Gerecht EU 30 september 2003, T-191/98, ECLI:EU:T:2003:245
Tekst
«Mededinging – Lijnvaartconferences – Verordening (EEG) nr. 4056/86 – Groepsvrijstelling – Individuele ontheffing – Collectieve machtspositie – Misbruik – Dienstencontracten – Toetreding tot conference – Aantasting van mededingingsstructuur – Intrekking van groepsvrijstelling – Geldboeten – Rechten van de verdediging»
Arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 30 september 2003
Samenvatting van het arrest
1.. Procedure – Motivering van arresten – Draagwijdte
2.. Mededinging – Administratieve procedure – Mededeling van punten van bezwaar – Voorbereidend stuk dat door Commissie kan worden gewijzigd – Mogelijkheid voor Commissie, om andere inlichtingen te verzoeken – Grenzen
3.. Mededinging – Administratieve procedure – Mededeling van punten van bezwaar – Noodzakelijke inhoud – Eerbiediging van rechten van verdediging (Verordening nr. 17 van de Raad, art. 19, lid 1; verordening nr. 99/63; art. 4)
4.. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Bewijsstukken die in aanmerking kunnen worden genomen
5.. Mededinging – Administratieve procedure – Toegang tot dossier – Verplichting voor Commissie om belastend materiaal over te leggen
6.. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Uitsluiting van niet aan partijen meegedeelde bewijsstukken – Gevolgen – Onmogelijkheid om desbetreffend punt van bezwaar met die documenten te bewijzen
7.. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Beschikking niet identiek aan mededeling van punten van bezwaar – Schending van rechten van verdediging – Voorwaarde – Bewijs door betrokken onderneming dat nieuwe punten van bezwaar ten laste worden gelegd
8.. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Nieuwe beweringen in stadium van beschikking waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Sanctie – Voorwaarde
9.. Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Identificatie van voorwerp van geschil – Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen – Duidelijke uiteenzetting van middelen rechtens [EG-Verdrag, art. 173 (thans, na wijziging, art. 230 EG); Statuut van het Hof van Justitie, art. 21, eerste alinea, en 53, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c en d]
10.. Mededinging – Administratieve procedure – Toegang tot dossier – Doel – Eerbiediging van rechten van verdediging – Draagwijdte – Belastende stukken – Uitsluiting van niet meegedeelde bewijsstukken – Ontlastende stukken – Beoordeling uitsluitend door Commissie van nut om deze mee te delen – Ontoelaatbaarheid [EG-Verdrag, art. 85, lid 1, en 86 (thans art. 81, lid 1, EG en 82 EG); verordeningen nrs. 17, 1017/68 en 4056/86 van de Raad]
11.. Mededinging – Administratieve procedure – Toegang tot dossier – Documenten die zich niet in onderzoeksdossier bevinden – Documenten die dienstig kunnen zijn voor verweer van partijen – Schending van rechten van verdediging – Voorwaarden
12.. Mededinging – Administratieve procedure – Toegang tot dossier – Documenten die zich niet in onderzoeksdossier bevinden en die door Commissie niet zijn uitgekozen om als belastend stuk te worden gebruikt – Verplichting van Commissie om op eigen initiatief partijen toegang tot die documenten te verlenen – Geen
13.. Mededinging – Administratieve procedure – Toegang tot dossier – Grenzen – Onderneming met machtspositie op markt die vergeldingsmaatregelen kan nemen tegen informanten van Commissie
14.. Beroep tot nietigverklaring – Voor beroep vatbare handelingen – Begrip – Mededeling van punten van bezwaar – Daarvan uitgesloten [EG-Verdrag, art. 173 (thans, na wijziging, art. 230 EG)]
15.. Mededinging – Administratieve procedure – Toezending door Commissie aan betrokken ondernemingen van groot aantal verzoeken om inlichtingen na vaststelling van mededeling van punten van bezwaar – Grenzen van deze last – Eerbiediging van rechten van verdediging
16.. Vervoer – Zeevervoer – Mededingingsregels – Groepsvrijstelling – Restrictieve uitlegging – Diensten die geen zeevervoerdiensten in zin van verordening nr. 4056/86 zijn – Daarvan uitgesloten [EG-Verdrag, art. 85, lid 1, (thans art. 81, lid 1, EG); verordening nr. 4056/86 van de Raad, art. 1, lid 2, en 3]
17.. Mededinging – Gemeenschapsregels – Toepassing met inachtneming van nationale praktijken van lidstaten of van sommige derde staten – Ontoelaatbaarheid [EG-Verdrag, art. 85 (thans art. 81 EG)]
18.. Mededinging – Machtspositie – Collectieve machtspositie – Begrip – Lijnvaartconference [EG-Verdrag, art. 86, (thans art. 82 EG); verordening nr. 4056/86 van de Raad, art. 1, lid 3, sub b]
19.. Mededinging – Machtspositie – Collectieve machtspositie – Bestaan – Middelen om vast te stellen – Inaanmerkingneming van overeenkomst, hoewel verboden bij artikel 85, lid 1, EG- Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) [EG-Verdrag, art. 85, lid 1, en 86 (thans art. 81, lid 1, EG en 82 EG); verordening nr. 4056/86 van de Raad, art. 1, lid 3, sub b]
20.. Mededinging – Machtspositie – Collectieve machtspositie – Begrip – Noodzaak van uitschakeling van elke mededinging tussen ondernemingen – Geen [EG-Verdrag, art. 86 (thans art. 82 EG)]
21.. Mededinging – Machtspositie – Collectieve machtspositie – Begrip – Lijnvaartconference – Daarvan uitgesloten bij aanzienlijke interne concurrentie [EG-Verdrag, art. 86 (thans art. 82 EG)]
22.. Mededinging – Machtspositie – Collectieve machtspositie – Begrip – Lijnvaartconference – Bestaan van andere vormen van concurrentie bij gemeenschappelijke strategie op gebied van prijzen in beginsel niet van belang [EG-Verdrag, art. 86 (thans art. 82 EG)]
23.. Mededinging – Machtspositie – Relevante markt – Afbakening – Criteria [EG-Verdrag, art. 86 (thans art. 82 EG)]
24.. Mededinging – Machtspositie – Bestaan – Bezit van zeer aanzienlijk marktaandeel – In algemeen voldoende aanwijzing [EG-Verdrag, art. 86 (thans art. 82 EG)]
25.. Mededinging – Machtspositie – Begrip – Bestaan vermoed bij bezit van marktaandeel van meer dan helft [EG-Verdrag, art. 86 (thans art. 82 EG)]
26.. Mededinging – Zeevervoer – Machtspositie – Bezit van groot marktaandeel – In algemeen voldoende aanwijzing [EG-Verdrag, art. 86 (thans art. 82 EG); verordening nr. 4056/86 van de Raad, art. 8]
27.. Mededinging – Machtspositie – Begrip – Vermogen om regelmatige prijsverhogingen op te leggen – Factor die niet onontbeerlijk is [EG-Verdrag, art. 86 (thans art. 82 EG)]
28.. Mededinging – Machtspositie – Misbruik – Ontheffing – Uitgesloten – Verplichtingen van onderneming met machtspositie – Mogelijkheid voor onderneming met machtspositie om commerciële belangen te beschermen, mits machtspositie niet wordt versterkt of misbruikt [EG-Verdrag, art. 86 (thans art. 82 EG)]
29.. Mededinging – Gemeenschapsregels – Materiële werkingssfeer – Gedraging voorgeschreven door overheidsmaatregelen – Daarvan uitgesloten – Voorwaarden [EG-Verdrag, art. 85 en 86 (thans, art. 81 EG en 82 EG)]
30.. Mededinging – Machtspositie – Misbruik – Begrip – Versterking van machtspositie – Lijnvaartconference – Toelating van nieuwe leden – Factor die misbruik kan opleveren [EG-Verdrag, art. 86 (thans art. 82 EG)]
31.. Vervoer – Zeevervoer – Mededingingsregels – Groepsvrijstelling – Verordening nr. 4056/86 betreffende zeevervoer – Restrictieve uitlegging [EG-Verdrag, art. 85, lid 1 (thans art. 81, lid 1, EG); verordening nr. 4056/86 van de Raad, art. 1, lid 3, sub b, en 3]
32.. Mededinging – Mededingingsregelingen – Aanmelding – Gevolgen – Boete-immuniteit – Noodzaak van uitdrukkelijke bepaling – Immuniteit waarin verordening nr. 1017/68 niet voorziet [EG-Verdrag, art. 85 en 86 (thans, art. 81 EG en 82 EG); verordening nr. 1017/68 van de Raad]
33.. Mededinging – Mededingingsregelingen – Aanmelding – Gevolgen – Boete-immuniteit waarin artikel 19, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 4056/86 betreffende zeevervoer voorziet – Werkingssfeer – Inbreuken op artikelen 85 en 86 van Verdrag (thans artikelen 81 EG en 82 EG) [EG-Verdrag, art. 85 en 86 (thans art. 81 EG en 82 EG); verordening nr. 4056/86 van de Raad, art. 19, lid 2, sub a, en 4, tweede alinea]
34.. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Verdeling van totaal bedrag over verschillende groepen ondernemingen op basis van omvang van bij inbreuk betrokken ondernemingen – Toelaatbaarheid – Voorwaarden (Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
35.. Mededinging – Geldboeten – Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd – Motiveringsplicht – Omvang – Vermelding van factoren op basis waarvan Commissie zwaarte en duur van inbreuk heeft beoordeeld – Voldoende [EG-Verdrag, art. 190 (thans art. 253 EG); verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 3]
36.. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Onderneming die lid is van lijnvaartconference – Beoordeling op basis van totale omzet van betrokken onderneming – Toelaatbaarheid – Inaanmerkingneming van andere individuele omstandigheden van elke deelnemende onderneming – Geen verplichting (Verordeningen nrs. 17, art. 15, lid 2, en 4056/86, art. 19)
37.. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Beoordelingsmarge van Commissie – Onmogelijkheid voor marktdeelnemers om beroep te doen op gewettigd vertrouwen in handhaving van bestaande situatie – Verhoging van algemeen niveau van geldboeten – Toelaatbaarheid – Voorwaarden (Verordeningen nrs. 17, 1017/68 en 4056/86 van de Raad)
38.. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Verzachtende omstandigheden – Aanmelding van overeenkomst die vaststelling van onrechtmatigheid van daarin voorziene praktijken heeft vergemakkelijkt (Verordening nr. 17 van de Raad)
39.. Mededinging – Machtspositie – Misbruik – Begrip – Praktijken met betrekking tot dienstencontracten tussen verlader en lijnvaartconference of vervoerder [EG-Verdrag, art. 86 (thans art. 82 EG)]
40.. Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Schade – Causaal verband – Bewijslast [EG-Verdrag, art. 178 en 215 (thans, art. 235 EG en 288 EG)]
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
30 september 2003 (*)
„Mededinging ─ Lijnvaartconferences ─ Verordening (EEG) nr. 4056/86 ─ Groepsvrijstelling ─ Individuele vrijstelling ─ Collectieve machtspositie ─ Misbruik ─ Dienstencontracten ─ Toetreding tot conference ─ Aantasting van mededingingsstructuur ─ Intrekking van groepsvrijstelling ─ Geldboeten ─ Rechten van de verdediging “
In de gevoegde zaken T-191/98 en T-212/98 tot en met T-214/98,
Atlantic Container Line AB, gevestigd te Göteborg (Zweden),
Cho Yang Shipping Co. Ltd, gevestigd te Seoul (Zuid-Korea),
DSR-Senator Lines GmbH, gevestigd te Bremen (Duitsland),
Hanjin Shipping Co. Ltd, gevestigd te Seoul (Zuid-Korea),
Hapag Lloyd AG, gevestigd te Hamburg (Duitsland),
Hyundai Merchant Marine Co. Ltd, gevestigd te Seoul (Zuid-Korea),
A. P. Møller-Mærsk Line, gevestigd te Kopenhagen (Denemarken),
Mediterranean Shipping Co. SA, gevestigd Genève (Zwitserland),
Orient Overseas Container Line (UK) Ltd, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
Polish Ocean Lines (POL), gevestigd te Gdynia (Polen),
P & O Nedlloyd BV, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
Sea-Land Service Inc., gevestigd te Jersey City, New Jersey (Verenigde Staten van Amerika),
Neptune Orient Lines Ltd, gevestigd te Singapore (Singapore),
Nippon Yusen Kaisha, gevestigd te Tokyo (Japan),
Transportación Marítima Mexicana SA de CV, gevestigd te Mexico City (Mexico),
Tecomar SA de CV, gevestigd te Mexico City (Mexico),
vertegenwoordigd door J. Pheasant, N. Bromfield, M. Levitt, D. Waelbroeck, U. Zinsmeister, A. Bentley, C. Thomas, A. Nourry, M. Van Kerckhove, P. Ruttley en A. Merckx, advocaten, domicilie gekozen hebben te Luxemburg,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal als gemachtigde, bijgestaan door J. Flynn, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
ondersteund door
European Council of Transport Users ASBL, vertegenwoordigd door M. Clough, QC, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 1999/243/EG van de Commissie van 16 september 1998 inzake een procedure op grond van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag (zaak nr. IV/35.134 ? Trans-Atlantic Conference Agreement) (PB 1999, L 95, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. Azizi en M. Jaeger, rechters,
griffier: J. Plingers, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 en 27 maart 2003,
het navolgende
Arrest
De toepasselijke regeling
1 Verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204), was oorspronkelijk van toepassing op alle door het EEG-Verdrag bestreken activiteiten. Omdat het in het kader van het gemeenschappelijk vervoerbeleid en gelet op de bijzondere aspecten van deze sector noodzakelijk was gebleken daarvoor een andere mededingingsregeling in te voeren dan die welke voor de overige bedrijfstakken gold, stelde de Raad op 26 november 1962 verordening nr. 141 houdende niet-toepassing op de vervoersector van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1962, blz. 2751) vast.
