang van het toezicht van de communautaire rechter

a) Argumenten van partijen

57 Verzoekster stelt, dat concentraties met een conglomeraatkarakter, zoals die welke zij heeft aangemeld, slechts zelden tot het ontstaan of versterken van een machtspositie leiden, dit in tegenstelling tot horizontale of verticale concentraties. Iedere bewering van het tegendeel vraagt dan ook om een bijzonder overtuigend bewijs van een specifiek mechanisme dat de mededinging schaadt.

58 In haar opmerkingen over de memories in interventie en ter terechtzitting verwijst verzoekster in dit verband naar het arrest van het Gerecht van 22 oktober 2002, Tetra Laval/Commissie (T‑5/02, Jurispr. blz. II‑4381), waaruit zij afleidt dat voor het bewijs van conglomeraatseffecten een nauwkeurig onderzoek en overtuigende aanwijzingen noodzakelijk zijn, dat toekomstige gedragingen slechts met de grootste behoedzaamheid in aanmerking kunnen worden genomen, en dat de analyse van de Commissie met betrekking tot gevolgen die eerst na verloop van tijd aan de dag zullen treden, bijzonder aannemelijk dient te zijn. Tevens merkt zij op, dat de Commissie volgens dat arrest rekening dient te houden met het afschrikkend effect dat het in artikel 82 EG neergelegde verbod van misbruik van machtspositie voor een onderneming kan hebben.

59 Volgens de Commissie en de interveniënten vereist verordening nr. 4064/89 noch de rechtspraak een hogere bewijsstandaard voor een concentratie met conglomeraatkarakter.

b) Beoordeling door het Gerecht

Algemene opmerkingen

60 De Commissie beschikt, wat economische vraagstukken betreft, over een beoordelingsmarge bij de toepassing van de materiële bepalingen van verordening nr. 4064/89, in het bijzonder van artikel 2 ervan. Dit betekent, dat de communautaire rechter bij zijn toezicht enkel dient na te gaan of de aan de beslissing ten grondslag liggende feiten materieel juist zijn en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling (arresten Hof van 31 maart 1998, Frankrijk e.a./Commissie, „Kali & Salz”, C‑68/94 en C‑30/95, Jurispr. blz. I‑1375, punten 223 en 224, en 15 februari 2005, Commissie/Tetra Laval, C‑12/03 P, Jurispr. blz. I‑987, punt 38).

61 Bovendien schept verordening nr. 4064/89 geen vermoeden met betrekking tot de verenigbaarheid dan wel onverenigbaarheid van een aangemelde operatie met de gemeenschappelijke markt. Het is niet zo, dat de Commissie in geval van twijfel bij voorkeur goedkeuring moet hechten aan een onder haar bevoegdheid vallende concentratie; zij dient integendeel steeds een duidelijke beslissing in de ene dan wel in de andere zin te nemen (in die zin, arrest Tetra Laval/Commissie, reeds aangehaald, punt 120).

62 Wat de aard van het rechterlijk toezicht betreft, bestaat er een wezenlijk verschil tussen, enerzijds, de feitelijke gegevens en constateringen waarvan de rechter de eventuele onjuistheid in het licht van de hem voorgelegde argumenten en bewijselementen kan vaststellen, en, anderzijds, de beoordelingen van economische aard.

63 Ofschoon de Commissie bij de toepassing van de materiële bepalingen van verordening nr. 4064/89 over een beoordelingsvrijheid beschikt, betekent dit niet dat de gemeenschapsrechter de juridische kwalificatie van economische gegevens door de Commissie niet mag controleren. De gemeenschapsrechter moet immers niet slechts nagaan of de bewijselementen waarop de Commissie zich baseert, materieel juist, betrouwbaar en coherent zijn, maar ook of deze elementen het relevante feitenkader vormen dat voor de beoordeling van een ingewikkelde situatie in aanmerking moeten worden genomen, en of zij de eraan verbonden conclusies kunnen dragen (arrest Commissie/Tetra Laval, reeds aangehaald, punt 39).

