Gerecht EU 20 december 2023, T-383/21, ECLI:EU:T:2023:845
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid)
20 december 2023 ( *1 )
„Economische en monetaire Unie – Bankenunie – Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) – Gemeenschappelijk Afwikkelingsfonds (GAF) – Besluit van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) betreffende de berekening van de vooraf te betalen bijdragen voor 2021 – Motiveringsplicht – Beginsel van behoorlijk bestuur – Beginsel van effectieve rechterlijke bescherming – Exceptie van onwettigheid – Beperking in de tijd van de gevolgen van het arrest”
In zaak T‑383/21,
La Banque Postale, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Gosset-Grainville en M. Trabucchi, advocaten,
verzoekster,
tegen
Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), vertegenwoordigd door J. Kerlin, C. De Falco en C. Flynn als gemachtigden, bijgestaan door H.‑G. Kamann, F. Louis, P. Gey en V. Del Pozo Espinosa de los Monteros, advocaten,
verweerster,
ondersteund door
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Etienne, O. Denkov en M. Menegatti als gemachtigden,
door
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door E. d’Ursel, A. Westerhof Löfflerová en J. Bauerschmidt als gemachtigden,
en door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou, A. Nijenhuis en A. Steiblytė als gemachtigden,
interveniënten,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: A. Kornezov, president, G. De Baere, D. Petrlík (rapporteur), K. Kecsmár en S. Kingston, rechters,
griffier: S. Jund, administratrice,
gezien de stukken,
na de terechtzitting van 10 maart 2023,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, La Banque Postale, nietigverklaring van besluit SRB/ES/2021/22 van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) van 14 april 2021 over de vooraf aan het Gemeenschappelijk Afwikkelingsfonds (GAF) te betalen bijdragen voor 2021 (hierna: „bestreden besluit”), voor zover het betrekking heeft op verzoekster.
I. Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoekster is een in Frankrijk gevestigde kredietinstelling.
3 Bij het bestreden besluit heeft de GAR, overeenkomstig artikel 70, lid 2, van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1), de vooraf aan het GAF te betalen bijdragen (hierna: „vooraf te betalen bijdragen”) voor het jaar 2021 (hierna: „bijdrageperiode 2021”) vastgesteld voor de onder artikel 2 juncto artikel 67, lid 4, van die verordening vallende instellingen (hierna: „instellingen”), waaronder verzoekster.
4 Bij heffingsnota van 28 april 2021 heeft de Autorité de contrôle prudentiel et de résolution (ACPR, Franse prudentiële toezichthouder), in haar hoedanigheid van nationale afwikkelingsautoriteit in de zin van artikel 3, lid 1, punt 3, van verordening nr. 806/2014, verzoekster gelast haar vooraf te betalen bijdragen voor bijdrageperiode 2021 – zoals vastgesteld door de GAR – te voldoen.
II. Bestreden besluit
5 Het bestreden besluit omvat een kerntekst en drie bijlagen.
6 De kerntekst beschrijft de procedure voor de vaststelling van de vooraf te betalen bijdragen voor bijdrageperiode 2021, die op alle instellingen van toepassing is.
7 Meer in het bijzonder heeft de GAR in afdeling 5 van dat besluit het jaarlijkse streefbedrag, als bedoeld in artikel 4 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/81 van de Raad van 19 december 2014 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de toepassing van verordening nr. 806/2014 wat vooraf te betalen bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds betreft (PB 2015, L 15, blz. 1), voor bijdrageperiode 2021 vastgesteld (hierna: „jaarlijks streefbedrag”).
8 De GAR heeft toegelicht dat hij dit jaarlijkse streefbedrag had vastgesteld op een achtste van 1,35 % van het op kwartaalbasis berekende gemiddelde bedrag aan gedekte deposito’s van alle instellingen in 2020 (hierna: „gemiddelde bedrag aan gedekte deposito’s in 2020”), zoals verkregen uit de gegevens die de depositogarantiestelsels hadden verstrekt overeenkomstig artikel 16 van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad […] wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PB 2015, L 11, blz. 44).
9 In afdeling 6 van het bestreden besluit heeft de GAR de methode voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen voor bijdrageperiode 2021 beschreven. In dit verband wordt in overweging 59 van dat besluit gepreciseerd dat, voor die periode, 13,33 % van de vooraf te betalen bijdragen waren berekend op de „nationale grondslag”, dat wil zeggen op basis van de gegevens die zijn verstrekt door de instellingen waaraan op het grondgebied van de betrokken deelnemende lidstaat vergunning is verleend (hierna: „nationale grondslag”), overeenkomstig artikel 103 van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190), en overeenkomstig artikel 4 van gedelegeerde verordening 2015/63. Het restant van de vooraf te betalen bijdragen (86,67 %) is berekend op basis van de „grondslag van de bankenunie”, dat wil zeggen op basis van de cijfers die zijn verstrekt door alle instellingen waaraan op de grondgebieden van alle lidstaten die deelnemen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM) vergunning is verleend (hierna: „Uniegrondslag” en „deelnemende lidstaten”), overeenkomstig de artikelen 69 en 70 van verordening nr. 806/2014 en artikel 4 van uitvoeringsverordening 2015/81.
10 Vervolgens heeft de GAR de door de instellingen, zoals verzoekster, vooraf te betalen bijdragen berekend via de volgende hoofdfasen.
11 In de eerste fase heeft de GAR overeenkomstig artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder a), van verordening nr. 806/2014, de jaarlijkse basisbijdrage van elke instelling berekend, die gelijk is aan het verhoudingsgetal tussen, enerzijds, het bedrag van de passiva van de betrokken instelling (exclusief eigen vermogen en gedekte deposito’s) en, anderzijds, het totaalbedrag van de passiva (exclusief eigen vermogen en gedekte portfolio’s) van alle instellingen waaraan op de grondgebieden van de deelnemende lidstaten vergunning is verleend. Overeenkomstig artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 heeft de GAR bepaalde soorten passiva afgetrokken van de voor de vaststelling van die bijdrage in aanmerking te nemen totale passiva van de instelling.
12 In de tweede fase van de berekening van de vooraf te betalen bijdrage heeft de GAR de jaarlijkse basisbijdrage overeenkomstig artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder b), van verordening nr. 806/2014, aangepast op basis van het risicoprofiel van de betrokken instelling. De GAR heeft dit risicoprofiel beoordeeld op basis van de vier in artikel 6 van gedelegeerde verordening 2015/63 genoemde risicopijlers, die bestaan uit risico-indicatoren. Teneinde de instellingen naargelang hun risiconiveau in categorieën in te delen heeft de GAR om te beginnen – voor elke risico-indicator die voor bijdrageperiode 2021 is toegepast – bins (cellen) gecreëerd waarin de instellingen overeenkomstig bijlage I, onder het kopje „STAP 2”, punt 3, van deze gedelegeerde verordening zijn ondergebracht. De aan een en dezelfde cel toebehorende instellingen kregen voor de gegeven risico-indicator een gemeenschappelijke waarde toegewezen, de zogeheten gediscretiseerde waarde. Door de gediscretiseerde waarden voor elke risico-indicator te combineren heeft de GAR de „van het risicoprofiel afhankelijke aanpassingscoëfficiënt” van de betrokken instelling berekend (hierna: „aanpassingscoëfficiënt”). Door de jaarlijkse basisbijdrage van deze instelling te vermenigvuldigen met de aanpassingscoëfficiënt van die instelling, heeft de GAR de „op basis van het risicoprofiel aangepaste jaarlijkse basisbijdrage” van voornoemde instelling verkregen.
13 Vervolgens heeft de GAR alle op basis van de risicoprofielen aangepaste jaarlijkse basisbijdragen opgeteld om een „gemeenschappelijke noemer” te verkrijgen die is gebruikt voor de berekening van het deel van het jaarlijkse streefbedrag dat elke instelling moest betalen.
14 Tot slot heeft de GAR voor elke instelling de vooraf te betalen bijdrage berekend door het jaarlijkse streefbedrag over alle instellingen te verdelen op basis van de verhouding tussen de op basis van het risicoprofiel aangepaste jaarlijkse basisbijdrage en de gemeenschappelijke noemer.
15 Bijlage I bij het bestreden besluit bevat voor elke instelling die vooraf bijdragen moet betalen, waaronder verzoekster, een individueel overzicht dat de resultaten van de berekening van de door elk van deze instellingen vooraf te betalen bijdragen bevat (hierna: „individueel overzicht”). Elk van deze overzichten toont het bedrag van de jaarlijkse basisbijdrage van de betrokken instelling alsmede de waarde van haar aanpassingscoëfficiënt, volgens zowel de Uniegrondslag als de nationale grondslag met, voor elke risico-indicator, vermelding van het nummer van de cel waaraan deze instelling is toegewezen. Voorts zijn in het individuele overzicht cijfers opgenomen die worden gebruikt voor de berekening van de door alle betrokken instellingen vooraf te betalen bijdragen, welke cijfers de GAR heeft berekend door de individuele cijfers van al deze instellingen bij elkaar op te tellen of te combineren. Tot slot bevat dit overzicht de cijfers die de betrokken instelling in het aangifteformulier heeft opgegeven en die bij de berekening van zijn vooraf te betalen bijdrage zijn gebruikt.
16 Bijlage II bij het bestreden besluit bevat – in samengevatte en geaggregeerde vorm – statistische gegevens betreffende de berekening van de vooraf te betalen bijdragen voor elke deelnemende lidstaat. Deze bijlage preciseert onder meer voor elk van deze lidstaten welk totaalbedrag aan vooraf te betalen bijdragen de betrokken instellingen per deelnemende lidstaat moeten betalen. Verder vermeldt deze bijlage, voor elke risico-indicator, het aantal cellen, het aantal instellingen dat tot elke cel behoort alsmede de minimum- en maximumwaarden van deze cellen. In de cellen die de nationale grondslag betreffen, zijn deze waarden uit vertrouwelijkheidsoverwegingen verminderd of vermeerderd met een willekeurig bedrag, waarbij de oorspronkelijke verdeling over de instellingen is behouden.
17 In bijlage III bij het bestreden besluit, met als opschrift „Beoordeling van de opmerkingen die zijn ingediend in het kader van de raadpleging over de vooraf aan het [GAF] te betalen bijdragen voor 2021”, worden de opmerkingen besproken die de instellingen hebben ingediend tijdens de raadplegingsprocedure die de GAR tussen 5 en 19 maart 2021 heeft gehouden met het oog op de vaststelling van het bestreden besluit.
III. Verzoeken van de partijen
18 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover dat op haar betrekking heeft, en – de GAR te verwijzen in de kosten.
19 De GAR verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten; – subsidiair, mocht het Gerecht het zesde, het zevende of het achtste middel aanvaarden, enkel afdeling 11 van het bestreden besluit, dat de onherroepelijke betalingstoezeggingen (hierna: „obt”) betreft, nietig te verklaren, en – subsidiair, in geval van nietigverklaring van het bestreden besluit, de gevolgen van dat besluit te handhaven totdat dit wordt vervangen of, althans, gedurende een periode van zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop de uitspraak onherroepelijk wordt.
20 Het Europees Parlement verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen voor zover het berust op excepties van onwettigheid van verordening nr. 806/2014, en – verzoekster te verwijzen in de kosten.
21 De Raad van de Europese Unie verzoekt het Gerecht het beroep te verwerpen.
22 De Europese Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen, en – verzoekster te verwijzen in de kosten.
IV. In rechte
23 Verzoekster voert ter ondersteuning van haar beroep acht middelen aan: 1) schending van het beginsel van gelijke behandeling, 2) schending van het evenredigheidsbeginsel, 3) schending van het rechtszekerheidsbeginsel, 4) schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, 5) schending van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, 6) schending van de verplichting om het bestreden besluit te motiveren wat het gebruik van obt betreft, 7) kennelijke beoordelingsfouten van de GAR wat betreft de beperking van het gebruik van obt tot 15 % van het bedrag van de vooraf te betalen bijdragen en de beperking van de zekerheden tot uitsluitend contanten en, 8) een onjuiste rechtsopvatting wat de beperking van het gebruik van obt betreft.
24 Ter terechtzitting heeft verzoekster aangegeven dat zij haar zesde middel introk.
A. Niet-ontvankelijkheidsgronden
25 De eerste vijf middelen bevatten excepties van onwettigheid van een aantal bepalingen van verordening nr. 806/2014, van gedelegeerde verordening 2015/63 en van uitvoeringsverordening 2015/81.