2 Op 19 juli 1968 stelde de Raad verordening (EEG) nr. 1017/68 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB L 175, blz. 1) vast.
3 Overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 1017/68 zijn verboden alle overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot de drie genoemde vervoerwijzen, welke de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben, dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Volgens dit artikel is dit met name het geval bij overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die leiden tot
a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van vrachtprijzen en vervoersvoorwaarden of van andere contractuele voorwaarden;
b) het beperken of controleren van het vervoersaanbod, de afzetmarkten, de technische ontwikkeling of de investeringen;
c) het verdelen van de vervoermarkten;
d) het ten opzichte van de handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;
e) het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met vervoersprestaties.
4 Luidens artikel 5 van verordening nr. 1017/68 kan het verbod buiten toepassing worden verklaard ten aanzien van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die bijdragen tot verbetering van de kwaliteit van de vervoersdiensten, of tot bevordering van een grotere continuïteit en stabiliteit in en de bevrediging van de vervoersbehoeften op markten die onderhevig zijn aan sterke schommelingen in de tijd van vraag en aanbod, of tot verhoging van de productiviteit van de ondernemingen, of tot bevordering van de technische of economische vooruitgang, mits daarbij in redelijke mate rekening wordt gehouden met de belangen van de gebruikers, de betrokken vervoersondernemingen geen beperkingen worden opgelegd welke voor het bereiken van die doelstellingen niet onmisbaar zijn, en hun niet de mogelijkheid wordt gegeven de mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken vervoermarkt uit te schakelen.
5 Op 22 december 1986 kwam verordening (EEG) nr. 4056/86 van de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op het zeevervoer (PB L 378, blz. 4) tot stand.
6 Artikel 3 van verordening nr. 4056/86 bepaalt:
„Van het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag zijn, onder de in artikel 4 van deze verordening genoemde voorwaarde, vrijgesteld de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van alle of van een deel der leden van een lijnvaartconference of van verscheidene lijnvaartconferences, die ten doel hebben het vaststellen van vervoertarieven en -voorwaarden en, in voorkomend geval, een of meer van de volgende doelstellingen beogen:
a) de coördinatie van de dienstregelingen van de schepen, hun afvaart- of aanloopdata;
b) het vaststellen van de frequentie van de reizen of de aanloop;
c) de coördinatie of de onderlinge verdeling van de reizen of de aanloop tussen leden van de conference;
d) de regeling van de door elk der leden aangeboden vervoerscapaciteit;
e) de verdeling van de vervoerde tonnage of de opbrengsten onder de leden.”
7 Volgens artikel 1, lid 3, sub b, van verordening nr. 4056/86 moet onder lijnvaartconference worden verstaan „een groep van twee of meer vervoerders die schepen exploiteren, die internationale lijndiensten onderhoudt voor het vervoer van lading op een bepaalde route of routes binnen omschreven geografische grenzen en die een overeenkomst of regeling, van welke aard ook, heeft getroffen binnen het kader waarvan zij opereren op basis van eenvormige of gemeenschappelijke vervoertarieven en enigerlei andere overeengekomen voorwaarden met betrekking tot het aanbieden van lijndiensten”.
8 Dienaangaande wordt in de achtste overweging van de considerans van verordening nr. 4056/86 verklaard:
„dat het gewenst is, ten behoeve van lijnvaartconferences een generieke vrijstelling van het kartelverbod mogelijk te maken; dat deze conferences namelijk een stabiliserende werking hebben welke een waarborg vormt voor betrouwbare dienstverlening aan verladers; dat zij er in het algemeen toe bijdragen dat een aanbod van geregelde, toereikende en doelmatige zeevervoersdiensten wordt verzekerd, met een redelijke mate van inachtneming van de belangen der vervoergebruikers; dat deze resultaten niet kunnen worden bereikt zonder de samenwerking die de scheepvaartmaatschappijen binnen de genoemde conferences op het gebied van de tarieven en eventueel van het aanbod van scheepsruimte of de verdeling van de te vervoeren tonnages en zelfs de ontvangsten ontwikkelen; dat de conferences meestal blijven blootstaan aan een daadwerkelijke concurrentie zowel van de zijde van de niet-conferencelijnen als van de wilde-vaartdiensten en in bepaalde gevallen van andere middelen van vervoer; dat de mobiliteit der vloten die de structuur van het aanbod in de sector zeevervoersdiensten kenmerkt, bovendien een voortdurende concurrentiedruk op de conferences uitoefent, die gewoonlijk niet de mogelijkheid hebben de concurrentie voor een wezenlijk deel van de betrokken zeevervoersdiensten uit te schakelen”.
9 Om met artikel 85, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 81, lid 3, EG) onverenigbare gedragingen van de lijnvaartconferences te voorkomen, met name concurrentiebeperkingen die niet onmisbaar zijn voor het bereiken van de doelstellingen die de vrijstelling rechtvaardigen, worden in verordening nr. 4056/86 aan de groepsvrijstelling bepaalde voorwaarden en verplichtingen verbonden. Volgens artikel 4 van de verordening wordt de vrijstelling verleend op de dwingende voorwaarde dat de overeenkomst geen nadeel toebrengt aan bepaalde havens, vervoergebruikers of vervoerders door toepassing van verschillende voorwaarden, op straffe van nietigheid van de betrokken overeenkomst of van het betrokken deel daarvan. Daarnaast verbindt artikel 5 van verordening nr. 4056/86 aan de vrijstelling bepaalde verplichtingen betreffende, onder meer, de getrouwheidsregelingen en de niet door de vrachtprijs gedekte diensten.
10 Volgens de dertiende overweging van de considerans kan voorts „geen vrijstelling worden verkregen wanneer aan de in artikel 85, lid 3, [EG-Verdrag] gestelde voorwaarden [niet] is voldaan”, en moet de Commissie dus de bevoegdheid hebben „passende maatregelen te nemen ingeval een vrijgestelde mededingingsregeling wegens bijzondere omstandigheden gevolgen blijkt te hebben die onverenigbaar zijn” met dit artikel 85.
11 Hiertoe voorziet artikel 7 van verordening nr. 4056/86 in een regeling van toezicht op de vrijgestelde mededingingsregelingen. Dit artikel luidt als volgt:
„1. Inbreuk op een verplichting
Indien de betrokkenen inbreuk maken op een verplichting die volgens artikel 5 is verbonden aan de in artikel 3 bedoelde vrijstelling, kan de Commissie, om deze inbreuken te beëindigen en onder de in afdeling II gestelde voorwaarden:
– aanbevelingen doen aan de betrokkenen;
– in geval van niet-nakoming van deze aanbevelingen door de betrokkenen, en afhankelijk van de ernst van de betrokken inbreuk, een beschikking geven waarin hun bepaalde handelingen worden verboden of gelast, dan wel hun onder intrekking van de hun verleende generieke vrijstelling een individuele vrijstelling wordt verleend overeenkomstig artikel 11, lid 4, dan wel hun de generieke vrijstelling wordt ontnomen.
2. Met artikel 85, lid 3, onverenigbare gevolgen
a) Indien overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die voor de in de artikelen 3 of 6 bedoelde vrijstelling in aanmerking komen, wegens de hieronder omschreven bijzondere omstandigheden desalniettemin gevolgen hebben welke onverenigbaar zijn met de voorwaarden van artikel 85, lid 3, van het Verdrag, neemt de Commissie, na ontvangst van een klacht of op eigen initiatief, de onder c) omschreven maatregelen onder de in afdeling II gestelde voorwaarden. De zwaarte van deze maatregelen moet in verhouding staan tot de ernst van de situatie.
b) Bijzondere omstandigheden worden onder meer geschapen door:
i) handelingen van lijnvaartconferences of een wijziging in de marktcondities in een bepaald vaargebied die tot afwezigheid of uitschakeling van feitelijke of potentiële mededinging leiden, zoals belemmerende praktijken waardoor het verkeer niet toegankelijk is voor mededingers,
ii) handelingen van conferences die de technische of economische vooruitgang kunnen belemmeren of kunnen verhinderen dat de voordelen hiervan ten goede komen aan de consument,
iii) handelingen van derde landen die
─ de deelneming van buitenstaanders aan een vaargebied beletten,
─ onbillijke tarieven opleggen aan leden van een lijnvaartconference of
─ regelingen voorschrijven die anderszins technische of economische vooruitgang belemmeren (ladingverdeling, beperkingen met betrekking tot scheepstypen).
c) i) Indien feitelijke of potentiële mededinging ontbreekt of dreigt te worden uitgeschakeld ten gevolge van maatregelen van een derde land, treedt de Commissie in overleg met de bevoegde autoriteiten van dat land, zo nodig gevolgd door onderhandelingen volgens door de Raad verstrekte richtlijnen, ten einde de situatie te verhelpen.
Indien de bijzondere omstandigheden evenwel in strijd met artikel 85, lid 3, onder b, van het Verdrag leiden tot de afwezigheid of uitschakeling van feitelijke of potentiële mededinging, trekt de Commissie de generieke vrijstelling in. Terzelfdertijd beslist zij of, en zo ja onder welke bijkomende voorwaarden en verplichtingen, een individuele vrijstelling voor de betrokken conference-overeenkomst kan worden verleend, onder andere ten einde toegang tot de markt te krijgen voor outsiders.
ii) Indien de onder b) genoemde bijzondere omstandigheden andere dan de onder punt i) genoemde gevolgen hebben, treft de Commissie een of meer van de in punt 1 genoemde maatregelen.”
12 Artikel 8 van verordening nr. 4056/86 bepaalt:
„1. Misbruik van machtsposities in de zin van artikel 86 van het [EG-]Verdrag [thans artikel 82 EG] is verboden zonder dat hiervoor een voorafgaand besluit is vereist.
2. Wanneer de Commissie, op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat of van een natuurlijke of rechtspersoon die zich op een rechtmatig belang beroept, tot de bevinding komt dat gedragingen van conferences die de in artikel 3 genoemde vrijstelling genieten, in bepaalde gevallen niettemin gevolgen hebben die onverenigbaar zijn met artikel 86 van het Verdrag, kan zij de generieke vrijstelling intrekken en uit hoofde van artikel 10 alle passende maatregelen nemen om een eind te maken aan de inbreuken op artikel 86 van het Verdrag.
3. Alvorens een besluit te nemen uit hoofde van lid 2, kan de Commissie aan de betrokken conference aanbevelingen doen met het oog op het beëindigen van de inbreuk.”
13 Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 4056/86 bepaalt dat, indien de toepassing van deze verordening kan leiden tot strijdigheid met wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van bepaalde derde landen waardoor belangrijke commerciële en scheepvaartbelangen van de Gemeenschap in gevaar zouden komen, de Commissie bij de eerste gelegenheid met de bevoegde autoriteiten van de betrokken derde landen overleg pleegt, ten einde die belangen zoveel mogelijk te verenigen met de naleving van de communautaire rechtsregels. Indien moet worden onderhandeld over overeenkomsten met derde landen, doet de Commissie ingevolge lid 2 van genoemd artikel aanbevelingen aan de Raad, die haar machtigt de vereiste onderhandelingen te openen. De Commissie voert deze onderhandelingen in overleg met het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities op het gebied van het vervoer over zee en binnen het raam van de richtlijnen welke de Raad haar kan verstrekken.
14 Artikel 10, eerste alinea, van verordening nr. 4056/86 luidt:
„Naar aanleiding van een klacht of ambtshalve leidt de Commissie de procedure in tot beëindiging van inbreuken op artikel 85, lid 1, of artikel 86, van het Verdrag, alsmede de procedure voor de toepassing van artikel 7 van deze verordening.”
15 Ingevolge artikel 15, lid 3, van dezelfde verordening wordt voorafgaande aan beschikkingen naar aanleiding van een procedure als bedoeld in artikel 10, een Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities op het gebied van het vervoer over zee geraadpleegd.