64 Terwijl deze beginselen voor alle beoordelingen van economische aard gelden, is een doeltreffende rechterlijke controle des te noodzakelijker wanneer de Commissie de mogelijke toekomstige marktontwikkeling als gevolg van de beoogde concentratie analyseert. Zoals het Hof opmerkte in zijn arrest Commissie/Tetra Laval (reeds aangehaald, punten 42 en 43), moet bij een prospectieve analyse zoals die welke op het gebied van de fusiecontrole noodzakelijk is, zeer zorgvuldig te werk worden gegaan, omdat het er niet om gaat gebeurtenissen uit het verleden te onderzoeken, waarvoor vaak tal van gegevens beschikbaar zijn om de oorzaken ervan te kunnen begrijpen, en ook geen actuele gebeurtenissen, maar om gebeurtenissen te voorzien die zich met meer of minder grote waarschijnlijkheid in de toekomst zullen voordoen indien geen beschikking wordt vastgesteld die de voorgenomen concentratie verbiedt of de voorwaarden ervan preciseert (in deze zin, arrest Tetra Laval/Commissie, reeds aangehaald, punt 155). Voor een prospectieve analyse, waarbij men onderzoekt in hoeverre een concentratie de factoren kan wijzigen die de stand van de mededinging op een gegeven markt bepalen, teneinde na te gaan of zij tot een aanzienlijke belemmering van een daadwerkelijke mededinging kan leiden, is het nodig dat men zich een beeld vormt van de diverse ketens van oorzaak en gevolg, om vervolgens te kiezen voor die waarvan de waarschijnlijkheid het grootst is.

Behandeling van conglomeraatseffecten

65 Concentraties van het conglomeraattype leiden niet tot horizontale overlappingen van de activiteiten van de concentratiepartners noch tot verticale betrekkingen tussen die partners in strikte zin. Ofschoon dergelijke concentraties in het algemeen geen mededingingsbeperkende gevolgen hebben, kunnen deze zich in bepaalde gevallen wel voordoen (arrest Tetra Laval/Commissie, reeds aangehaald, punt 142). Wanneer derhalve de Commissie bij een prospectief onderzoek van de gevolgen van een concentratie van het conglomeraattype op grond van de door haar geconstateerde conglomeraatseffecten tot de conclusie komt, dat naar alle waarschijnlijkheid in de relatief nabije toekomst een machtspositie zal ontstaan of zal worden versterkt en dat de mededinging op de betrokken markt door de concentratie aanzienlijk zal worden belemmerd, is zij verplicht ze te verbieden (arrest Tetra Laval/Commissie, reeds aangehaald, punt 153 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66 Zoals het Hof in zijn arrest Commissie/Tetra Laval (reeds aangehaald) voorts opmerkte, leveren concentraties van het conglomeraattype bepaalde specifieke problemen op, in de eerste plaats omdat het onderzoek van een dergelijke concentratie een prospectieve analyse over een langere periode in de toekomst kan omvatten, en in de tweede plaats omdat een bepaalde gedraging van de uit de fusie voortgekomen entiteit goeddeels bepalend kan zijn voor de gevolgen van de concentratie. Zo zal het vaak slecht voorzienbaar, onzeker en moeilijk vast te stellen zijn welke oorzaken na de concentratie welke gevolgen zullen hebben. Daarbij komt het heel sterk aan op de kwaliteit van het bewijs dat de Commissie aanvoert in de motivering van een beschikking waarin de concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, aangezien dit bewijs het standpunt van de Commissie moet ondersteunen, dat haar verwachting van de economische ontwikkelingen die zich zonder die beschikking zullen voordoen, realistisch is (arrest Commissie/Tetra Laval, punt 44; in dezelfde zin, arrest Tetra Laval/Commissie, punt 155).