26 De Commissie is van mening dat de tot staving van de eerste drie middelen ingeroepen excepties van onwettigheid niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
27 De GAR heeft in de onderhavige zaak geen niet-ontvankelijkheidsgronden aangevoerd.
28 Aangezien de Commissie als interveniënte echter slechts gerechtigd is niet-ontvankelijkheidsgronden aan te voeren voor zover de door haar ondersteunde partij dergelijke excepties heeft aangevoerd (zie in die zin en naar analogie arresten van 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie, C‑313/90, EU:C:1993:111, punten 20‑22; 17 juni 1998, Svenska Journalistförbundet/Raad, T‑174/95, EU:T:1998:127, punten 77 en 78, en 7 maart 2013, Cindu Chemicals e.a./ECHA, T‑95/10, EU:T:2013:108, punt 32), hetgeen in casu niet het geval is, zijn de door haar aangevoerde niet-ontvankelijkheidsgronden niet-ontvankelijk.
29 Niettemin dient, gelet op het feit dat genoemde niet-ontvankelijkheidsgronden van openbare orde zijn, ambtshalve te worden nagegaan of de door verzoekster opgeworpen excepties van onwettigheid ontvankelijk zijn.
30 Blijkens deze gronden is de Commissie van mening dat verzoekster geen verband tussen het bestreden besluit en de betwiste bepalingen heeft aangetoond en dat zij er geen belang bij heeft dat de betwiste bepalingen onwettig worden verklaard.
31 Dienaangaande blijkt ten eerste uit de rechtspraak dat een exceptie van onwettigheid die krachtens artikel 277 VWEU incidenteel wordt opgeworpen naar aanleiding van de primaire betwisting van de wettigheid van een andere handeling, slechts ontvankelijk is wanneer er een samenhang is tussen deze handeling en de regel waartegen onwettigheid wordt aangevoerd (arrest van 30 april 2019, Wattiau/Parlement, T‑737/17, EU:T:2019:273, punt 56, en 16 juni 2021, Krajowa Izba Gospodarcza Chłodnictwa i Klimatyzacji/Commissie, T‑126/19, EU:T:2021:360, punt 33).
32 In casu vloeit uit het bestreden besluit voort dat alle bepalingen waartegen verzoekster aanvoert dat zij onwettig zijn, in dat besluit worden toegepast, hetzij omdat zij de basis vormen voor de bij verzoekster gevorderde vooraf te betalen bijdragen, zoals artikel 70, leden 1 en 2, van verordening nr. 806/2014, hetzij omdat zij de parameters vastleggen die voor de berekening van die bijdragen worden gebruikt, zoals de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij. Bijgevolg bestaat er, anders dan de Commissie betoogt, een rechtstreeks juridisch verband tussen het bestreden besluit en de betwiste bepalingen.
33 Ten tweede is het zo dat een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring inderdaad slechts ontvankelijk is indien deze persoon belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. Een dergelijk belang veronderstelt dat de nietigverklaring van deze handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan hebben en dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld. Het procesbelang van een verzoeker moet een verkregen en daadwerkelijk belang zijn. Het mag geen toekomstige en hypothetische situatie betreffen (zie arrest van 5 mei 2021, Pharmaceutical Works Polpharma/EMA, T‑611/18, EU:T:2021:241, punten 139 en 141 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 Niettemin is het ook zo dat alle bepalingen waarop de excepties van onwettigheid betrekking hebben hetzij de basis vormen voor de vooraf te betalen bijdragen voor 2021 die bij verzoekster zijn opgeëist, hetzij de parameters bepalen die bij de berekening van die bijdragen worden gebruikt, zodat verzoekster er een verkregen en daadwerkelijk belang bij heeft dat zij onwettig worden verklaard. Indien verzoekster in het gelijk zou worden gesteld, zouden dergelijke bijdragen geen enkele rechtsgrondslag hebben. Derhalve heeft verzoekster, anders dan de Commissie betoogt, er belang bij dat deze bepalingen onwettig worden verklaard.
35 Bijgevolg moeten de niet-ontvankelijkheidsgronden van de Commissie worden afgewezen.
B. Excepties van onwettigheid van verordening nr. 806/2014, van gedelegeerde verordening 2015/63 en van uitvoeringsverordening 2015/81
1. Eerste middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling
36 Met haar eerste middel voert verzoekster aan dat artikel 70, lid 1 en lid 2, tweede alinea, onder a) en b), van verordening nr. 806/2014 en de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij het beginsel van gelijke behandeling schenden. De redenering ter ondersteuning van dit middel bestaat uit vier onderdelen. Het eerste onderdeel betreft de niet-inaanmerkingneming van de verschillen in situatie tussen de instellingen van de bankenunie. Het tweede onderdeel berust erop dat de uitsluiting van gedekte deposito’s bij de berekeningsbasis voor de jaarlijkse basisbijdrage niet gerechtvaardigd is. Met het derde onderdeel wordt aangevoerd dat het feit dat in aanmerking komende passiva niet in aftrek worden gebracht, niet gerechtvaardigd is. Het vierde onderdeel betreft de ongeschiktheid van de criteria voor de berekening van de op basis van het risicoprofiel aangepaste jaarlijkse basisbijdrage.
37 Vooraf zij erop gewezen dat geen van deze onderdelen aldus kan worden begrepen dat verzoekster eigenlijk betoogt dat bovengenoemde bepalingen om de in punt 36 hierboven genoemde redenen onjuist worden opgevat. Ter terechtzitting heeft verzoekster in antwoord op een vraag van het Gerecht immers bevestigd dat zij, met het eerste middel in zijn geheel, betoogt dat er enkel sprake is van schending van het beginsel van gelijke behandeling, en niet van een onjuiste opvatting.
38 Wat de schending van het beginsel van gelijke behandeling betreft, zij er bovendien aan herinnerd dat dit beginsel, als algemeen beginsel van Unierecht, voorschrijft dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is (arrest van 3 februari 2021, Fussl Modestraße Mayr, C‑555/19, EU:C:2021:89, punt 95).
39 Nu verzoekster schending van het beginsel van gelijke behandeling heeft aangevoerd, staat het aan haar om precies aan te geven welke de vergelijkbare situaties zijn die volgens haar op verschillende wijze zijn behandeld of welke de verschillende situaties zijn die volgens haar op identieke wijze zijn behandeld [arrest van 12 april 2013, Du Pont de Nemours (France) e.a./Commissie, T‑31/07, niet gepubliceerd, EU:T:2013:167, punt 311].
40 Volgens vaste rechtspraak moet de vraag of verschillende situaties vergelijkbaar zijn, worden beoordeeld aan de hand van alle aspecten die deze situaties kenmerken. Die aspecten moeten met name worden bepaald en beoordeeld tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel van de handeling die het betrokken onderscheid invoert. Bovendien moet rekening worden gehouden met de beginselen en de doelstellingen van het gebied waaronder de betrokken handeling valt (arrest van 3 februari 2021, Fussl Modestraße Mayr, C‑555/19, EU:C:2021:89, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Wat het voorwerp en het doel van verordening nr. 806/2014 en van gedelegeerde verordening 2015/63 betreft, zij erop gewezen dat deze handelingen, net als richtlijn 2014/59, deel uitmaken van het GAM, dat overeenkomstig overweging 12 van verordening nr. 806/2014 is ingesteld om ervoor te zorgen dat een neutrale aanpak wordt gehanteerd bij het behandelen van falende banken, dat de stabiliteit van de banken in de deelnemende lidstaten wordt vergroot en dat wordt voorkomen dat een crisis naar niet-deelnemende lidstaten overslaat, zodat het de werking van de interne markt in zijn geheel ten goede zal komen.
42 Teneinde de financiering van de activiteiten van het GAM te waarborgen, zijn bij richtlijn 2014/59, verordening nr. 806/2014 en gedelegeerde verordening 2015/63 vooraf te betalen bijdragen ingesteld, die blijkens de overwegingen 105 tot en met 107 van richtlijn 2014/59 en overweging 41 van verordening nr. 806/2014 het specifieke karakter hebben dat erin bestaat dat daarmee, op basis van een op de verzekeringsgedachte gebaseerde logica wordt gewaarborgd dat de financiële sector het GAM voldoende financiële middelen verschaft om zijn taken te kunnen vervullen, en de betrokken instellingen worden aangemoedigd minder risicovolle werkwijzen toe te passen (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 113).
43 Het onderzoek van de wettigheid van de bepalingen waarvan verzoekster aanvoert dat zij onwettig zijn, moet worden verricht in het licht van deze overwegingen.
44 Om te beginnen betwist verzoekster de wettigheid van artikel 70, lid 1 en lid 2, tweede alinea, onder a) en b), van verordening nr. 806/2014, dat voorziet in de berekening van het jaarlijkse streefbedrag dat moet worden verdeeld over de instellingen waaraan op het grondgebied van alle deelnemende staten vergunning is verleend.
45 Bovendien betwist zij de wettigheid van de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63, die de in artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 vastgelegde criteria voor de aanpassing van de vooraf te betalen bedragen aan het risicoprofiel van de instellingen nader bepalen. Meer in het bijzonder somt artikel 6 van deze gedelegeerde verordening de risicopijlers en -indicatoren op waarmee de GAR bij de beoordeling van het risicoprofiel van de instellingen rekening moet houden, terwijl artikel 7 van die gedelegeerde verordening nader bepaalt welk relatief gewicht de GAR bij de beoordeling van het risicoprofiel van elke instelling moet toepassen op elke risicopijler en -indicator.
46 Tot slot beroept verzoekster zich op de onwettigheid van bijlage I bij gedelegeerde verordening 2015/63, die de verschillende stappen uiteenzet van de berekeningsmethode die de GAR gebruikt om het bedrag van de vooraf te betalen bijdragen te bepalen en de wiskundige formules noemt die de GAR moet toepassen.
a) Eerste en tweede onderdeel: de verschillen in situatie tussen de instellingen van de bankenunie zijn niet in aanmerking genomen en de uitsluiting van gedekte deposito’s van de berekeningsbasis voor de jaarlijkse basisbijdrage is ongerechtvaardigd
47 Het eerste onderdeel van het eerste middel bestaat uit twee grieven, waarvan de eerste berust op het feit dat de verschillen in situatie tussen de bankensectoren van de deelnemende landen niet in aanmerking zijn genomen, en de tweede op het feit dat het verzuim om de in het kader van het gemeenschappelijk toezichtmechanisme (GTM) gehanteerde criteria in aanmerking te nemen, incoherent is.
48 Met haar tweede onderdeel van het eerste middel betoogt verzoekster in wezen dat artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder a), van verordening nr. 806/2014 het beginsel van gelijke behandeling schendt omdat daarin is bepaald dat in de passiva waarmee bij de berekening van de jaarlijkse basisbijdrage rekening worden gehouden, gedekte deposito’s niet worden meegeteld.
49 De GAR, het Parlement, de Raad en de Commissie betwisten dit betoog.
1) Eerste grief van het eerste onderdeel: de verschillen in situatie tussen de bankensectoren van de deelnemende lidstaten zijn niet in aanmerking genomen, en tweede onderdeel: de uitsluiting van gedekte deposito’s van de berekeningsbasis voor de jaarlijkse basisbijdrage is ongerechtvaardigd
50 In de eerste plaats betoogt verzoekster, in het kader van haar eerste grief van het eerste onderdeel, dat de verdeling van de vooraf te betalen bijdragen tussen de verschillende instellingen van de bankenunie, die wordt gemaakt op grond van artikel 70, leden 1 en 2, van verordening nr. 806/2014 en de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij, wordt toegepast op basis van criteria waarvan de berekeningsregels voorbijgaan aan de verschillen in situatie tussen de bankensectoren van de deelnemende lidstaten. Met name houden deze bepalingen volgens verzoekster geen rekening met de specifieke kenmerken en het bijzondere ondernemingsprofiel van de instellingen die, zoals verzoekster, hun zetel in Frankrijk hebben (hierna: „Franse instellingen”). Zo zouden deze instellingen, ondanks dat zij zich in andere situaties bevinden dan de instellingen die hun zetel in andere deelnemende lidstaten hebben (hierna: „instellingen van de andere lidstaten”), op identieke wijze worden behandeld wat de berekening van genoemde bijdragen betreft.
51 Dienaangaande voert verzoekster aan dat de Franse instellingen zich van de instellingen van de andere lidstaten onderscheiden doordat zij, ondanks het feit dat zij in het algemeen een hoog totaalbedrag aan passiva bezitten, over een betrekkelijk laag bedrag aan gedekte deposito’s beschikken.
52 Verzoekster argumenteert dat zij dit kenmerk naar voren brengt om aan te tonen dat zij zelf slachtoffer van schending van het beginsel van gelijke behandeling is. Deze schending zou voortkomen uit het feit dat het lage bedrag van haar gedekte deposito’s het voor haar onmogelijk maakt haar jaarlijkse basisbijdrage te verminderen, waardoor het relatieve gewicht van deze bijdrage bij de berekening van haar totale vooraf te betalen bijdrage dus „kunstmatig” wordt verhoogd.
53 Het argument van verzoekster moet derhalve aldus worden begrepen dat zij in wezen stelt dat zij ten opzichte van de – met name in de andere lidstaten gevestigde – instellingen die over een hoog bedrag aan gedekte deposito’s beschikken, wordt benadeeld vanwege het feit dat deze instellingen de mogelijkheid hebben om gebruik te maken van een grotere vermindering van de passiva die voor de berekening van de vooraf te betalen bijdrage worden gebruikt, zodat verzoekster eigenlijk anders zou moeten worden behandeld dan die andere instellingen.
54 Dit argument sluit aan op de argumenten die zijn aangevoerd in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel, waarmee wordt betoogd dat de uitsluiting van gedekte deposito’s van de berekeningsbasis voor de jaarlijkse basisbijdrage ongerechtvaardigd is. Mitsdien dienen zij gezamenlijk te worden onderzocht.
55 In dit verband moet allereerst worden vastgesteld dat de in artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder a), van verordening nr. 806/2014 bedoelde regel dat gedekte deposito’s zijn uitgesloten van de berekeningsbasis voor de jaarlijkse basisbijdrage, op dezelfde wijze geldt voor alle instellingen die binnen de werkingssfeer ervan vallen, dus ook voor de Franse instellingen, zoals verzoekster, en voor de instellingen van de andere lidstaten, ongeacht het bedrag van hun gedekte deposito’s.
56 Wat vervolgens de vraag betreft of de Franse instellingen, waaronder verzoekster, zich met het oog op de toepassing van die uitsluiting in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van de instellingen van de andere lidstaten, zij eraan herinnerd dat richtlijn 2014/59 en verordening nr. 806/2014 onder meer beogen dat op basis van een op de verzekeringsgedachte gebaseerde logica wordt gewaarborgd dat de financiële sector het GAM voldoende financiële middelen verschaft om zijn taken te kunnen vervullen, zoals in punt 42 hierboven is vermeld. Als tegenprestatie voor hun verplichting om vooraf te betalen bijdragen te storten, trekken alle instellingen van deze bijdragen profijt in de vorm van de door het GAF gewaarborgde stabiliteit van het financiële stelsel. Dit profijt bestaat ongeacht het bedrag aan gedekte deposito’s waarover de instellingen beschikken en ongeacht de mate waarin zij dit bedrag kunnen uitsluiten van de berekeningsbasis voor hun jaarlijkse basisbijdrage.
57 Gelet op het voorgaande heeft het enkele feit dat de instellingen over verschillende bedragen aan gedekte deposito’s beschikken, niet tot gevolg dat zij in het licht van het voorwerp en het doel van richtlijn 2014/59 en van verordening nr. 806/2014 in verschillende situaties worden gebracht.
58 Tot slot komt de omstandigheid dat de toepassing van die criteria voor verzoekster ten opzichte van de andere instellingen tot verschillende bedragen van vooraf te betalen bijdragen leidt, eenvoudigweg voort uit het feit dat zij over verschillende bedragen aan gedekte deposito’s beschikken.
59 Zelfs indien wordt verondersteld dat de Franse instellingen, waaronder verzoekster, over een lager bedrag aan gedekte deposito’s beschikken dan de instellingen van de andere lidstaten, is deze omstandigheid ontoereikend om aan te tonen dat er sprake is van schending van het beginsel van gelijke behandeling.
60 Dienaangaande blijkt uit de rechtspraak dat de omstandigheid dat de door de Uniewetgever op een specifiek beleidsterrein vastgestelde voorschriften verschillende gevolgen kunnen hebben voor bepaalde marktdeelnemers, al naargelang hun individuele situatie of de nationale regels die zij eveneens moeten naleven, niet kan worden beschouwd als een inbreuk op het beginsel van gelijke behandeling wanneer deze voorschriften zijn gebaseerd op objectieve en aan het doel van deze voorschriften aangepaste criteria (zie in die zin en naar analogie arrest van 19 september 2013, Panellinios Syndesmos Viomichanion Metapoiisis Kapnou, C‑373/11, EU:C:2013:567, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 In casu moet, ten eerste, worden vastgesteld dat de uitsluiting van gedekte deposito’s van de berekeningsbasis voor de jaarlijkse basisbijdrage op objectieve criteria berust. Dienaangaande blijkt uit artikel 3, lid 1, punt 11, van verordening nr. 806/2014, dat verwijst naar artikel 2, lid 1, punt 5, van richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB 2014, L 173, blz. 149), dat het begrip „gedekte deposito’s” in de zin van verordening nr. 806/2014, wat de uitsluiting van deze deposito’s van de berekeningsbasis voor de jaarlijkse basisbijdrage betreft, overeenkomt met het begrip „gedekte deposito’s” in het kader van het depositogarantiestelsel (DGS), waarbij dit laatste begrip is omschreven op basis van de criteria van artikel 2, punten 3 en 4, en artikel 6 van richtlijn 2014/49, die een objectief karakter hebben.
62 Ten tweede zij opgemerkt dat die uitsluiting is gebaseerd op criteria die zijn aangepast aan de door artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder a), van verordening nr. 806/2014 nagestreefde doelen. Zoals de GAR heeft uitgelegd, heeft genoemde uitsluiting immers met name tot doel te voorkomen dat die deposito’s dubbel worden geteld. In dit verband zij eraan herinnerd dat de instellingen, op grond van richtlijn 2014/49, vanwege genoemde deposito’s verplicht zijn bijdragen te betalen aan het depositogarantiestelsel waaronder zij vallen. Indien de gedekte deposito’s niet van de berekeningsbasis voor de vooraf te betalen bijdragen zouden zijn uitgesloten, zoals verzoekster verlangt, zouden de instellingen, vanwege diezelfde gedekte deposito’s, echter gehouden zijn naast de bijdragen voor de financiering van de DGS de vooraf te betalen bijdragen te betalen.
63 In die omstandigheden kan de door de Uniewetgever in artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder a), van verordening nr. 806/2014 gemaakte keuze om gedekte deposito’s uit te sluiten van de totale passiva van de instellingen die bij de berekening van de jaarlijkse bijdrage in aanmerking moeten worden genomen, worden geacht te berusten op objectieve en aan de door deze verordening nagestreefde doelen aangepaste criteria.
64 Bijgevolg moeten verzoeksters eerste argument, ter ondersteuning van de eerste grief van het eerste onderdeel van het eerste middel, en het tweede onderdeel van dit middel worden afgewezen.
65 In de tweede plaats voert verzoekster aan dat de berekeningsmethode die in de in punt 50 hierboven genoemde bepalingen is vastgelegd, tot gevolg heeft dat de vooraf te betalen bijdragen van de Franse instellingen aanmerkelijk hoger zijn dan die van de instellingen van de andere lidstaten, en dat deze bijdragen sinds 2016 sterk zijn toegenomen.
66 Allereerst betwist verzoekster in dit verband niet dat de criteria voor de berekening van die vooraf te betalen bijdragen op dezelfde wijze gelden voor de Franse instellingen, waartoe zij behoort, en voor de instellingen van de andere lidstaten.
67 Vervolgens legt verzoekster niet uit welke gevolgen de in punt 65 hierboven genoemde omstandigheid heeft voor het onderzoek naar de vraag of zij zich in een andere situatie bevindt dan die waarin de instellingen van de andere lidstaten zich bevinden.
68 Tot slot wordt het hoge bedrag van de door de Franse instellingen vooraf te betalen bijdragen sowieso verklaard door een aantal factoren die door verzoekster niet worden betwist.
69 Ten eerste heeft de GAR, zonder te zijn weersproken, verklaard dat de Franse instellingen in de regel een groter aandeel aan geaggregeerde passiva hadden dan de instellingen van de andere lidstaten, te weten meer dan een derde van die passiva tijdens de periode die voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen relevant is.
70 Dit gegeven heeft een wezenlijke impact op het bedrag van de jaarlijkse basisbijdragen van de betrokken instellingen en, dientengevolge, op het bedrag van hun vooraf te betalen bijdragen. Artikel 103, lid 2, van richtlijn 2014/59 en artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014 bepalen immers dat de „jaarlijkse basisbijdrage” van elke instelling wordt berekend op basis van de verhouding tussen het bedrag van de passiva van deze instelling (exclusief eigen vermogen en gedekte deposito’s) en het totaalbedrag van de passiva (exclusief eigen vermogen en gedekte portfolio’s) van alle instellingen waaraan op het grondgebied van alle deelnemende lidstaten vergunning is verleend. De toepassing van deze bepalingen leidt er aldus toe dat de jaarlijkse bijdragen van de Franse instellingen dikwijls hoger zijn dan die van de instellingen van de andere lidstaten.
71 Verzoekster heeft echter niet de wettigheid betwist van artikel 103, lid 2, van richtlijn 2014/59 en van artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014, uit hoofde waarvan de Uniewetgever heeft besloten de berekening van de vooraf te betalen bijdragen te baseren op het bedrag van de passiva van de instellingen.
72 Ten tweede heeft verzoekster evenmin de stelling van de GAR betwist dat de omvang van de balansen van de Franse instellingen en die van hun passiva tussen 2016 en 2021 waren toegenomen, hetgeen had geleid tot een toename van de jaarlijkse basisbijdrage van deze instellingen en, bijgevolg, van de door verzoekster vooraf te betalen bijdragen.
73 Ten derde heeft de GAR, zonder te zijn weersproken, uitgelegd dat de toename van de vooraf te betalen bijdragen van de Franse instellingen was versneld door het mechanisme van phasing in van de berekening van deze bijdragen, zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/81 (hierna: „mechanisme van phasing in”). Volgens dit mechanisme, dat overigens van toepassing is op alle betrokken instellingen, wordt een steeds groter aandeel van de vooraf te betalen bijdragen van de instellingen vastgesteld volgens de Uniegrondslag in plaats van de nationale grondslag. Voor de berekening van de voor bijdrageperiode 2021 vooraf te betalen bijdragen is dit aandeel 86,67 %.
74 Dienaangaande heeft de GAR opgemerkt dat een dergelijke omstandigheid impliceerde dat het risicoprofiel van de Franse instellingen in toenemende mate werd afgemeten aan dat van de instellingen van de andere lidstaten. Wat, zoals in punt 69 hierboven is uiteengezet, het aandeel aan geaggregeerde passiva van de Franse instellingen ten opzichte van het totaalbedrag aan passiva van de andere lidstaten betreft, verklaart het mechanisme van phasing in – volgens diezelfde onweersproken opmerkingen van de GAR – dus waarom het bedrag van de vooraf te betalen bijdragen van de Franse instellingen, waaronder verzoekster, tussen 2016 en 2021 sterker is gestegen dan dat van de instellingen van de andere lidstaten.
75 Bijgevolg wordt de toename van de vooraf te betalen bijdragen van de Franse instellingen, zoals verzoekster, verklaard door een reeks objectieve factoren, waaronder het feit dat het bedrag van hun passiva steeds hoger wordt, en niet door een vermeende ongelijke behandeling van deze instellingen.
76 In die omstandigheden heeft verzoekster niet aangetoond dat de hierboven in punt 50 vermelde bepalingen in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling.
77 In de derde plaats kan het argument van verzoekster dat het mechanisme van phasing in er in wezen toe leidt dat geen rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van elke banksector en dat er – ten nadele van de Franse banken – een distorsie tussen de bankensectoren wordt geschapen, geen doel treffen.
78 Dit argument beoogt immers het bestaan op zich van dit mechanisme van phasing in in twijfel te trekken, zonder dat verzoekster zich beroept op de onwettigheid van de bepaling waarbij dat mechanisme is ingesteld, te weten artikel 8, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/81.
79 Hoe dan ook geldt deze bepaling voor alle instellingen, met inbegrip van verzoekster. Bijgevolg wordt het mechanisme van phasing in op dezelfde wijze toegepast op de Franse instellingen en op de instellingen van de andere lidstaten. Bovendien zij opgemerkt dat, mocht de kritiek van verzoekster aldus worden begrepen dat zij betoogt dat de Franse instellingen zich in het kader van het mechanisme van phasing in niet in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van de instellingen van de andere lidstaten, verzoekster bij het Gerecht geen concrete gegevens heeft aangevoerd die erop zouden duiden dat, in het kader van dit mechanisme, de Franse instellingen zich daadwerkelijk in een andere situatie bevinden dan de instellingen van de andere lidstaten.
80 In de vierde plaats voert verzoekster aan dat, los van het feit dat zij niet hetzelfde risicoprofiel heeft als de instellingen van de andere lidstaten, zij – gelet op het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (minimum requirement for own funds and eligible liabilities; hierna: „MREL”) waaraan zij onderworpen is en op de noodzakelijke rigoureuze toepassing van het instrument van bail-in voordat het GAF ingrijpt – waarschijnlijk geen gebruik van het GAF zal kunnen maken.
81 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat, overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt 40, van verordening nr. 806/2014, het eigen vermogen overeenkomt met de door de aandeelhouders of andere investeerders aan een instelling ter beschikking gestelde middelen, alsmede met de door haar gemaakte winst die niet is uitgekeerd.
82 Vervolgens wordt volgens artikel 3, punt 49, van verordening nr. 806/2014 onder „in aanmerking komende passiva” verstaan de passiva of passiva-onderdelen en de kapitaalinstrumenten die niet in aanmerking komen als eigenvermogensinstrumenten die binnen bepaalde categorieën vallen, en die niet van het toepassingsgebied van het instrument van bail-in zijn uitgesloten.
83 Bovendien bepaalt artikel 12, lid 16, eerste alinea, onder a) tot en met f), van verordening nr. 806/2014 dat, willen de uitgegeven in aanmerking komende passiva aan het MREL-vereiste in de zin van lid 1 van deze bepaling voldoen, de volgende voorwaarden moeten zijn vervuld: het instrument is uitgegeven en volgestort; de passiva zijn noch verschuldigd aan de instelling zelf, noch door deze gedekt met een zekerheid of gegarandeerd; de aankoop van het instrument is direct noch indirect door de instelling gefinancierd; de passiva hebben een resterende looptijd van ten minste een jaar; de passiva vloeien niet voort uit een derivaat en evenmin uit een deposito dat voorrang geniet in de nationale insolventiehiërarchie.
84 Tot slot zij erop gewezen dat uit overweging 73 en uit artikel 27 van verordening nr. 806/2014 blijkt dat het instrument van bail-in de kosten beperkt van de afwikkeling van een falende entiteit die door de belastingbetalers worden gedragen, door ervoor te zorgen dat de aandeelhouders en crediteuren van de falende entiteit passende verliezen lijden en een passend deel van die uit het falen van de entiteit voortvloeiende kosten dragen. Evenzo blijkt uit overweging 83 van verordening nr. 806/2014 dat, om ervoor te zorgen dat het instrument van bail-in doeltreffend is, artikel 12 van deze verordening bepaalt dat de instellingen voldoende eigen vermogen en in aanmerking komende passiva moeten aanhouden om verliezen te dekken en falende entiteiten te herkapitaliseren.
85 Verzoekster betwist evenwel niet dat verordening nr. 806/2014 en gedelegeerde verordening 2015/63 haar ten aanzien van het in aanmerking nemen van de MREL-vereisten en de vereisten voor toepassing van het instrument van bail-in betreft op dezelfde manier behandelen als de andere betrokken instellingen.
86 Indien, in die omstandigheden, het argument van verzoekster aldus moet worden begrepen dat zij in werkelijkheid aanvoert dat zij is benadeeld vanwege het feit dat verordening nr. 806/2014 en gedelegeerde verordening 2015/63 de MREL-vereisten en de vereisten voor toepassing van het instrument van bail-in niet voldoende in aanmerking hebben genomen bij de berekening van de vooraf te betalen bijdragen, moet het volgende worden opgemerkt.
87 Om te beginnen heeft verzoekster aan het Gerecht geen enkel concreet element voorgelegd ter betwisting van de stelling van de GAR dat van de instellingen die aanzienlijke passiva bezitten, zoals zijzelf, het meest kan worden verwacht dat zij – ondanks de voor hen geldende MREL- of andere prudentiële vereisten – profijt trekken van de bij verordening nr. 806/2014 ingestelde afwikkelingsmechanismen. Op dit punt benadrukt overweging 5 van gedelegeerde verordening 2015/63 overigens dat hoe groter de instelling, hoe waarschijnlijker het is dat de afwikkelingsautoriteit het, in geval van moeilijkheden, in het algemeen belang acht om de betrokken instelling af te wikkelen en van het GAF gebruik te maken om een doeltreffende toepassing van de afwikkelingsinstrumenten te waarborgen.
88 Vervolgens bevat artikel 6, lid 2, onder a), van gedelegeerde verordening 2015/63 een risico-indicator die gebaseerd is op onder andere de MREL-vereisten en die, in het kader van de beoordeling van het risicoprofiel van de instellingen, bij de berekening van hun vooraf te betalen bijdragen wordt gebruikt. Verzoekster heeft evenwel niet aangevoerd dat het gewicht van deze risico-indicator ontoereikend is in het kader van de berekening van de vooraf te betalen bijdragen.
89 Daaraan moet worden toegevoegd dat artikel 20 van gedelegeerde verordening 2015/63 weliswaar toestaat dat de GAR bij wijze van overgangsmaatregel die risico-indicator niet meetelt bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage, maar dat verzoekster de geldigheid van deze bepaling niet heeft betwist.
90 Tot slot blijkt uit de artikelen 22 en 27 van verordening nr. 806/2014 dat het instrument van bail-in, in het kader van de vaststelling van een afwikkelingsmaatregel uit hoofde van deze verordening, op dezelfde wijze van toepassing is op alle instellingen voordat het GAF wordt aangesproken. Bovendien sluit de mogelijkheid om van het instrument van bail-in gebruik te maken niet uit dat in voorkomend geval een beroep wordt gedaan op het GAF. Alles bij elkaar genomen heeft verzoekster niet aangetoond dat de Franse instellingen zich in een andere situatie bevonden dan die waarin de instellingen van de andere lidstaten zich bevonden, vanwege hun MREL en de mogelijkheid voor hen om het instrument van bail-in te gebruiken.
91 In de vijfde plaats stelt verzoekster dat de Raad tijdens zijn vergadering van 9 december 2014 een politiek akkoord zou hebben bereikt waarin staat dat de „Franse en Duitse bijdragen” zich gedurende de overgangsperiode op hetzelfde niveau moeten bevinden.
92 Uit het verslag van deze vergadering van de Raad, dat op zijn website is gepubliceerd, blijkt echter niet dat een dergelijk akkoord zou zijn bereikt.
93 Het argument van verzoekster moet dan ook worden afgewezen.
94 In de zesde plaats meent verzoekster dat zij slachtoffer is van ongelijke behandeling omdat zij geen gebruik heeft kunnen maken van het stelsel voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen dat op kleine en middelgrote instellingen van toepassing is.
95 Artikel 10 van gedelegeerde verordening 2015/63 en artikel 8, lid 5, van uitvoeringsverordening 2015/81 voorzien in bijzondere stelsels voor kleine en middelgrote instellingen, die meebrengen dat de door kleine instellingen vooraf te betalen bijdragen, in beginsel en behoudens bijzondere omstandigheden, uit forfaitaire bedragen bestaan, en dat de door middelgrote instellingen vooraf te betalen bijdragen deels forfaitair zijn en deels kunnen worden berekend op basis van de regels die voor alle andere instellingen gelden. Gelet op de in punt 87 hierboven uiteengezette overwegingen hebben de instellingen van grote omvang die, zoals verzoekster, een zeer hoog bedrag aan passiva hebben, wat het gebruik van het GAF betreft, echter geen risicoprofiel dat gelijkwaardig is aan of lager is dan dat van de kleine en middelgrote ondernemingen. Bijgevolg bevinden deze beide categorieën zich voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen niet in een vergelijkbare situatie.
96 Dientengevolge en gelet op al het voorgaande heeft verzoekster niet aangetoond dat artikel 70, lid 1 en lid 2, tweede alinea, onder a) en b), van verordening nr. 806/2014 en de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij het beginsel van gelijke behandeling schenden.
97 Bijgevolg zijn de eerste grief van het eerste onderdeel en het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond.
2) Tweede grief van het eerste onderdeel: incoherentie in verband met het verzuim om de in het kader van het GTM gehanteerde beoordelingscriteria in aanmerking te nemen
98 Verzoekster voert aan dat het, gelet op de continuïteit en de hechte verhouding tussen het GTM en het GAM, incoherent is om het risico dat een instelling vormt in het kader van het GAM te beoordelen zonder de door het GTM gehanteerde beoordelingscriteria in aanmerking te nemen, die ervoor zorgen dat de instellingen waarvan het meest te verwachten valt dat zij een beroep zullen doen op het GAF ook de instellingen zijn die het meest bijdragen aan de financiering ervan. Dat de in het kader van het GTM gehanteerde criteria niet in aanmerking worden genomen zou er aldus toe leiden dat de instellingen waarvan – met name gelet op hun in het kader van het GTM bevestigde soliditeit – het minst te verwachten valt dat zij een beroep zullen doen op het GAM, worden bestraft.
99 Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt dat verzoekster, in weerwil van de vereisten die voortvloeien uit de in de punten 38 en 39 in herinnering gebrachte rechtspraak, niet voldoende duidelijk uiteenzet hoe het vermeende vereiste van coherentie met de in punt 98 hierboven genoemde criteria relevant is om vast te stellen of zij slachtoffer is van schending van het beginsel van gelijke behandeling.
100 Indien, gelet op het bovenstaande, het betoog van verzoekster aldus moet worden begrepen dat zij in werkelijkheid aanvoert dat zij op dezelfde wijze wordt behandeld als de andere instellingen die blijkens de beoordelingscriteria die in het kader van het GTM worden gebruikt een hoger risicoprofiel hebben, terwijl volgens die criteria van haar juist minder te verwachten valt dat zij een beroep zal doen op het GAF, zij het volgende opgemerkt.
101 Het is inderdaad juist dat uit de overwegingen 11, 13, 15 en 52 van verordening nr. 806/2014 blijkt dat er sprake is van complementariteit tussen de regels die in het kader van het GAM zijn vastgesteld en die welke in het kader van het GTM zijn vastgesteld.
102 Met name vertonen bepaalde beoordelingscriteria die in het kader van het GAM worden gehanteerd gelijkenis met die welke in het kader van het GTM worden gehanteerd, zoals deze onder andere zijn vastgelegd in verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1).
103 Zo worden in een aantal criteria van de GTM-regeling begrippen gebruikt die overeenkomen met de begrippen in de regeling die in het kader van het GAM is vastgesteld en die zelfs worden omschreven door middel van een uitdrukkelijke verwijzing naar deze laatste regeling. Dit is met name het geval voor de begrippen „eigen vermogen”, „hefboomratio” of „tier 1-kernkapitaalratio”, die bepalend zijn voor de toepassing van de in artikel 6, lid 2, onder a) tot en met c), van gedelegeerde verordening 2015/63 opgesomde risico-indicatoren en die in artikel 3 van deze gedelegeerde verordening zijn omschreven onder verwijzing naar verordening nr. 575/2013.
104 Niettemin moet ondanks deze complementariteit worden vastgesteld dat, zoals de GAR op dit punt onweersproken betoogt, de doelen die met de GAM-regeling worden nagestreefd op het gebied van de afwikkeling van instellingen, verschillen van de doelen die met de GTM-regeling worden nagestreefd met betrekking tot de vereisten inzake toezicht.
105 Zo heeft, enerzijds, de Unieregeling op het gebied van de afwikkeling van instellingen, wat de vooraf te betalen bijdragen betreft, blijkens punt 42 hierboven tot doel te waarborgen dat – op basis van een op de verzekeringsgedachte gebaseerde logica – de financiële sector het GAM voldoende financiële middelen verschaft om zijn taken te kunnen vervullen, en de instellingen aan te moedigen minder risicovolle werkwijzen toe te passen.
106 Anderzijds heeft de Unieregeling inzake de prudentiële vereisten volgens overweging 32 van verordening nr. 575/2013 tot doel de economisch nuttige bankactiviteiten die het algemeen belang dienen te stimuleren en onhoudbare financiële speculatie zonder echte toegevoegde waarde te ontmoedigen, maar ook, volgens de bewoording van overweging 42 ervan, verbeterde methoden voor meting en beheer van risico’s toe te passen en die tevens voor de wettelijke eigenvermogensvereisten te gebruiken.
107 Hieruit volgt, meer in het bijzonder, dat de risicobeoordeling in het kader van de toepassing van de GAM-regeling en de risicobeoordeling die betrekking heeft op de GTM-regeling verschillende doelstellingen hebben. Zo wordt de risicobeoordeling in het kader van pijler II van het GTM verricht teneinde te voldoen aan de prudentiële vereisten die dit mechanisme heeft vastgesteld om te waarborgen dat een gegeven instelling over voldoende eigen vermogen beschikt voor het opvangen van specifieke risico’s die niet worden gedekt door pijler I van het GTM, die ziet op de transversale risicobeoordeling van een instelling. De uitkomst van een dergelijke beoordeling strekt ertoe te bepalen welke prudentiële vereisten voor een gegeven instelling moeten gelden om te voorkomen dat zij faalt.
108 De risicobeoordeling in het kader van de in artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder b), van verordening nr. 806/2014 en de artikelen 5 tot en met 9 van gedelegeerde verordening 2015/63 bedoelde aanpassing van de jaarlijkse basisbijdrage aan het risicoprofiel, wordt echter verricht om de vooraf te betalen bijdragen over alle betrokken instellingen te verdelen. De uitkomst van een dergelijke beoordeling strekt er niet alleen toe te beoordelen wat de kans is dat een gegeven instelling faalt, maar ook, breder gezien, wat de kans is dat een falende instelling zich tot het GAF zal moeten wenden.
109 Bovendien volgt de GAM-regeling een specifieke logica, in die zin dat het risicoprofiel van een gegeven instelling tevens wordt beoordeeld aan de hand van het risicoprofiel van alle andere betrokken instellingen.
110 Gelet op de specifieke voorwerpen en doelen van de GTM- en de GAM-regeling, alsmede op de gedachte van een vergelijking, waarvan deze laatste regeling uitgaat, kan een schending van het beginsel van gelijke behandeling niet worden gebaseerd op het enkele feit dat in het rechtskader voor de berekening door het GAM van de vooraf te betalen bijdragen niet zonder meer de criteria voor risicobeoordeling in het kader van het GTM zijn overgenomen.
111 Dientengevolge moet de tweede grief van het eerste onderdeel van het eerste middel en, daarmee, dit onderdeel in zijn geheel ongegrond worden verklaard.
b) Derde onderdeel: het ontbreken van aftrek van in aanmerking komende passiva die voldoen aan de prudentiële MREL-vereisten is niet gerechtvaardigd
112 Verzoekster betoogt dat artikel 70, leden 1 en 2, van verordening nr. 806/2014 en de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij het beginsel van gelijke behandeling schenden omdat noch artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder a), van verordening nr. 806/2014, noch artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 voorziet in aftrek van de in aanmerking komende passiva die voor de berekening van de jaarlijkse basisbijdrage in aanmerking worden genomen. Volgens verzoekster had deze regeling in een dergelijke aftrek moeten voorzien, omdat de in aanmerking komende passiva „quasi-eigenvermogen” zouden vormen dat ervoor zorgt dat aan de prudentiële MREL-vereisten wordt voldaan en dat zou dienen ter verliesdekking, alsmede ter toepassing van het instrument van bail-in.
113 De GAR, het Parlement, de Raad en de Commissie betwisten dit betoog.
114 Gelet op de toelichtingen die verzoekster ter terechtzitting heeft gegeven, moet worden opgemerkt dat zij in wezen betoogt dat, in de eerste plaats, de schending van het beginsel van gelijke behandeling voortvloeit uit het feit dat de in aanmerking komende passiva zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van het eigen vermogen, maar anders worden behandeld dan dit eigen vermogen voor zover deze passiva uit hoofde van artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder a), van verordening nr. 806/2014 niet zijn uitgesloten van de passiva die voor de berekening van de jaarlijkse basisbijdrage in aanmerking worden genomen.
115 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder a), van verordening nr. 806/2014 het eigen vermogen is uitgesloten van de passiva die voor de berekening van de jaarlijkse basisbijdrage in aanmerking worden genomen. Daarentegen zijn noch in artikel 70, lid 1, van verordening nr. 806/2014, noch in artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63, die bepalen dat sommige passiva van de berekening van de jaarlijkse basisbijdrage worden uitgesloten, de in aanmerking komende passiva van de aldaar bedoelde passiva uitgesloten.
116 Gelet op de in punt 40 hierboven aangehaalde rechtspraak moet worden nagegaan of de in aanmerking komende passiva zich, in het licht van het voorwerp en het doel van verordening nr. 806/2014, in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van het eigen vermogen, zodat deze passiva van de berekening van de jaarlijkse basisbijdrage moeten worden uitgesloten.
117 Wat dit punt betreft, dient te worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 17, lid 1, van verordening nr. 806/2014 en artikel 48, lid 1, van richtlijn 2014/59 in geval van toepassing van het instrument van bail-in in het kader van een afwikkelingsprocedure, de nationale afwikkelingsautoriteiten de bevoegdheid tot het afschrijven en omzetten van vorderingen in eerste instantie uitoefenen op het eigen vermogen en vervolgens – „indien, en alleen indien” het beschikbare eigen vermogen ontoereikend is om de verliezen te dekken – op de in aanmerking komende passiva.
118 Bovendien oefent de GAR, krachtens artikel 21, leden 1 en 7 bis, van verordening nr. 806/2014, de bevoegdheden tot afschrijving of omzetting van in aanmerking komende passiva, onafhankelijk van afwikkelingsmaatregelen, enkel uit ten aanzien van in aanmerking komende passiva die voldoen aan de specifieke en restrictieve voorwaarden van artikel 12 octies, lid 2, onder a), van deze verordening, met uitzondering van de in artikel 72 quater, lid 1, van verordening nr. 575/2013 vermelde voorwaarde betreffende de resterende looptijd van de passiva. Uit deze bepalingen blijkt dat voor de mogelijkheden van de GAR om, onafhankelijk van afwikkelingsmaatregelen, over te gaan tot het afschrijven en omzetten van in aanmerking komende passiva specifieke en limitatieve randvoorwaarden gelden, hetgeen bij het eigen vermogen niet het geval is.
119 Tot slot bepaalt artikel 27, lid 5, van verordening nr. 806/2014 dat in uitzonderlijke gevallen, waarin het instrument van bail-in wordt toegepast, bepaalde in aanmerking komende passiva geheel of gedeeltelijk van de werkingssfeer van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden kunnen worden uitgesloten. Deze mogelijkheid bestaat echter niet voor het eigen vermogen.
120 Anders dan verzoekster betoogt hebben de in aanmerking komende passiva voor de instellingen dus niet dezelfde verliesabsorbtiecapaciteit als het eigen vermogen.
121 In die omstandigheden dient de slotsom te luiden dat verzoekster, niettegenstaande de uit de in punt 39 hierboven aangehaalde rechtspraak voortvloeiende vereisten, niet heeft aangetoond dat de in aanmerking komende passiva zich – wat betreft hun verliesabsorptiecapaciteit en de mogelijkheid om het instrument van bail-in toe te passen – in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van het eigen vermogen.
122 In de tweede plaats bekritiseert verzoekster het feit dat artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 niet voorziet in aftrek van de in aanmerking komende passiva die als berekeningsbasis voor de vaststelling van de jaarlijkse basisbijdrage dienen.
123 In dit verband dient te worden vastgesteld dat die bepaling evenmin voorziet in uitsluiting van het eigen vermogen van de passiva die als berekeningsbasis voor de vaststelling van de jaarlijkse basisbijdrage dienen. Deze uitsluiting is namelijk voorzien in artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder a), van verordening nr. 806/2014.
124 Bovendien blijkt uit de rechtspraak dat het beginsel van gelijke behandeling niet kan rechtvaardigen dat de in aanmerking komende passiva in mindering worden gebracht op de passiva die als berekeningsbasis voor het bepalen van de jaarlijkse basisbijdrage dienen, aangezien gedelegeerde verordening 2015/63 situaties heeft onderscheiden met bijzondere kenmerken die rechtstreeks verband houden met de risico’s die de passiva in kwestie meebrengen (zie in die zin arrest van 3 december 2019, Iccrea Banca, C‑414/18, EU:C:2019:1036, punt 95).
125 Uit het voorgaande vloeit voort dat het feit dat in artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 niet is bepaald dat de in aanmerking komende passiva in mindering worden gebracht op de passiva die als berekeningsbasis voor het vaststellen van de jaarlijkse basisbijdrage dienen, geen schending van het beginsel van gelijke behandeling vormt.
126 Derhalve moet het derde onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.
c) Vierde onderdeel: de vooraf te betalen bijdragen wegens de criteria voor de berekening van de aanpassingscoëfficiënt zijn niet representatief voor het werkelijk gedragen risico
127 Met het vierde onderdeel van het eerste middel betoogt verzoekster dat artikel 70, leden 1 en 2, van verordening nr. 806/2014 en de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij het beginsel van gelijke behandeling schenden op grond dat de vooraf te betalen bijdragen wegens de criteria voor de berekening van de aanpassingscoëfficiënt niet representatief zijn voor het werkelijk gedragen risico. In dit verband voert verzoekster drie grieven aan, die erop zijn gebaseerd, ten eerste, dat er geen rekening is gehouden met het intrinsieke algemene risicoprofiel van elke instelling, ten tweede, dat er geen beoordeling van de risicofactoren is verricht in het licht van de vereisten die de toezichtautoriteit in het kader van het GTM oplegt en, ten derde, dat het onmogelijk is om ten volle rekening te houden met elke individuele specificiteit van elke instelling.
1) Eerste grief: er is geen rekening gehouden met het intrinsieke algemene risicoprofiel van elke instelling
128 Verzoekster betoogt dat de in de „artikelen 6 e.v.” van gedelegeerde verordening 2015/63 vastgelegde criteria erop berusten dat de afzonderlijk beschouwde risicofactoren in aanmerking worden genomen en niet het intrinsieke algemene risicoprofiel van elke instelling.
129 De GAR, het Parlement, de Raad en de Commissie betwisten dit betoog.
130 Om te beginnen zij opgemerkt dat verzoekster niet overeenkomstig de in punt 39 hierboven aangehaalde rechtspraak precies heeft aangegeven welke de vergelijkbare situaties zijn die volgens haar anders zijn behandeld of welke de verschillende situaties zijn die volgens haar op identieke wijze zijn behandeld bij de vaststelling, door de Uniewetgever, van de criteria voor de aanpassing van de jaarlijkse basisbijdrage op basis van het risicoprofiel.
131 Vervolgens staat vast dat de criteria voor de berekening van de aanpassingscoëfficiënt, die leiden tot aanpassing van de jaarlijkse basisbijdrage op basis van het risicocriterium, van toepassing zijn op alle betrokken instellingen, waaronder verzoekster, behoudens de instellingen die uit hoofde van artikel 10 van gedelegeerde verordening 2015/63 voor betaling van een forfaitaire bijdrage in aanmerking komen, en de instellingen die in artikel 11 van deze gedelegeerde verordening worden genoemd. In die omstandigheden wordt verzoekster wat genoemde criteria betreft niet anders behandeld.
132 Bovendien heeft verzoekster niet betoogd, laat staan aangetoond, dat de schending van het beginsel van gelijke behandeling voortvloeit uit het feit dat zij wat betreft de toepassing van de bovengenoemde criteria voor de berekening van de aanpassingscoëfficiënt niet op dezelfde wijze zou moeten worden behandeld als de andere instellingen.
133 Gesteld al dat verzoeksters kritiek aldus moet worden begrepen dat zij betoogt dat zij zich niet in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van de andere instellingen en dat zij op andere wijze moet worden behandeld, moet bovendien worden opgemerkt dat verzoekster aan het Gerecht geen concrete gegevens heeft verstrekt waaruit zou blijken dat zij zich in een dergelijke situatie bevindt.
134 Tot slot berust het betoog van verzoekster hoe dan ook op onjuiste premissen. Ten eerste betoogt zij ten onrechte dat de bij gedelegeerde verordening 2015/63 vastgestelde criteria geen rekening houden met het intrinsieke algemene risicoprofiel van de instellingen. Een aantal van de vier risicopijlers die in artikel 6 van gedelegeerde verordening 2015/63 worden genoemd, met name de risicopijler betreffende het belang van de instelling voor de stabiliteit van het financiële stelsel of de economie, maken een dergelijke algemene analyse immers mogelijk.
135 Ten tweede dient de kritiek te worden afgewezen die verzoekster tegen de in „artikelen 6 e.v.” vastgestelde criteria van gedelegeerde verordening 2015/63 uit, op grond dat deze criteria regionale banken van kleine omvang in aanmerking nemen, hetgeen zou leiden tot een negatieve bias ten aanzien van instellingen van grote omvang vanwege het feit dat deze regionale banken een aanzienlijk bedrag aan gedekte deposito’s aanhouden, anders dan instellingen van grote omvang, zoals verzoekster, wier activiteiten nochtans niet risicovoller zouden zijn.
136 Uit de punten 51 tot en met 63 hierboven blijkt immers dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de uitsluiting van de gedekte deposito’s bij de berekening van de vooraf te betalen bijdragen in strijd was met het beginsel van gelijke behandeling. Daarnaast hebben de instellingen van grote omvang die, zoals verzoekster, een zeer hoog bedrag aan passiva hebben, gelet op de in de punten 94 en 96 hierboven uiteengezette overwegingen, geen risicoprofiel dat gelijkwaardig is aan of lager is dan dat van de kleine en middelgrote ondernemingen. Dientengevolge bevinden deze beide categorieën zich voor de door de GAR uit te voeren berekening van de vooraf te betalen bijdragen niet in vergelijkbare situaties.
137 Bijgevolg moet de onderhavige grief ongegrond worden verklaard.
2) Tweede grief: ontbreken van een beoordeling van de risicofactoren in het licht van de vereisten die de toezichtautoriteit in het kader van het GTM oplegt
138 Verzoekster betoogt dat de methode voor de aanpassing van de jaarlijkse basisbijdrage op basis van het risicoprofiel ertoe leidt dat de risicofactoren worden beoordeeld zonder dat de vereisten die de toezichtautoriteit in het kader van het GTM oplegt, in aanmerking worden genomen. Volgens de GTM-criteria zouden de Franse instellingen binnen de bankenunie het minst risicovol zijn, terwijl zij volgens de beoordelingscriteria van gedelegeerde verordening 2015/63 juist het meest risicovol blijken te zijn.
139 De GAR en de Raad betwisten dit betoog.
140 De onderhavige grief en de in de punten 100 tot en met 110 hierboven ongegrond verklaarde tweede grief van het eerste onderdeel van het eerste middel overlappen elkaar in wezen.
141 Derhalve moet de onderhavige grief op dezelfde gronden worden afgewezen.
3) Derde grief: onmogelijkheid om ten volle rekening te houden met elke individuele specificiteit van elke instelling
142 Verzoekster stelt dat artikel 70, leden 1 en 2, van verordening nr. 806/2014 en de artikelen 6 en 7 gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij het beginsel van gelijke behandeling schenden op grond van het feit dat het onmogelijk is om in het kader van een op uniforme wijze op alle instellingen toegepaste procedure, en met het oog op een gelijke verdeling over deze instellingen van het met het jaarlijkse streefbedrag overeenkomende bedrag, ten volle rekening te houden met elke individuele specificiteit van elke instelling.
143 De GAR en de Raad betwisten dit betoog.
144 Allereerst dient te worden opgemerkt dat verzoekster, met de formulering van haar grief, zelf erkent dat de bekritiseerde methode voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen op alle instellingen op dezelfde wijze wordt toegepast.
145 Indien verzoeksters kritiek aldus moet worden begrepen dat zij aanvoert dat zij zich niet in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van de andere instellingen en dat zij op andere wijze moet worden behandeld, dient vervolgens te worden opgemerkt dat zij aan het Gerecht geen concrete gegevens heeft overgelegd waaruit zou blijken dat zij zich in een dergelijke situatie bevindt.
146 Ten slotte komt verzoeksters argument er in werkelijkheid hoe dan ook op neer dat wordt betoogd dat de criteria voor de aanpassing van de jaarlijkse basisbijdrage op basis van het risicoprofiel niet geschikt zijn. Zij heeft voor het Gerecht echter geen enkele gedetailleerde omstandigheid naar voren gebracht waarmee concreet kan worden aangetoond dat die criteria ongeschikt zijn en heeft zich in haar grief beperkt tot het formuleren van niet-onderbouwde stellingen.
147 Bijgevolg dient de derde grief, en daarmee het vierde onderdeel van het eerste middel alsmede dit middel in zijn geheel, te worden afgewezen.
2. Tweede middel: schending van het evenredigheidsbeginsel
148 Verzoekster betoogt dat artikel 70, lid 1 en lid 2, tweede alinea, onder a) en b), van verordening nr. 806/2014 en de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij regels voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen vaststellen die het beginsel van gelijke behandeling schenden.
149 De GAR, het Parlement, de Raad en de Commissie betwisten dit betoog.
150 Het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het Unierecht, vereist dat de handelingen van de instellingen van de Unie geschikt zijn om de legitieme doelen die met de betrokken regeling worden nageleefd te bereiken en niet verder gaan dan noodzakelijk is om deze doelen te bereiken, met dien verstande dat, wanneer een keuze tussen meerdere passende maatregelen mogelijk is, gebruik moet worden gemaakt van de maatregel die het minst belastend is en de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn ten opzichte van de nagestreefde doelen (arresten van 4 mei 2016, Philip Morris Brands e.a., C‑547/14, EU:C:2016:325, punt 165, en 20 januari 2021, ABLV Bank/GAR, T‑758/18, EU:T:2021:28, punt 142; zie in die zin ook arrest van 8 juni 2010, Vodafone e.a., C‑58/08, EU:C:2010:321, punt 51).
151 Wat de rechterlijke toetsing van de in punt 150 hierboven vermelde voorwaarden betreft, zij eraan herinnerd dat de Uniewetgever, bij het bepalen van de wijze van berekening van de vooraf te betalen bijdragen, over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, aangezien hij moet optreden op een gebied waarop van hem politieke, economische en sociale keuzen worden verlangd en waarop hij complexe afwegingen moet maken (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punten 117 en 118).
152 In diezelfde geest beschikt de Commissie, in de context van een gedelegeerde bevoegdheid in de zin van artikel 290 VWEU, in het kader van de uitoefening van de aan hem overgedragen bevoegdheden, over een ruime beoordelingsbevoegdheid wanneer zij onder meer complexe beoordelingen en evaluaties moeten verrichten (zie in die zin arrest van 11 mei 2017, Dyson/Commissie, C‑44/16 P, EU:C:2017:357, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
153 Dit gaat onder andere op voor gedelegeerde verordening 2015/63 waarbij de Commissie op grond van artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 nadere regels heeft vastgesteld voor de aanpassing van de vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel.
154 Zoals uit de documenten bij de vaststelling van gedelegeerde verordening 2015/63 blijkt – met name de documenten „JRC technical work supporting Commission second level legislation on risk based contributions to the (single) resolution fund” [Technische JRC-studie ter ondersteuning van de tweedelijnswetgeving van de Commissie inzake risicogebaseerde bijdragen aan het (gemeenschappelijk) afwikkelingsfonds; hierna: „technische JRC-studie”], en „Commission Staff Working Document: estimates of the application of the proposed methodology for the calculation of contributions to resolution financing arrangements” (Werkdocument van de diensten van de Commissie: Ramingen omtrent de toepassing van de voorgestelde methode voor de berekening van de bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen) –, moest de Commissie voor het opstellen van dergelijke regels immers complexe beoordelingen en evaluaties verrichten, aangezien zij de verschillende elementen moest onderzoeken aan de hand waarvan de uiteenlopende soorten risico’s in de bancaire en de financiële sector worden benaderd.
155 In die omstandigheden, en overeenkomstig de rechtspraak (zie in die zin arresten van 4 mei 2016, Polen/Parlement en Raad, C‑358/14, EU:C:2016:323, punten 79, 96 en 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en van 21 december 2022, Firearms United Network e.a./Commissie, T‑187/21, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2022:848, punten 122 en 123 en aldaar aangehaalde rechtspraak), moet de toetsing door het Gerecht van de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel zich beperken tot het onderzoek van de vraag of de door de Uniewetgever en de door de Commissie vastgestelde maatregelen kennelijk ongeschikt zijn ter bereiking van het nagestreefde doel, of zij niet duidelijk verder gaan dan noodzakelijk is om dit doel te bereiken, dan wel of zij geen nadelen met zich brengen die duidelijk onevenredig zijn aan dat doel.
156 In dit verband voert verzoekster in wezen drie argumenten aan.
157 In de eerste plaats moet verzoeksters argument worden onderzocht waarmee zij aanvoert dat artikel 70, lid 1 en lid 2, tweede alinea, onder a) en b), van verordening nr. 806/2014 en de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij het evenredigheidsbeginsel schenden op grond dat de berekening van de door elke instelling vooraf te betalen bijdrage afhangt van de situatie van andere instellingen, maar dat daarbij evenwel niet het doel van evenwichtige, risicogewogen, verdeling in acht wordt genomen. In het bijzonder drukt wegens deze onderlinge afhankelijkheid tussen de instellingen volgens verzoekster een onevenredige last op de Franse bancaire sector.
158 Wat allereerst de geschiktheid van de methode voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen betreft, zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft aanvaard dat de Uniewetgever, in het kader van zijn ruime discretionaire bevoegdheid, heeft gekozen voor een wijze van berekening van de vooraf te betalen bijdragen waarbij vergelijkenderwijs rekening wordt gehouden met, in het bijzonder, de financiële situatie van elke instelling waaraan in de deelnemende lidstaten vergunning is verleend (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 118).
159 Dienaangaande heeft verzoekster niets aangevoerd dat kan afdoen aan de redenen ter staving van deze vaststelling of aan de verklaring van de GAR dat een dergelijke berekeningsmethode beoogt de instellingen aan te moedigen minder risicovolle werkwijzen te volgen door hen er vooral toe aan te zetten hun positie ten opzichte van die van de andere instellingen te verbeteren.
160 In die omstandigheden kan verzoekster niet volhouden dat de berekening van de vooraf te betalen bijdragen waarbij vergelijkenderwijs rekening wordt gehouden met de financiële situatie van elke instelling, een maatregel is die duidelijk ongeschikt is ter bereiking van het in punt 159 hierboven genoemde doel.
161 Wat de noodzakelijkheid van de in punt 159 hierboven genoemde methode betreft, voert verzoekster aan dat de vooraf te betalen bijdragen hadden kunnen worden berekend volgens een alternatieve methode, die enkel zou zijn gebaseerd op de specifieke gegevens van de betrokken instelling. Gesteld al dat een dergelijke methode zou leiden tot een lagere vooraf te betalen bijdrage en aldus voor de instellingen minder belastend zou zijn, staat het echter niet vast dat met die methode het in punt 159 hierboven genoemde doel even doeltreffend zou kunnen worden bereikt als met de door de Uniewetgever en de Commissie ingevoerde comparatieve berekeningsmethode.
162 Gelet op de inhoud van verzoeksters argumenten is aldus niet vastgesteld dat de berekeningsmethode duidelijk verder gaat dan noodzakelijk is om het in punt 159 hierboven genoemde doel te bereiken.
163 Tot slot heeft verzoekster niet aangetoond dat de berekening van de vooraf te betalen bijdragen, waarbij vergelijkenderwijs met de financiële situatie van elke instelling rekening wordt gehouden, nadelen met zich meebrengt die duidelijk onevenredig zijn aan het nagestreefde doel, dat in punt 159 hierboven is beschreven.
164 In de tweede plaats betoogt verzoekster dat de beoordeling van het risicoprofiel van de instellingen ter fine van de berekening van de vooraf te betalen bijdragen berust op criteria die niet in correlatie staan met de criteria die in het kader van het GTM worden toegepast. Verzoekster zou vanwege dit gebrek aan correlatie een kunstmatig verhoogd en onevenredig bedrag aan vooraf te betalen bijdragen moeten betalen.
165 Wat, ten eerste, de ongeschiktheid van de criteria voor de beoordeling van het risicoprofiel van de instellingen betreft, zoals deze criteria zijn vastgesteld in artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 – waarnaar artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder b), van verordening nr. 806/2014 overigens verwijst – en in de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij, blijkt uit de inhoud van deze bepalingen, alsmede uit overweging 107 van richtlijn 2014/59, overweging 109 van verordening nr. 806/2014 en overweging 5 van gedelegeerde verordening 2015/63 dat die criteria beogen te waarborgen dat de instellingen die een meer risicovolle werkwijze volgen hogere vooraf te betalen bijdragen moeten betalen dan de instellingen die een minder risicovolle werkwijze volgen.
166 Verzoekster heeft het Gerecht echter geen concrete gegevens verstrekt ter weerlegging van het feit dat de hier bedoelde criteria van dien aard zijn dat genoemd doel kan worden bereikt. Dienaangaande heeft zij zich beperkt tot het aanvoeren van de niet-onderbouwde stelling dat de criteria die in het kader van het GTM voor de risicobeoordeling worden gehanteerd, geschikter zouden zijn om te waarborgen dat de instellingen die een hoog risicoprofiel hebben het meest bijdragen aan het GAF. Dit argument moet, gelet op de overwegingen in de punten 104 tot en met 111 hierboven, worden afgewezen, aangezien de doelen van de GAM-regeling en die van de GTM-regeling van elkaar verschillen.
167 Gelet op een en ander moeten de argumenten van verzoekster – waarmee zij tracht aan te tonen dat de in punt 165 hierboven genoemde bepalingen, die voorzien in criteria voor de aanpassing van de vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel van de instellingen, kennelijk ongeschikt zijn ten opzichte van het in dat punt genoemde doel – worden afgewezen.
168 Wat, ten tweede, de noodzaak betreft dat de criteria die voortvloeien uit de in punt 165 hierboven genoemde bepalingen in aanmerking worden genomen, meent verzoekster dat het eventuele in aanmerking nemen van de criteria die in het kader van het GTM worden gehanteerd, tot lichtere lasten voor de betrokken instellingen kan leiden.
169 Zoals het Hof in het arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR (C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 113), heeft opgemerkt, beogen de criteria van de in punt 165 hierboven genoemde bepalingen het jaarlijkse streefbedrag om te slaan over alle betrokken instellingen. Dit betekent dat indien criteria die in de plaats zouden komen van die van deze bepalingen, zoals de criteria die in het kader van het GTM worden gebruikt, voor sommige instellingen tot lagere lasten zouden leiden, zij tegelijkertijd hogere lasten voor andere instellingen tot gevolg zouden hebben. Desondanks heeft verzoekster niet uitgelegd hoe de toepassing van deze vervangende criteria voor alle betrokken instellingen tot lagere lasten zou leiden.
170 Gesteld dat dergelijke criteria tot een lagere vooraf te betalen bijdrage voor de instellingen leiden, geeft verzoekster – ondanks het feit dat, zoals uit de punten 104 tot en met 111 hierboven voortvloeit, de doelen die door het GTM en, meer in het algemeen, door de Unieregeling betreffende de vereisten inzake toezicht worden nagestreefd, verschillen van de doelen die met de regeling voor de afwikkeling van instellingen worden beoogd – bovendien niet aan hoe met de toepassing van die criteria het in punt 165 hierboven genoemde doel even doeltreffend kan worden bereikt als met de toepassing van de criteria die uit de in dat punt genoemde bepalingen voortkomen.
171 Al met al heeft verzoekster niet aangetoond op welke wijze de criteria die door de in punt 165 hierboven genoemde bepalingen zijn ingevoerd, duidelijk verder gaan dan hetgeen nodig is om het in datzelfde punt genoemde doel te bereiken.
172 Ten derde heeft verzoekster evenmin aangetoond dat de aanpassing van de vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel van de instellingen, in het licht van de criteria die in de in punt 165 hierboven genoemde bepalingen zijn ingevoerd, nadelen met zich brengt die duidelijk onevenredig zijn aan het in bovengenoemd punt beschreven doel.
173 In de derde plaats betoogt verzoekster dat het evenredigheidsbeginsel wordt geschonden, aangezien het bedrag van de vooraf te betalen bijdragen vrijwel uitsluitend door de jaarlijkse basisbijdrage wordt bepaald. Volgens haar blijft de belangrijkste parameter van de vooraf te betalen bijdragen de balansomvang in plaats van de aanpassingscoëfficiënt die, omdat zij tussen 0,8 en 1,5 schommelt, een beperkte invloed heeft. Een dergelijk mechanisme brengt volgens haar een overwaardering mee van de jaarlijkse basisbijdragen van de instellingen van grote omvang, ondanks dat zij in het kader van het GTM een laag risicoprofiel hebben.
174 Dienaangaande blijkt uit artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder a), van verordening nr. 806/2014, gelezen in samenhang met overweging 5 van gedelegeerde verordening 2015/63, dat de jaarlijkse basisbijdrage wordt berekend op basis van de verhouding tussen het bedrag van de passiva van de betrokken instelling (exclusief eigen vermogen en gedekte deposito’s) en het totaalbedrag van de passiva (exclusief eigen vermogen en gedekte deposito’s) van alle instellingen waaraan op het grondgebied van alle deelnemende staten vergunning is verleend, zodat deze bijdrage is gebaseerd op de omvang van de instelling.
175 Wat de geschiktheid betreft van het in aanmerking nemen – ter fine van de berekening van de jaarlijkse basisbijdrage – van de omvang van de instellingen, zij eraan herinnerd dat, gelet op de in punt 87 hierboven uiteengezette overwegingen, van de instellingen die aanzienlijke passiva bezitten – en dus een grote omvang hebben – het meest te verwachten valt dat er een afwikkelingsinstrument op hen wordt toegepast en dat zij aldus financiering uit het GAF ontvangen.
176 De Uniewetgever en de Commissie hebben, juist uitgaande van het criterium van het gewicht van de passiva van de instellingen – en bijgevolg van hun omvang – de verwezenlijking van de in punt 42 hierboven vermelde doelen willen waarborgen, te weten het GAM met het oog op de efficiënte toepassing van de afwikkelingsinstrumenten toereikende financiële middelen te verschaffen, en de instellingen ertoe aan te zetten, onder meer in de vorm van passivavermindering, minder risicovolle werkwijzen te volgen.
177 In dit verband heeft verzoekster niet aangetoond dat de Uniewetgever en de Commissie, door bij de berekening van de jaarlijkse basisbijdrage uit te gaan van de omvang van de instellingen, voor een maatregel hebben gekozen die duidelijk ongeschikt is voor het bereiken van de in punt 176 hierboven genoemde doelen.
178 Aangaande de noodzakelijkheid van het omvangscriterium betoogt verzoekster in wezen dat, indien de berekening van de vooraf te betalen bijdragen meer op de aanpassingscoëfficiënt dan op de omvang van de instellingen zou zijn gebaseerd, het bedrag van deze bijdragen lager zou zijn, omdat dit bedrag het lage risicoprofiel van de instellingen zou weergeven.
179 Indien het betoog van verzoekster aldus moet worden uitgelegd dat zij de toepassing verlangt van een ruimere marge voor de aanpassingscoëfficiënt dan die waarin artikel 9, lid 3, van gedelegeerde verordening 2015/63 voorziet, te weten een marge die ook ruimte laat voor waarden hoger dan 1,5 %, is het nog maar de vraag of de berekening van de vooraf te betalen bijdragen op basis van een dergelijke marge tot lagere lasten voor de instellingen zou leiden. In een dergelijk geval zou de aanpassingscoëfficiënt immers kunnen worden vastgesteld op een waarde hoger dan 1,5 %, zodat het bedrag van die bijdragen zou toenemen.
180 Aldus kan niet worden betoogd dat de door de Uniewetgever vastgestelde en door de Commissie nader toegelichte methode voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen, waarbij de berekening van deze bijdragen in grotere mate op de omvang van de instellingen dan op de aanpassingscoëfficiënt berust, duidelijk verder gaat dan noodzakelijk is om het in punt 176 hierboven genoemde doel te bereiken.
181 Verzoekster heeft dus niet aangetoond dat het in aanmerking nemen van de omvang van de instellingen voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen nadelen met zich meebrengt die kennelijk onevenredig zijn aan de nagestreefde doelen.
182 Gelet op het voorgaande moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.
3. Derde middel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel
183 Met haar derde middel voert verzoekster aan dat artikel 69, leden 1 en 2, en artikel 70, leden 1 en 2, van verordening nr. 806/2014, artikel 4, lid 2, en de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij en artikel 4 van uitvoeringsverordening 2015/81 het rechtszekerheidsbeginsel schenden. Het betoog ter ondersteuning van dit middel bestaat uit drie onderdelen, die erop berusten dat i) het voor de instellingen onmogelijk is om op voorhand het bedrag van de vooraf te betalen bijdrage te kennen, ii) sommige risico-indicatoren niet in aanmerking zijn genomen, en iii) de regels ter vaststelling van de „groeifactor van de gedekte deposito’s” die dient om het jaarlijkse streefbedrag vast te stellen, ongeschikt zijn. Verzoekster heeft in het kader van het onderhavige middel tevens een vierde onderdeel geformuleerd, dat is ontleend aan schending van artikel 290 VWEU.
184 Vooraf moet worden toegelicht waartegen de onderhavige exceptie van onwettigheid precies is gericht.
185 Dienaangaande zij opgemerkt dat verzoekster, hoewel zij formeel gezien een exceptie van onwettigheid inroept tegen alle in punt 183 hierboven genoemde bepalingen, haar betoog ter ondersteuning van deze exceptie enkel baseert op het argument dat de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij het rechtszekerheidsbeginsel schenden. Verzoekster voert dus geen argumenten aan die, in het licht van genoemd beginsel, specifiek betrekking hebben op de wettigheid van artikel 69, leden 1 en 2, en artikel 70, leden 1 en 2, van verordening nr. 806/2014, van artikel 4, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 en van artikel 4 van uitvoeringsverordening 2015/81. Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de onderhavige exceptie van onwettigheid in werkelijkheid slechts betrekking heeft op de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede op bijlage I daarbij.
a) Eerste onderdeel: onmogelijkheid om op voorhand het bedrag van de vooraf te betalen bijdrage te kennen
186 Verzoekster betoogt in wezen dat de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede bijlage I daarbij het rechtszekerheidsbeginsel schenden omdat zij niet lang genoeg op voorhand het bedrag van de door haar vooraf te betalen bijdrage kan kennen. Om te beginnen is de berekeningsmethode in haar geheel ondoorzichtig. Vervolgens vindt de aanpassing van de jaarlijkse basisbijdrage aan het risicoprofiel plaats op basis van de in die bepalingen vastgelegde voorschriften, die ondoorzichtig zijn. Ten slotte wordt verzoekster op eenzijdige en ondoorzichtige wijze aan de verschillende cellen toegewezen.
187 Daarnaast worden er bij de vaststelling van de vooraf te betalen bijdrage cijfers gebruikt die niet openbaar zijn gemaakt. En uiteindelijk hangt het bedrag van de vooraf te betalen bijdragen af van de ontwikkeling van de situatie van de andere instellingen, hetgeen een sterke onderlinge afhankelijkheid creëert tussen de bedragen van de individuele bijdragen van de verschillende instellingen, waardoor het onmogelijk wordt om een precieze vooraf te betalen bijdrage op voorhand te berekenen.
188 De GAR, het Parlement, de Raad en de Commissie betwisten dit betoog.
189 Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn en dat de toepassing ervan voorzienbaar is voor de justitiabelen, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben. Meer bepaald vereist dat beginsel dat een regeling de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen, en dat deze laatsten ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen (arresten van 29 april 2021, Banco de Portugal e.a., C‑504/19, EU:C:2021:335, punt 51, en 16 februari 2022, Polen/Parlement en Raad, C‑157/21, EU:C:2022:98, punt 319).
190 Deze vereisten kunnen evenwel niet aldus worden begrepen dat zij zich ertegen verzetten dat een instelling van de Unie, in het kader van een door haar vastgestelde norm, een abstract juridisch begrip gebruikt, noch dat zij opleggen dat een dergelijke abstracte norm de verschillende concrete gevallen noemt waarin zij kan worden toegepast, aangezien die instelling al die gevallen niet op voorhand kan bepalen (zie naar analogie arresten van 20 juli 2017, Marco Tronchetti Provera e.a., C‑206/16, EU:C:2017:572, punten 39 en 40, en 16 februari 2022, Polen/Parlement en Raad, C‑157/21, EU:C:2022:98, punt 320).
191 Dientengevolge schendt een bepaling van een Uniehandeling het rechtszekerheidsbeginsel – vanwege het gebrek aan duidelijkheid ervan – enkel indien zij zo dubbelzinnig is dat de justitiabelen eventuele twijfels over de draagwijdte of de betekenis van deze bepaling niet met voldoende zekerheid kunnen wegnemen (zie in die zin arresten van 14 april 2005, België/Commissie, C‑110/03, EU:C:2005:223, punt 31, en 22 mei 2007, Mebrom/Commissie, T‑216/05, EU:T:2007:148, punt 108).
192 In diezelfde geest is het feit dat een Uniehandeling een beoordelingsbevoegdheid toekent aan de autoriteiten die zijn belast met de uitvoering ervan op zich niet in strijd met het vereiste van voorzienbaarheid, mits de strekking en de wijze van uitoefening van een dergelijke bevoegdheid, gelet op het betrokken rechtmatige doel, voldoende duidelijk zijn omschreven om adequate bescherming te bieden tegen willekeur (zie arrest van 16 februari 2022, Polen/Parlement en Raad, C‑157/21, EU:C:2022:98, punt 321 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
193 Overeenkomstig de in de punten 191 en 192 hierboven aangehaalde rechtspraak dient in casu dus te worden onderzocht of de toepasselijke regeling zo dubbelzinnig is dat de instellingen eventuele twijfels over de draagwijdte of de betekenis van de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 alsmede van bijlage I daarbij, waarvan verzoekster aanvoert dat zij onwettig zijn, niet met voldoende zekerheid kunnen wegnemen.
194 Wat in de eerste plaats de vermeende ondoorzichtigheid van de berekeningsmethode in haar geheel betreft, staat het aan verzoekster om aan te geven waar dit gebrek aan duidelijkheid, deze onnauwkeurigheden of dit gebrek aan voorzienbaarheid in de rechtsregels die zij betwist, zich voordoen. Verzoekster heeft dit echter niet aangegeven en heeft zich ertoe beperkt algemene, niet-onderbouwde beweringen te formuleren.
195 Hoe dan ook blijkt uit de rechtspraak dat de instellingen uit de toepasselijke regeling niet noodzakelijkerwijs hoeven te kunnen opmaken dat de berekening van hun vooraf te betalen bijdragen juist is, omdat een dergelijk vereiste noodgedwongen zou betekenen dat het de Uniewetgever en de Commissie verboden is om voor die bijdragen een berekeningsmethode in te voeren waarbij gebruik wordt gemaakt van gegevens waarvan het vertrouwelijke karakter door het Unierecht wordt beschermd en dus dat de ruime beoordelingsmarge waarover de Uniewetgever en de Commissie dienen te beschikken, buitensporig wordt beperkt doordat de Uniewetgever en de Commissie met name worden verhinderd te kiezen voor een methode waarmee is gewaarborgd dat de financiering van het GAF kan worden aangepast aan de ontwikkeling van de financiële sector door in het bijzonder vergelijkenderwijs rekening te houden met de financiële situatie van elke instelling waaraan op het grondgebied van een aan het GAF deelnemende lidstaat vergunning is verleend (zie in die zin en naar analogie arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 118).
196 Aldus volstaat het dat de adressaten van een besluit tot vaststelling van de vooraf te betalen bijdragen, ondanks het feit dat zij geen onder het bedrijfsgeheim vallende gegevens hebben verkregen, kennis hebben van de door de GAR gebruikte berekeningsmethode en beschikken over voldoende informatie om ten gronde te begrijpen hoe hun individuele situatie in aanmerking is genomen bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage, rekening houdend met de situatie van alle andere betrokken instellingen (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 122).
197 Tot de informatie die aldus aan de instellingen ter beschikking moet worden gesteld behoren met name de grenswaarden van elke cel en die van de daarop betrekking hebbende risico-indicatoren, op basis waarvan de door de instellingen vooraf te betalen bijdrage is aangepast aan hun risicoprofiel (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 167).
198 Bovendien verhindert gedelegeerde verordening 2015/63 de GAR geenszins om in geaggregeerde en geanonimiseerde vorm zoveel informatie openbaar te maken dat een instelling daar genoeg aan heeft om te kunnen begrijpen hoe haar individuele situatie in verhouding tot de situatie van alle andere betrokken instellingen in aanmerking is genomen bij de berekening van haar vooraf te betalen bijdrage (arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 139).
199 In die omstandigheden moet de eerste grief worden afgewezen.
200 Wat, in de tweede plaats, de aanpassing van de jaarlijkse basisbijdrage van de instellingen aan het risicoprofiel betreft, zij opgemerkt dat verzoekster enkel aanvoert dat de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 „ondoorzichtig zijn door hun omvang” en dus op algemene wijze betoogt dat de in die bepalingen gebruikte begrippen een zodanig gebrek aan duidelijkheid vertonen dat zulks schending van het rechtszekerheidsbeginsel oplevert.
201 Verzoekster heeft aan het Gerecht nochtans geen concrete gegevens verstrekt ter betwisting van de wettigheid van de artikelen 6 en 7 van gedelegeerde verordening 2015/63 op grond van hun vermeende gebrek aan duidelijkheid, hun onnauwkeurigheid of hun gebrek aan voorzienbaarheid.
202 De tweede grief kan derhalve niet slagen.
203 Wat, in de derde plaats, het argument van verzoekster betreft dat de in punt 204 hieronder beschreven methode voor de indeling in cellen (binning), met name de toewijzing aan de verschillende cellen, op eenzijdige en ondoorzichtige wijze wordt toegepast, zij het volgende opgemerkt.
204 Ingevolge bijlage I, onder het opschrift „Stap 2”, van gedelegeerde verordening 2015/63 staat het aan de GAR om, in eerste instantie, een aantal cellen te berekenen teneinde de instellingen te vergelijken, rekening houdend met de verschillende risico-indicatoren en -subindicatoren. Vervolgens moet de GAR de instellingen aan elke cel toewijzen. Daarna moet de GAR aan alle instellingen in een gegeven cel dezelfde waarde – oftewel „gediscretiseerde indicator” – toewijzen, waarmee hij rekening moet houden bij de rest van de berekening van de aanpassingscoëfficiënt.
205 Bovendien zet bijlage I van gedelegeerde verordening 2015/63 met name de verschillende stappen van genoemde methode uiteen en geeft zij aan welke wiskundige formules door de GAR moeten worden toegepast.
206 Verzoekster heeft aan het Gerecht evenwel geen concrete gegevens overgelegd waaruit zou blijken dat deze verschillende stappen of deze formules een gebrek aan duidelijkheid, nauwkeurigheid of voorzienbaarheid vertonen.
207 Hoe dan ook was de Commissie, gelet op de overwegingen in de punten 195 tot en met 197 hierboven, niet verplicht om te bepalen dat de instellingen gegevens zouden verkrijgen waarmee zij volledig kunnen nagaan of de methode voor de indeling in cellen juist is toegepast.
208 Bovendien belet gedelegeerde verordening 2015/63 geenszins dat de GAR, teneinde aan de in de punten 196 en 197 hierboven genoemde vereisten te voldoen, de grenswaarden van elke cel en de daarbij horende indicatoren openbaar maakt, opdat de betrokken instelling zich ervan kan vergewissen dat, onder andere, de indeling die haar is toegekend bij de discretisering van de indicatoren, zoals omschreven in bijlage I bij deze gedelegeerde verordening, daadwerkelijk overeenkomt met haar economische situatie, dat deze discretisering heeft plaatsgevonden op een wijze die overeenkomt met de door die gedelegeerde verordening vastgestelde methode op basis van aannemelijke cijfers en dat alle ingevolge verordening nr. 806/2014 en ingevolge genoemde gedelegeerde verordening in aanmerking te nemen risicofactoren metterdaad in aanmerking zijn genomen.
209 In de vierde plaats kan verzoekster zich ter onderbouwing van de onderhavige exceptie van onwettigheid niet beroepen op het feit dat de vóór de vaststelling van het bestreden besluit door de GAR aan de instellingen ter beschikking gestelde berekeningstool niet geschikt was om de juistheid te verifiëren van de door hem uitgevoerde analysen voor het toewijzen van de instellingen aan de verschillende cellen. Deze berekeningstool is immers niet voorzien in de toepasselijke regeling, meer bepaald in gedelegeerde verordening 2015/63. Bijgevolg heeft verzoeksters kritiek betrekking op de wettigheid van de handelingen van de GAR en niet op de wettigheid van deze gedelegeerde verordening.
210 Indien genoemde grief aldus moet worden begrepen dat verzoekster hiermee de wettigheid van het bestreden besluit betwist, kan worden volstaan met de opmerking dat verzoekster niet uitlegt hoe – ondanks het feit dat de toepasselijke regeling de GAR niet verplicht om de in punt 209 hierboven genoemde berekeningstool aan de instellingen ter beschikking te stellen en dat deze tool ter beschikking is gesteld voordat het bestreden besluit werd vastgesteld – de vermeend ontoereikende gegevens in deze tool de geldigheid van dat besluit aantasten. Hoe dan ook vloeit uit de in de punten 195 tot en met 196 hierboven aangehaalde rechtspraak voort dat de GAR niet gehouden is tot openbaarmaking van onder het bedrijfsgeheim vallende gegevens die betrekking hebben op de economische situatie van elk van de andere betrokken instellingen.
211 In de vijfde plaats benadrukt verzoekster dat de publicatie van sommige geaggregeerde vertrouwelijke gegevens in de besluiten tot vaststelling van de voor een gegeven jaar vooraf te betalen bijdragen ontoereikend is omdat andere, niet-vertrouwelijke, gegevens die noodzakelijk zijn om de berekeningen goed te begrijpen en hierop vooruit te lopen, nog steeds niet door de GAR zijn gepubliceerd.
212 Met een dergelijk betoog komt verzoekster echter evenmin op tegen de bepalingen van de toepasselijke regeling, die in punt 186 hierboven zijn genoemd en waarvan verzoekster aanvoert dat zij onwettig zijn wegens schending van het rechtszekerheidsbeginsel.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 16 februari 2022, C-157/21, ECLI:EU:C:2022:98
- HvJ EU 15 juli 2021, C-584/20, ECLI:EU:C:2021:601
- Gerecht EU 7 juli 2021, T-455/17, ECLI:EU:T:2021:411
- Gerecht EU 16 juni 2021, T-126/19, ECLI:EU:T:2021:360
- Gerecht EU 5 mei 2021, T-611/18, ECLI:EU:T:2021:241
- HvJ EU 29 april 2021, C-504/19, ECLI:EU:C:2021:335
- HvJ EU 3 februari 2021, C-555/19, ECLI:EU:C:2021:89
- Gerecht EU 20 januari 2021, T-758/18, ECLI:EU:T:2021:28
- HvJ EU 24 november 2020, C-225/19, ECLI:EU:C:2020:951
- Gerecht EU 23 september 2020, T-411/17, ECLI:EU:T:2020:435
- Gerecht EU 9 september 2020, T-150/18, ECLI:EU:T:2020:394
- HvJ EU 3 december 2019, C-414/18, ECLI:EU:C:2019:1036
- Gerecht EU 28 november 2019, T-365/16, ECLI:EU:T:2019:824
- Gerecht EU 30 april 2019, T-737/17, ECLI:EU:T:2019:273
- HvJ EU 26 april 2018, C-34/17, ECLI:EU:C:2018:282
- HvJ EU 20 juli 2017, C-206/16, ECLI:EU:C:2017:572
- HvJ EU 11 mei 2017, C-44/16, ECLI:EU:C:2017:357
- Gerecht EU 13 december 2016, T-95/15, ECLI:EU:T:2016:722
- HvJ EU 4 mei 2016, C-358/14, ECLI:EU:C:2016:323
- HvJ EU 4 mei 2016, C-547/14, ECLI:EU:C:2016:325