16 Met betrekking tot de individuele toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag wordt in de achttiende overweging van de considerans van verordening nr. 4056/86 verklaard, dat het „gezien de specifieke aspecten van het zeevervoer, in de eerste plaats de ondernemingen zijn die moeten zorgen dat hun overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in overeenstemming zijn met de concurrentieregels, en [dat] hun derhalve niet de verplichting behoeft te worden opgelegd deze bij de Commissie aan te melden”.
17 Zo bepaalt artikel 11, lid 4, van verordening nr. 4056/86:
„Indien de Commissie aan het eind van een naar aanleiding van een klacht of ambtshalve ingeleide procedure concludeert dat een overeenkomst, een besluit of een onderling afgestemde feitelijke gedraging voldoet aan de voorwaarden van artikel 85, leden 1 en 3, van het Verdrag, geeft zij een beschikking tot toepassing van artikel 85, lid 3. In deze beschikking wordt de datum vermeld met ingang waarvan zij van kracht wordt. Dit kan een vroegere datum zijn dan die van de beschikking.”
18 Ingevolge artikel 12, lid 1, van verordening nr. 4056/86 evenwel kunnen ondernemingen en ondernemersverenigingen die ten gunste van de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen als bedoeld in artikel 85, lid 1, waaraan zij deelnemen, een beroep wensen te doen op artikel 85, lid 3, bij de Commissie een verzoek indienen, dat in het kader van de in dit artikel geregelde verzetprocedure wordt behandeld.
19 Artikel 19 van verordening nr. 4056/86 luidt als volgt:
„[...]
2. Wanneer ondernemingen of ondernemersverenigingen opzettelijk of uit onachtzaamheid:
a) inbreuk maken op artikel 85, lid 1, of artikel 86, van het Verdrag of geen gevolg geven aan een verplichting, hun opgelegd krachtens artikel 7 van deze verordening;
b) zich gedragen in strijd met een verplichting, opgelegd krachtens artikel 5 of artikel 13, lid 1,
kan de Commissie bij beschikking aan deze ondernemingen of ondernemersverenigingen geldboeten opleggen van duizend tot één miljoen ecu, of tot een hoger bedrag dat evenwel niet 10 % van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar mag overschrijden.
Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt niet alleen rekening gehouden met de zwaarte, maar ook met de duur van de inbreuk.
[...]
4. De beschikkingen, gegeven krachtens leden 1 en 2, hebben geen strafrechtelijk karakter.
De in lid 2, onder a, genoemde geldboeten kunnen niet worden opgelegd voor gedragingen welke plaats hebben nadat deze bij de Commissie zijn aangemeld en voordat de Commissie ten aanzien hiervan een beschikking heeft genomen krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag, voorzover deze gedragingen blijven binnen de grenzen welke in de aanmelding zijn genoemd.
Deze bepaling is echter niet van toepassing zodra de Commissie de betrokken ondernemingen heeft medegedeeld dat zij, na voorafgaand onderzoek, van oordeel is dat overeenkomsten, besluiten of gedragingen onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag vallen en dat toepassing van artikel 85, lid 3, niet gerechtvaardigd is.”
20 Volgens artikel 23, lid 1, van verordening nr. 4056/86 stelt de Commissie, alvorens een beschikking te geven, de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen in de gelegenheid hun standpunt kenbaar te maken ter zake van de punten van bezwaar welke zij in aanmerking heeft genomen. Verordening nr. 4260/88 van de Commissie van 16 december 1988 betreffende de mededelingsverplichtingen, de klachten, de verzoeken en het horen van belanghebbenden en derden, zoals bedoeld in verordening nr. 4056/86 (PB L 376, blz. 1), die ten tijde van de feiten van kracht was, bevat de procedurele voorschriften die bij de hoorzitting moeten worden nageleefd.
De feiten
I ─ Trans-Atlantic Agreement („TAA”)
21 Verzoeksters in deze zaak zijn op één uitzondering na zeevervoermaatschappijen die partij waren bij de TAA.
22 De TAA was een overeenkomst inzake de lijnvaart over de Atlantische Oceaan, tussen Noord-Europa en de Verenigde Staten van Amerika. Zij was op 28 augustus 1992 bij de Commissie aangemeld en op 31 augustus 1992 in werking getreden.
23 In de TAA waren, onder meer, de tarieven voor het zeevervoer en het „multimodale” vervoer vastgesteld. De tarieven voor het zeevervoer hadden als kenmerk, dat er ten minste twee prijsniveaus waren. De tarieven voor het multimodale vervoer omvatten naast het zeevervoer het vervoer van de goederen over land, naar of van de haven van of naar een punt in het binnenland. Zij dekten dus zowel het zeesegment als het inlandsegment van het vervoer. De TAA bevatte voorts bepalingen betreffende andere aspecten van de containerlijnvaart, in het bijzonder „space/slot chartering” en de uitwisseling van materieel, tarieven voor de goederenbehandeling in de haven en het gemeenschappelijk beheer van de vervoerscapaciteit.
24 Op 19 oktober 1994 stelde de Commissie beschikking 94/980/EG inzake een procedure betreffende de toepassing van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/34.446 ─ Trans-Atlantic Agreement; PB L 376, blz. 1) vast.
25 In beschikking 94/980 (hierna „TAA-beschikking”) werd vastgesteld dat de overeenkomsten inzake prijzen en het onbenut laten van capaciteit in het zeevervoer en de overeenkomsten inzake de prijzen van containervervoer over land in of via de Gemeenschap in het kader van multimodaal vervoer inbreuk maakten op artikel 85, lid 1, van het Verdrag (artikel 1 van de TAA-beschikking).
26 Met betrekking tot de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag kwam de TAA-beschikking tot de slotsom dat de groepsvrijstelling waarin artikel 3 van verordening nr. 4056/86 ten gunste van bepaalde lijnvaartconferences voorziet, niet voor deze bepalingen van de TAA gold, omdat de TAA geen lijnvaartconference was die „eenvormige of gemeenschappelijke vervoertarieven” toepast in de zin van artikel 3, lid 1, sub b, van verordening nr. 4058/86, aangezien zij op zijn minst twee prijsniveaus voor zeevervoer kende. En zelfs indien de TAA een lijnvaartconference zou zijn, meende de Commissie, dat de TAA-bepalingen inzake het niet benutten van vervoerscapaciteit en inzake het bepalen van de prijzen voor het inlandsegment in het kader van multimodaal vervoer niet onder een groepsvrijstelling konden vallen, omdat de capaciteitsbevriezing niet kon worden beschouwd als „een regeling van de door elk der leden aangeboden vervoerscapaciteit” in de zin van artikel 3, sub d, van verordening nr. 4056/86, en de vaststelling van prijzen voor inlandvervoer, zij het ook in een multimodaal kader, niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 4056/86 viel, daar deze enkel op zeevervoer van haven tot haven van toepassing was. Voorts weigerde de Commissie voor die bepalingen een individuele vrijstelling te verlenen op basis van artikel 85, lid 3, van het Verdrag en artikel 5 van verordening nr. 1017/68 (artikel 2 van de TAA-beschikking).
27 Bij artikel 4 van de TAA-beschikking werd de adressaten ervan verboden overeenkomsten inzake prijsvaststelling te sluiten, die hetzelfde of een gelijkaardig doel of gevolg hebben als de bepalingen van de TAA.
28 Ten slotte werd de adressaten bij artikel 5 van de TAA-beschikking gelast, hun cliëntèle waarmee zij in het kader van de TAA dienstencontracten hadden gesloten of waarmee zij in dat kader andere contractuele betrekkingen onderhielden, ervan in kennis te stellen dat zij, indien zij dat wensten, opnieuw over de voorwaarden van die contracten konden onderhandelen dan wel ze onverwijld konden beëindigen.
29 Bij beschikking van 10 maart 1995 schorste de president van het Gerecht desverzocht de tenuitvoerlegging van de artikelen 1, 2, 3 en 4 van de TAA-beschikking tot de einduitspraak van het Gerecht in het hoofdgeding, voorzover die artikelen verzoeksters verboden gezamenlijk in het kader van het gecombineerde vervoer de tarieven vast te stellen voor de segmenten inlandvervoer over het grondgebied van de Gemeenschap (beschikking president Gerecht van 10 maart 1995, Atlantic Container Line e.a./Commissie, T-395/94 R, Jurispr. blz. II-595). De door de Commissie ingestelde hogere voorziening tegen deze beschikking werd door het Hof afgewezen bij beschikking van 19 juli 1995, Commissie/Atlantic Container Line e.a. [C-149/95 P(R), Jurispr. blz. I-2165].
30 Bij arrest van 28 februari 2002 heeft het Gerecht het beroep tot nietigverklaring van de TAA-beschikking, behoudens artikel 5 ervan, verworpen (arrest Gerecht van 28 februari 2002, Atlantic Container Line e.a./Commissie, T-395/94, Jurispr. blz II-875; hierna „TAA-arrest”). Tegen dit arrest is geen hogere voorziening ingesteld.
II ─ Trans-Atlantic Conference Agreement („TACA”)
31 Na overleg tussen de partijen bij de TAA en de Commissie is de TAA gewijzigd en vervangen door de TACA.
32 Evenals de TAA heeft de TACA betrekking op de scheepvaartroutes van west naar oost („eastbound”) en van oost naar west („westbound”) tussen, enerzijds, de havens in West-Europa en de punten in Europa die via die havens worden bereikt, en, anderzijds, de havens in de Verenigde Staten en de punten in de Verenigde Staten die via die havens worden bereikt.
33 Vaststaat dat de TACA bepalingen bevat die overeenkomen met die van de TAA inzake de vaststelling van de prijzen van het inlandvervoer op het grondgebied van de Gemeenschap. De TACA bevat voorts een aantal regels betreffende andere aspecten van het vervoer, in het bijzonder met betrekking tot het sluiten van dienstencontracten en de beloning van makelaars en expediteurs.
Aanmeldingen door de TACA
34 Overeenkomstig artikel 12, lid 1, van verordening nr. 4056/86 werd de TACA op 5 juli 1994 bij de Commissie aangemeld met het oog op de verlening van een vrijstelling krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag en artikel 53, lid 3, van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („EER”).
35 De partijen bij de TACA waren aanvankelijk de volgende vijftien lijnvaartmaatschappijen: A. P. Møller-Mærsk Line (hierna „Mærsk”), Atlantic Container Line AB (hierna „ACL”), Hapag Lloyd AG (hierna „Hapag Lloyd”), Nedlloyd Lijnen BV (hierna „Nedlloyd”), P&O Containers Ltd (hierna „P&O”), Sea-Land Service, Inc. (hierna „Sea-Land”), Mediterranean Shipping Co. (hierna „MSC”), Orient Overseas Container Line (UK) Ltd (hierna „OOCL”), Polish Ocean Lines (hierna „POL”), DSR-Senator Lines GmbH (hierna „DSR-Senator”), Cho Yang Shipping Co. Ltd (hierna „Cho Yang”), Neptune Orient Lines Ltd (hierna „NOL”), Nippon Yusen Kaisha (hierna „NYK”), Transportación Marítima Mexicana SA de CV (hierna „TMM”) en Tecomar SA de CV (hierna „Tecomar”). Nadien, op 31 augustus 1994, traden Hanjin Shipping Co. Ltd (hierna „Hanjin”) en, op 11 september 1995, Hyundai Merchant Marine Co. Ltd (hierna „Hyundai”) tot de TACA toe. Van alle genoemde lijnvaartmaatschappijen is enkel Hyundai nooit bij de TAA aangesloten geweest.
36 Bij brief van 15 juli 1994 deelde de Commissie de partijen bij de TACA mee, dat zij overeenkomstig artikel 4, lid 8, van verordening nr. 4260/88 het verzoek om individuele vrijstelling ook aan verordening nr. 1017/68 zou toetsen, op grond dat sommige van de aangemelde activiteiten niet onder de toepassing van verordening nr. 4056/86 vielen.
37 De TACA trad op 24 oktober 1994 in werking. Omdat de tekst ervan verscheidene malen is gewijzigd, zijn na 5 juli 1994 diverse nieuwe versies van die overeenkomst bij de Commissie aangemeld.
38 Na enige discussies en briefwisseling met de Commissie hebben de partijen bij de TACA op 29 november 1995 de European Inland Equipment Interchange Agreement (hierna „EIEIA”) aangemeld, die betrekking heeft op samenwerking bij het inlandsegment van het multimodale vervoer.
39 Op 10 januari 1997 hebben de partijen bij de TACA een „hub-and-spoke”-systeem (aanvoer en distributie van vracht naar/vanuit een centraal punt) bij de Commissie aangemeld, met het oog op het verkrijgen van vrijstelling voor de collectieve vaststelling van prijzen voor alle inlandvervoerdiensten.