67 In de bestreden beschikking oordeelt de Commissie, dat de concentratie in de eerste plaats zou leiden tot directe verticale integratie tussen de fabricage van starters en van motoren, in de tweede plaats tot conglomeraatseffecten en in de derde plaats tot horizontale overlappingen op bepaalde markten.

68 Blijkens de beschrijving van de conglomeraatseffecten in de bestreden beschikking meent de Commissie, dat de concentratie door die effecten de mededingingssituatie op bepaalde markten onmiddellijk of althans binnen korte tijd zal wijzigen en daardoor een machtspositie op die markten zal doen ontstaan of zal versterken wegens de macht en de commerciële mogelijkheden die met de op de eerste markt reeds bestaande machtspositie gepaard gaan (zie punten 325 e.v. en 399 e.v. hierna). Die gevolgen zou de concentratie echter enkel hebben indien de uit de fusie voortgekomen entiteit zich na de concentratie op een bepaalde manier gedroeg, wat de Commissie als waarschijnlijk beschouwde. Wat de Commissie in dit verband verwachtte, was dat bepaalde handelspraktijken die schadelijk zijn voor de mededinging en die de Commissie al vóór de concentratie bij de ene dan wel de andere concentratiepartner had waargenomen, na de concentratie ook op nieuwe markten zouden worden toegepast.

69 In die omstandigheden diende de Commissie dus deugdelijk bewijs te leveren voor haar conclusie, dat de uit de fusie voortgekomen entiteit zich inderdaad zou gedragen op de wijze die de Commissie van haar verwachtte. Zonder die gedraging zou de combinatie van de posities van de twee concentratiepartners op naburige, maar onderscheiden markten niet tot het ontstaan of het versterken van machtsposities kunnen leiden, aangezien die posities geen commerciële impact op elkaar zouden hebben gehad.

Behandeling van de factoren die de uit de fusie voortgekomen entiteit van bepaalde, in de bestreden beschikking voorziene gedragingen kunnen afhouden

70 In zijn eerder aangehaald arrest Tetra Laval/Commissie overwoog het Gerecht, dat hoewel de Commissie stellig rekening mag houden met door een concentratie gecreëerde omstandigheden die een prikkel tot mededingingsbeperkende praktijken zouden kunnen zijn, zij ook dient te onderzoeken in hoeverre die prikkels zwakker of zelfs geheel krachteloos worden door de onwettigheid van de betrokken gedragingen, met name gelet op het in artikel 82 EG neergelegde verbod van misbruik van machtspositie, de kans dat zij door de bevoegde communautaire of nationale autoriteiten worden ontdekt en vervolgd, en de geldelijke sancties die eruit kunnen voortvloeien (punt 159 van het arrest). In haar opmerkingen over de memories in interventie heeft verzoekster onder verwijzing naar deze rechtspraak betoogd, dat sommige van de praktijken die volgens de Commissie een machtspositie kunnen doen ontstaan of kunnen versterken, zich in werkelijkheid niet zullen voordoen.

71 In de hogere voorziening tegen dat arrest overwoog het Hof (arrest Commissie/Tetra Laval, reeds aangehaald, punten 74‑78), dat het Gerecht op goede gronden had geoordeeld dat de waarschijnlijkheid van bepaalde gedragingen volledig moest worden onderzocht, dat wil zeggen met inachtneming zowel van de prikkels om tot dergelijke gedragingen over te gaan, als van de factoren die die prikkels kunnen verzwakken of zelfs wegnemen, daaronder begrepen de eventuele onwettigheid van die gedragingen.

72 Het Hof overwoog echter ook, dat het tegen de preventiedoelstelling van verordening nr. 4064/89 zou ingaan om van de Commissie te verlangen dat zij bij iedere voorgenomen concentratie onderzoekt, in hoeverre de prikkels tot mededingingsbelemmerende gedragingen zwakker worden of zelfs geheel wegvallen wegens de onwettigheid van die gedragingen of het feit dat zij waarschijnlijk aan het licht zullen komen en aanleiding zullen geven tot vervolging door de bevoegde communautaire of nationale autoriteiten, en dat daar sancties op zullen volgen. Het Hof concludeerde dan ook, dat het Gerecht blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, waar het de conclusies van de Commissie betreffende de in die zaak omstreden mededingingsbelemmerende gedragingen van de nieuwe entiteit had afgewezen (arrest Commissie/Tetra Laval, reeds aangehaald, punten 75 en 78).

