Gerecht EU 13 november 2024, T-58/20, ECLI:EU:T:2024:813
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid)
13 november 2024 ( *1 )
„Mededinging – Concentraties – Duitse markten voor televisie- en telecommunicatiediensten – Besluit waarbij de concentratie verenigbaar met de interne markt en de EER-Overeenkomst wordt verklaard – Verbintenissen – Beoordeling van de horizontale, verticale en conglomeraateffecten van de transactie op de mededinging – Concurrentieverhouding tussen de partijen bij de concentratie – Concentratiespecifieke wijziging – Kennelijk onjuiste beoordeling”
In zaak T‑58/20,
NetCologne Gesellschaft für Telekommunikation mbH, gevestigd te Keulen (Duitsland), vertegenwoordigd door M. Geppert, P. Schmitz en J. Schulze zur Wiesche, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Conte, A. Keidel en C. Vollrath als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Vodafone Group plc, gevestigd te Newbury (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door V. Vollmann, solicitor, C. Jeffs, A. Chadd en D. Seeliger, advocaten,
interveniënte,
wijst
HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. van der Woude, president, R. da Silva Passos (rapporteur), I. Reine, L. Truchot en M. Sampol Pucurull, rechters,
griffier: S. Jund, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 22 september 2023,
het navolgende
Arrest ( 1 )
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, NetCologne Gesellschaft für Telekommunikation mbH, nietigverklaring van besluit C(2019) 5187 final van de Commissie van 18 juli 2019 waarbij de concentratie met het oog op de verwerving door Vodafone Group plc van bepaalde activa van Liberty Global plc (zaak COMP/M.8864 – Vodafone/Certain Liberty Global Assets) verenigbaar is verklaard met de interne markt en de EER-Overeenkomst (hierna: „bestreden besluit”). [omissis]
I. Procedure en conclusies van partijen
[omissis]
47 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
48 De Commissie en Vodafone verzoeken het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
II. In rechte
[omissis]
B. Eerste middel: kennelijke beoordelingsfouten en schending van de motiveringsplicht en van de zorgvuldigheidsplicht, gezien de weigering om een SBDM op de MDU-markt vast te stellen
[omissis]
3. Eerste onderdeel: kennelijke beoordelingsfouten van de Commissie waar zij heeft geoordeeld dat de partijen bij de concentratie geen directe concurrenten waren
[omissis]
98 In dit verband moet worden gepreciseerd dat er directe concurrentie tussen ondernemingen is wanneer zij concurreren om dezelfde klanten.
99 In casu wordt niet betwist dat de kabelnetwerken van de partijen bij de concentratie elkaar niet overlappen en dat wanneer een MDU-klant in de praktijk een overeenkomst wenst te sluiten met een aanbieder van televisiesignalen, hij in beginsel slechts kan kiezen tussen de partij bij de concentratie in het kabelgebied waarin het aan te sluiten gebouw zich bevindt en een van haar concurrenten, zoals verzoekster. Of de MDU-markt vóór aan de transactie nu nationaal was dan wel beperkt was tot de kabelgebieden van de partijen bij de concentratie, verandert daar niets aan, aangezien die vaststelling voor beide gevallen geldt.
100 Hieruit volgt dat de door de partijen bij de concentratie verhandelde producten in de praktijk niet met elkaar concurreerden, zodat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat deze partijen vóór de concentratie geen directe concurrenten waren.
101 Hieraan wordt niet afgedaan door verzoeksters argumenten.
102 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat er, zoals de Commissie voor het Gerecht heeft bevestigd, ernstige aanwijzingen waren dat de MDU-markt vóór de transactie geografisch beperkt was tot het kabelgebied van elk van de partijen, maar dat zij, gelet op het feit dat er leveranciers en klanten actief waren op het nationale niveau en dat de eventuele prijsverschillen binnen het land niet te maken hadden met die kabelgebieden, de mogelijkheid van een nationale MDU-markt niet volledig had kunnen uitsluiten.
103 Dat de Commissie heeft bekeken of de markt een nationale dimensie kon hebben, betekent dus niet dat zij van mening was dat de partijen bij de concentratie op die hypothetische markt direct met elkaar concurreerden. Pas in een tweede stadium, bij haar onderzoek van de effecten van de transactie op de MDU-markt, is de Commissie nagegaan of de transactie op een eventuele nationale markt, gelet op de activiteiten van de partijen, enige directe concurrentie tussen hen zou uitschakelen. Uit de omstandigheid dat de Commissie in het bestreden besluit heeft overwogen dat de MDU-markt reeds vóór de transactie een nationale dimensie kon hebben gehad, kan dus niet worden afgeleid dat de partijen bij de concentratie op een dergelijke markt noodzakelijkerwijs daadwerkelijke concurrenten waren, zoals verzoekster aanvoert. Tot slot is het niet uitgesloten dat twee ondernemingen op een en dezelfde geografische markt met andere ondernemingen werken, zonder noodzakelijkerwijs dezelfde klanten te benaderen, met name wegens de geografische grenzen van hun kabelnetwerken.
104 Wat betreft het door verzoekster beweerde motiveringsgebrek doordat de Commissie niet heeft onderzocht wat de gevolgen van de concentratie zouden zijn voor de als nationaal afgebakende MDU-markt, moet worden opgemerkt dat de Commissie in deel VIII.2.4.2.3 – te weten de overwegingen 721 tot en met 785 – van het bestreden besluit in detail heeft onderzocht of de transactie een daadwerkelijke of potentiële concurrentiedruk tussen de partijen bij de concentratie zou uitschakelen. De daar gedane vaststellingen golden echter ongeacht of de MDU-markt nationaal was dan wel beperkt tot de respectievelijke kabelgebieden van Vodafone en Unitymedia.
105 Wat in de tweede plaats de grieven betreft die verzoekster aanvoert los van de geografische afbakening van de MDU-markt, moet worden gepreciseerd dat hoewel er geen overlapping tussen de kabelnetwerken van de partijen bij de concentratie was, wat verzoekster niet betwist, de Commissie in het bestreden besluit inderdaad heeft vastgesteld dat er wel enige overlapping was tussen hun activiteiten, in welk geval zij intermediaire televisiesignaaltransmissiediensten bij de andere partij of een andere niveau‑3‑netwerkoperator aankochten om de desbetreffende MDU-klanten te kunnen bedienen.
106 Opgemerkt zij dat hoewel verzoekster het te verwaarlozen karakter ervan betwist, zij niet opkomt tegen de cijfers als zodanig die de Commissie tijdens de procedure bij het Gerecht openbaar heeft gemaakt over de overeenkomsten die de partijen bij de concentratie buiten hun kabelgebieden hadden gesloten en het aantal klanten waarover het daarbij ging. Uit deze cijfers blijkt dat deze overeenkomsten een zeer beperkt aantal MDU-klanten vertegenwoordigden in termen van aangesloten huishoudens en een marktaandeel dat zo verwaarloosbaar was, namelijk minder dan 1 %, dat het geen residuele mededinging kon vertegenwoordigen die moest worden beschermd. De partijen bij de concentratie sloten die overeenkomsten buiten hun kabelgebied trouwens slechts in uitzonderlijke gevallen, wat verzoekster niet betwist.
107 Gelet op het verwaarloosbare marktaandeel dat de door de partijen bij de concentratie buiten hun kabelgebieden gesloten overeenkomsten vertegenwoordigden, was het weinig waarschijnlijk dat de concentratie een machtspositie zou versterken, zodat verzoeksters argument dat de Commissie een SBDM had moeten vaststellen omdat de concentratie de grote marktaandelen van de partijen bij de concentratie nog zou versterken, niet kan worden aanvaard.
108 Hoe dan ook zij eraan herinnerd dat volgens artikel 2, leden 2 en 3, van verordening nr. 139/2004 enkel concentraties die de daadwerkelijke mededinging op de interne markt of een wezenlijk deel daarvan op significante wijze belemmeren, met name door een machtspositie in het leven te roepen of te versterken, onverenigbaar met de interne markt moeten worden verklaard. Uit de bewoordingen van deze bepalingen blijkt dat het essentiële criterium om de verenigbaarheid van een concentratie met de interne markt te onderzoeken, het ontstaan van een SBDM op die markt is. Het gebruik van het bijwoord „met name” geeft aan dat het in het leven roepen of versterken van een machtspositie een van de scenario’s is waarin een SBDM kan worden vastgesteld. Bijgevolg leidt een concentratie die een machtspositie in het leven roept of versterkt, niet automatisch tot een SBDM, en houdt de vervulling van het criterium van de machtspositie niet noodzakelijkerwijs in dat er ook sprake is van een SBDM, anders dan verzoekster stelt.
109 Wat vervolgens verzoeksters bewering betreft dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met verschillende documenten waaruit blijkt dat Unitymedia voornemens was om MDU-klanten aan te sluiten die zich in het kabelgebied van Vodafone bevonden, moet worden geconstateerd dat een dergelijke bewering betrekking heeft op potentiële mededinging, en niet op rechtstreekse mededinging die er beweerdelijk zou zijn, en dus niet ter zake dienend is in het kader van het eerste onderdeel van het onderhavige middel.
110 Wat ten slotte verzoeksters bewering betreft dat de Commissie ten onrechte de rechtstreekse concurrentie tussen de partijen bij de concentratie heeft geminimaliseerd omdat het volgens haar geen „actieve” concurrentie betrof, moet worden geoordeeld dat de Commissie met haar vaststelling in punt 768 van het bestreden besluit dat de partijen niet „actief concurreerden” louter wilde aangeven dat deze enkel in zeer zeldzame gevallen, als reactie op spontane verzoeken van MDU-klanten, overeenkomsten voor de levering van televisiesignalen op het kabelgebied van de andere partij hadden gesloten. Zij moesten bij dergelijke verzoeken intermediaire televisiesignaaltransmissiediensten bij een andere operator aankopen. De Commissie heeft zich daardoor geenszins op het standpunt gesteld dat bij de controle op concentraties een uitschakeling van „actieve” concurrentie noodzakelijk was om van een SBDM te kunnen gewagen.
111 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de Commissie in het bestreden besluit op kennelijk onjuiste wijze of in strijd met haar motiveringsplicht of zorgvuldigheidsplicht heeft geoordeeld dat de partijen bij de concentratie vóór de concentratie geen rechtstreekse concurrenten waren. Derhalve moet het eerste onderdeel van het onderhavige middel worden afgewezen.
4. Tweede onderdeel: kennelijke beoordelingsfouten waar de Commissie heeft geoordeeld dat de partijen bij de concentratie geen potentiële concurrenten waren
[omissis]
134 Wat in de eerste plaats verzoeksters bewering betreft dat het voorzienbaar was dat de tendens van de woningcorporaties om door één leverancier bediend te willen worden, nog zou toenemen, gelet op de sterke consolidatie van de Duitse woningsector sinds enkele jaren, moet worden geconstateerd dat een wens onvoldoende is om te kunnen beoordelen of twee ondernemingen potentiële concurrenten zijn.
135 Om potentiële concurrentie vast te stellen moet namelijk worden nagegaan of er, gelet op de structuur van de markt en de economische en juridische context waarin die markt functioneert, reële en concrete mogelijkheden bestaan dat de betrokken ondernemingen onderling met elkaar concurreren of dat een nieuwe concurrent de betrokken markt kan penetreren en met de daarop gevestigde ondernemingen kan concurreren (zie arrest van 4 juli 2006, easyJet/Commissie, T‑177/04, EU:T:2006:187, punt 116 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat een dergelijke beoordeling, waarbij wordt gekeken naar de voorwaarden voor markttoetreding voor potentiële nieuwe aanbieders, voornamelijk afhangt van een onderzoek van de aanbodzijde en niet van de vraagzijde, zodat deze eerste grief niet kan slagen.
136 Hoe dan ook stelt verzoekster zelf dat de Duitse woningsector sinds een aantal jaren een sterke consolidatie ondergaat. Deze consolidatie, die al enkele jaren aan de gang is, is echter niet gepaard gegaan met een significante toename van het marktaandeel van de partijen bij de concentratie buiten hun respectieve kabelgebieden doordat zij overeenkomsten zouden hebben kunnen sluiten met grote MDU-klanten die door één enkele operator bediend zouden willen worden. Uit tabel nr. 16 van het bestreden besluit blijkt immers dat Vodafone en Unitymedia een marktaandeel van [0‑5 %] in elkaars kabelgebied hadden.
137 Wat in de tweede plaats de resultaten van het marktonderzoek betreft waarmee de Commissie geen rekening zou hebben gehouden, moet worden benadrukt dat zij daar rekening mee mág houden, maar dat die resultaten niet beslissend zijn voor de vraag of er sprake is van potentiële concurrentie.
138 Ofschoon de mening van concurrenten een belangrijke informatiebron kan zijn omtrent het voorzienbare effect van de concentratie op de markt, kan deze de Commissie niet binden in haar autonome beoordeling van het effect van de concentratie op deze markt [zie in die zin arresten van 25 maart 1999, Gencor/Commissie, T‑102/96, EU:T:1999:65, punten 290 en 291, en 5 oktober 2020, HeidelbergCement en Schwenk Zement/Commissie, T‑380/17, EU:T:2020:471, punt 673 (niet gepubliceerd)], zodat deze tweede grief niet kan slagen.
139 Hoe dan ook blijkt uit de overwegingen 727, 728, 752 en 753 van het bestreden besluit dat de Commissie wel degelijk rekening heeft gehouden met de mening van de concurrerende marktdeelnemers, aangezien uit die overwegingen naar voren komt dat zij met name wegens hun opmerkingen in detail is gaan onderzoeken of de partijen bij de concentratie potentiële concurrenten waren. Anders dan verzoekster stelt, heeft de Commissie dus geenszins geoordeeld dat de resultaten van het marktonderzoek geen bewijskracht hadden en heeft zij de beweringen van de partijen bij de concentratie grondig en kritisch geverifieerd.
140 Wat in de derde plaats het feit betreft dat Vodafone al een bepaalde infrastructuur in het kabelgebied van Unitymedia bezat, moet worden vastgesteld dat de Commissie daar rekening mee heeft gehouden bij haar analyse van het bestaan van potentiële mededinging tussen de partijen bij de concentratie. Uit overweging 740 van het bestreden besluit blijkt namelijk dat in de door Vodafone opgestelde en door de Commissie geverifieerde prognoses rekening werd gehouden met de bestaande infrastructuur van deze operator en met de uitrol van 5G, maar dat dit een duplicering van het kabelnetwerk echter nog niet voldoende rendabel maakte, zodat deze derde grief niet kan slagen.
141 Wat in de vierde plaats het argument betreft dat het feit dat Vodafone het kabelnetwerk van Unitymedia nog niet eerder had gedupliceerd, niet het bewijs vormde dat er tussen hen geen potentiële concurrentie was, moet worden opgemerkt dat, anders dan verzoekster stelt, dit gegeven wel degelijk relevant was voor de vraag met welke waarschijnlijkheid Vodafone zich in het gebied met het kabelnetwerk van Unitymedia zou begeven. Het feit dat deze operator in het verleden nog nooit een dergelijke duplicering had ondernomen, gecombineerd met het feit dat zij niet van plan was dit te doen, bevestigt immers de conclusie van de Commissie dat een uitbreiding van Vodafone naar Unitymedia’s kabelgebied zónder de transactie onwaarschijnlijk zou geweest zijn. Deze vierde grief kan dus niet worden aanvaard. Hoe dan ook moet ook worden geconstateerd dat, zoals uit de punten 115 en 116 hierboven blijkt, de Commissie zich in het bestreden besluit niet alleen op dit element heeft gebaseerd (zie de overwegingen 731‑746 van het bestreden besluit).
142 Wat in de vijfde plaats verzoeksters stelling betreft dat de Commissie zich, om aan te tonen dat een duplicering van het kabelnetwerk niet rendabel was, heeft gebaseerd op elementen die gelden voor elk soort netwerkuitbreiding, inclusief één in het eigen kabelgebied van de operator, moet worden opgemerkt dat de Commissie in overweging 737 van het bestreden besluit heeft vastgesteld dat het dupliceren van het kabelnetwerk over het algemeen niet interessant was voor Vodafone, „vooral in vergelijking met het toevoegen van nieuwe huishoudens aan haar eigen kabelgebied, wat minder infrastructuurinvesteringen vergde en hogere inkomsten genereerde omdat er niet reeds een operator gevestigd was”. Hieruit blijkt dat de Commissie heeft vastgesteld dat voor Vodafone een duplicering van het kabelnetwerk buiten haar kabelgebied minder rendabel was dan een uitbreiding van het kabelnetwerk op haar eigen grondgebied, wat verzoekster als zodanig niet betwist.
143 Voorts moet worden opgemerkt dat de Commissie in een passage van overweging 736 van het bestreden besluit, die zij overeenkomstig de beschikking van 30 maart 2023 openbaar heeft gemaakt, heeft verklaard dat zij had vastgesteld dat Vodafone de afgelopen vijf jaar haar netwerk slechts in geringe mate had uitgebreid binnen of in de buurt van haar kabelgebied. Deze vaststelling, die verzoekster in haar opmerkingen van 2 juni 2023 niet heeft betwist, ondersteunt de conclusie van de Commissie dat het onwaarschijnlijk was dat Vodafone zonder de transactie zou uitbreiden naar het kabelgebied van Unitymedia. Zo Vodafone vóór de transactie haar kabelnetwerk slechts in geringe mate had uitgebreid in haar eigen kabelgebied, was het inderdaad onwaarschijnlijk dat zij een duplicering zou ondernemen in het kabelgebied van Unitymedia, aangezien een dergelijke operatie minder rendabel was. Verzoeksters vijfde grief moet dan ook worden afgewezen.
144 Wat in de zesde plaats de investeringscriteria van Vodafone betreft en de bewering van verzoekster dat de Commissie zich daar ten onrechte hoofdzakelijk op heeft gebaseerd, zij erop gewezen dat de Commissie, om na te gaan of een onderneming een potentiële concurrent is op een markt, moet onderzoeken of er, zonder de concentratie in kwestie, een reële en concrete mogelijkheid bestond dat zij tot de genoemde markt kon toetreden en er met de aldaar gevestigde ondernemingen kon concurreren. Om dit aan te tonen mag de Commissie niet afgaan op een loutere veronderstelling, maar moet zij dit met feiten of met een onderzoek van de structuur van de relevante markt onderbouwen. Zo mag een onderneming niet als potentiële concurrent worden aangemerkt indien haar toetreding tot de markt niet beantwoordt aan een levensvatbare economische strategie (zie naar analogie arrest van 29 juni 2012, E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie, T‑360/09, EU:T:2012:332, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
145 Bovendien is het niet omdat een strategie om de markt te betreden eenvoudigweg rendabel is, dat zij ook economisch levensvatbaar is. Anders zou een louter theoretische mogelijkheid om een markt te betreden als voldoende kunnen worden beschouwd om van potentiële concurrentie te spreken. Bijgevolg mag de Commissie rekening houden met het commerciële of economische belang dat de onderneming waarvan de hoedanigheid van potentiële concurrent wordt onderzocht heeft bij het betreden van een markt (zie in die zin arresten van 21 september 2005, EDP/Commissie, T‑87/05, EU:T:2005:333, punten 177, 185, 187, 188, 191 en 195, en 4 juli 2006, easyJet/Commissie, T‑177/04, EU:T:2006:187, punt 123) en dus met haar investeringscriteria. De Commissie kan een onderneming dus niet op basis van algemene en abstracte overwegingen als potentiële concurrent kwalificeren zonder rekening te houden met haar commerciële belangen, haar ontwikkelingsstrategie op korte en middellange termijn en de rentabiliteitscriteria die zij daarvoor hanteert.
146 In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie zich op een geheel van elementen moet baseren om te beoordelen of er potentiële concurrentie is. Daarbij mag zij de investeringsstrategieën van de betrokken ondernemingen niet buiten beschouwing laten. Dit geldt met name voor grote internationale concerns zoals Vodafone, die op basis van de beste rendementspercentages moeten kunnen beslissen tussen investeringsprojecten op verschillende nationale markten. Bovendien moet worden vastgesteld dat uit de gegevens van verzoekster niet kan worden afgeleid dat de Commissie over aanwijzingen beschikte dat de cijfers die door de aanmeldende partij werden overgelegd, onjuist waren.
147 Bovendien moet worden benadrukt dat de toepasselijke wetgeving op het gebied van de controle op concentraties voorziet in verschillende maatregelen om de verstrekking van onjuiste of misleidende informatie tegen te gaan en te bestraffen. De partijen die een concentratie aanmelden zijn namelijk uitdrukkelijk verplicht om de Commissie volledig en naar waarheid in te lichten over de feiten en omstandigheden die relevant zijn voor het besluit over de verenigbaarheid [artikel 4, lid 1, en artikel 6, lid 2, van verordening (EG) nr. 802/2004 van de Commissie van 7 april 2004 tot uitvoering van verordening nr. 139/2004 (PB 2004, L 133, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 172, blz. 9)], waarbij artikel 14 van verordening nr. 139/2004 sancties aan die verplichting verbindt. De Commissie kan het besluit houdende vaststelling van de verenigbaarheid overigens eveneens intrekken indien het berust op verkeerde informatie waarvoor een van de betrokken ondernemingen verantwoordelijk is of wanneer het met bedrog is verkregen [artikel 6, lid 3, onder a), en artikel 8, lid 6, onder a), van verordening nr. 139/2004] (arrest van 7 mei 2009, NVV e.a./Commissie, T‑151/05, EU:T:2009:144, punt 185).
148 Tot slot moet worden vastgesteld dat met name uit overweging 742 en voetnoot 553 van het bestreden besluit blijkt dat de Commissie heeft onderzocht of de prognoses van de partijen bij de concentratie – waarin zij de rentabiliteit van verschillende infrastructuurprojecten hebben getoetst aan hun investeringscriteria – juist waren, en zich op het standpunt heeft gesteld dat de resultaten ervan voldoende betrouwbaar waren, en dat de Commissie niet alleen op basis van de investeringscriteria van die partijen heeft besloten dat er tussen hen geen potentiële concurrentie bestond, maar met name rekening heeft gehouden met het feit dat in de praktijk noch Vodafone noch Unitymedia elkaars kabelnetwerk al ooit had gedupliceerd en dat deze partijen hun netwerk amper hadden uitgebreid binnen hun eigen kabelgebied, terwijl een dergelijke interne uitbreiding rendabeler was.
149 Wat verzoeksters bewering betreft dat de Commissie zelf had vastgesteld dat Deutsche Telekom bereid was haar netwerk uit te breiden en dat Vodafone dus evenzeer in staat moest zijn om dat te doen, moet worden geconstateerd dat de Commissie in het bestreden besluit heeft uitgelegd waarom deze strategieën niet aan de orde waren bij de partijen bij de concentratie.
150 Meer in het bijzonder verschilt de situatie van Deutsche Telekom, zoals uit overweging 744, onder c), van het bestreden besluit en haar daarin geciteerd antwoord blijkt, sterk van die van de partijen bij de concentratie, met name omdat zij reeds over een zeer uitgebreid glasvezelnetwerk beschikt en dit netwerk gebruikt om breedbandtoegangsdiensten aan te bieden via de digitale abonneelijntechnologie (Digital Subscriber Line, DSL). Om haar aanbod voor MDU-klanten uit te breiden naar nieuwe gebieden, kan Deutsche Telekom dus haar eigen glasvezellijnen of bestaande buizen gebruiken en dient zij over het algemeen enkel korte stukken op het niveau-3-netwerk aan te leggen.
151 Derhalve moet de zesde grief van verzoekster worden afgewezen.
152 Wat in de zevende plaats de samenwerking tussen Vodafone en Deutsche Glasfaser betreft, geeft verzoekster in het verzoekschrift zelf aan dat met het netwerk dat in dit kader zou worden uitgerold, glasvezel zou kunnen worden geleverd aan ondernemingen, en dat dit netwerk dus niet voor de MDU-markt bestemd is.
153 Het door verzoekster overgelegde investeringsplan „Gigabit” bevestigt dit alleen maar, aangezien daaruit blijkt dat dit project ertoe strekt om enerzijds een glasvezelnetwerk uit te rollen om zeer snel internet te leveren aan ondernemingen (100000 ondernemingen in ongeveer 2000 bedrijvenparken, voor een bedrag tussen 1,4 en 1,6 miljard EUR), en aan huishoudens op het platteland in samenwerking met gemeenten en dankzij de subsidies van deze laatste (1 miljoen huishoudens op het platteland dat slecht wordt bediend op het gebied van internet, voor een bedrag tussen 0,2 en 0,4 miljard EUR), en om anderzijds de kabelinfrastructuur van Vodafone te verbeteren en in overeenstemming te brengen met de DOCSIS 3.1-norm, teneinde een sneller internet te kunnen leveren aan „alle 12,6 miljoen huishoudens in kwestie” (voor een bedrag van 0,2 miljard EUR).
154 Bijgevolg moet worden geconstateerd dat dit project betrekking heeft op de markt voor de levering van diensten voor vaste internettoegang en dus niet relevant is voor de vraag of er potentiële concurrentie tussen de partijen bij de concentratie bestaat op de MDU-markt.
155 In elk geval moet tevens worden vastgesteld dat dit project hoofdzakelijk bedoeld is om ondernemingen en huishoudens op het platteland in gebieden met weinig dekking – en dus geen MDU-klanten – aan te sluiten (op zeer snel internet) en daarnaast ook om het bestaande kabelnetwerk van Vodafone te updaten teneinde de internetverbinding van haar huidige klanten te verbeteren.
156 Daaraan moet worden toegevoegd dat uit het door verzoekster overgelegde investeringsplan „Gigabit” blijkt dat dit project voldoet aan de in het bestreden besluit genoemde investeringscriteria van Vodafone, wat bevestigt dat Vodafone zich ervan vergewist dat aan deze criteria wordt voldaan wanneer zij een infrastructuurproject overweegt en dat de Commissie zich terecht op deze criteria heeft gebaseerd waar zij heeft onderzocht hoe waarschijnlijk het was dat Vodafone het kabelnetwerk in het kabelgebied van Unitymedia zou dupliceren om MDU-klanten aan te sluiten.
157 Ten slotte is het feit dat Vodafone op 6 december 2019 heeft aangekondigd dat zij haar samenwerking met Deutsche Glasfaser zou uitbreiden met het oog op de uitrol van glasvezel voor particulieren, met name in het kabelgebied van Unitymedia, niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, aangezien dit feit zich ná de vaststelling van dit besluit heeft voorgedaan. In het kader van een beroep tot nietigverklaring moet de rechtmatigheid van de bestreden handeling namelijk worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de juridische situatie zoals die bestonden op de datum waarop die handeling is vastgesteld (zie arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad, C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest van 17 september 2007, Microsoft/Commissie, T‑201/04, EU:T:2007:289, punt 260) en de gegevens waarover de instelling die de handeling heeft opgesteld kon beschikken op het ogenblik waarop zij deze vaststelde [arresten van 9 september 2009, Brink’s Security Luxembourg/Commissie, T‑437/05, EU:T:2009:318, punt 96, en 12 april 2013, Du Pont de Nemours (Frankrijk) e.a./Commissie, T‑31/07, niet gepubliceerd, EU:T:2013:167, punt 157]. Een verzoeker kan zich voor de Unierechter dus niet beroepen op feiten die dateren van na de handeling waarvan de rechtmatigheid wordt betwist of waarvan de auteur van de handeling geen kennis kon hebben toen de handeling werd vastgesteld. Verzoekster toont hoe dan ook niet aan dat die samenwerking bedoeld was om MDU-klanten aan te sluiten.
158 Bijgevolg moet haar zevende grief worden afgewezen.
159 Wat in de achtste plaats de bewering betreft dat MDU-klanten kunnen worden bediend zonder dat een niveau-3-netwerk hoeft te worden uitgerold, moet worden opgemerkt dat de Commissie niet enkel heeft onderzocht of potentiële concurrentie waarschijnlijk was via de duplicatie van het kabelnetwerk van de andere partij bij de concentratie, zoals blijkt uit punt 745 van het bestreden besluit wat Vodafone betreft en uit punt 763 van dat besluit wat Unitymedia betreft. Zij heeft in dit verband geoordeeld dat het eveneens onwaarschijnlijk was dat de ene partij het kabelgebied van de andere partij zou binnendringen met middelen die niet aan de infrastructuur gelinkt waren, zoals met name huurlijnen, satellietinfrastructuur of niveau-4-netwerken.
160 Dienaangaande moet ook worden opgemerkt dat de Commissie in punt 820 van het bestreden besluit heeft vastgesteld dat niveau-4-operatoren volledig afhankelijk waren van de bereidheid van de partijen om intermediairetransmissiediensten voor televisiesignalen tegen concurrerende voorwaarden aan te bieden, wat verzoekster niet betwist. Vervolgens heeft de Commissie in overweging 1479 van dat besluit opgemerkt dat de niveau-4-operatoren zelf hadden aangegeven dat zij actief waren in een nichesegment van de markt, en dat de woningverenigingen hadden verklaard dat deze operatoren vaak niet voldeden aan de vereisten op het gebied van dienstverlening en niet in staat waren het niveau-3-netwerk te verbeteren, wat verzoekster evenmin betwist.
161 Voorts moet worden geoordeeld dat, anders dan verzoekster beweert, het feit dat de partijen bij de concentratie slechts in geringe mate van deze technische mogelijkheid hadden gebruikgemaakt, alleen maar bevestigt dat die mogelijkheid uit mededingingsoogpunt niet interessant was, en dat – zoals de Commissie had vastgesteld – het weinig waarschijnlijk was dat die partijen bij de concentratie hun activiteiten naar het kabelgebied van de andere partij zouden uitbreiden met middelen die niet aan de infrastructuur gelinkt waren.
162 Derhalve moet de achtste grief van verzoekster worden afgewezen.
163 Wat in de negende plaats verzoeksters verwijzingen naar de vroegere beslissingspraktijk van de Commissie en naar een beslissing van het Bundeskartellamt (Duitse mededingingsautoriteit) en een arrest van het Oberlandesgericht Düsseldorf (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Düsseldorf, Duitsland) betreft, zij erop gewezen dat de Commissie daaraan niet gebonden is.
164 Ten eerste moet namelijk worden opgemerkt dat wanneer de Commissie beslist over de verenigbaarheid van een concentratie met de interne markt op basis van een voor die operatie specifieke aanmelding en dossier, een verzoeker de vaststellingen van de Commissie niet kan betwisten op grond dat zij verschillen van de vaststellingen die de Commissie eerder in een andere zaak op basis van een andere aanmelding en een ander dossier heeft gedaan, ook niet indien het in die twee zaken om vergelijkbare of zelfs identieke markten gaat (arresten van 14 december 2005, General Electric/Commissie, T‑210/01, EU:T:2005:456, punt 118, en 13 mei 2015, Niki Luftfahrt/Commissie, T‑162/10, EU:T:2015:283, punt 142).
165 Ten tweede moet ook worden opgemerkt dat de Commissie, gelet op de nauwkeurige bevoegdheidsverdeling waarop verordening nr. 139/2004 is gebaseerd, in de procedures voor de controle op concentraties niet gebonden kan zijn door de beslissingen van nationale autoriteiten (zie in die zin arresten van 18 december 2007, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie, C‑202/06 P, EU:C:2007:814, punt 56, en 7 mei 2009, NVV e.a./Commissie, T‑151/05, EU:T:2009:144, punt 139).
166 Verzoeksters negende grief moet dan ook worden afgewezen.
167 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster er niet in slaagt aan te tonen dat de Commissie kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt door in het bestreden besluit te oordelen dat de partijen bij de concentratie geen potentiële concurrenten op de MDU-markt waren en dus geen concurrentiedruk op elkaar uitoefenden.
5. Derde onderdeel: kennelijke fouten bij de beoordeling van de gevolgen van de concentratie voor de door concurrenten uitgeoefende concurrentiedruk
[omissis]
b) Vermeende ontoereikende en onjuiste analyse van de voorzienbare concurrentiedruk die na de concentratie wordt uitgeoefend door derden
[omissis]
190 Het is in dit verband juist dat wanneer de door concurrenten uitgeoefende concurrentiedruk aanzienlijk afneemt door een concentratie, dit een SBDM kan creëren.
191 Daarnaast moet worden opgemerkt dat de Commissie bij de beoordeling van de verenigbaarheid van een concentratie met de interne markt rekening houdt met een aantal elementen zoals de structuur van de betrokken markten, de bestaande of potentiële mededinging van ondernemingen, de positie en de economische en financiële macht van de betrokken ondernemingen, de keuzemogelijkheden van leveranciers en afnemers, het bestaan van hinderpalen voor de toegang tot de markt, en de ontwikkeling van vraag en aanbod (arrest van 15 februari 2005, Commissie/Tetra Laval, C‑12/03 P, EU:C:2005:87, punt 125). Dat de financiële macht van de uit de concentratie ontstane entiteit vergroot, betekent op zich dus niet dat er sprake is van een SBDM.
192 Verder is het juist dat uit artikel 2, lid 1, onder a), van verordening nr. 139/2004 blijkt dat de Commissie bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt rekening houdt met de noodzaak om op de interne markt een daadwerkelijke mededinging te handhaven en te ontwikkelen in het licht van met name de structuur van alle betrokken markten en van de reële of potentiële mededinging van binnen of buiten de Unie gevestigde ondernemingen. Dit vereiste vormt een belangrijk aspect van de door de Commissie te verrichten beoordeling (arrest van 6 november 2012, Éditions Odile Jacob/Commissie, C‑551/10 P, EU:C:2012:681, punt 68).
193 Dit vereiste kan evenwel niet afdoen aan de in lid 2 van dat artikel neergelegde regel, namelijk dat concentraties die de daadwerkelijke mededinging op de interne markt of een wezenlijk deel daarvan niet op significante wijze zouden belemmeren, met name door een machtspositie in het leven te roepen of te versterken, verenigbaar met de interne markt moeten worden verklaard (arrest van 6 november 2012, Éditions Odile Jacob/Commissie, C‑551/10 P, EU:C:2012:681, punt 68).
194 Ook moet worden benadrukt dat de Commissie een concentratie slechts onverenigbaar met de interne markt kan verklaren indien zij een SBDM vaststelt die het rechtstreekse en onmiddellijke gevolg is van de concentratie. Een dergelijke belemmering die zou voortvloeien uit de toekomstige beslissingen van de uit de concentratie ontstane entiteit, kan enkel als een rechtstreeks en onmiddellijk gevolg van de concentratie worden beschouwd indien dit toekomstige gedrag mogelijk wordt gemaakt en economisch gezien rationeel is door de wijziging van de kenmerken en de structuur van de markt ten gevolge van de concentratie (arrest van 11 december 2013, Cisco Systems en Messagenet/Commissie, T‑79/12, EU:T:2013:635, punt 118).
195 Ten slotte zij erop gewezen dat de beoordeling van de krachtsverhouding tussen ondernemingen die op een bepaalde markt met elkaar concurreren, veelal onderdeel is van een ingewikkelde economische beoordeling waarvoor de Commissie over een beoordelingsmarge beschikt (zie arrest van 14 december 2005, General Electric/Commissie, T‑210/01, EU:T:2005:456, punt 253 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
196 Wat in de eerste plaats verzoeksters grief betreft dat de Commissie onvoldoende is nagegaan wat de potentiële negatieve gevolgen zouden zijn van de grotere marktmacht van de uit de concentratie ontstane entiteit voor de ontwikkeling van de concurrenten op de MDU-markt, moet worden opgemerkt dat de beoordelingen van de Commissie van de waarschijnlijke gevolgen van de concentratie voor de door de concurrenten uitgeoefende concurrentiedruk niet berust op oppervlakkige verificaties en loutere vermoedens, zoals verzoekster stelt.
197 Zoals uit de punten 179 tot en met 182 hierboven blijkt, geven de toelichtingen van de Commissie in de overwegingen 821 tot en met 831 van het bestreden besluit – waarin zij de waarschijnlijke gevolgen van de concentratie voor de concurrentiedruk van de concurrenten op de MDU-markt na de transactie in detail heeft geanalyseerd – immers blijk van het prospectieve karakter van haar beoordelingen, van het door haar verlangde bewijsniveau en van het bewijsmateriaal waarover zij beschikte – waarbij zij bij deze analyse sowieso over een beoordelingsmarge beschikte – zodat deze eerste grief, inzake een ontoereikend onderzoek, niet kan worden aanvaard.
198 Hoe dan ook zij eraan herinnerd dat zelfs indien de Commissie bij die analyse een concentratiespecifieke vergroting van de marktmacht van de uit de concentratie ontstane entiteit zou hebben vastgesteld, dit op zichzelf niet zou hebben volstaan om tot een SBDM te kunnen besluiten, zoals uit de in punt 191 hierboven geciteerde rechtspraak blijkt.
199 Derhalve moet deze eerste grief van verzoekster worden afgewezen. [omissis]
215 Bijgevolg moeten het derde onderdeel van het eerste middel en dus het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen. [omissis]
E. Vierde middel: kennelijke beoordelingsfouten en schending van de artikelen 2 en 8 van verordening nr. 139/2004, van de motiveringsplicht en van de zorgvuldigheidsplicht bij de beoordeling van de WCBA-verbintenis
[omissis]
3. Tweede onderdeel: kennelijke beoordelingsfouten, ontoereikende motivering en ontoereikend onderzoek, aangezien de WCBA-verbintenis nieuwe mededingingsproblemen creëert
[omissis]
a) Ontoereikendheid van het onderzoek en van de motivering van de gevolgen van de concentratie voor de concurrenten op de markt voor vaste internettoegang in combinatie met de WCBA-verbintenis
[omissis]
340 Wat in de eerste plaats de bewering betreft dat de Commissie niet is nagegaan of de WCBA-verbintenis de vastgestelde mededingingsproblemen volledig zou oplossen, moet worden opgemerkt dat de Commissie in overweging 1895 van het bestreden besluit – in het gedeelte over het onderzoek van Vodafone’s oorspronkelijke verbintenissen – heeft uitgelegd dat zij overeenkomstig de beginselen van verordening nr. 139/2004 betreffende de aanvaardbaarheid van verbintenissen had beoordeeld of die oorspronkelijke verbintenissen geschikt en voldoende waren om de mededingingsproblemen op te lossen en of deze op korte termijn doeltreffend konden worden uitgevoerd. Zij heeft dus niet uitdrukkelijk gezegd dat die verbintenissen de vastgestelde mededingingsproblemen volledig zouden oplossen.
341 De Commissie had echter net eerder in overweging 1894 van het bestreden besluit in herinnering gebracht dat de voorgestelde verbintenissen alleen aanvaardbaar waren indien zij geschikt waren om de concentratie verenigbaar te maken met de interne markt doordat zij een SBDM verhinderden op alle relevante markten waarop mededingingsproblemen waren vastgesteld, en dat die verbintenissen in casu de vastgestelde mededingingsproblemen moesten oplossen op met name de markten voor vaste internettoegang en 2P-pakketaanbiedingen. Hieruit volgt dat de Commissie bij haar onderzoek van de WCBA-verbintenis wel degelijk is nagegaan of deze de vastgestelde mededingingsproblemen volledig zou wegwerken, ook al heeft zij dit niet gedaan in een specifiek onderdeel dat formeel losstond van de vraag of die verbintenis geschikt en toereikend was om die problemen op te lossen en doeltreffend kon worden uitgevoerd op korte termijn.
342 Bovendien moet worden vastgesteld dat de Commissie in overweging 1953 van het bestreden besluit, waarin zij haar eindconclusie met betrekking tot de WCBA-verbintenis geeft, stelt dat deze correctie voldoende omvangrijk en doeltreffend is „om de mededingingsproblemen op te lossen” op de markten voor vaste internettoegang en 2P-pakketaanbiedingen, wat bevestigt dat zij die vraag wel degelijk heeft onderzocht.
343 Wat vervolgens de beweerde ontoereikende motivering van de Commissie betreft doordat zij niet heeft geverifieerd of de WCBA-verbintenis zelf geen SBDM zou creëren, moet worden opgemerkt dat uit de overwegingen 1995 tot en met 2005 van het bestreden besluit blijkt dat de Commissie, in antwoord op de bezwaren die de marktdeelnemers hadden geuit tijdens de raadpleging over de oorspronkelijke versie van de WCBA-verbintenis, heeft onderzocht of deze geen negatieve gevolgen zou hebben, inclusief voor de investeringen in optische vezel of voor de retailmarkt voor multiserviceaanbiedingen, en in detail heeft uitgelegd waarom zij meende dat dit niet het geval zou zijn. Bijgevolg kan de Commissie niet worden verweten dat zij haar conclusie volgens welke de concentratie, in combinatie met de WCBA-verbintenis, geen negatieve gevolgen zou hebben voor de concurrenten op de markt voor vaste internettoegang, onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd.
344 Hoe dan ook geeft verzoekster geenszins aan waarom de uitleg die de Commissie in de overwegingen 1995 tot en met 2005 van het bestreden besluit heeft verstrekt, ontoereikend zou zijn gemotiveerd om de belanghebbenden in staat te stellen de redenen voor de genomen maatregel te kennen en om het Gerecht in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen.
345 Wat in de tweede plaats verzoeksters bewering betreft dat het gebruik van de uitdrukking „prima facie” in het opschrift van de door de Commissie in het bestreden besluit verrichte analyse van de vraag of de mededingingsproblemen zouden verdwijnen indien de WCBA-verbintenis ten uitvoer werd gelegd, getuigt van de beknoptheid van die analyse, moet worden vastgesteld dat dit gedeelte van het bestreden besluit, in weerwil van het feit dat het opschrift ervan gewag maakt van een analyse „op het eerste gezicht”, een volledig onderzoek bevat van alle bezwaren die de marktdeelnemers tijdens de raadpleging over de aanvankelijk door Vodafone voorgestelde verbintenissen hadden geformuleerd (zie meer in het bijzonder de overwegingen 1995‑2005). Bijgevolg kan het onderzoek van de Commissie naar de mogelijke negatieve gevolgen van de WCBA-verbintenis voor de concurrenten niet als summier worden aangemerkt, wat volstaat om dit argument van verzoekster af te wijzen.
346 Hoe dan ook – en zoals de Commissie in de onderhavige procedure betoogt – valt het gebruik van de uitdrukking „prima facie” in het opschrift van het onderzoek te verklaren door de toepassing van punt 104 van de mededeling corrigerende maatregelen, dat bepaalt dat de Commissie „[b]ij haar beoordeling van de vraag of de beoogde koper mededingingsproblemen dreigt te doen ontstaan, […] aan de hand van de gegevens die voor [haar] beschikbaar zijn tijdens de goedkeuringsprocedure van de koper, een beoordeling op het eerste gezicht [maakt]”. Hoewel dit punt inderdaad betrekking heeft op de goedkeuring van de koper en van de koop- en verkoopovereenkomst in de context van een afstotingsverbintenis, moet worden opgemerkt dat uit punt 129 van deze mededeling blijkt dat vele van de beginselen die gelden voor de tenuitvoerlegging van toezeggingen tot afstoting ook toepasselijk zijn op andere soorten verbintenissen, en dat het onderzoek van de mededingingsrisico’s die zouden kunnen voortvloeien uit de goedkeuring van de onderneming die van een verbintenis tot netwerktoegang profiteert, een soortgelijke logica volgt als het onderzoek om te bepalen of de bij een afstotingsverbintenis voorgestelde koper mededingingsproblemen dreigt te creëren, zodat de Commissie in die twee situaties een soortgelijke analyse van die risico’s of dat risico kan verrichten.
347 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster niet aantoont dat het door de Commissie in het bestreden besluit verrichte onderzoek naar de gevolgen die de concentratie in combinatie met de WCBA-verbintenis voor de concurrenten op de markt voor vaste internettoegang zou hebben, ontoereikend of onvoldoende gemotiveerd was, zodat deze grief moet worden afgewezen.
b) Kennelijk onjuiste „prima facie”-beoordeling van de gevolgen van de WCBA-verbintenis voor de mededinging
[omissis]
358 Wat de gegrondheid van verzoeksters andere argumenten betreft, zij erop gewezen dat de Commissie, bij het onderzoek van de concentratie in fase II, met een voldoende graad van waarschijnlijkheid moet aantonen dat de concentratie, zoals gewijzigd door de verbintenissen die de partijen bij de concentratie hebben voorgesteld, de daadwerkelijke mededinging op de interne markt of een wezenlijk deel daarvan niet op significante wijze zal belemmeren (zie arrest van 23 mei 2019, KPN/Commissie, T‑370/17, EU:T:2019:354, punt 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
359 Net als bij de beoordeling van de gevolgen van een concentratie gaat het bij de vraag of een verbintenis mededingingsproblemen oplevert om een waarschijnlijkheidsbeoordeling en niet om een verplichting van de Commissie om aan te tonen dat er geen redelijke twijfel over bestaat dat de verbintenis niet tot concurrentieproblemen zal leiden (zie naar analogie arrest van 11 december 2013, Cisco Systems en Messagenet/Commissie, T‑79/12, EU:T:2013:635, punt 47).
360 Bovendien zijn de aanmeldende partijen niet verplicht om alleen toezeggingen voor te stellen die uitsluitend het herstel van de toestand van mededinging van vóór de concentratie beogen, om de Commissie in staat te stellen de operatie verenigbaar met de interne markt te verklaren (zie in die zin arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie, T‑282/02, EU:T:2006:64, punt 308).
361 Wat in casu in de eerste plaats verzoeksters bewering betreft dat de WCBA-verbintenis de markt schaadt en de oligopolistische structuur ervan versterkt doordat Telefónica tegen voordelige voorwaarden wholesaletoegang verkrijgt, moet worden opgemerkt dat de Commissie in het bestreden besluit heeft uitgelegd dat deze corrigerende maatregel Telefónica zou versterken doch zonder mededingingsproblemen te veroorzaken, aangezien deze operator, met haar beperkt marktaandeel van 5‑6 % en haar negatief groeipercentage, geen sterke concurrent was op de markten voor vaste internettoegang en 2P-pakketaanbiedingen. De Commissie heeft daaraan toegevoegd dat de WCBA-verbintenis weliswaar interessantere commerciële voorwaarden bood dan de voorwaarden van Deutsche Telekom, maar dat dit niet tot gevolg zou hebben dat het concurrentievermogen van Telefónica zodanig zou toenemen dat dit op zich een mededingingsprobleem zou veroorzaken (zie de overwegingen 1993 en 1994 van het bestreden besluit).
362 Om het tegendeel aan te tonen, draagt verzoekster enkel vage en algemene argumenten aan die niet kunnen afdoen aan deze door de Commissie naar voren gebrachte bevindingen.
363 Zo stelt verzoekster dat Telefónica een grote verticaal geïntegreerde pan-Europese kabelexploitant was, maar betwist zij niet haar beperkte marktaandeel en negatieve groeipercentage op de relevante markten – de markt voor vaste internettoegang en die voor 2P-pakketaanbiedingen – die de Commissie in het bestreden besluit heeft vastgesteld en welke gegevens haar hebben doen besluiten dat Telefónica geen sterke concurrent op deze markten was en dat de versterking van deze operator als gevolg van de WCBA-verbintenis op zich geen mededingingsproblemen zou creëren.
364 Bovendien moet worden vastgesteld dat verzoekster niet aantoont dat de WCBA-verbintenis de positie van Telefónica op de relevante markten zodanig zou wijzigen dat deze corrigerende maatregel op zich op vrij korte termijn mededingingsproblemen zou kunnen creëren voor de kleine en middelgrote concurrenten.
365 Bijgevolg toont zij niet aan dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat de WCBA-verbintenis als zodanig geen mededingingsproblemen zou creëren. [omissis]
HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid) rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) NetCologne Gesellschaft für Telekommunikation mbH wordt verwezen in de kosten.
van der Woude da Silva Passos Reine Truchot Sampol Pucurull Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 november 2024. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 5 oktober 2020, T-380/17, ECLI:EU:T:2020:471
- HvJ EU 10 september 2019, C-123/18, ECLI:EU:C:2019:694
- Gerecht EU 23 mei 2019, T-370/17, ECLI:EU:T:2019:354
- Gerecht EU 13 mei 2015, T-162/10, ECLI:EU:T:2015:283
- HvJ EU 6 november 2012, C-551/10, ECLI:EU:C:2012:681
- Gerecht EU 9 september 2009, T-437/05, ECLI:EU:T:2009:318
- Gerecht EU 7 mei 2009, T-151/05, ECLI:EU:T:2009:144
- HvJ EU 18 december 2007, C-202/06, ECLI:EU:C:2007:814
- Gerecht EU 17 september 2007, T-201/04, ECLI:EU:T:2007:289
- Gerecht EU 4 juli 2006, T-177/04, ECLI:EU:T:2006:187
- Gerecht EU 23 februari 2006, T-282/02, ECLI:EU:T:2006:64
- Gerecht EU 14 december 2005, T-210/01, ECLI:EU:T:2005:456
- Gerecht EU 21 september 2005, T-87/05, ECLI:EU:T:2005:333
- HvJ EU 15 februari 2005, C-12/03, ECLI:EU:C:2005:87
- Gerecht EU 25 maart 1999, T-102/96, ECLI:EU:T:1999:65