40 In verband met de TACA zijn twee verschillende procedures gevoerd, te weten een procedure tot opheffing van de immuniteit tegen geldboeten en de inbreukprocedure krachtens de artikelen 85 en 86 van het Verdrag. De onderhavige beroepen betreffen deze laatste procedure.
De administratieve procedure tot opheffing van de boete-immuniteit
41 Op 21 juni 1995 richtte de Commissie een mededeling van punten van bezwaar tot de partijen bij de TACA (met uitzondering van Hyundai, die er op dat moment nog niet bij was aangesloten), waarin zij verklaarde voornemens te zijn de immuniteit ten aanzien van de geldboeten die uit de aanmelding van de TACA konden voortvloeien, in te trekken op het punt van de overeenkomst tussen partijen inzake de vaststelling van prijzen voor het inlandvervoer binnen de Gemeenschap.
42 Op 1 maart 1996 deed de Commissie de partijen bij de TACA een aanvullende mededeling van punten van bezwaar toekomen, waarin zij meedeelde dat de EIEIA haar geen reden gaf haar beoordeling van 21 juni 1995 te wijzigen.
43 Op 26 november 1996 stelde de Commissie beschikking C(96) 3414 def. vast, inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/35.134 ─ Trans-Atlantic Conference Agreement; niet gepubliceerd, hierna „immuniteitsbeschikking”). Daarbij ontnam zij de partijen bij de TACA de immuniteit tegen geldboeten, voorzover het ging om de bepalingen van de TACA inzake de vaststelling van de tarieven voor inlandvervoer, aangezien die bepalingen naar het voorlopig oordeel van de Commissie niet voldeden aan de voorwaarden van artikel 85, lid 3, van het Verdrag, artikel 5 van verordening nr. 1017/68 en artikel 53, lid 3, EER.
44 Bij arrest van 28 februari 2002 heeft het Gerecht het beroep van de partijen bij de TACA tegen die beschikking niet-ontvankelijk verklaard (arrest Gerecht van 28 februari 2002, Atlantic Container Line e.a./Commissie, T-18/97, Jurispr. blz. II-1125). Tegen dit arrest is geen hogere voorziening ingesteld.
De administratieve inbreukprocedure krachtens de artikelen 85 en 86 van het Verdrag
45 Op 24 mei 1996 zond de Commissie de partijen bij de TACA een op basis van de verordeningen nrs. 17, 1017/68 en 4056/68 vastgestelde mededeling van punten van bezwaar betreffende de grond van de zaak. Aan het einde van deze mededeling verklaarde de Commissie, onder meer, dat de TACA naar haar oordeel onder het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag viel en dat op een aantal elementen van de overeenkomst artikel 85, lid 3, van het Verdrag niet van toepassing was. De Commissie preciseerde dat zij voornemens was een beschikking te geven waarin een inbreuk op artikel 85, lid 1, werd vastgesteld en de partijen bij de TACA werd gelast een einde te maken aan de niet door artikel 85, lid 3, van het Verdrag gedekte praktijken. Ook verklaarde zij dat de partijen bij de TACA in strijd met artikel 86 van het Verdrag misbruik van hun machtspositie hadden gemaakt en dat zij voornemens was hun deswege geldboeten op te leggen. Ten slotte kondigde zij aan, dat zij de in verordening nr. 4056/86 geregelde groepsvrijstelling krachtens de artikelen 7 en/of 8 van die verordening zou intrekken.
46 De partijen bij de TACA antwoordden op 6 september 1996 op de mededeling van punten van bezwaar van 24 mei 1996. Tijdens een hoorzitting op 25 oktober 1996 zetten zij hun standpunt nog eens mondeling uiteen.
47 Op 11 april 1997 stelde de Commissie een aanvullende mededeling van punten van bezwaar vast, waarin zij verklaarde, dat zij ondanks de aanmelding van het „hub-and-spoke”-systeem nog steeds voornemens was een verbodsbeschikking te geven, ook ten aanzien van de praktijk om prijzen vast te stellen voor de door de zeevervoerder verrichte inlandvervoerdiensten binnen de Gemeenschap, voorzover deze buiten TACA's „hub-and-spoke”-systeem vielen.
48 Op 16 september 1998 stelde de Commissie beschikking 1999/243/EG vast, inzake een procedure op grond van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag (zaak IV/35.134 ─ Trans-Atlantic Conference Agreement) (PB 1999, L 95, blz. 1; hierna „de beschikking” of „bestreden beschikking”). Voor de vaststelling ervan volgde de Commissie de procedures van de verordeningen nrs. 17, 1017/68 en 4056/86.
49 In de bestreden beschikking komt de Commissie tot de conclusie dat een aantal bepalingen van de TACA in strijd zijn met artikel 85, lid 1, van het Verdrag, artikel 53, lid 1, EER en artikel 2 van verordening nr. 1017/68 en dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een individuele vrijstelling, gesteld in artikel 85, lid 3, van het Verdrag, artikel 53, lid 3, EER en artikel 5 van verordening nr. 1017/68. Na te hebben vastgesteld dat verzoeksters inbreuk hebben gemaakt op de bepalingen van artikel 86 van het Verdrag en artikel 54 EER, legt de Commissie voorts elk van de verzoeksters een geldboete op.
De bestreden beschikking
I ─ De relevante bepalingen van de TACA
50 De voor de bestreden beschikking relevante bepalingen van de TACA betreffen de vaststelling van de vervoerprijzen, het sluiten van dienstencontracten en de beloning van makelaars en expediteurs.
Gezamenlijke vaststelling van de vervoerprijzen
51 In de bestreden beschikking wordt geconstateerd dat de TACA-leden gezamenlijk een tarief vaststellen dat uit vijf onderdelen bestaat, met een afzonderlijke tarief voor elk van de volgende diensten: het inlandvervoer naar de haven, de behandeling van de vracht in de haven (overslag van het inlandtransportmiddel naar het schip), het zeevervoer (vervoer over zee van de ene haven naar de andere), de behandeling van de vracht in de haven van bestemming (overslag van het schip naar het inlandtransportmiddel), het inlandvervoer van de haven van bestemming naar de plaats van eindbestemming (punt 96 van de considerans).
52 Verder wordt in de bestreden beschikking gepreciseerd, dat
– de gemeenschappelijke tarieflijst een schaal van prijzen voor het vervoer van vracht tussen vastgestelde punten bevat: er zijn 26 klassetarieven van goederen en voor elke klasse geldt een bepaald tarief (punt 13 van de considerans);
– de tarieflijst door de TACA wordt gepubliceerd en voor alle verladers verkrijgbaar is (punt 13 van de considerans);
– de tarieflijst van de conference een aantal verschillende tarieven omvat: standaardtarieven, tijd/volumetarieven (Time/Volume Rates, hierna „TVR”) en getrouwheidstarieven (punt 103 van de considerans);
– naar Amerikaans recht de leden van een conference het recht hebben bij wege van „independent action” van het conferencetarief af te wijken, mits daarvan aan de overige leden van de conference kennis wordt gegeven (punt 104 van de considerans).
Dienstencontracten
53 Onder dienstencontract is te verstaan een contract waarbij een verlader zich ertoe verbindt, binnen een vaste tijdspanne een bepaalde minimumhoeveelheid vracht te laten vervoeren door de conference (conference-dienstencontract) of door een individuele zeevervoerder (individueel dienstencontract), terwijl de vervoerder of de conference zich verbindt tot toepassing van een bepaald tarief of een bepaalde tariefschaal en tot een bepaalde mate van dienstverlening (punt 110 van de considerans).
54 Individuele dienstencontracten worden „gezamenlijk” genoemd wanneer zij door meerdere individuele vervoerders worden gesloten. Op te merken valt, dat de term „gezamenlijk dienstencontract” in de bestreden beschikking zowel voor conference-dienstencontracten wordt gebruikt als voor gezamenlijke individuele dienstencontracten.
55 Vaststaat dat in de transatlantische lijnvaart ongeveer 50 à 60 % van de vracht met gebruikmaking van dienstencontracten wordt vervoerd (punt 122 van de considerans).
56 In de bestreden beschikking stelt de Commissie vast dat de TACA regels beoogde te stellen voor het onderhandelen over en het sluiten van zowel conference-dienstencontracten als individuele dienstencontracten.
57 Wat, in de eerste plaats, de conference-dienstencontracten (hierna ook „TACA-dienstencontracten”) betreft, bepaalde artikel 14, lid 3, TACA, dat daarover namens de partijen bij de TACA door het TACA-secretariaat moest worden onderhandeld. Over de dienstencontracten waarover het TACA-secretariaat had onderhandeld, werd vervolgens door de TACA-leden gestemd. Een lid dat niet aan het dienstencontract wenste deel te nemen, kon met betrekking tot dat contract eenzijdige actie („unilateral action”) ondernemen binnen de in artikel 14, lid 2, sub j, TACA gestelde grenzen (punten 132-148 van de considerans).
58 Volgens de bestreden beschikking bevat de TACA tevens een aantal bindende „richtsnoeren” (artikel 14, lid 2) met betrekking tot de inhoud van dienstencontracten en met betrekking tot de omstandigheden waaronder zij mogen worden gesloten (punt 149 van de considerans). De belangrijkste beperkingen betreffen de volgende punten:
– duur: volgens artikel 14, lid 2, sub a, TACA mochten dienstencontracten voor niet langer dan één kalenderjaar worden gesloten (later verlengd tot twee, en vervolgens tot drie jaar) (punten 17, sub f, en 491 van de considerans);
– voorwaardelijke bedingen („contingency clauses”): volgens artikel 14, lid 2, sub c, TACA is het verboden in dienstencontracten bedingen op te nemen inzake een verlaging van het volgens het betrokken dienstencontract te betalen tarief onder verwijzing naar met andere verladers in het kader van andere regelingen overeengekomen voorwaarden (punten 17, sub g, en 489 van de considerans);
– meervoudige contracten: volgens artikel 14, lid 2, sub c, TACA kan geen van de TACA-leden, alleen of tezamen met een ander lid aan meer dan één dienstencontract tegelijk met dezelfde verlader voor in het vaargebied te vervoeren vracht deelnemen;
– het niveau van de schadevergoedingsbedingen voor het geval van niet-nakoming van het contract: ingevolge artikel 14, lid 2, sub d, TACA maken de partijen bij de TACA afspraken over het niveau van die bedingen in de door hen gesloten dienstencontracten (punt 495 van de considerans); volgens de bestreden beschikking is het niveau van de schadevergoeding door de partijen bij de TACA op 250 USD per Twenty Feet Equivalent Unit („TEU”) gesteld (punt 226 van de considerans);
– vertrouwelijkheid: volgens de bestreden beschikking verlangt de TACA, dat de leden elkaar in kennis stellen van de voorwaarden van alle door hen gesloten dienstencontracten en dat deze informatie beschikbaar is voor alle zeevervoerders die zich bij de TACA willen aansluiten (punt 496 van de considerans).
59 Wat, in de tweede plaats, de individuele dienstencontracten betreft, deze waren in 1994 en 1995 door de TACA verboden, maar vanaf 1996 toegestaan. Dienaangaande vermeldt de bestreden beschikking:
„32 Op 9 maart 1995 stelden de partijen bij de TACA de Commissie ervan in kennis dat de FMC [Amerikaanse Federal Maritime Commission] een bijkomende voorwaarde aan hen had opgelegd. De FMC eiste dat de partijen bij de TACA de TACA zodanig zouden wijzigen, dat individuele partijen bij de TACA dienstencontracten voor 1996 zouden kunnen sluiten zonder de instemming van de andere partijen bij de TACA te hebben verkregen, mits die contracten in overeenstemming zouden zijn met artikel 14, lid 2, van de TACA.”
Beloning van makelaars en expediteurs
60 Ingevolge artikel 5, lid 1, sub c, TACA stellen de partijen bij de TACA de bedragen, niveaus of tarieven voor de vergoeding van makelaars en expediteurs vast, met inbegrip van de voorwaarden voor de betaling ervan en de aanwijzing van de personen die als makelaar mogen optreden (punt 164 van de considerans).
II ─ De relevante markt
61 Aan het eind van de analyse in de punten 60 tot en met 84 van de considerans komt de bestreden beschikking tot de vaststelling, dat de markt van zeevaartdiensten waarin de TACA opereert, die is van de containerlijnvaart tussen de Noord-Europese havens en die in de Verenigde Staten en Canada.
62 In punt 519 van de considerans zet de Commissie in verband met de toepassing van artikel 86 van het Verdrag uiteen:
„519 De relevante markt voor zeevaartdiensten wordt hierboven, in de overwegingen 60 tot en met 75, beschreven. Onder ‚geografische markt’ wordt verstaan het gebied waarin de bovengenoemde zeevaartdiensten worden aangeboden, hetgeen in het onderhavige geval betekent: de aantrekkingszones van de Noord-Europese havens. Een dergelijke geografische markt komt overeen met de werkingssfeer van TACA's inlandtarief en vormt een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt.”