73 In principe moet de Commissie dus het eventueel onwettige en dus strafbare karakter van een gedraging in aanmerking nemen als factor die de prikkel voor een onderneming om zich op een bepaalde manier te gedragen, kan verzwakken of zelfs wegnemen. Voor deze beoordeling is echter geen volledig en gedetailleerd onderzoek nodig van de diverse mogelijk toepasselijke rechtsordes en het daarin gevoerde strafrechtelijk beleid, want een analyse van de waarschijnlijkheid van een inbreuk en de strafbaarstelling ervan in de diverse rechtsordes zou te speculatief zijn.

74 Wanneer de Commissie dus zonder een specifiek en gedetailleerd onderzoek het onwettige karakter van de betrokken gedraging kan vaststellen door toetsing aan artikel 82 EG of aan andere bepalingen van gemeenschapsrecht die zij moet handhaven, is zij verplicht dat te doen en dient zij er rekening mee te houden bij de beoordeling van de waarschijnlijkheid dat de uit de fusie voortgekomen entiteit zich daadwerkelijk zo zal gedragen (in deze zin, arrest Commissie/Tetra Laval, reeds aangehaald, punt 74).

75 Ofschoon de Commissie derhalve bij de vaststelling van een fusiecontrolebeschikking mag uitgaan van een summiere analyse, op basis van de informatie waarover zij op dat moment beschikt, van de wettigheid van de betrokken gedragingen en de waarschijnlijkheid van bestraffing, dient zij niettemin in het kader van haar beoordeling aan te geven welke gedragingen zij verwacht, en in voorkomend geval het ontmoedigend effect van het feit dat die gedragingen naar gemeenschapsrecht duidelijk of zeer waarschijnlijk onrechtmatig zijn, in te schatten en in aanmerking te nemen.

76 In het vervolg van dit arrest zal worden onderzocht, of de Commissie haar prospectieve analyse van de waarschijnlijkheid van conglomeraatseffecten op voldoende deugdelijk bewijs heeft gebaseerd en rekening heeft gehouden met bovenbedoelde regels.

5. Het ontbreken van bewijs van een aanzienlijke belemmering van een daadwerkelijke mededinging

a) Argumenten van partijen

77 Verzoekster voert aan, dat de Commissie, om een concentratie te kunnen verbieden, volgens artikel 2, leden 2 en 3, van verordening nr. 4064/89 in de eerste plaats moet aantonen, dat die concentratie een machtspositie in het leven roept of versterkt, en in de tweede plaats, dat die machtspositie de daadwerkelijke mededinging in de gemeenschappelijke markt aanzienlijk belemmert. Dat deze criteria cumulatief zijn, wordt bevestigd door de voorstukken van verordening nr. 4064/89, waaruit blijkt dat het tweede criterium op voorstel van het Economisch en Sociaal Comité en op verzoek van de Franse regering in de tekst is opgenomen. Dit cumulatieve karakter is ook bevestigd door het Gerecht, onder meer in het arrest van 19 mei 1994, Air France/Commissie (T‑2/93, Jurispr. blz. II‑323, punt 79), en het arrest Tetra Laval/Commissie (reeds aangehaald).

78 Dat aan deze criteria is voldaan, moet door de Commissie worden aangetoond. In het bijzonder dient te Commissie aannemelijk te maken, dat mededingingsbeperkende gevolgen met grote waarschijnlijkheid zullen optreden en niet slechts dat zij mogelijk zijn; verder dient zij die gevolgen te kwantificeren en aan te tonen, dat zij uit de concentratie voortvloeien en niet uit de al voordien bestaande marktomstandigheden. Dit vereiste weegt bijzonder zwaar wanneer de concentratie, zoals in casu, een conglomeraatkarakter heeft en daardoor, zoals algemeen bekend, maar zelden mededingingsbeperkende gevolgen zal hebben.

79 Uit de bestreden beschikking blijkt niet, dat de Commissie heeft onderzocht of de concentratie tot een aanzienlijke belemmering van een daadwerkelijke mededinging zou leiden. Voor elk van de markten waarvan de Commissie meent dat er een machtspositie in het leven wordt geroepen of versterkt, komt zij via vage, niet op cijfers gebaseerde beweringen tot de conclusie, dat concurrenten van die markten zullen worden uitgesloten met negatieve gevolgen voor de mededinging.

80 De enige keer dat het tweede criterium van artikel 2 van verordening nr. 4064/89 in de bestreden beschikking wordt genoemd, aldus verzoekster, is in de algemene conclusie in punt 567. De Commissie is kennelijk eenvoudig uitgegaan van de veronderstelling, dat het vermeende ontstaan of de vermeende versterking van machtsposities op de relevante markten automatisch de door het tweede criterium van artikel 2 van de verordening vereiste mededingingsbeperkende gevolgen zou hebben.

81 Verder kan de Commissie niet stellen, dat bij het onderzoek naar het ontstaan of de versterking van machtsposities impliciet is aangetoond dat aan dat tweede criterium is voldaan. Het volstaat niet om de als bewijs van een machtspositie gebruikte feiten te „recycleren” en er zonder verder onderzoek de conclusie van een aanzienlijke belemmering op te baseren. De onontkoombare consequentie van een dergelijk manco in de analyse is nietigverklaring van de bestreden beschikking. Een dergelijke beschikking moet op zichzelf kunnen staan, zonder dat het nodig is rekening te houden met door de Commissie en de interveniënten ná de beschikking aangevoerd bewijsmateriaal.

82 Het volledig ontbreken van overwegingen betreffende de toepassing van het tweede criterium van artikel 2 van verordening nr. 4064/89 vormt bovendien een flagrante schending van de motiveringsplicht, doordat verzoekster thans geen kennis kan nemen van de redenen waarom de Commissie van mening is, dat de concentratie feitelijk een aanzienlijke belemmering van een daadwerkelijke mededinging tot gevolg zou hebben.

83 De Commissie erkent dat de al dan niet tweeledige aard van artikel 2 van verordening nr. 4064/89 in de doctrine omstreden is, maar betoogt dat het belang van die discussie gering is. Zelf meent zij, dat het accent op het criterium van ontstaan of versterking van een machtspositie moet liggen en dat distorsie van de mededinging als de consequentie daarvan moet worden gezien. Maar ook als het om een tweeledig criterium zou gaan, zijn volgens de Commissie en Rockwell de waarschijnlijke gevolgen van de concentratie in het onderhavige geval diepgaand en gedetailleerd onderzocht.

b) Beoordeling door het Gerecht

84 Volgens een inmiddels vaste rechtspraak van het Gerecht bevat artikel 2, leden 2 en 3, van verordening nr. 4064/89 twee cumulatieve criteria, waarvan het eerste het in het leven roepen of versterken van een machtspositie betreft, en het tweede een aanzienlijke belemmering van de mededinging in de gemeenschappelijke markt (in die zin, arrest Gerecht van 27 november 1997, Kaysersberg/Commissie, T‑290/94, Jurispr. blz. II‑2137, punt 156, alsmede arresten Air France/Commissie, punt 79, en Tetra Laval/Commissie, punt 146, beide reeds aangehaald). Een concentratie kan dus slechts worden verboden, indien aan beide criteria van artikel 2, lid 3, is voldaan.

85 De machtspositie bedoeld in artikel 2, leden 2 en 3, van verordening nr. 4064/89, betreft een situatie waarin één of meer ondernemingen een economische macht bezitten die hen in staat stelt de handhaving van een daadwerkelijke mededinging op de betrokken markt te verhinderen, doordat zij hun de mogelijkheid biedt zich in aanzienlijke mate onafhankelijk van hun concurrenten, hun afnemers en, ten slotte, de consument te gedragen (arrest Gerecht van 25 maart 1999, Gencor/Commissie, T‑102/96, Jurispr. blz. II‑753, punt 200).

86 Met betrekking tot misbruik van machtspositie in de zin van artikel 82 EG overwoog het Hof, dat er van dergelijk misbruik sprake kan zijn wanneer een onderneming met een machtspositie deze zodanig versterkt, dat de dan bereikte mate van overheersing de mededinging wezenlijk belemmert, dat wil zeggen slechts ondernemingen laat voortbestaan die zich slechts in afhankelijkheid van de overheersende onderneming kunnen gedragen (arrest Hof van 21 februari 1973, Europemballage en Continental Can/Commissie, 6/72, Jurispr. blz. 215, punt 26). Blijkens deze rechtspraak kan het versterken van een machtspositie op zich de mededinging wezenlijk belemmeren, en wel zozeer, dat die versterking alleen al misbruik van die positie oplevert.

87 Des te meer kan de versterking of het in het leven roepen van een machtspositie in de zin van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 4064/89 in bepaalde gevallen het bewijs vormen van een aanzienlijke belemmering van een daadwerkelijke mededinging. Dit betekent niet, dat het tweede criterium van artikel 2 van verordening nr. 4064/89 juridisch samenvalt met het eerste, maar enkel dat uit één feitelijk onderzoek van een bepaalde markt kan blijken dat aan alle twee de criteria is voldaan.

88 De omstandigheden waarmee de Commissie kan aantonen dat de concurrenten van een onderneming zozeer in hun vrijheid van handelen beperkt worden, dat de conclusie dat die onderneming een machtspositie heeft verkregen of versterkt, gewettigd is, zijn vaak dezelfde als die welke van belang zijn voor de vraag, of door dat ontstaan of die versterking van de machtspositie de daadwerkelijke mededinging in de gemeenschappelijke markt aanzienlijk zal worden belemmerd. Een situatie die de vrijheid van de concurrenten om een zelfstandig commercieel beleid te voeren, aanmerkelijk beïnvloedt, kan immers ook een belemmering van een daadwerkelijke mededinging met zich brengen.

89 Wanneer uit de overwegingen van een beschikking waarin de onverenigbaarheid van een aangemelde concentratie met de gemeenschappelijke markt wordt vastgesteld, ook indien die overwegingen formeel enkel het onderzoek naar het ontstaan of de versterking van een machtspositie betreffen, blijkt dat die concentratie aanzienlijke mededingingsbeperkende gevolgen zal hebben, kan die beschikking dus niet onwettig worden geacht – hetzij vanuit het gezichtspunt van de motiveringsplicht van artikel 253 EG, hetzij met betrekking tot de grond van de zaak – enkel omdat de Commissie haar beschrijving van de relevante gegevens niet uitdrukkelijk en specifiek in verband heeft gebracht met het tweede criterium van artikel 2 van verordening nr. 4064/89. De tegengestelde opvatting zou de Commissie immers een zuiver formele verplichting opleggen, die haar zou dwingen sommige van die overwegingen twee keer weer te geven, eerst bij haar onderzoek naar het ontstaan of de versterking van een machtspositie op een bepaalde markt, en dan nogmaals met betrekking tot de aanzienlijke belemmering van de mededinging op de gemeenschappelijke markt.

90 In casu zegt de Commissie in punt 567 van de bestreden beschikking uitdrukkelijk, dat „om alle hierboven uiteengezette redenen” de concentratie zou leiden tot het ontstaan of het versterken van een machtspositie op een aantal verschillende markten, waardoor daadwerkelijke mededinging in de gemeenschappelijke markt aanzienlijk zou worden gehinderd (zie uitgebreid citaat in punt 46 hiervóór). Anders dan verzoekster dienaangaande beweert, en in overeenstemming met wat de Commissie voor het Gerecht, met name ter terechtzitting, heeft verdedigd, volgt uit deze algemene conclusie, dat met betrekking tot elk van de uitdrukkelijk genoemde markten aan beide criteria van artikel 2 van verordening nr. 4064/89 is voldaan, en niet slechts wegens het cumulatieve effect van de vaststellingen betreffende al die markten (zie punt 47 hiervóór).

91 Op verschillende plaatsen in de bestreden beschikking stelt de Commissie bovendien uitdrukkelijk vast, dat het ontstaan of de versterking van een machtspositie van de uit de fusie voortgekomen entiteit op bepaalde markten de mededinging aanzienlijk zou belemmeren. In het bijzonder tonen de specifieke overwegingen in de bestreden beschikking over de onmiddellijke gevolgen van de concentratie op de markt van straalmotoren voor grote regionale vliegtuigen voldoende aan, dat door de versterking van verzoeksters machtspositie op die markt de daadwerkelijke mededinging in de gemeenschappelijke markt aanzienlijk zou worden belemmerd (zie punten 428 e.v. van de bestreden beschikking).

B – De bestaande machtspositie op de markt van straalmotoren voor grote commerciële vliegtuigen

1. Inleiding

92 In de bestreden beschikking overweegt de Commissie dat verzoekster vóór de concentratie een machtspositie op de markt van straalmotoren voor grote commerciële vliegtuigen bezat, wat verzoekster betwist. De Commissie baseert deze conclusie in wezen op de omvang van verzoeksters marktaandelen, in dit verband gecumuleerd met die van de joint venture CFMI waarin zij met Snecma deelneemt (punten 45‑83 van de bestreden beschikking), op de commerciële voordelen van de verticale integratie van de fabricage van motoren voor grote commerciële vliegtuigen met de financiële kracht van GE Capital en de activiteit van GECAS bestaande in het kopen en leasen van vliegtuigen (punten 107‑145), op een analyse van de mededingingssituatie op de markt (punten 163‑170), en op het ontbreken van mededingingsdruk en commerciële pressie van de zijde van verzoeksters concurrenten en afnemers (punten 173‑228). Het bestaan van deze machtspositie van verzoekster is een essentieel gegeven voor de analyse van de Commissie, in zoverre als verscheidene onderdelen van de redenering van de bestreden beschikking, met name die genoemd in het hiernavolgende punt, ervan afhangen.

93 In de eerste plaats wordt volgens de Commissie door de horizontale overlapping die het gevolg is van de overneming door verzoekster van Honeywell’s fabricage van startapparatuur, verzoeksters machtspositie op de markt van straalmotoren voor grote commerciële vliegtuigen versterkt. In de tweede plaats hangt de analyse van de Commissie inzake het ontstaan van een machtspositie op de diverse markten van elektronische en niet-elektronische luchtvaartsystemen door de invloed die verzoekster door middel van de commerciële kracht van haar dochtermaatschappijen kan uitoefenen, af van het bestaan van haar machtspositie op de markt van straalmotoren voor grote commerciële vliegtuigen. In de derde plaats is de door de Commissie gepostuleerde mogelijkheid van gebundelde verkopen afhankelijk van het bestaan van die machtspositie, die tevens door die mogelijkheid zou worden versterkt.

94 In deze afdeling van het arrest moet daarom eerst worden geverifieerd of de bestreden beschikking gegrond is op het punt van het bestaan van een machtspositie van verzoekster op de markt van straalmotoren voor grote commerciële vliegtuigen, en apart daarvan in het vervolg van het arrest, of zij gegrond is ten aanzien van elk van de drie in het voorgaande genoemde onderdelen.

2. Argumenten van partijen

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in