III ─ Juridische beoordeling
63 Volgens de bestreden beschikking zijn op de regels en praktijken van de TACA de artikelen 85 en 86 van het Verdrag van toepassing.
Toepassing van artikel 85 van het Verdrag
64 Met betrekking tot de toepassing van artikel 85 van het Verdrag zet de Commissie uiteen, dat de volgende elementen van de TACA tot doel of tot gevolg hebben dat de mededinging wordt beperkt of vervalst in de zin van lid 1 van dat artikel:
– de prijsovereenkomst tussen de partijen bij de TACA betreffende het zeevervoer (punten 379 en 380 van de considerans);
– de prijsovereenkomst tussen de partijen bij de TACA betreffende inlandvervoerdiensten die op het grondgebied van de Gemeenschap aan verladers worden aangeboden, in combinatie met andere diensten als onderdeel van een multimodale vervoeroperatie voor containervervoer („carrier haulage”-diensten) tussen Noord-Europa en de Verenigde Staten (punten 379 en 380 van de considerans);
– de overeenkomst tussen de partijen bij de TACA betreffende de voorwaarden waaronder zij met verladers dienstencontracten mogen afsluiten (punten 379, 380 en 442-448 van de considerans), en
– de overeenkomst tussen de partijen bij de TACA betreffende de vaststelling van het maximumniveau van de vergoedingen voor expediteurs (punten 379, 380 en 505-508 van de considerans).
65 Anderzijds is het volgens de Commissie in dit stadium niet duidelijk, of de „European Inland Equipment Interchange Agreement” (EIEIA) de mededinging in aanzienlijke mate ongunstig beïnvloedt. Daarom wordt de toepasselijkheid van artikel 85, lid 1, van het Verdrag op de EIEIA niet in de bestreden beschikking behandeld.
66 Met betrekking tot een eventuele vrijstelling concludeert de Commissie, dat de groepsvrijstellingsregeling van artikel 3 van verordening nr. 4056/86 enkel van toepassing is op de prijsovereenkomst betreffende het zeevervoer, maar niet op de andere mededingingsbeperkende overeenkomsten (punten 397-399 van de considerans). Ten aanzien van de mogelijkheid van individuele vrijstelling meent de Commissie, dat geen van de betrokken overeenkomsten aan de voorwaarden van artikel 85, lid 3, van het Verdrag en artikel 5 van verordening nr. 1017/68 voldoet (punten 409-441 van de considerans).
Toepassing van artikel 86 van het Verdrag
67 Wat de toepassing van artikel 86 van het Verdrag betreft, wordt in de bestreden beschikking vastgesteld, dat de partijen bij de TACA een collectieve machtspositie op de relevante markt bezitten (punten 519-576 van de considerans) en deze collectieve machtspositie in de periode van 1994 tot 1996 hebben misbruikt, in de eerste plaats door een overeenkomst te sluiten waarbij beperkingen met betrekking tot het aangaan en de inhoud van dienstencontracten werden ingevoerd (hierna ook „het eerste misbruik”), en in de tweede plaats, door de concurrentiestructuur van de markt zo te wijzigen, dat de machtspositie van de TACA werd versterkt (hierna ook „het tweede misbruik”) (punten 550-576 van de considerans).
68 Het eerste misbruik (punten 551-558 van de considerans) heeft volgens de Commissie „vooral betrekking op de door de partijen bij de TACA opgelegde condities [...] in verband met voorwaardelijke bedingen, de looptijd van dienstencontracten, het verbod van meervoudige contracten, en de strafbedingen”, alsmede het verbod van individuele dienstencontracten in 1995 (punten 556 en 557 van de considerans).
69 Met betrekking tot het tweede misbruik (punten 559-567 van de considerans) zet de Commissie uiteen dat „het de bedoeling van de partijen bij de TACA was ervoor te zorgen, dat potentiële concurrenten die de markt wensten te betreden, dit uitsluitend zouden doen na te zijn toegetreden tot de TACA” (punt 562 van de considerans). Tot de maatregelen die de partijen bij de TACA namen om potentiële concurrenten ertoe te brengen als TACA-lid tot de markt toe te treden, behoorden volgens de bestreden beschikking speciale maatregelen ten gunste van Hanjin (mededeling van vertrouwelijke informatie en toewijzing van een marktaandeel) en van Hyundai (onmiddellijke toegang tot dienstencontracten), het aangaan door de partijen bij de TACA van een groot aantal dienstencontracten met een tweeledige prijsstructuur en het feit dat de vroegere gestructureerde TAA-leden niet meedongen naar sommige dienstencontracten met zeevervoerders zonder eigen schepen („Non Vessel Operating Common Carriers”, hierna „NVOCC's”).
Geldboeten
70 Bij de bestreden beschikking wordt aan elke partij bij de TACA een geldboete opgelegd wegens inbreuk op artikel 86 van het Verdrag. Er worden geen geldboeten opgelegd wegens de inbreuk op artikel 85 van het Verdrag.
71 Volgens de bestreden beschikking zijn die twee inbreuken gepleegd gedurende een gedeelte van het jaar 1994 en gedurende 1995 en 1996 (punten 592 en 594 van de considerans).
Dispositief
72 Het dispositief van de bestreden beschikking luidt:
„Artikel 1
De in bijlage I genoemde ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag, op artikel 53, lid 1, van de EER-overeenkomst en op artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1017/68 door onderling de prijzen vast te stellen voor inlandvervoerdiensten die op het grondgebied van de Gemeenschap aan verladers worden aangeboden, in combinatie met andere diensten als onderdeel van het multimodale vervoer van gecontaineriseerde lading tussen Noord-Europa en de Verenigde Staten van Amerika. Aan de voorwaarden van, respectievelijk, artikel 85, lid 3, van het EG-Verdrag, artikel 53, lid 3, van de EER-overeenkomst en artikel 5 van verordening (EEG) nr. 1017/68 wordt niet voldaan.
Artikel 2
De in bijlage I genoemde ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag en op artikel 53, lid 1, van de EER-overeenkomst door onderling de bedragen, niveaus en tarieven voor de vergoeding van makelaars en expediteurs en de voorwaarden voor de betaling ervan vast te stellen en door de personen aan te wijzen die als makelaar mogen optreden. Aan de voorwaarden van artikel 85, lid 3, van het EG-Verdrag en van artikel 53, lid 3, van de EER-overeenkomst wordt niet voldaan.
Artikel 3
De in bijlage I genoemde ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag en op artikel 53, lid 1, van de EER-overeenkomst door onderling de voorwaarden vast te stellen waarop zij met verladers dienstencontracten mogen afsluiten. Aan de voorwaarden van artikel 85, lid 3, van het EG-Verdrag en van artikel 53, lid 3, van de EER-overeenkomst wordt niet voldaan.
Artikel 4
De in bijlage I genoemde ondernemingen wordt gelast onverwijld een einde te maken aan de in de artikelen 1, 2 en 3 bedoelde inbreuken en zich voortaan te onthouden van elke overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een gelijkaardig doel of gevolg heeft als de in de artikelen 1, 2 en 3 bedoelde overeenkomsten.
Artikel 5
De in bijlage I genoemde ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 86 van het EG-Verdrag en op artikel 54 van de EER-overeenkomst door de mededingingsstructuur van de markt zodanig te wijzigen dat de machtspositie van de TACA wordt versterkt.
Artikel 6
De in bijlage I genoemde ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 86 van het EG-Verdrag en op artikel 54 van de EER-overeenkomst door beperkingen inzake het aangaan en de inhoud van dienstencontracten op te leggen.
Artikel 7
De in bijlage I genoemde ondernemingen wordt hierbij gelast onverwijld een einde te maken aan de in de artikelen 5 en 6 bedoelde inbreuken en zich voortaan te onthouden van elke gedraging die hetzelfde of een gelijkaardig doel of gevolg heeft als de in de artikelen 5 en 6 bedoelde inbreuken.
Artikel 8
Wegens de in de artikelen 5 en 6 bedoelde inbreuken op artikel 86 van het EG-Verdrag en op artikel 54 van de EER-overeenkomst worden de volgende geldboeten opgelegd.
A. P. Møller-Mærsk Line 27 500 000 ECU
Atlantic Container Line AB 6 880 000 ECU
Hapag Lloyd Container Line GmbH 20 630 000 ECU
P&O Nedlloyd Container Line Limited 41 260 000 ECU
Sea-Land Service, Inc. 27 500 000 ECU
Mediterranean Shipping Co. 13 750 000 ECU
Orient Overseas Container Line (UK) Ltd 20 630 000 ECU
Polish Ocean Lines 6 880 000 ECU
DSR-Senator Lines 13 750 000 ECU
Cho Yang Shipping Co. Ltd 13 750 000 ECU
Neptune Orient Lines Ltd 13 750 000 ECU
Nippon Yusen Kaisha 20 630 000 ECU
Transportación Marítima Mexicana SA de
CV/Tecomar SA de CV 6 880 000 ECU
Hanjin Shipping Co. Ltd 20 630 000 ECU
Hyundai Merchant Marine Co. Ltd 18 560 000 ECU
Artikel 9
De in bijlage I genoemde ondernemingen wordt gelast binnen twee maanden na de datum van kennisgeving van deze beschikking hun clientèle waarmee zij gezamenlijke dienstencontracten hebben gesloten, ervan in kennis te stellen dat deze clientèle desgewenst opnieuw over de voorwaarden van die contracten kan onderhandelen of deze contracten onverwijld kan beëindigen.
Artikel 10
De bij artikel 8 opgelegde geldboeten worden binnen drie maanden na kennisgeving van deze beschikking in ECU overgemaakt op rekeningnummer 310-0933000-43 van de Commissie bij Bank Brussel-Lambert, Europees agentschap, Schumanplein 5, B-1040 Brussel.
Na afloop van deze termijn is automatisch rente verschuldigd over de geldboete, tegen het tarief dat de Europese Centrale Bank voor transacties in ECU in rekening brengt op de eerste werkdag van de maand waarin deze beschikking is gegeven, vermeerderd met 3,5 procentpunten, te weten 7,5 %.
Artikel 11
Deze beschikking is gericht tot de in bijlage I genoemde ondernemingen.
Deze beschikking vormt overeenkomstig artikel 192 van het EG-Verdrag een executoriale titel.”
Het procesverloop
73 Op 7 december 1998 hebben 12 van de 17 scheepvaartmaatschappijen waartoe de bestreden beschikking was gericht, te weten ACL, Cho Yang, DSR-Senator, Hanjin, Hapag Lloyd, Hyundai, Mærsk, MSC, OOCL, POL, P&O Nedlloyd (in januari 1997 ontstaan uit de fusie van Nedlloyd en P&O, die beide op het moment van vaststelling van de beschikking adressaat ervan waren) en Sea-Land, krachtens artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld. Dit beroep is ter griffie ingeschreven onder nr. T-191/98 (Atlantic Container Line e.a./Commissie).
74 Op 29 december 1998 hebben NOL en NYK bij afzonderlijke verzoekschriften eveneens een beroep tot nietigverklaring van de beschikking ingesteld [respectievelijk ingeschreven onder nr. T-212/98 (Neptune Orient Line/Commissie) en nr. T-213/98 (Nippon Yusen Kaisha/Commissie)]. Op 30 december 1998 ten slotte hebben TMM en Tecomar een beroep tot nietigverklaring ingesteld, dat is ingeschreven onder nr. T-214/98 (Transportación Marítima Mexicana en Tecomar/Commissie).
75 Op 18 januari 1999 vond op initiatief van de griffier een informele bijeenkomst plaats van de rechter-rapporteur, de heer Jaeger, met verzoeksters. Dezen werden uitgenodigd hun verzoekschriften, die, zonder bijlagen, in totaal ongeveer 2000 bladzijden omvatten, te regulariseren, te overwegen of het wenselijk was er een samenvatting van te maken, een selectie te maken van relevante stukken uit de bijlagen (opgenomen in ongeveer 100 dossiermappen), en een regeling te vinden voor het in verband met bepaalde bijlagen opgeworpen vertrouwelijkheidsprobleem. Tijdens de bijeenkomst kon dit laatste slechts gedeeltelijk worden opgelost.
76 Bij beschikking van 22 februari 1999 heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht de voeging van de zaken T-191/98, T-212/98, T-213/98 en T-214/98 voor de schriftelijke en mondelinge behandeling en voor het arrest gelast.
77 Op 21 juni 1999 heeft The European Council of Transport Users ASBL (hierna „ECTU”), waarbij aangesloten The European Shippers Council (hierna „ESC”), verzocht om toelating tot tussenkomst ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie in de zaken T-191/98, T-212/98, T-213/98 en T-214/98.
78 Bij beschikking van 21 juli 1999 heeft de president van het Gerecht het verzoek van DSR-Senator om opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking afgewezen (beschikking president Gerecht van 21 juli 1999, DSR-Senator Lines/Commissie, T-191/98 R, Jurispr. blz. II-2531). De hogere voorziening tegen deze beschikking is door de president van het Hof afgewezen bij beschikking van 14 december 1999 [DSR-Senator Lines /Commissie, C-364/99 P(R), Jurispr. blz. I-8733].
79 Op 17 augustus 1999 hebben verzoeksters verzocht, bepaalde documenten tegenover interveniënte vertrouwelijk te behandelen. Zij hebben dit verzoek toegelicht in een faxbericht van 23 augustus 1999. Bij brieven van 10 september en 8 oktober 1999 heeft de Commissie verscheidene bezwaren tegen dit verzoek ingebracht.
80 Bij beschikking van 15 november 1999 heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht de ECTU tot tussenkomst toegelaten en tegelijkertijd het verzoek om vertrouwelijke behandeling gedeeltelijk ingewilligd. Verder is vertrouwelijke behandeling voorlopig toegestaan voor bepaalde bijlagen bij het verzoekschrift in zaak T-191/98.
81 Bij brief van 8 december 1999 hebben verzoeksters de griffie doen weten, dat zij op één na alle in de beschikking van 1 november 1999 bedoelde bijlagen uit het dossier wensten terug te trekken. Bij brief van 10 december 1999 hebben verzoeksters voorts verzocht om vertrouwelijke behandeling van bepaalde gegevens in de dupliek en de bijlagen daarvan. Bij brief van 17 januari 2000 heeft de Commissie bezwaar tegen dit verzoek gemaakt.
82 Bij beschikking van 14 maart 2000 heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht het verzoek om vertrouwelijke behandeling van bepaalde gegevens in het verzoekschrift en de dupliek gedeeltelijk ingewilligd.
83 Bij beschikking van 28 juni 2000 heeft de president van het Gerecht het verzoek van Cho Yang om opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking afgewezen (beschikking president Gerecht van 28 juni 2000, Cho Yang Shipping/Commissie, T-191/98 R II, Jurispr. blz. II-2551). De hogere voorziening tegen deze beschikking is door de president van het Hof afgewezen bij beschikking van 15 december 2000 [Cho Yang Shipping/Commissie, C-361/00 P(R), Jurispr. blz. I-11657].
84 In haar brief van 27 september 2000, die gevoegd was bij haar opmerkingen over het verzoek tot tussenkomst van de ECTU, heeft verzoekster in zaak T-213/98 het Gerecht verzocht om vertrouwelijke behandeling van bepaalde cijfermatige gegevens in die opmerkingen, welke verzoek zij herhaalde in een brief van 20 oktober 2000. Bij brief van 17 november 2000 heeft de Commissie bezwaren ingebracht tegen dat verzoek, dat evenwel door de president van de Derde kamer van het Gerecht bij beschikking van 20 juni 2002 is ingewilligd.
85 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het partijen uitgenodigd bepaalde stukken over te leggen en schriftelijke vragen te beantwoorden. Partijen hebben hier binnen de gestelde termijnen aan voldaan.
86 Ter terechtzitting van 26 en 27 maart 2003 hebben partijen pleidooi gehouden en mondelinge vragen beantwoord.
Conclusies van partijen
87 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
– de bestreden beschikking nietig te verklaren;
– subsidiair, de bij artikel 8 van de bestreden beschikking opgelegde geldboeten in te trekken of te verlagen;
– de Commissie in de kosten te verwijzen;
– de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de kosten die verzoeksters hebben gemaakt wegens het stellen van een bankgarantie als zekerheid voor de betaling van de geldboeten in afwachting van het arrest van het Gerecht.
88 De Commissie, ondersteund door de ECTU, interveniënte, concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– verzoeksters in de kosten te verwijzen.
In rechte
89 In hun beroep tot nietigverklaring voeren verzoeksters in wezen zeven groepen van middelen aan. De middelen van de eerste groep zijn ontleend aan schending van de rechten van de verdediging. Met de middelen van de tweede en de derde groep wordt betwist dat inbreuk is gemaakt op artikel 85, respectievelijk artikel 86 van het Verdrag. De vierde groep van middelen heeft betrekking op het niet eerbiedigen van de procedure van verordening nr. 4056/86, de vijfde op diverse motiveringsgebreken, de zesde op de geldboeten. Het enige middel van de zevende groep ten slotte is ontleend aan schending van artikel 215, tweede alinea, EG-Verdrag (thans artikel 288, tweede alinea, EG).
90 De verzoekschriften met bijlagen die door verzoeksters zijn ingediend, zijn ongewoon omvangrijk ─ elk verzoekschrift telt bijna 500 bladzijden, de bijlagen omvatten ongeveer honderd dossiermappen ─, en daarin worden bijna honderd middelen aangevoerd. In verband daarmee moet erop worden gewezen, dat de verplichting van het Gerecht om zijn uitspraken te motiveren, volgens de rechtspraak van het Hof niet betekent, dat het Gerecht elk argument van een partij gedetailleerd moet beantwoorden, in het bijzonder wanneer het niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is en niet wordt gestaafd door omstandig bewijs (arresten Hof van 6 maart 2001, Connolly/Commissie, C-374/99 P, Jurispr. blz. I-1611, punt 121, en 11 september 2003, België/Commissie, C-197/99 P, Jurispr. blz. I-0000, punt 81). Bij het onderzoek van de vele middelen die verzoeksters tot staving van hun beroep hebben aangevoerd, dient die rechtspraak leidraad te zijn.
I ─ Middelen ontleend aan schending van de rechten van de verdediging
91 Bij de middelen die verzoeksters aan schending van de rechten van de verdediging ontlenen, kunnen drie onderdelen worden onderscheiden. Het eerste onderdeel betreft schending van het recht te worden gehoord, het tweede schending van het recht op toegang tot het dossier, terwijl het derde onderdeel betrekking heeft op schending van de beginselen van goed bestuur, objectiviteit en onpartijdigheid.
Eerste onderdeel: schending van het recht te worden gehoord
92 In hun verzoekschrift verdelen verzoeksters dit eerste onderdeel weer in drieën. In de eerste onderverdeling stellen verzoeksters, dat de mededeling van punten van bezwaar niet geldig is omdat zij niet aan het eind van het onderzoek van de Commissie is vastgesteld en derhalve prematuur is. In de tweede onderverdeling stellen zij, dat het verwijt inzake onrechtmatige wijziging van de mededingingstructuur op de markt een nieuw verwijt is, dat bovendien op nieuwe bewijselementen is gebaseerd. In de derde onderverdeling ten slotte stellen zij, dat de bestreden beschikking nieuwe beweringen van feitelijke en juridische aard bevat, die in de mededeling van punten van bezwaar ontbreken.
93 Bij bestudering van het verzoekschrift blijkt het eerste onderdeel in werkelijkheid echter twee verschillende soorten middelen te omvatten met betrekking tot de wijze waarop de Commissie de administratieve procedure heeft gevoerd. Enerzijds betwisten verzoeksters met een middel dat deel uitmaakt van de eerste onderverdeling van hun betoog, de wettigheid van de mededeling van punten van bezwaar als zodanig, omdat zij prematuur zou zijn. Anderzijds klagen zij met middelen die in alle drie onderverdelingen van hun betoog terugkeren, over nieuwe verwijten van feitelijke en juridische aard in de bestreden beschikking.
A ─ Onwettigheid van de mededeling van punten van bezwaar wegens haar prematuur karakter
1. Argumenten van partijen
94 Verzoeksters stellen dat de hun op 24 mei 1996 door de Commissie toegezonden mededeling van punten van bezwaar ongeldig is, omdat zij niet aan het einde van het onderzoek van de Commissie is vastgesteld.
95 Volgens de rechtspraak, aldus verzoeksters, moet de mededeling van punten van bezwaar een duidelijke omschrijving bevatten van de feiten waarop de Commissie zich baseert, alsmede de kwalificatie die eraan wordt gegeven (arresten Hof van 3 juli 1991, AKZO/Commissie, C-62/86, Jurispr. blz. I-3359, punt 29, en 31 maart 1993, Ahlström e.a./Commissie, „Houtslijp II”, C-89/85, C-104/85, C-114/85, C-116/85, C-117/85 en C-125/85-C-129/85, Jurispr. blz. I-1307, punten 40-54 en 152-154; arrest Gerecht van 18 december 1992, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T-10/92-T-12/92 en T-15/92, Jurispr. blz. II-2667, punt 33). Zoals het Gerecht overwoog in zijn arrest van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie (T-7/89, Jurispr. blz. II-1711, punt 51), verlangt de eerbiediging van de rechten van de verdediging derhalve, „dat de verzoeker in staat is gesteld op de door hem passend geachte wijze zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot alle bezwaren die de Commissie in de tot hem gerichte mededelingen van punten van bezwaar tegen hem naar voren heeft gebracht, alsmede met betrekking tot de tot staving van die bezwaren aangevoerde bewijselementen die de Commissie in haar mededelingen van punten van bezwaar heeft genoemd of in bijlagen heeft opgenomen” (zie ook arrest Gerecht van 14 mei 1998, Sarrió/Commissie, T-334/94, Jurispr. blz. II-1439, punt 39).
96 Verzoeksters leiden hieruit af dat de Commissie zich in haar beschikking niet kan baseren op bewijzen die na de vaststelling van de mededeling van punten van bezwaar zijn verkregen en waarover de betrokken onderneming geen opmerkingen heeft kunnen maken. Zij verwijzen hier naar het arrest van 11 november 1981, IBM/Commissie (60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 15), waarin het Hof overwoog dat „overeenkomstig artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17 en ter waarborging van de rechten van de verdediging de betrokken onderneming het recht [dient] te worden verzekerd, bij het einde van het onderzoek opmerkingen te maken over alle bezwaren die de Commissie voornemens is in de [...] beschikking op te werpen”.
97 In casu heeft de Commissie verzoeksters twee dagen vóór de verzending van de mededeling van punten van bezwaar om informatie gevraagd en hun na de verzending van die mededeling nog eens dertig verzoeken om aanvullende inlichtingen doen toekomen, zowel tijdens als na de periode voor antwoord op de mededeling van punten van bezwaar. Volgens verzoeksters volgt hieruit, dat de mededeling van punten van bezwaar in strijd met het beginsel van goed bestuur en de boven aangehaalde rechtspraak te vroeg aan de adressaten is verzonden.
98 Dit premature karakter leidt er volgens verzoeksters toe, dat:
– de mededeling van punten van bezwaar niet alle feitelijke gegevens vermeldt die de Commissie voor haar onderzoek van de aanmelding van de TACA van belang achtte;
– het juridisch onderzoek in de mededeling van punten van bezwaar niet gebaseerd is op alle feitelijke gegevens die de Commissie voor haar beoordeling van de aanmelding van belang achtte;
– de mededeling van punten van bezwaar niet kan worden geacht het oordeel van de Commissie over de aanmelding en de verenigbaarheid ervan met het gemeenschapsrecht weer te geven;
– verzoeksters bij hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar geen effectief gebruik van de rechten van de verdediging hebben kunnen maken.
99 Hieruit volgt dat de mededeling van punten van bezwaar van 24 mei 1996 niet de functie heeft kunnen vervullen die dat stuk heeft, te weten de onderneming waartegen een onderzoek loopt, in staat te stellen om overeenkomstig de rechten van de verdediging haar standpunt kenbaar te maken over de bewijsvoering van de Commissie, vóórdat deze een eindbeschikking geeft.
100 Verzoekers merken op dat sommige verzoeken om aanvullende inlichtingen weliswaar betrekking hadden op kwesties die in de mededeling van de punten van bezwaar waren besproken, doch dat andere verzoeken om inlichtingen volstrekt nieuwe punten betroffen.
101 Er bestaat derhalve een wettelijke en procedurele contradictie tussen het standpunt dat de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar inneemt, en het feit dat zij haar onderzoek na die mededeling heeft voortgezet. Zo rechtvaardigt de Commissie haar verzoek om inlichtingen van 11 juli 1996 met de noodzaak het verzoek om individuele vrijstelling van de partijen in de gehele economische en juridische context te beoordelen, maar in punt 249 van de mededeling van punten van bezwaar van 24 mei 1996 gaf zij al aan, dat de TACA niet voor vrijstelling in aanmerking kwam.
102 In antwoord op het verweer van de Commissie, dat de TACA haar praktijken voortdurend veranderde en dat verzoeksters het onderzoek dwarsboomden, merken verzoeksters op, dat de Commissie niet aangeeft welke praktijken van de TACA-leden voortdurend veranderden en daarom de verzoeken om aanvullende inlichtingen rechtvaardigden. Voorts ontkennen zij het onderzoek ooit te hebben belemmerd.
103 Uit de ongeldigheid van de mededeling van punten van bezwaar volgt volgens verzoeksters, dat de Commissie de procedure tegen hen niet op geldige wijze heeft ingeleid, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de bestreden beschikking geen enkel punt van bezwaar behandelt waarover verzoeksters hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken. Derhalve moet de bestreden beschikking wegens schending van de rechten van de verdediging in haar geheel nietig worden verklaard.
104 De Commissie betoogt dat zij het volste recht heeft na de verzending van een mededeling van punten van bezwaar een onderzoek in te stellen. Zij concludeert derhalve tot afwijzing van dit middel van verzoeksters.
2. Beoordeling door het Gerecht
105 Vaststaat, dat de Commissie verzoeksters twee dagen vóór de verzending van de mededeling van punten van bezwaar een verzoek om inlichtingen heeft gezonden, alsmede een dertigtal verzoeken om aanvullende inlichtingen na de verzending van die mededeling, zelfs nog na het antwoord van verzoeksters op de mededeling van punten van bezwaar en na de hoorzitting bij de Commissie, en voor het laatst in maart 1998.
106 Volgens verzoeksters blijkt hieruit, dat de mededeling van punten van bezwaar te vroeg is opgesteld en daardoor niet de functie heeft kunnen vervullen die dit stuk normaal heeft, te weten de onderneming waartegen een onderzoek loopt, in staat te stellen haar standpunt kenbaar te maken over alle door de Commissie tegen haar ingebrachte feitelijke en juridische bezwaren.
107 Voorzover verzoeksters de Commissie in dit middel verwijten, de antwoorden op de verzoeken om aanvullende inlichtingen te hebben gebruikt om in de bestreden beschikking nieuwe beweringen van feitelijke en juridische aard op te nemen zonder hen in staat te stellen daar opmerkingen over te maken, valt dit middel, zoals in punt 93 supra opgemerkt, samen met de middelen inzake het voorkomen van nieuwe beweringen van feitelijke en juridische aard in de bestreden beschikking en zal het derhalve bij het onderzoek van deze laatste worden behandeld.
108 Hier dient dit middel dus uitsluitend te worden onderzocht, in zoverre erin wordt gesteld dat de mededeling van punten van bezwaar enkel omdat zij prematuur is, onwettig is.
109 De stelling van verzoeksters berust op de premisse dat de Commissie, voordat zij een mededeling van punten van bezwaar verzendt, het voorafgaand onderzoek moet hebben afgerond. Om de juistheid van deze stelling te beoordelen, moet worden onderzocht of de Commissie daar daadwerkelijk toe verplicht is.
110 Het is juist, dat de regeling voor de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag, die is neergelegd in de verordeningen nrs. 17, 1017/68 en 4056/86 van de Raad, op basis waarvan de bestreden beschikking is vastgesteld, volgens de rechtspraak twee opeenvolgende, maar duidelijk onderscheiden procedures omvat, namelijk eerst een voorlopige onderzoeksprocedure en vervolgens een door de mededeling van punten van bezwaar ingeleide procedure op tegenspraak (arrest Hof van 18 oktober 1989, Orkem/Commissie, 384/87, Jurispr. blz. 3283, punt 20, en arrest Cimenteries CBR e.a./Commissie, reeds aangehaald in punt 95 supra, punt 45).
111 In principe volgt de mededeling van punten van bezwaar dus op een voorlopig onderzoek dat de Commissie na een aanmelding, een klacht dan wel ambtshalve heeft ingesteld om te bepalen of de betrokken praktijken verenigbaar zijn met de artikelen 85 en 86 van het Verdrag. Eerst na een dergelijk onderzoek zal de Commissie immers over voldoende feitelijke en juridische informatie beschikken met betrekking tot de wettigheid van die praktijken, en kan zij dus besluiten om al dan niet een mededeling van punten van bezwaar te verzenden en daarmee een inbreukprocedure in te leiden.
112 Anders dan verzoeksters stellen, betekent dit echter niet, dat de Commissie na de verzending van de mededeling van punten van bezwaar haar onderzoek niet meer mag voortzetten, bijvoorbeeld door verzoeken om aanvullende inlichtingen.
113 Volgens artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17, artikel 26, lid 1, van verordening nr. 1017/68 en artikel 23, lid 1, van verordening nr. 4056/86 bestaat de functie van de mededeling van punten van bezwaar erin, de betrokken ondernemingen in staat te stellen hun standpunt over de tegen hen ingebrachte bezwaren kenbaar te maken voordat de Commissie een beschikking geeft waarbij een inbreuk op de artikelen 85 en 86 van het Verdrag wordt vastgesteld. Volgens artikel 4 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 (PB blz. 2268), artikel 4 van verordening (EEG) nr. 1630/69 van de Commissie van 8 augustus 1969 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 26, leden 1 en 2, van verordening nr. 1017/68 (PB L 209, blz. 11) en artikel 8 van verordening nr. 4260/88 kan de Commissie in haar beschikking slechts die punten van bezwaar in aanmerking nemen, waarover de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken. Volgens de rechtspraak is aan dit vereiste voldaan wanneer de beschikking de belanghebbenden geen andere inbreuken te last legt dan die welke in de mededeling van punten van bezwaar zijn genoemd, en enkel die feiten als vaststaand aanneemt waarover de belanghebbenden zich hebben kunnen uitlaten (arrest Hof van 15 juli 1970, ACF Chemiefarma/Commissie, 41/69, Jurispr. blz. 661, punt 94).
114 De mededeling van punten van bezwaar is dus een voorbereidende procedurehandeling ten opzichte van de beschikking die de afsluiting van de administratieve procedure vormt (arrest IBM/Commissie, reeds aangehaald in punt 96 supra, punt 21).
115 Totdat een eindbeschikking is gegeven, kan de Commissie derhalve, onder meer gelet op de schriftelijke of mondelinge opmerkingen van partijen, sommige of zelfs alle aanvankelijk tegen hen ingebrachte bezwaren laten vallen en daarmee haar standpunt in hun voordeel wijzigen (arresten IBM/Commissie, reeds aangehaald in punt 96 supra, punt 18, en Cimenteries CBR e.a./Commissie, reeds aangehaald in punt 95 supra, punt 47), ofwel, omgekeerd, besluiten nieuwe bezwaren te formuleren, mits zij de betrokken ondernemingen de mogelijkheid geeft hun opmerkingen daarover kenbaar te maken (arrest Hof van 25 oktober 1983, AEG/Commissie, 107/82, Jurispr. blz. 3151, punt 29, en beschikking Hof van 5 juni 2002, Buzzi Unicem/Commissie, C-217/00 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 65; arrest Gerecht van 20 maart 2002, Lögstör Rör/Commissie, T-16/99, Jurispr. blz. II-1633, punt 168).
116 Aangezien de mededeling van punten van bezwaar niet een handeling met het definitieve oordeel van de Commissie over de wettigheid van de in geding zijnde praktijken is, maar integendeel een louter voorbereidende handeling met voorlopige bezwaren van de Commissie, waarvan deze in de eindbeschikking nog kan terugkomen, heeft de Commissie het volste recht, met name om rekening te kunnen houden met door de betrokken ondernemingen aangevoerde argumenten of gegevens, om het feitenonderzoek na de vaststelling van de mededeling van punten van bezwaar voort te zetten, teneinde in voorkomend geval bepaalde bezwaren in te trekken of nieuwe te formuleren. Dit geldt te meer wanneer de Commissie, zoals in casu, moet nagaan of de argumenten en gegevens die de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar hebben aangevoerd, grond opleveren om voor de in die mededeling gewraakte praktijken een individuele vrijstelling in de zin van artikel 85, lid 3, van het Verdrag te verlenen.
117 De verzoeken om inlichtingen, bedoeld in artikel 11 van verordening nr. 17, artikel 19 van verordening nr. 1017/68 en artikel 16 van verordening nr. 4056/86, vormen in dat verband zeer geschikte onderzoeksmiddelen. Volgens de eerste alinea van die artikelen immers kan de Commissie door middel van dergelijke verzoeken alle noodzakelijke inlichtingen bij ondernemingen en ondernemersverenigingen inwinnen, mits zij daarbij overeenkomstig de derde alinea van dezelfde artikelen de rechtsgrond en het doel van het verzoek aangeeft, alsmede de sancties voor het geval onjuiste inlichtingen worden verstrekt. Door dergelijke verzoeken kan de Commissie dus de nodige toelichtingen verkrijgen met betrekking tot de argumenten en andere gegevens die de betrokken ondernemingen in hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar hebben aangevoerd.
118 Behoudens de voorschriften inzake verjaring, leggen bovengenoemde bepalingen van de toepasselijke verordeningen de Commissie dus geen enkele beperking op met betrekking tot het tijdstip waarop zij om inlichtingen kan verzoeken. Zolang de verlangde inlichtingen noodzakelijk zijn, beperken die bepalingen met name niet de bevoegdheid van de Commissie om de betrokken ondernemingen ook na de verzending van de mededeling van punten van bezwaar om inlichtingen te vragen.
119 Ook wanneer de Commissie al aanwijzingen of zelfs bewijzen voor het bestaan van een inbreuk heeft, kan zij het toch noodzakelijk achten nadere inlichtingen te vragen om een beter beeld te krijgen van de omvang van de inbreuk, de duur ervan of de kring van de erbij betrokken ondernemingen (arrest Orkem/Commissie, reeds aangehaald in punt 110 supra, punt 15). Door middel van verzoeken om inlichtingen kan de Commissie immers inbreuken op de mededingingsvoorschriften ontdekken (arrest Orkem/Commissie, reeds aangehaald, punt 15) of vermoedens van een inbreuk verifiëren (arrest Gerecht van 12 december 1991, SEP/Commissie, T-39/90, Jurispr. blz. II-1497, punt 25).
120 Dat de Commissie haar onderzoek na de mededeling van punten van bezwaar voortzet met verzoeken om aanvullende inlichtingen, kan op zich dus niet afdoen aan de geldigheid van die mededeling.
121 Gezien het voorbereidend karakter van de mededeling van punten van bezwaar, waarin de contradictoire aard van de administratieve procedure tot toepassing van de mededingingsvoorschriften van het Verdrag tot uitdrukking komt, is het juist eigen aan die procedure, dat de Commissie na de verzending van de mededeling van punten van bezwaar nog om aanvullende inlichtingen kan verzoeken, teneinde in voorkomend geval bepaalde bezwaren te kunnen intrekken of nieuwe te kunnen inbrengen.
122 Anders dan verzoeksters betogen, is het daarbij van geen belang dat de verzoeken om aanvullende inlichtingen kwesties aan de orde stellen die in de mededeling van de punten van bezwaar niet ter sprake zijn geweest. Weliswaar blijkt daaruit, dat de Commissie bij de vaststelling van de mededeling van punten van bezwaar haar administratief onderzoek naar de in geding zijnde praktijken nog niet had afgesloten, maar daar de mededeling van punten van bezwaar, zoals gezegd, een voorbereidend stuk is, dat door de Commissie na het antwoord van de adressaten erop nog kan worden gewijzigd, is het ook geenszins noodzakelijk dat het onderzoek van de Commissie bij de vaststelling van die mededeling al definitief is beëindigd. De Commissie zijn dan ook geen beperkingen gesteld ten aanzien van de vragen die zij in haar verzoeken om inlichtingen na de mededeling van punten van bezwaar wil stellen, zolang die vragen, overeenkomstig het bepaalde in de toepasselijke verordeningen, er maar toe strekken inlichtingen te verkrijgen die voor het onderzoek noodzakelijk zijn, en de Commissie de betrokken ondernemingen in staat stelt opmerkingen te maken over de nieuwe verwijten van feitelijke of juridische aard, die zij op grond van de antwoorden van die ondernemingen op de gestelde vragen tegen hen wil inbrengen. Deze twee laatste punten betreffen echter andere middelen, die onderzocht zullen worden in het kader van de middelen die verzoeksters ontlenen aan schending van de beginselen van goed bestuur, objectiviteit en onpartijdigheid en aan het voorkomen van nieuwe beweringen van feitelijke of juridische aard in de bestreden beschikking.
123 Het middel inhoudende dat de mededeling van punten van bezwaar wegens het premature karakter ervan onwettig is, moet bijgevolg worden afgewezen.
B ─ Het voorkomen van nieuwe beweringen van feitelijke of juridische aard in de bestreden beschikking
124 Verzoeksters betogen dat zij geen gelegenheid hebben gehad opmerkingen te maken over het hun verweten tweede misbruik ─ wijziging van de mededingingsstructuur van de markt ─ en over bepaalde feitelijke en juridische elementen waarop andere verwijten in de bestreden beschikking zijn gebaseerd.
1. Nieuwe beweringen van feitelijke of juridische aard in verband met het tweede misbruik
a) Argumenten van partijen
125 Verzoeksters stellen in de eerste plaats, dat wat het tweede misbruik van machtspositie betreft zoals dat in de punten 559 tot en met 567 van de considerans van de bestreden beschikking is omschreven, de Commissie het oorspronkelijk in de mededeling van punten van bezwaar geformuleerde bezwaar een geheel andere inhoud heeft gegeven.
126 Volgens verzoeksters hebben zij geen gelegenheid gehad hun standpunt kenbaar te maken over de bewering dat zij Hanjin en Hyundai hebben gestimuleerd tot de TACA toe te treden (punten 563-566 van de considerans), en over de stappen die zij daartoe zouden hebben ondernomen (punten 561 en 563-565 van de considerans). Niets daarvan is in de mededeling van punten van bezwaar te vinden, met name in de punten 107 tot en met 115 betreffende het verwijt van onrechtmatige wijziging van de marktstructuur. In het bijzonder wordt daar de partijen bij de TACA niet verweten, dat zij „maatregelen hebben genomen om deze potentiële concurrenten te helpen met succes tot de markt toe te treden als partijen bij de TACA”, zoals in punt 563 van de considerans van de bestreden beschikking wordt opgemerkt.
127 In de mededeling van punten van bezwaar (punt 112) ging het in wezen om een structureel misbruik, gebaseerd op de omstandigheid dat er vier van de TACA onafhankelijke maatschappijen waren die niet op de transatlantische route actief waren, maar in andere vaargebieden met de TACA waren gelieerd, dat verschillende overeenkomsten het voor NYK, NOL, Hanjin en Hyundai mogelijk hadden gemaakt op de markt door te dringen, en dat het vermogen van de TACA om de potentiële mededinging te neutraliseren, tot uiting kwam in dienstencontracten met dubbele tarieven en in de omstandigheid dat de meerderheid van de TACA-leden niet deelnam aan dienstencontracten met de NVOCC's. Door daarentegen te verwijzen naar maatregelen van verzoeksters om Hyundai en Hanjin „te stimuleren” tot de TACA toe te treden, klaagt de bestreden beschikking erover, dat het misbruik van verzoeksters in wezen in hun gedraging ligt.
128 Voorts betogen verzoeksters, dat de Commissie in haar verweerschrift iets anders zegt dan in de mededeling van punten van bezwaar en de bestreden beschikking. In haar verweerschrift zegt de Commissie nu, dat het misbruik niet bestaat in het stimuleren van Hanjin en Hyundai om lid van de conference te worden, maar in het voeren van een preventief beleid gericht op het neutraliseren van potentiële mededinging en het voorkomen van de opkomst van werkelijke mededinging. Deze bewering ontbreekt in de mededeling van punten van bezwaar. Hetzelfde geldt voor de bewering in punt 557 van het verweerschrift, dat de onafhankelijke lijnvaartmaatschappijen werden gestimuleerd als leden van de TACA en niet als onafhankelijke concurrenten in het vaargebied actief te blijven, doordat de activiteiten in verband met de dienstencontracten met de NVOCC's voor die maatschappijen werden gereserveerd.
129 In de tweede plaats stellen verzoeksters, dat het nieuwe verwijt van misbruik in de bestreden beschikking gebaseerd is op bewijsstukken waarop zij geen commentaar hebben kunnen leveren, te weten:
– de brief van Hanjin aan de TACA van 19 augustus 1994 met het verzoek om toezending van relevante conference-documenten en -statistieken aan die maatschappij (punten 229 en 563 van de considerans);
– de notulen van een vergadering van TACA-directeuren (TACA PWSC meeting no. 95/8), waarop de Commissie zich baseert voor haar bewering, dat verzoeksters Hyundai directe toegang tot de conference-dienstencontracten hebben gegeven (punten 230 en 564 van de considerans);
– de brief van 30 januari 1996 van de voorzitter van de TACA aan Hanjin (punten 292 en 561 van de considerans);
– het memo van 15 februari 1996, waarin het TACA-secretariaat de voorzitter aanbeveelt „alle vervoerders aan te moedigen en te overtuigen om collectief een manier te vinden om Hanjin in staat te stellen een marktaandeel op te bouwen dat overeenkomt met haar ‚slot’-capaciteit in het vervoer” (punten 239 en 564 van de considerans).
130 Volgens verzoeksters is geen van die stukken in de mededeling van punten van bezwaar genoemd of onder de bijlagen ervan opgenomen. De Commissie heeft verzoeksters ook niet de minste aanwijzing gegeven over het gebruik dat zij ervan wilde maken. Anders dan de Commissie betoogt, is het daarbij van geen belang dat die stukken van verzoeksters afkomstig zijn. Nu zij à charge zijn gebruikt, had de Commissie moeten aangeven welk belang zij eraan toekende. Omdat verzoeksters niet wisten waarvoor de Commissie die stukken wilde gebruiken, hebben zij bij de uitoefening van het recht van verweer hun opvatting over de relevantie van die stukken ook niet naar behoren kunnen uiteenzetten.
131 De Commissie betoogt in de eerste plaats, dat de bestreden beschikking het in de mededeling van punten van bezwaar geformuleerde verwijt niet heeft gewijzigd. In de mededeling werd verzoeksters verweten maatregelen te hebben getroffen om de potentiële mededinging te neutraliseren (punten 107-115 en 345-346), in het bijzonder door het sluiten van overeenkomsten met Hanjin en Hyundai over „slot chartering” (punt 110) en dienstencontracten (punt 112).
132 Het gebruik van de term „stimulans” in de bestreden beschikking doet niets af aan het feit dat de partijen bij de TACA worden geacht de toegang van Hanjin en Hyundai tot het vaargebied als leden van de TACA te hebben vergemakkelijkt, en dat is nu juist het verwijt in de mededeling van punten van bezwaar, waaraan de bestreden beschikking slechts details toevoegt, te weten dat verzoeksters Hanjin gevoelige informatie hebben verschaft en Hyundai hebben toegestaan meteen aan dienstencontracten deel te nemen. De andere elementen van het tweede misbruik, te weten de dienstencontracten met dubbele tarieven en de contracten met de NVOCC's, zijn in de mededeling van punten van bezwaar beschreven.
133 De Commissie verwerpt dan ook de stelling van verzoeksters, dat het bij het tweede misbruik in de bestreden beschikking meer om een gedraging gaat en in de mededeling van punten van bezwaar om een structureel misbruik. Bij de term structureel misbruik kan de Commissie zich moeilijk iets voorstellen. In casu bestaat het misbruik in het voeren van een op het neutraliseren van de mededinging gericht beleid, deels door middel van stimulansen om de toegang tot het vaargebied als lid van de conference te vergemakkelijken.
134 Verder ontkent de Commissie, dat zij in haar verweerschrift een nieuw verwijt formuleert dat in de mededeling van punten van bezwaar en de bestreden beschikking ontbreekt. De in de mededeling van punten van bezwaar genoemde maatregelen om Hyundai en Hanjin te stimuleren tot de TACA toe te treden, zijn niet meer dan illustraties van het beleid van verzoeksters om de mededinging te neutraliseren. Het argument dat de contracten met NVOCC's voor de niet-traditionele leden van de conference gereserveerd werden, is niet nieuw. Bovendien is er geen logisch onderscheid tussen een stimulans om tot een conference toe te treden, en een stimulans om erin te blijven.
135 Wat, in de tweede plaats, de in de bestreden beschikking gebruikte vier nieuwe documenten betreft, wijst de Commissie erop, dat deze door verzoeksters zijn verstrekt. Hun klacht dat zij er geen commentaar op hebben kunnen leveren, mist dus elke grond.
b) Beoordeling door het Gerecht
136 Met de hier onderzochte middelen betreffende het in de bestreden beschikking vastgestelde tweede misbruik verwijten verzoeksters de Commissie, kort samengevat, in de eerste plaats dat zij de aard ervan heeft gewijzigd ten opzichte van het in de mededeling van punten van bezwaar vastgestelde misbruik, en, in de tweede plaats, haar vaststelling te hebben gebaseerd op bewijsstukken waarover verzoeksters geen opmerkingen hebben kunnen maken.
i) Wijziging van de aard van het tweede misbruik in de bestreden beschikking
137 Kort samengevat stellen verzoeksters, dat de Commissie de aard van het in de mededeling van punten van bezwaar geformuleerde verwijt betreffende het tweede misbruik in de bestreden beschikking heeft gewijzigd: in de beschikking wordt hun een „gedraging” verweten, te weten het ondernemen van bepaalde acties om potentiële concurrenten te stimuleren tot de TACA toe te treden, terwijl de mededeling van punten van bezwaar hun uitsluitend een „structureel” misbruik toedichtte, voortvloeiend uit bepaalde structurele betrekkingen tussen de potentiële concurrenten en de partijen bij de TACA.
138 Het is vaste rechtspraak, dat de verwijten in de mededeling van punten van bezwaar in bewoordingen moeten worden gesteld die, hoe bondig ook, voor de betrokkenen voldoende duidelijk zijn om te weten welke gedragingen de Commissie hun verwijt (arrest Gerecht van 14 mei 1998, Mo och Domsjo/Commissie, T-352/94, Jurispr. blz. II-1989, punt 63). De eerbiediging van de rechten van de verdediging in een procedure die, zoals de onderhavige, tot oplegging van sancties kan leiden, vereist immers dat de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen reeds tijdens de administratieve procedure in staat worden gesteld hun standpunt over de realiteit en relevantie van de door de Commissie aangevoerde feiten, bezwaren en omstandigheden naar behoren kenbaar te maken (arrest Cimenteries CBR e.a./Commissie, reeds aangehaald in punt 95 supra, punt 39). Aan dit vereiste is voldaan wanneer de belanghebbenden in de beschikking geen andere inbreuken ten laste worden gelegd dan die welke in de punten van bezwaar zijn genoemd, en enkel die feiten als vaststaand worden aangenomen waarover de belanghebbenden zich hebben kunnen uitlaten (arrest ACF Chemiefarma/Commissie, reeds aangehaald in punt 113 supra). De Commissie kan derhalve slechts die bezwaren in aanmerking nemen ten aanzien waarvan laatstbedoelden gelegenheid hebben gehad hun standpunt kenbaar te maken (arrest Gerecht van 23 februari 1994, CB en Europay/Commissie, T-39/92 en T-40/92, Jurispr. blz. II-49, punt 47).
139 Om de gegrondheid van dit middel te onderzoeken, dient dus te worden nagegaan of de mededeling van punten van bezwaar een voldoende duidelijke en nauwkeurige uiteenzetting bevat van de bezwaren die met het in de bestreden beschikking vastgestelde tweede misbruik verband houden. Daartoe moet eerst worden gekeken naar de aard van de op dat punt in genoemde beschikking geformuleerde bezwaren en vervolgens worden onderzocht, in hoeverre die al in de mededeling van punten van bezwaar voorkomen.
140 Om te beginnen zij opgemerkt dat er in de context van de middelen betreffende de toepassing van artikel 86 van het Verdrag tussen partijen een geschil bestaat over de aard van de bezwaren die met het in de bestreden beschikking vastgestelde tweede misbruik verband houden. Om de hierna in de punten 1255 tot en met 1257 en 1261 tot en met 1265 uiteen te zetten redenen, moet er echter van worden uitgegaan, dat blijkens artikel 5 van het dispositief van de bestreden beschikking en de overwegingen waarop dit artikel berust (punten 559-567 van de considerans), het tweede misbruik volgens de Commissie inhoudt, dat verzoeksters de mededingingsstructuur van de markt zo hebben gewijzigd, dat de machtspositie van de TACA werd versterkt, en wel door middel van bepaalde maatregelen die de potentiële concurrenten moesten stimuleren om zich niet als onafhankelijk vervoerder, maar als lid van de TACA op de markt van transatlantisch vervoer te begeven.
141 De bestreden beschikking maakt hier onderscheid tussen, enerzijds, specifieke stimulansen voor Hanjin en Hyundai en, anderzijds, algemene stimulansen voor alle potentiële concurrenten. Volgens de punten 563 en 564 van de considerans bestonden de specifieke stimulansen voor Hanjin in de mededeling van vertrouwelijke informatie betreffende de TACA en in de gezamenlijke wil om die maatschappij toe te staan een met haar „slot”-capaciteit overeenkomend marktaandeel in het vervoer op te bouwen, en voor Hyundai in haar onmiddellijke toelating tot de TACA-dienstencontracten. De algemene stimulansen bestonden volgens punt 565 van de considerans van de bestreden beschikking in het sluiten van een groot aantal dienstencontracten met een dubbele tariefstructuur en in het feit dat de oude gestructureerde TAA-leden niet meedongen naar bepaalde dienstencontracten met NVOCC's.
142 Met betrekking tot de aard van de bezwaren in de mededeling van punten van bezwaar moet vervolgens worden vastgesteld, dat de Commissie in punt 340 van die mededeling de partijen bij het TACA verwijt, misbruik van hun machtspositie te hebben gemaakt „door de mededingingsstructuur van de markt zo te veranderen, dat de machtspositie van de TACA werd versterkt”. In punt 346 zegt de Commissie dienaangaande:
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex