HvJ EU 26 februari 2026, C-401/22, ECLI:EU:C:2026:132
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
26 februari 2026 ( *1 )
„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Luchtvrachtmarkt – Besluit van de Europese Commissie waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer wordt vastgesteld – Onderlinge afstemming van onderdelen van de prijs voor luchtvrachtdiensten (brandstoftoeslag, veiligheidstoeslag, en weigering van betaling van commissies over toeslagen) – Inkomende luchtvrachtdiensten – Territoriale bevoegdheid van de Commissie – Gekwalificeerde gevolgen – Enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd – Vervanging van de motivering – Mededingingsbeperking‚ ‚naar strekking’ – Onderzoek van de economische en juridische context – Strekking – Criteria voor de kwalificatie als één enkele voortdurende inbreuk – Aansprakelijkheid voor alle gedragingen waaruit die inbreuk bestaat – Voorwaarden – Duur van de deelname aan een dergelijke inbreuk – Ontbreken van bewijs voor de deelname aan een onderdeel van die inbreuk in de loop van perioden van enige omvang – Gelijke behandeling”
In zaak C‑401/22 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 16 juni 2022,
Cargolux Airlines International SA, gevestigd te Sandweiler (Luxemburg), vertegenwoordigd door E. Aliende Rodríguez, abogada,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Dawes, N. Khan en I. Söderlund als gemachtigden, vervolgens door A. Dawes en I. Söderlund als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, E. Regan en D. Gratsias, rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 april 2024,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt Cargolux Airlines International SA (hierna: „Cargolux”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 maart 2022, Cargolux Airlines/Commissie (T‑334/17, EU:T:2022:178; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroep tot nietigverklaring van besluit C(2017) 1742 final van de Commissie van 17 maart 2017 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer (zaak AT.39258 – Luchtvracht) (hierna: „litigieus besluit”), voor zover dit besluit haar betreft, en subsidiair tot nietigverklaring of tot verlaging van de haar bij dit besluit opgelegde geldboete.
Toepasselijke bepalingen
Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer
2 De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, ondertekend te Luxemburg op 21 juni 1999 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (PB 2002, L 114, blz. 73, met rectificatie in PB 2015, L 210, blz. 38) (hierna: „Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer”) is in werking getreden op 1 juni 2002. De artikelen 8 en 9 van deze overeenkomst stemmen mutatis mutandis overeen met respectievelijk de artikelen 101 en 102 VWEU.
3 Artikel 11 van deze overeenkomst luidt als volgt: „1. De bepalingen van artikel 8 en 9 worden toegepast […] door de instellingen van de Gemeenschap in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht vermeld in de bijlage bij deze overeenkomst, met inachtneming van de behoefte aan intensieve samenwerking tussen de instellingen van de Gemeenschap en de Zwitserse autoriteiten. 2. De Zwitserse autoriteiten beslissen, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 8 en 9, over de toelaatbaarheid van mededingingsregelingen […] met betrekking tot routes tussen Zwitserland en derde landen.”
VWEU
4 Artikel 101, lid 1, VWEU bepaalt: „Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden, b) het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen, c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen, […]”
EER-Overeenkomst
5 Artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER-Overeenkomst”) stemt mutatis mutandis overeen met artikel 101 VWEU.
Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit
6 De voorgeschiedenis van het geding en het litigieuze besluit, zoals deze in de punten 1 tot en met 60 van het bestreden arrest zijn uiteengezet, kunnen ten behoeve van de onderhavige procedure worden samengevat als volgt.
7 Cargolux is een luchtvaartmaatschappij die actief is op de markt voor luchtvrachtdiensten.
8 In de vrachtsector verzorgen luchtvaartmaatschappijen het vervoer van vrachtladingen door de lucht (hierna: „vervoerders”). Gewoonlijk verrichten de vervoerders vrachtdiensten voor expediteurs, die het vervoer van deze ladingen regelen namens de verzenders. Als tegenprestatie betalen deze expediteurs aan de vervoerders een prijs die bestaat uit tarieven per kilogram en verschillende toeslagen.
Administratieve procedure
9 Op 7 december 2005 heeft de Europese Commissie uit hoofde van haar mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3) een verzoek om immuniteit ontvangen van Deutsche Lufthansa AG en twee van haar dochtermaatschappijen, Lufthansa Cargo AG en Swiss International Air Lines AG. Volgens dit verzoek bestonden er tussen verschillende vervoerders mededingingsverstorende contacten over onderdelen van de prijs van op de luchtvrachtmarkt verrichte diensten, namelijk over de invoering van de zogenoemde „brandstof- en veiligheidstoeslagen” en de weigering van deze vervoerders om de expediteurs een commissie over toeslagen te betalen (hierna: „weigering om commissies te betalen”).
10 Op 14 en 15 februari 2006 heeft de Commissie in de bedrijfsruimten van verschillende vervoerders onaangekondigde inspecties verricht.
11 Na die inspecties hebben verschillende vervoerders, waaronder Cargolux, een verzoek om immuniteit ingediend op grond van de in punt 9 van het onderhavige arrest genoemde mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken.
12 Op 19 december 2007 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar toegezonden aan 27 vervoerders, waaronder Cargolux, die vervolgens schriftelijke opmerkingen hebben ingediend. Tussen 30 juni en 4 juli 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Oorspronkelijk besluit
13 Op 9 november 2010 heeft de Commissie besluit C(2010) 7694 definitief betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer (zaak COMP/39258 – Luchtvracht) (hierna: „oorspronkelijk besluit”) vastgesteld. Dit besluit was gericht tot 21 vervoerders, waaronder Cargolux.
14 In dat besluit werd uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders hun handelwijze inzake de tariefbepaling van vrachtdiensten hadden gecoördineerd door afspraken te maken over de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en zodoende hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, die plaatsvond op het grondgebied van de EER en Zwitserland.
Arresten van 16 december 2015
15 Bij arrest van 16 december 2015, Cargolux Airlines/Commissie (T‑39/11, EU:T:2015:991), heeft het Gerecht het oorspronkelijke besluit nietig verklaard voor zover het betrekking had op Cargolux. Bij twaalf andere arresten van dezelfde dag heeft het Gerecht dit besluit eveneens geheel of gedeeltelijk nietig verklaard voor zover het betrekking had op twaalf andere vervoerders of groepen van vervoerders.
16 Het Gerecht was van oordeel dat dit besluit ontoereikend was gemotiveerd.
Litigieus besluit
17 Op 20 mei 2016 heeft de Commissie een brief gestuurd aan de vervoerders die in het oorspronkelijke besluit waren genoemd en daartegen beroep hadden ingesteld bij het Gerecht. In die brief werd deze vervoerders meegedeeld dat zij voornemens was om in een nieuw besluit vast te stellen dat zij hadden deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer op alle in dat oorspronkelijke besluit vermelde routes. Er werd hun een termijn van een maand toegekend om opmerkingen in te dienen. Zij hebben allen van deze mogelijkheid gebruikgemaakt.
18 Op 17 maart 2017 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld ten aanzien van 19 vervoerders, waaronder Cargolux.
19 In het litigieuze besluit wordt uiteengezet dat de beschuldigde vervoerders ten aanzien van de wereldwijde verrichting van luchtvrachtdiensten onderlinge prijsafspraken hebben gemaakt met betrekking tot de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen (hierna: „litigieuze mededingingsregeling”), en zodoende één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer hebben gepleegd.
20 In punt 4 van dit besluit, met het opschrift „Beschrijving van de feiten”, heeft de Commissie met name aangegeven dat het onderzoek een wereldwijd kartel aan het licht had gebracht dat was gebaseerd op een netwerk van bilaterale en multilaterale contacten tussen concurrenten die gedurende lange tijd in stand waren gehouden en betrekking hadden op de handelwijze die zij besloten of gepland hadden te volgen dan wel overwogen te volgen, met betrekking tot de verschillende in het vorige punt vermelde onderdelen van de prijs voor vrachtdiensten. Zij heeft benadrukt dat dit netwerk van contacten het gemeenschappelijke doel had om de tariefbepaling van de concurrenten af te stemmen of de onzekerheid over hun prijsbeleid weg te nemen. Vervolgens heeft zij beschreven welke contacten hadden plaatsgevonden betreffende respectievelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen, en een feitelijke beoordeling gemaakt van het bewijs betreffende zowel de litigieuze mededingingsregeling in haar geheel als elk van de adressaten van dat besluit afzonderlijk.
21 In punt 5 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Toepassing van de relevante mededingingsregels”, heeft de Commissie artikel 101 VWEU op de feiten van de zaak toegepast, waarbij zij heeft gepreciseerd dat de verwijzingen naar dat artikel tevens moesten worden geacht te verwijzen naar artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, aangezien die bepalingen van overeenkomstige toepassing waren, tenzij anderszins werd vermeld.
22 De Commissie heeft in dit verband de grenzen van haar temporele en territoriale bevoegdheid onderzocht om in het onderhavige geval een inbreuk op de mededingingsregels vast te stellen en daarvoor een sanctie op te leggen.
23 Eerst heeft zij in de overwegingen 822 tot en met 832 van het litigieuze besluit onder punt 5.2 ervan, met het opschrift „Bevoegdheid van de Commissie”, in essentie aangegeven dat zij om te beginnen artikel 101 VWEU niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Europese Unie en luchthavens buiten de EER (hierna: „Unie-derdelandenroutes”) die vóór 1 mei 2004 plaatsvonden, dat zij vervolgens artikel 53 van de EER-Overeenkomst niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen die vóór 19 mei 2005 plaatsvonden met betrekking tot Unie-derdelandenroutes en met betrekking tot routes tussen luchthavens in landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst maar geen lid zijn van de Unie en luchthavens in derde landen [hierna: „EER(zonder Unie)-derdelandenroutes”], en dat zij ten slotte artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer niet zou toepassen op overeenkomsten en gedragingen met betrekking tot routes tussen luchthavens gelegen binnen de Unie en luchthavens in Zwitserland (hierna: „Unie-Zwitserlandroutes”) die vóór 1 juni 2002 plaatsvonden. Zij heeft in overweging 832 van het litigieuze besluit verduidelijkt dat dit „niet [was] bedoeld om eventuele schendingen van artikel 8 van de [Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer] vast te stellen ter zake van luchtvrachtdiensten […] tussen Zwitserland en derde landen”.
24 Vervolgens heeft de Commissie in punt 5.3.8 („Toepasselijkheid van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst op inkomende vliegroutes”) van het litigieuze besluit, dat de overwegingen 1036 tot en met 1046 omvat, uiteengezet waarom zij de argumenten afwees waarmee verschillende beschuldigde vervoerders aanvoerden dat zij de grenzen van haar territoriale bevoegdheid ten aanzien van de regels van internationaal publiekrecht had overschreden door een inbreuk op deze twee bepalingen vast te stellen en deze te bestraffen met betrekking tot de routes vanuit derde landen naar de EER (hierna: „inkomende routes” en, met betrekking tot de op deze routes aangeboden vrachtdiensten, „inkomende vrachtdiensten”).
25 Meer bepaald heeft de Commissie er in overweging 1045 van dat besluit op gewezen dat mededingingsverstorende praktijken in derde landen op het gebied van inkomende vrachtdiensten „geacht kunnen worden onmiddellijke, wezenlijke en voorzienbare gevolgen te hebben binnen de [Unie en de EER], aangezien de hogere kosten van het luchtvervoer naar de EER en de daaruit voortvloeiende hogere prijzen van de ingevoerde goederen per definitie gevolgen zullen hebben voor de consumenten in de EER”. Zij heeft daaraan toegevoegd dat die praktijken in het onderhavige geval ook dergelijke gevolgen konden hebben voor de verrichting van luchtvrachtdiensten door andere vervoerders binnen de EER, tussen de verschillende „hubs” in de EER die door vervoerders uit derde landen werden gebruikt en de luchthavens van bestemming binnen de EER waarnaar vracht werd vervoerd door de vervoerders uit derde landen die niet zelf op de betreffende bestemmingen vlogen.
26 Bovendien heeft zij in overweging 1046 van het litigieuze besluit vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling „mondiaal actief” was, dat de regelingen betreffende de inkomende routes een integraal onderdeel van de enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vormden en dat de uniforme toepassing van de toeslagen op mondiale schaal een essentieel element van de mededingingsregeling was.
27 Punt 5.3 van het litigieuze besluit, betreffende de toepassing in de onderhavige zaak van artikel 101 VWEU, artikel 53 van de EER-Overeenkomst en artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer, omvat de overwegingen 833 tot en met 1052. Ten eerste heeft de Commissie in overweging 846 van dat besluit geoordeeld dat de beschuldigde vervoerders hun gedragingen onderling hadden afgestemd en/of prijsstellingen hadden beïnvloed, „hetgeen uiteindelijk [had] geleid tot onderling afgestemde prijzen met betrekking tot” de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van commissies over die toeslagen aan de expediteurs. In overweging 861 van datzelfde besluit heeft de Commissie vastgesteld dat het „algemeen plan om de tarieven voor luchtvrachtdiensten op elkaar af te stemmen” dat door haar onderzoek aan het licht was gekomen, aantoonde dat er sprake was van „een complexe inbreuk […], bestaande uit verschillende maatregelen die hetzij als overeenkomst, hetzij als een onderling afgestemde feitelijke gedraging kunnen worden gekwalificeerd, waarbij de concurrenten de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust hebben vervangen door een feitelijke samenwerking”.
28 Ten tweede heeft de Commissie in overweging 869 van het litigieuze besluit geoordeeld dat „de gedragingen in de onderhavige zaak één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 [VWEU vormden]”, waarbij zij in de overwegingen 870 tot en met 902 ervan heeft toegelicht dat de betrokken afspraken slechts één mededingingsverstorend doel dienden, namelijk om de mededinging binnen de luchtvrachtsector in de EER te vervalsen, dat zij betrekking hadden op de verrichting van vrachtdiensten en de daarvoor geldende prijzen, dat steeds dezelfde ondernemingen daarbij betrokken waren, dat die afspraken één enkele voortdurende inbreuk vormden, en dat zij betrekking hadden op drie onderdelen, namelijk de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen. Daarbij heeft de Commissie in overweging 881 van het litigieuze besluit aangegeven dat Cargolux betrokken was bij alle drie deze onderdelen.
29 Ten derde heeft de Commissie in overweging 903 van dat besluit vastgesteld dat de betrokken mededingingsverstorende gedraging ertoe strekte de mededinging in ten minste de Unie, de EER en Zwitserland te beperken. In overweging 917 ervan heeft zij daaraan in essentie toegevoegd dat dan ook geen acht hoefde te worden geslagen op de concrete gevolgen van deze gedraging.
30 Ten vierde heeft de Commissie in de overwegingen 972 tot en met 1021 van het litigieuze besluit de regelgeving van zeven derde landen onderzocht, waarvan verschillende beschuldigde vervoerders stelden dat die regelgeving hen ertoe verplichtte om de toeslagen onderling af te stemmen en zodoende in de weg stond aan de toepassing van de relevante mededingingsregels. Zij was van oordeel dat deze vervoerders niet hadden aangetoond dat zij onder dwang van die derde landen hadden gehandeld.
31 Ten vijfde heeft de Commissie in de overwegingen 1024 tot en met 1035 van dat besluit geoordeeld dat de enkele voortdurende inbreuk de handel tussen de lidstaten, tussen de partijen bij de EER-Overeenkomst en tussen de partijen bij de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer merkbaar ongunstig kon beïnvloeden.
32 Punt 7 van het litigieuze besluit, met het opschrift „Duur van de inbreuk”, omvat de overwegingen 1146 tot en met 1169 ervan. Blijkens overweging 1146 van dat besluit heeft de Commissie vastgesteld dat de litigieuze mededingingsregeling op 7 december 1999 was begonnen en tot en met 14 februari 2006 had voortgeduurd. Zij heeft in deze overweging 1146 verduidelijkt dat deze mededingingsregeling een inbreuk vormde op: – artikel 101 VWEU voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006, met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de Unie; – artikel 101 VWEU voor de periode van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-derdelandenroutes; – artikel 53 van de EER-Overeenkomst voor de periode van 7 december 1999 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer tussen luchthavens in de EER; – artikel 53 van de EER-Overeenkomst voor de periode van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de EER(zonder Unie)-derdelandenroutes; – artikel 8 van de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer voor de periode van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006 met betrekking tot luchtvervoer op de Unie-Zwitserlandroutes.
33 In overweging 1169 van het litigieuze besluit heeft de Commissie vastgesteld dat de inbreuk, wat Cargolux betrof, had geduurd van 22 januari 2001 tot en met 14 februari 2006.
34 In punt 8 van dat besluit heeft de Commissie zich gebogen over de te nemen corrigerende maatregelen en de op te leggen geldboeten, daarbij verwijzend naar richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2). Zij heeft met name op basis van punt 37 van deze richtsnoeren de basisbedragen van de geldboeten met 50 % verlaagd omdat een deel van de diensten met betrekking tot de inkomende routes en de uitgaande routes vanuit de EER naar derde landen, met uitzondering van Unie-Zwitserlandroutes, buiten het door de EER-Overeenkomst bestreken grondgebied werden verricht, en een deel van de schade die was ontstaan dus wellicht buiten dat grondgebied viel. Voorts heeft de Commissie overeenkomstig punt 29 van die richtsnoeren de beschuldigde vervoerders een aanvullende verlaging van de basisbedragen van 15 % toegekend, op grond dat bepaalde reguleringsstelsels de litigieuze mededingingsregeling hadden aangemoedigd.
35 De artikelen 1, 3 en 4 van het dispositief van het litigieuze besluit luiden als volgt: „Artikel 1 Door hun prijsstellingsgedrag bij het wereldwijd verrichten van luchtvrachtdiensten te coördineren ten aanzien van de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de betaling van over toeslagen verschuldigde commissies hebben de volgende ondernemingen één enkele voortgezette inbreuk gepleegd op artikel 101 [VWEU], artikel 53 van de [EER-Overeenkomst] en artikel 8 van de Overeenkomst [EG-Zwitserland] inzake luchtvervoer met betrekking tot de volgende routes en voor de volgende perioden: 1) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wat betreft routes tussen luchthavens binnen de EER, voor de volgende perioden: […] f) [Cargolux] van 22 januari 2001 tot en met 14 februari 2006; […] 2) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU wat betreft [Unie-derdelandenroutes], voor de volgende perioden: […] f) [Cargolux] van 1 mei 2004 tot en met 14 februari 2006; […] 3) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 53 van de EER-Overeenkomst wat betreft [EER(zonder Unie)-derdelandenroutes] voor de volgende perioden: […] f) [Cargolux] van 19 mei 2005 tot en met 14 februari 2006; […] 4) De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 8 van de [Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer] wat betreft [Unie-Zwitserlandroutes], voor de volgende perioden: […] f) [Cargolux] van 1 juni 2002 tot en met 14 februari 2006; […] Artikel 3 Voor de in artikel 1 bedoelde enkele voortgezette inbreuk […] worden de volgende geldboeten opgelegd: […] f) [Cargolux]: 79900000 [EUR]; […] Artikel 4 De in artikel 1 genoemde ondernemingen maken onverwijld een einde aan de in dat artikel bedoelde enkele en voortgezette inbreuk, voor zover zij zulks nog niet hebben gedaan. Zij onthouden zich tevens van herhaling van alle in artikel 1 genoemde handelingen en gedragingen met eenzelfde of soortgelijk doel of gevolg.”
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
36 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 mei 2017, heeft Cargolux beroep ingesteld dat strekte tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1 van het litigieuze besluit, voor zover dit op haar betrekking heeft, en tot nietigverklaring van de haar bij artikel 3, onder f), van dat besluit opgelegde geldboete of, subsidiair, tot verlaging van het bedrag ervan, alsmede tot „de daarmee samenhangende vaststelling van de nodige maatregelen met betrekking tot artikel 4 van [dat besluit]”, voor zover dit op haar betrekking heeft.
37 Ter ondersteuning van dit beroep heeft Cargolux zeven middelen tot nietigverklaring aangevoerd, alsmede negen argumenten op grond waarvan zij verzocht om nietigverklaring of verlaging van de haar opgelegde geldboete.
38 Cargolux heeft onder andere aangevoerd dat er sprake was van een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijke beoordelingsfout bij de toepassing van artikel 101 VWEU in verband met de vaststelling van een inbreuk naar strekking (derde middel), een kennelijke beoordelingsfout, niet-naleving van een wezenlijk vormvoorschrift en schending van de motiveringsplicht en van het recht om te worden gehoord bij de vaststelling van de draagwijdte en de criteria van de enkele voortdurende inbreuk (vierde middel), feitelijke onjuistheden en kennelijke beoordelingsfouten bij de vaststelling van een inbreuk op de mededingingsregels en haar deelname daaraan (vijfde middel), onbevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten (zesde middel) alsmede fouten bij de berekening van het bedrag van de geldboete (zevende middel).
39 Daarnaast heeft het Gerecht ambtshalve een middel aan de orde gesteld dat is ontleend aan de onbevoegdheid van de Commissie om krachtens de Overeenkomst EG-Zwitserland inzake luchtvervoer schending van artikel 53 van de EER-Overeenkomst op routes tussen luchthavens in landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, maar die geen lid zijn van de Unie, en luchthavens in Zwitserland, vast te stellen en te bestraffen.
40 Acht van de negen argumenten die waren aangevoerd ter ondersteuning van het verzoek om verlaging van de geldboete kwamen overeen met de argumenten die tot staving van het zevende middel tot nietigverklaring waren aangevoerd. In antwoord op de maatregelen tot organisatie van de procesgang van het Gerecht met betrekking tot het middel dat het ambtshalve aan de orde had gesteld, heeft Cargolux daaraan een negende argument toegevoegd, dat betrekking had op de verkopen op laatstgenoemde routes.
41 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht al deze middelen, ook datgene dat het ambtshalve aan de orde had gesteld, ongegrond verklaard. Het heeft met name in punt 401 van dat arrest in essentie vastgesteld dat de omvang van de in de overwegingen 250 en 350 van het litigieuze besluit genoemde contacten waarbij Cargolux betrokken was, moest worden genuanceerd en, in punt 445 van dat arrest, dat de Commissie in de overwegingen 750 en 880 van dat besluit ten onrechte had geoordeeld dat Cargolux had deelgenomen aan de in overweging 387 ervan bedoelde bijeenkomst. Niettemin heeft het Gerecht in punt 447 van het bestreden arrest in essentie geoordeeld dat dit niet rechtvaardigde dat aan Cargolux een verdere verlaging van de geldboete wegens verzachtende omstandigheden werd toegekend. Het Gerecht heeft uiteindelijk in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het eindbedrag van de aan Cargolux op te leggen geldboete in punt 647 van het bestreden arrest vastgesteld op 79900000 EUR. Aangezien dit bedrag gelijk was aan dat van de geldboete die bij het litigieuze besluit aan Cargolux was opgelegd, heeft het Gerecht eveneens de vordering van deze onderneming tot wijziging van het bedrag van de geldboete afgewezen.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
42 Met haar hogere voorziening verzoekt Cargolux het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – artikel 1, leden 1 tot en met 4, van het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover dit op haar betrekking heeft; – subsidiair, deze bepalingen gedeeltelijk nietig te verklaren voor zover deze haar en de gedraging met betrekking tot de weigering om commissies te betalen en/of de veiligheidstoeslag betreffen, en/of artikel 1, leden 2 en 3, van dat besluit nietig te verklaren voor zover dit haar en de inkomende routes betreft, en hoe dan ook de bij artikel 3, onder f), van dat besluit aan haar opgelegde geldboete dienovereenkomstig te verlagen; – de bij artikel 3, onder f), van het litigieuze besluit aan haar opgelegde geldboete nietig te verklaren of, subsidiair, deze aanzienlijk te verlagen; – subsidiair, indien het Hof vaststelt dat de zaak niet in staat van wijzen is, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht; – de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Hof en het Gerecht, en – alle andere in de omstandigheden van de zaak passende maatregelen te gelasten.
43 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en Cargolux te verwijzen in de kosten, en – subsidiair, indien het Hof de hogere voorziening zou toewijzen, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
Hogere voorziening
44 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert Cargolux vier middelen aan. Met haar eerste middel voert zij aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door te bevestigen dat de Commissie bevoegd is om een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst vast te stellen en te bestraffen met betrekking tot inkomende routes. Met haar tweede middel betoogt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en haar rechten van verdediging heeft geschonden door de vaststelling van de Commissie te bevestigen dat de gedraging waaraan Cargolux had deelgenomen, een inbreuk naar strekking vormde. Met haar derde middel stelt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de formulering en toepassing van het juridische criterium aan de hand waarvan een enkele voortdurende inbreuk kan worden vastgesteld alsmede bij de bevestiging van het litigieuze besluit voor zover Cargolux daarbij wegens een dergelijke inbreuk wordt bestraft. Met haar vierde middel, dat subsidiair wordt aangevoerd, betoogt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat zij aansprakelijk was voor alle aspecten van de enkele voortdurende inbreuk, terwijl haar deelname aan die inbreuk beperkt was.
Eerste middel, betreffende de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten
45 Het eerste middel van Cargolux bestaat uit zes onderdelen. Met het eerste onderdeel stelt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een onjuist juridisch criterium toe te passen teneinde te bevestigen dat de Commissie bevoegd was om de gedraging met betrekking tot de inkomende routes te bestraffen. Met het tweede onderdeel betoogt zij dat het Gerecht hoe dan ook blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie zich had gekweten van haar verplichting om aan te tonen dat in casu was voldaan aan het criterium dat is gebaseerd op de gekwalificeerde gevolgen van de mededingingsverstorende praktijken in de Unie (hierna: „criterium van de gekwalificeerde gevolgen”). Met het derde onderdeel voert zij aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te verklaren dat de Commissie haar bevoegdheid voor inkomende vrachtdiensten kon vaststellen op basis van de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd. Met het vierde onderdeel betoogt zij dat het Gerecht ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd toen het heeft bevestigd dat de Commissie bevoegd was. Met het vijfde onderdeel stelt zij dat het Gerecht ten onrechte zijn eigen motivering met betrekking tot de bevoegdheid van de Commissie in de plaats heeft gesteld van die in het litigieuze besluit. Met het zesde onderdeel wordt betoogd dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de rechten van de verdediging heeft geschonden door zich bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het litigieuze besluit te baseren op argumenten en een analyse die voor het eerst in de loop van de procedure voor het Gerecht naar voren zijn gebracht.
46 Het eerste, het tweede, het vierde tot en met het zesde, en het derde onderdeel moeten achtereenvolgens worden onderzocht.
Eerste onderdeel: criterium aan de hand waarvan de bevoegdheid van de Commissie ten aanzien van inkomende vrachtdiensten kan worden vastgesteld
– Argumenten van partijen
47 Onder verwijzing naar de punten 103 en 115 van het bestreden arrest voert Cargolux aan dat de bevoegdheid van de Commissie om een gedraging buiten de Unie of de EER te bestraffen, niet kan worden vastgesteld op basis van het internationaal publiekrecht. Doorslaggevend is in dit verband het Unierecht, in het bijzonder de bewoordingen van artikel 101, lid 1, VWEU. De Commissie moet dus aantonen dat de betrokken overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging „binnen de interne markt” wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
48 Dit is het geval wanneer is voldaan aan het in het arrest van 27 september 1988, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie (89/85, 104/85, 114/85, 116/85, 117/85 en 125/85‑129/85, EU:C:1988:447, punt 12) omschreven criterium dat is gebaseerd op de plaats waar de mededingingsverstorende praktijken ten uitvoer zijn gelegd (hierna: „uitvoeringscriterium”): goederen of diensten moeten rechtstreeks aan afnemers in de Unie zijn verkocht of binnen de interne markt moeten prijsverhogingen zijn doorgevoerd, en er moeten bestellingen zijn geplaatst door in de EER gevestigde klanten. Indien niet aan deze voorwaarden is voldaan, moet overeenkomstig de punten 22 en 28 van het arrest van 28 april 1998, Javico (C‑306/96, EU:C:1998:173), worden aangetoond dat de betrokken gedraging leidt tot een beperking van de mededinging op de interne markt. De bewijsvoering vergt dus meer dan louter de vervulling van het internationaalrechtelijk criterium van de gekwalificeerde gevolgen.
49 Het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), ontslaat de Commissie niet van haar verplichting om de vereisten van artikel 101 VWEU na te leven. Het Hof heeft in dat arrest namelijk niet geoordeeld dat het criterium van de gekwalificeerde gevolgen volstaat om de Unierechtelijke bevoegdheid van de Commissie vast te stellen. Dit criterium dient enkel om te bepalen of de toepassing van artikel 101 VWEU verenigbaar is met het internationaal publiekrecht.
50 De conclusie in punt 183 van het bestreden arrest is derhalve onjuist. De overwegingen 1042 tot en met 1046 van het litigieuze besluit voldoen niet aan het juridische criterium dat van toepassing is voor de vaststelling van de bevoegdheid van de Commissie om op grond van artikel 101, lid 1, VWEU kennis te nemen van handelingen die buiten de Unie hebben plaatsgevonden. Zoals in punt 131 van dat arrest is aangegeven, zijn immers nagenoeg alle inkomende vrachtdiensten buiten de EER verricht. Dat de gedraging in kwestie tot doel had de mededinging op de interne markt te beperken is dus niet aangetoond.
51 Punt 121 van het bestreden arrest is ook onjuist voor zover het Gerecht in dat punt de Commissie vrijstelt van de verplichting om de mededingingsverstorende gevolgen op de interne markt te onderzoeken. Dit is in strijd met de vereisten die voortvloeien uit punt 15 van het arrest van 28 april 1998, Javico (C‑306/96, EU:C:1998:173). Daaruit blijkt volgens Cargolux dat gedragingen die de mededinging aantasten slechts op grond van artikel 101 VWEU kunnen worden bestraft indien zij de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Dit geldt ook wanneer het gaat om een inbreuk naar strekking. In de punten 20 en 21 van dit arrest wordt overigens gesteld dat overeenkomsten die uitsluitend bedoeld zijn om buiten de Unie te gelden niet tot doel hebben de mededinging binnen de Unie te beperken, ook al zouden zij als inbreuk naar strekking worden gekwalificeerd indien zij binnen de Unie zouden gelden.
52 De Commissie betwist dit betoog.
– Beoordeling door het Hof
53 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat het Hof in punt 46 van zijn arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), naar aanleiding van een middel waarmee het Gerecht werd verweten te hebben geoordeeld dat de bevoegdheid van de Commissie om krachtens artikel 102 VWEU een gedraging die buiten de Unie heeft plaatsgevonden vast te stellen en te bestraffen, volgens de regels van het internationaal publiekrecht kon worden vastgesteld aan de hand van het uitvoeringscriterium dan wel aan de hand van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, heeft geoordeeld dat het enkele criterium van de gekwalificeerde gevolgen als grondslag kan dienen voor de bevoegdheid van de Commissie.
54 Het Hof is tot deze slotsom gekomen nadat het in de punten 42 en 45 van dat arrest erop heeft gewezen dat, ten eerste, de in de artikelen 101 en 102 VWEU vervatte mededingingsregels van de Unie tot doel hebben collectieve en eenzijdige gedragingen van ondernemingen aan te pakken die de mededinging binnen de interne markt beperken en, ten tweede, het uitvoeringscriterium en het criterium van de gekwalificeerde gevolgen hetzelfde doel nastreven, namelijk gedragingen aanpakken die inderdaad niet op het grondgebied van de Unie hebben plaatsgevonden, maar waarvan de mededingingsverstorende gevolgen merkbaar kunnen zijn op de markt van de Unie.
55 Hieruit volgt dat het uitvoeringscriterium en het criterium van de gekwalificeerde gevolgen alternatieven zijn en dat slechts één van die criteria op zich volstaat om volgens de regels van het internationaal publiekrecht te rechtvaardigen dat de Commissie bevoegd is om het mededingingsrecht van de Unie toe te passen op een gedraging die buiten de Unie heeft plaatsgevonden.
56 Cargolux kan derhalve niet met succes aanvoeren dat de bevoegdheid van de Commissie om op grond van het Unierecht een gedraging buiten de Unie of de EER aan te pakken alleen kan worden vastgesteld wanneer wordt aangetoond dat de betrokken overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, hetgeen enkel aan de hand van het uitvoeringscriterium kan worden vastgesteld.
57 Cargolux beroept zich in dit verband eveneens tevergeefs op de punten 20 tot en met 22 en 28 van het arrest van 28 april 1998, Javico (C‑306/96, EU:C:1998:173). Deze punten hebben namelijk geen betrekking op de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 of artikel 102 VWEU toe te passen op gedragingen buiten de Unie of de EER, maar op het materiële criterium voor de toepassing van die bepalingen op een bepaalde gedraging. Die punten hebben dus betrekking op een andere kwestie, namelijk die inzake het mededingingsverstorende karakter van de in die zaak aan de orde zijnde overeenkomsten, en meer bepaald op de vraag of de in die zaak genoemde gedraging ertoe strekte of tot gevolg had dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt merkbaar werd beperkt en de handel tussen de lidstaten ongunstig kon beïnvloeden, alsook op de elementen die bij deze beoordeling in aanmerking moeten worden genomen.
58 Het Gerecht heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 115 en 183 van het bestreden arrest in essentie te oordelen dat de Commissie zich op het criterium van de gekwalificeerde gevolgen kon baseren om vast te stellen dat zij bevoegd was om kennis te nemen van de litigieuze mededingingsregeling voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten.
59 In de tweede plaats moet het betoog van Cargolux dat is gericht tegen punt 121 van het bestreden arrest, voor zover Cargolux daarbij aanvoert dat het Gerecht de Commissie ten onrechte heeft vrijgesteld van de verplichting om de mededingingsverstorende gevolgen op de interne markt te onderzoeken en zich beroept op punt 15 van het arrest van 28 april 1998, Javico (C‑306/96, EU:C:1998:173), worden afgewezen om een soortgelijke reden als die welke in punt 57 van het onderhavige arrest reeds is uiteengezet. In dat punt 15 heeft het Hof er immers in essentie enkel aan herinnerd dat gedragingen die de mededinging aantasten slechts op grond van artikel 101, lid 1, VWEU kunnen worden bestraft indien zij bovendien de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden.
60 Verder heeft het Gerecht inderdaad in punt 121 van het bestreden arrest geoordeeld dat in het geval van een gedraging waarvan de Commissie, zoals in deze zaak, heeft vastgesteld dat de mededinging op de interne markt of binnen de EER daardoor zodanig nadelig wordt beïnvloed dat die gedraging als mededingingsbeperking „naar strekking” in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst kan worden aangemerkt, aan de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet de eis mag worden verbonden dat de concrete gevolgen worden aangetoond die zich moeten voordoen om een feitelijke gedraging te kunnen kwalificeren als een gedraging die een mededingingsbeperking „ten gevolge” heeft in de zin van deze bepalingen.
61 Uit de punten 117 tot en met 135 van het bestreden arrest, in hun onderlinge samenhang gelezen, blijkt echter dat dit punt 121 deel uitmaakt van de analyse van het Gerecht waarmee het enkel het betoog van Cargolux dat in de punten 105 tot en met 108 van dat arrest is samengevat, van de hand heeft gewezen. Zo heeft het Gerecht in die punten 117 tot en met 135 uiteengezet waarom Cargolux niet met succes kon stellen dat de Commissie, door het begrip mededingingsbeperking „naar strekking” te gebruiken, op geen enkele wijze had onderzocht welke gevolgen de betrokken gedraging had teweeggebracht. Het Gerecht heeft met name het betoog van Cargolux afgewezen dat de Commissie, door er in overweging 917 van het litigieuze besluit op te wijzen dat niet hoefde te worden aangetoond dat de verweten gedragingen daadwerkelijk hadden geleid tot mededingingsverstorende gevolgen, wegens de mededingingsverstorende strekking van die gedragingen niet had beoordeeld of deze gedragingen de gekwalificeerde gevolgen hadden die vereist waren met het oog op de vaststelling van haar bevoegdheid om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op inkomende vrachtdiensten.
62 Het Gerecht heeft echter geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in essentie te antwoorden dat het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, dat als grondslag dient voor de extraterritoriale bevoegdheid van de Commissie, verschilt van de vraag of de litigieuze mededingingsregeling kan worden aangemerkt als een beperking van de mededinging in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst. Zoals ook de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt, valt het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, dat als grondslag kan dienen voor de bevoegdheid van de Commissie – krachtens het internationaal publiekrecht – voor de extraterritoriale toepassing van de mededingingsregels van de Unie en van de EER, niet samen met het materiële criterium van de mededingingsbeperking, naar strekking of naar gevolg, op de interne markt van de Unie of binnen de EER, waaraan de bevoegdheid van de Commissie – naar Unierecht – voor de vaststelling en de bestraffing van een inbreuk op deze mededingingsregels onderworpen is.
63 Bovendien is de analyse waarbij het Gerecht heeft onderzocht of de Commissie terecht had geoordeeld dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, uiteengezet in de punten 136 tot en met 171 van het bestreden arrest, wat de onderlinge afstemming op het gebied van de afzonderlijk beschouwde inkomende vrachtdiensten betreft, en in de punten 172 tot en met 182 van dit arrest, wat de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd betreft.
64 Derhalve stelt Cargolux ten onrechte dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de Commissie vrij te stellen van de verplichting om bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen na te gaan welke gevolgen de litigieuze gedraging had.
65 Het eerste onderdeel van het eerste middel moet bijgevolg als ongegrond worden afgewezen.
Tweede onderdeel: criterium van de gekwalificeerde gevolgen
– Argumenten van partijen
66 Cargolux betoogt dat het Gerecht hoe dan ook blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie zich had gekweten van haar verplichting om aan te tonen dat in casu was voldaan aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen.
67 Ten eerste heeft het Gerecht zich gebaseerd op het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), om vast te stellen dat de betrokken gedraging voldoende waarschijnlijke gevolgen in de EER had, zonder rekening te houden met de specifieke omstandigheden van de zaak die tot dat arrest heeft geleid en die sterk verschillen van de omstandigheden van de onderhavige zaak. Het Gerecht heeft dan ook ten onrechte aangenomen dat de Commissie haar bevoegdheid had aangetoond aan de hand van een aantal in de punten 131 tot en met 134 van het bestreden arrest uiteengezette omstandigheden, die grotendeels weinig relevant zijn en weinig gemeen hebben met de feiten die in die andere zaak zijn onderzocht.
68 Ten tweede heeft het Gerecht in punt 130 van het bestreden arrest weliswaar erkend dat bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen de economische en juridische context van de betrokken gedraging in aanmerking moet worden genomen, maar het heeft deze context niet onderzocht. De op de punten 142, 148 en 150 van het bestreden arrest gebaseerde conclusie van het Gerecht dat aan de voorwaarde inzake de voorzienbaarheid was voldaan, geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
69 Ten derde heeft de rechtspraak waarop het Gerecht zich in punt 152 van dat arrest baseert om te bevestigen dat het bij de door het Gerecht onderzochte gevolgen om wezenlijke gevolgen gaat, betrekking op feitelijke omstandigheden die niet vergelijkbaar zijn met de situatie van Cargolux. Het eerste arrest had betrekking op een gedraging die tien jaar heeft geduurd en waaraan ondernemingen hadden deelgenomen die bijna de gehele markt vertegenwoordigden. Het tweede arrest had betrekking op een gedraging die negen en een half jaar had geduurd en waarbij het ging om een prijsstelling en een gecoördineerde productiebeperking. De aan Cargolux verweten gedraging heeft daarentegen slechts 21 maanden geduurd voor de Unie-derdelandenroutes en 8 maanden voor de EER(zonder Unie)-derdelandenroutes, en de betrokken partijen vertegenwoordigden slechts 34 % van de markt.
70 Ten vierde heeft het Gerecht ten onrechte aangenomen dat de gedraging met betrekking tot de inkomende routes voldeed aan de voorwaarde inzake de onmiddellijkheid. In dit verband heeft het Gerecht in punt 170 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat het arrest van 27 februari 2014, InnoLux/Commissie (T‑91/11, EU:T:2014:92), niet relevant was. In het bestreden arrest wordt geen bewijs aangehaald dat de aan de expediteurs verkochte inkomende vrachtdiensten uiteindelijk bestemd waren voor verkoop in de EER. In punt 132 van dat arrest wordt alleen verklaard dat het „op zijn minst waarschijnlijk” was dat de verzenders in de EER zijn gevestigd. De verkoop door Cargolux van inkomende vrachtdiensten aan buiten de EER gevestigde expediteurs is bijgevolg vergelijkbaar met de verkoop van producten waarop het kartel betrekking heeft aan buiten de EER gevestigde derden, zoals in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 27 februari 2014, InnoLux/Commissie (T‑91/11, EU:T:2014:92). Het verband tussen de aan de orde zijnde gedraging en de gestelde gevolgen in de EER is derhalve niet voldoende om aan te tonen dat aan de voorwaarde inzake de onmiddellijkheid is voldaan. Zo niet zou de Commissie voor alle inbreuken die buiten de EER hebben plaatsgevonden kunnen vaststellen dat zij bevoegd is.
71 De Commissie stelt dat dit onderdeel deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk is.
– Beoordeling door het Hof
72 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de punten 131 tot en met 134 van het bestreden arrest deel uitmaken van de analyse van het Gerecht in de punten 117 tot en met 135 van dat arrest, die betrekking heeft op de beoordeling van de relevantie van de eerste van de drie gronden waarop de Commissie zich in de overwegingen 1045 en 1046 van het litigieuze besluit heeft gebaseerd om vast te stellen dat in het onderhavige geval aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan. Deze grond betrof het feit dat „de hogere kosten van het luchtvervoer naar de EER en de daaruit voortvloeiende hogere prijzen van de ingevoerde goederen per definitie gevolgen [zouden] hebben voor de consumenten in de EER” (hierna: „effect op de prijzen van de ingevoerde goederen”), door het Gerecht het „betrokken gevolg” genoemd, waarvan Cargolux stelde – zoals blijkt uit punt 116 van het bestreden arrest – dat het niet behoorde tot de gevolgen van de litigieuze gedraging waarmee de Commissie rekening mocht houden bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen.
73 Het is juist dat het Gerecht in dit verband in punt 119 van het bestreden arrest met name heeft aangegeven dat bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet hoeft te worden aangetoond dat de litigieuze gedraging daadwerkelijk gevolgen heeft gehad op de interne markt of binnen de EER, maar dat het volstaat om na te gaan welke gevolgen deze gedraging waarschijnlijk zal hebben voor de mededinging. Het Gerecht heeft dienaangaande verwezen naar punt 51 van het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632).
74 Om te beginnen heeft het Gerecht zodoende evenwel enkel herinnerd aan de rechtspraak van het Hof inzake het criterium van de gekwalificeerde gevolgen. Het heeft daarbij geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens die rechtspraak kan de toepassing van het mededingingsrecht van de Unie en de EER vanuit het oogpunt van het internationaal publiekrecht op grond van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen namelijk gerechtvaardigd zijn wanneer voorzienbaar is dat de betrokken gedraging een onmiddellijk en wezenlijk gevolg zal hebben in de Unie of de EER. In dit verband wordt reeds voldaan aan het criterium van de voorzienbare gevolgen indien een gedraging waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor de mededinging. Bovendien volstaat het dat de gedraging een onmiddellijk gevolg in de Unie of de EER „kan” teweegbrengen wil aan de voorwaarde inzake de onmiddellijkheid zijn voldaan (zie in die zin arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punten 49, 51 en 52).
75 Gezien de algemene bewoordingen ervan gelden de uiteenzettingen in de punten 49, 51 en 52 van het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), die in het vorige punt van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, anders dan Cargolux suggereert echter niet alleen voor de specifieke omstandigheden van de zaak die tot dat arrest Intel/Commissie heeft geleid, maar ook telkens wanneer moet worden beoordeeld of de Commissie bevoegd is om met name artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op gedragingen die buiten de EER hebben plaatsgevonden.
76 Daarnaast heeft het Gerecht in punt 131 van het bestreden arrest opgemerkt dat uit de overwegingen 14, 17 en 70 van het litigieuze besluit en uit de antwoorden op de maatregelen tot organisatie van de procesgang die het had vastgesteld, blijkt dat de vervoerders hun vrachtdiensten uitsluitend of nagenoeg uitsluitend aan expediteurs verkopen. Het Gerecht heeft daaraan toegevoegd dat in het geval van inkomende vrachtdiensten deze verkopen bijna allemaal plaatsvinden op het buiten de EER gelegen vertrekpunt van de betrokken routes, waar de expediteurs zijn gevestigd, waarbij het in dit verband heeft opgemerkt dat uit het verzoekschrift voor het Gerecht bleek dat Cargolux tussen 1 mei 2004 en 14 februari 2006 slechts een verwaarloosbaar deel van haar verkoop van inkomende vrachtdiensten bij in de EER gevestigde klanten had gerealiseerd.
77 In punt 132 van dat arrest heeft het Gerecht evenwel opgemerkt dat de expediteurs deze diensten aankochten als tussenpersonen, om ze te consolideren in een dienstenpakket dat per definitie tot doel heeft het geïntegreerde vervoer van goederen naar het grondgebied van de EER te organiseren voor rekening van verzenders, die – zoals naar voren komt uit overweging 70 van het litigieuze besluit – met name de kopers of eigenaars van de vervoerde goederen konden zijn en dat het dus op zijn minst waarschijnlijk was dat zij in de EER waren gevestigd.
78 Het Gerecht heeft daaruit in punt 133 van dat arrest afgeleid dat, zodra de expediteurs de eventuele meerkosten van de bestreden mededingingsregeling in de prijs van hun dienstenpakketten doorberekenen, de enkele voortdurende inbreuk, voor zover deze betrekking heeft op de inkomende routes, met name gevolgen kon hebben voor de mededinging tussen de expediteurs om de klandizie van deze verzenders te verwerven. In dat punt heeft het Gerecht opgemerkt dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen zich bijgevolg op de interne markt of binnen de EER kon voordoen.
79 In punt 134 van dat arrest is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat de extra kosten die de verzenders eventueel hebben moeten betalen en de prijsstijging van de in de EER ingevoerde goederen die daarvan het gevolg kan zijn geweest, behoren tot de gevolgen van de litigieuze gedraging waarop de Commissie zich bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen mocht baseren.
80 Vervolgens heeft het Gerecht in punt 135 van het bestreden arrest aangegeven dat het dus ging om de vraag of dit gevolg voldeed aan het vereiste dat het voorzienbaar, wezenlijk en onmiddellijk is, wat het in de punten 136 tot en met 171 van dat arrest heeft onderzocht.
81 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht niet aan de hand van de omstandigheden van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), maar wel aan de hand van de in dat arrest geformuleerde algemene criteria en de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval heeft geoordeeld dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen een gevolg was van de litigieuze mededingingsregeling waarmee de Commissie rekening mocht houden bij de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen.
82 Dientengevolge moet het in punt 67 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog als ongegrond worden afgewezen.
83 Wat in de tweede plaats de voorwaarde inzake de voorzienbaarheid betreft, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in de punten 142, 148 en 150 van het bestreden arrest, die deel uitmaken van de analyse van het Gerecht in verband met de voorzienbaarheid van het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen, allereerst heeft benadrukt dat de partijen bij de litigieuze mededingingsregeling redelijkerwijs hadden kunnen voorzien dat de enkele voortdurende inbreuk, voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten, zou leiden tot een stijging van de prijs voor vrachtdiensten op de inkomende routes. Vervolgens heeft het Gerecht – gelet op hetgeen het in de punten 143 tot en met 147 van dat arrest had vastgesteld – geoordeeld dat de beschuldigde vervoerders konden voorzien dat de enkele voortdurende inbreuk, voor zover die betrekking had op de inkomende routes, tot hogere prijzen voor de ingevoerde goederen zou leiden. Ten slotte heeft het Gerecht erop gewezen dat het bij het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen ging om een normale en economisch rationele gang van zaken en dat Cargolux, om dit effect te kunnen voorzien, niet exact hoefde te weten hoe de afnemende markten functioneerden.
84 In punt 144 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat uit de overwegingen 14 en 70 van het litigieuze besluit bleek dat de prijs van vrachtdiensten voor de expediteurs een productiefactor vormde en dat het ging om een variabele kost, waarvan de stijging in beginsel leidt tot hogere marginale kosten op basis waarvan de expediteurs hun eigen prijzen bepalen. In punt 145 van dat arrest heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat Cargolux geen gegevens had aangevoerd waaruit bleek dat de omstandigheden van de onderhavige zaak niet bevorderden dat de extra kosten die voortvloeiden uit de enkele voortdurende inbreuk op de inkomende routes op de verzenders zouden worden afgewenteld. Daaruit heeft het Gerecht in punt 146 van dat arrest afgeleid dat in die omstandigheden de beschuldigde vervoerders redelijkerwijs konden voorzien dat de expediteurs dergelijke extra kosten door middel van een verhoging van de prijs voor vrachtvervoersdiensten zouden doorberekenen aan de verzenders. In punt 147 van dat arrest heeft het Gerecht er tevens op gewezen dat uit de overwegingen 70 en 1031 van het litigieuze besluit bleek dat de prijs van vervoersdiensten en met name die van de daartoe behorende vrachtdiensten deel uitmaken van de kosten van de goederen waarvan de expediteurs doorgaans het geïntegreerde transport voor rekening van de verzenders verzorgen.
85 Overigens heeft het Gerecht in de punten 138 tot en met 142 van het bestreden arrest uiteengezet waarom de partijen bij de litigieuze mededingingsregeling, gelet op de in het litigieuze besluit genoemde omstandigheden die met name betrekking hebben op de aard van de betrokken gedraging en de samenstelling van de prijzen voor luchtvrachtdiensten, redelijkerwijs hadden kunnen voorzien dat de enkele voortdurende inbreuk, voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten, zou leiden tot een stijging van de prijs voor vrachtdiensten op de inkomende routes, zodat nog moest worden nagegaan – zoals het Gerecht in punt 143 van dat arrest heeft vastgesteld – of het voor de beschuldigde vervoerders voorzienbaar was dat de expediteurs die verhoging zouden doorberekenen aan hun eigen klanten, namelijk de verzenders.
86 Derhalve moet worden vastgesteld dat het Gerecht, met name door te wijzen op de aard van de betrokken gedraging, de werking van de markt, de samenstelling van de relevante prijzen en de betrekkingen tussen de verschillende marktdeelnemers, bij zijn onderzoek op basis waarvan het tot de conclusie is gekomen dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen voorzienbaar was hoe dan ook rekening heeft gehouden met de economische en juridische context van de betrokken gedraging.
87 Bijgevolg moet het in punt 68 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog als ongegrond worden afgewezen.
88 Wat in de derde plaats de voorwaarde inzake het „wezenlijke karakter” betreft, moet worden opgemerkt dat de beoordeling door het Gerecht van de vraag of de Commissie genoegzaam had aangetoond dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen wezenlijk was, zoals is vereist door de in punt 74 hierboven aangehaalde rechtspraak, waarnaar het Gerecht in punt 115 van het bestreden arrest eveneens heeft verwezen, voornamelijk is vervat in de punten 152 tot en met 157 van dat arrest. Verder bevatten de punten 158 tot en met 161 van dat arrest aanvullende opmerkingen die door het Gerecht als niet ter zake dienend zijn aangemerkt.
89 In dit verband heeft het Gerecht in punt 152 van het bestreden arrest terecht opgemerkt dat de vraag of de gevolgen van de litigieuze gedraging wezenlijk zijn, moet worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, waaronder met name de duur, de aard en de omvang van de inbreuk. Het heeft daaraan toegevoegd dat andere omstandigheden, zoals de omvang van de ondernemingen die aan deze gedraging hebben deelgenomen, eveneens relevant kunnen zijn.
90 Uit deze punten van het bestreden arrest volgt echter geenszins dat deze omstandigheden alleen relevant zijn bij gedragingen die gedurende een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden of waarbij een bepaald deel van de marktdeelnemers betrokken was. Dientengevolge moet het in punt 69 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog als ongegrond worden afgewezen.
91 Wat in de vierde plaats de voorwaarde inzake de onmiddellijkheid betreft, moet om te beginnen worden vastgesteld dat het Gerecht in punt 170 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat Cargolux zich niet kon beroepen op punt 87 van het arrest van 27 februari 2014, InnoLux/Commissie (T‑91/11, EU:T:2014:92), aangezien de feiten van de zaak die tot dat arrest heeft geleid fundamenteel verschilden van die van de onderhavige zaak. Vervolgens heeft het Gerecht dit in punt 170 van het bestreden arrest verder verduidelijkt. Zoals in punt 169 van het bestreden arrest is aangegeven, heeft het Gerecht in dat punt 170 evenwel alleen het betoog van Cargolux afgewezen waarmee zij de in punt 168 van dat arrest getrokken conclusie van het Gerecht ter discussie stelde volgens welke het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen onmiddellijk was, zoals is vereist door de rechtspraak. Deze conclusie berustte reeds genoegzaam op de punten 163 tot en met 167 van het bestreden arrest, die door Cargolux niet worden betwist. Dit punt 170 moet dus als een overweging ten overvloede worden beschouwd.
92 Bijgevolg moet het betoog inzake punt 170 van het bestreden arrest als niet ter zake dienend worden afgewezen, overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof dat argumenten tegen in een uitspraak van het Gerecht ten overvloede geformuleerde overwegingen niet tot vernietiging van die uitspraak kunnen leiden en dus niet ter zake dienend zijn (arresten van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P-C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 537, en 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie, C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punt 263 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
93 Voor zover Cargolux met het in punt 70 hierboven uiteengezette betoog op algemene wijze ingaat tegen de beoordeling van de onmiddellijkheid van het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen, die het Gerecht met name heeft verricht in het licht van de elementen waarop het in punt 132 van het bestreden arrest heeft gewezen, moet voorts worden vastgesteld dat het Gerecht in dit punt 132 heeft opgemerkt dat de expediteurs weliswaar inkomende vrachtdiensten kopen, maar dat zij deze diensten moeten consolideren in een dienstenpakket dat juist tot doel heeft het geïntegreerde vervoer van goederen naar de EER te organiseren voor rekening van verzenders.
94 Met dit betoog trekt Cargolux de door het Gerecht in dit punt 132 verrichte beoordeling van de feiten in twijfel, zonder dat zij daarbij aanvoert dat het Gerecht die feiten onjuist heeft opgevat.
95 Overeenkomstig artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is de hogere voorziening echter beperkt tot rechtsvragen.
96 Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsook om de bewijsstukken te beoordelen. Wanneer deze bewijzen volgens de ter zake geldende regels zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen alsook de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het namelijk uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen welke waarde moet worden gehecht aan de overgelegde bewijzen. De beoordeling van deze feiten en bewijzen levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof (arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punt 22, en 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
97 Dat betoog moet bijgevolg niet-ontvankelijk worden verklaard.
98 Gelet op het voorgaande moet het tweede onderdeel van het eerste middel als deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond en deels niet ter zake dienend worden afgewezen.
Vierde onderdeel: onrechtmatige omkering van de bewijslast
– Argumenten van partijen
99 Cargolux stelt dat het Gerecht in de punten 145 en 167 van het bestreden arrest de bewijslast onrechtmatig heeft omgekeerd. Ten eerste heeft het Gerecht, bij zijn onderzoek van de voorwaarde inzake de voorzienbaarheid van het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen, Cargolux verweten niet te hebben aangetoond dat de doorberekening van de extra kosten weinig waarschijnlijk was. Ten tweede heeft het Gerecht, bij zijn onderzoek van de voorwaarde inzake de onmiddellijkheid van dit effect, haar verweten niet te hebben aangetoond of zelfs maar te hebben aangevoerd dat de voorzienbare doorberekening van de extra kosten aan in de EER gevestigde verzenders onrechtmatig was of losstond van de normale werking van de markt. Het staat echter niet aan Cargolux om aan te tonen dat de Commissie bevoegd is.
100 De Commissie antwoordt dat dit onderdeel moet worden afgewezen.
– Beoordeling door het Hof
101 Volgens vaste rechtspraak staat het aan de Commissie om de bewijzen te leveren die rechtens genoegzaam aantonen dat de feiten die een inbreuk op het mededingingsrecht vormen, zijn gepleegd. Het is evenwel aan de onderneming die tegen de vaststelling van een dergelijke inbreuk een verweermiddel aanvoert, om aan te tonen dat dit verweermiddel moet worden aanvaard. De bewijslast ligt volgens deze beginselen weliswaar bij de Commissie of bij de betrokken onderneming, maar de door de ene partij aangevoerde feiten kunnen evenwel van dien aard zijn dat de andere partij verplicht wordt een verklaring of rechtvaardiging te geven. Indien dit ontbreekt mag worden geconcludeerd dat is voldaan aan de regels inzake de bewijslast (zie in die zin arrest van 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
102 Deze rechtspraak is gebaseerd op de algemene regels inzake de bewijsvoering en kan worden toegepast op de situatie waarin de Commissie moet aantonen dat zij territoriaal bevoegd is ten aanzien van gedragingen die buiten het grondgebied van de Unie of de EER een aanvang hebben genomen.
103 Wat in casu ten eerste de grief inzake punt 145 van het bestreden arrest betreft, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in dat punt heeft verklaard dat Cargolux geen gegevens had aangevoerd waaruit bleek dat de omstandigheden van de onderhavige zaak niet bevorderden dat de extra kosten die voortvloeiden uit de enkele voortdurende inbreuk op de inkomende routes op de verzenders zouden worden afgewenteld. Net daarvoor had het Gerecht in de punten 138 tot en met 142 van dat arrest allereerst vastgesteld dat uit verschillende elementen in het litigieuze besluit bleek dat de partijen bij de litigieuze mededingingsregeling redelijkerwijs hadden kunnen voorzien dat de enkele voortdurende inbreuk, voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten, zou leiden tot een stijging van de prijs voor vrachtdiensten op de inkomende routes.
104 Daarna had het in punt 143 van dat arrest opgemerkt dat derhalve de vraag moest worden beantwoord of de beschuldigde vervoerders konden voorzien dat de expediteurs dergelijke extra kosten zouden doorberekenen aan hun eigen klanten, dat wil zeggen de verzenders. In dit verband had het Gerecht in punt 144 van dat arrest vastgesteld dat uit de overwegingen 14 en 70 van het litigieuze besluit bleek dat de prijs van vrachtdiensten voor de expediteurs een productiefactor vormt en dat het gaat om een variabele kost, waarvan de stijging in beginsel leidt tot hogere marginale kosten op basis waarvan de expediteurs hun eigen prijzen bepalen.
105 Aangezien het Gerecht eerst had vastgesteld dat de Commissie genoegzaam had aangetoond dat er sprake was van de in de punten 138 tot en met 144 van het bestreden arrest genoemde omstandigheden, kan dan ook niet worden geoordeeld dat het Gerecht met zijn vaststelling in punt 145 van het bestreden arrest ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd. Bijgevolg moet de grief betreffende dat punt 145 ongegrond worden verklaard.
106 Wat ten tweede de grief inzake punt 167 van het bestreden arrest betreft, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in dat punt heeft vastgesteld dat Cargolux niet had aangetoond of zelfs maar aangevoerd dat de voorzienbare doorberekening van de extra kosten aan in de EER gevestigde verzenders onrechtmatig was of losstond van de normale werking van de markt.
107 Het Gerecht heeft deze vaststelling gedaan na in de punten 163 tot en met 166 van dat arrest, en in het bijzonder in punt 165 ervan, te hebben opgemerkt dat in casu de handelwijze van de expediteurs, die de extra kosten die zij hadden moeten betalen naar was te voorzien volledig autonoom aan de verzenders zouden doorberekenen, er zeker aan heeft bijgedragen dat het effect op de prijzen van de ingevoerde goederen zich voordeed, maar dat deze handelwijze op zichzelf de causaliteitsketen tussen de litigieuze gedraging en dit effect echter niet kon verbreken, en daaraan het onmiddellijke karakter dus niet kon ontnemen.
108 In het licht van deze omstandigheden, die in de hogere voorziening niet worden betwist, en gelet op de in punt 101 hierboven genoemde rechtspraak, kan derhalve niet worden geoordeeld dat het Gerecht in punt 167 van het bestreden arrest ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd. De tegen dit punt 167 gerichte grief is dus eveneens ongegrond.
109 Het vierde onderdeel van het eerste middel moet bijgevolg als ongegrond worden afgewezen.
Vijfde onderdeel van het eerste middel: vervanging van de motivering
– Argumenten van partijen
110 Cargolux betoogt dat het Gerecht bij zijn toetsing van de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen door de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn eigen motivering in de plaats te stellen van die van de Commissie. Het Gerecht heeft een eigen motivering opgebouwd. Het heeft zich gebaseerd op factoren die de Commissie niet in aanmerking had genomen en op overwegingen waarop de Commissie zich niet heeft gebaseerd in het litigieuze besluit. In dat besluit zijn met name de bestanddelen van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet onderzocht. Zo hebben slechts twee overwegingen van dat besluit betrekking op dat criterium, terwijl het Gerecht er in het bestreden arrest 69 punten aan heeft gewijd. Cargolux wijst in het bijzonder op punt 165 van het bestreden arrest, dat betrekking heeft op de doorberekening van de extra kosten aan verzenders in de EER, terwijl overweging 1045 van het litigieuze besluit uitsluitend betrekking heeft op consumenten in de EER. Tevens wordt in de punten 155 tot en met 161 van dat arrest verwezen naar delen van dat besluit die geen betrekking hebben op de toepassing van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen. Het is irrelevant dat het Gerecht heeft geantwoord op de argumenten van Cargolux, aangezien is aangetoond dat de bestanddelen van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen niet zijn onderzocht in het litigieuze besluit.
111 De Commissie stelt dat dit onderdeel ongegrond is.
– Beoordeling door het Hof
112 Uit de rechtspraak blijkt dat de wettigheidstoetsing van artikel 263 VWEU betrekking heeft op alle aspecten van de in procedures op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU vastgestelde besluiten van de Commissie die door het Gerecht grondig, zowel juridisch als feitelijk, worden getoetst op basis van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen en rekening houdend met alle door deze laatste verstrekte informatie. De rechterlijke instanties van de Unie kunnen in het kader van die toetsing echter in geen geval hun eigen motivering in de plaats stellen van die van de instelling die de handeling heeft verricht (arrest van 4 juli 2024, Westfälische Drahtindustrie en Pampus Industriebeteiligungen/Commissie, C‑70/23 P, EU:C:2024:580, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
113 Het Gerecht kan dus niet met een eigen motivering een hiaat in de motivering van de bestreden handeling wegwerken op een zodanige manier dat zijn onderzoek niet aansluit bij enig oordeel in de handeling (arrest van 18 juli 2013, UEFA/Commissie, C‑201/11 P, EU:C:2013:519, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
114 Wanneer het Gerecht echter louter antwoordt op het aangevoerde betoog en daarbij de motivering van de bestreden handeling toelicht, kan niet worden geoordeeld dat het zijn eigen motivering in de plaats stelt van die van de instelling die de handeling heeft verricht (zie in die zin arresten van 12 juni 2014, Deltafina/Commissie, C‑578/11 P, EU:C:2014:1742, punt 56, en 23 november 2023, Ryanair/Commissie, C‑209/21 P, EU:C:2023:905, punt 49).
115 Het is juist dat in de onderhavige zaak het Gerecht de vaststelling in punt 165 van het bestreden arrest niet heeft gebaseerd op een overweging van het litigieuze besluit. Zoals echter blijkt uit een gezamenlijke lezing van de punten van dat arrest, die betrekking hebben op de beoordeling van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, met name de punten 111 en 127 van dat arrest, bevatte de eerste volzin van overweging 1045 van het litigieuze besluit, zij het in beknopte vorm, de elementen aan de hand waarvan het Gerecht kon nagaan of de Commissie haar extraterritoriale bevoegdheid had vastgesteld op basis van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen. Het zijn immers deze elementen die, gelezen in het licht van de andere relevante overwegingen van dat besluit waarnaar in de punten 131, 132, 138 tot en met 141, 144, 147, 155 tot en met 157, 160 en 161 van het bestreden arrest wordt verwezen, het Gerecht in staat hebben gesteld na te gaan of de Commissie het bestaan van dergelijke gevolgen daadwerkelijk had aangetoond. Bovendien blijkt uit de punten 116 tot en met 171 van het bestreden arrest dat het Gerecht er in deze punten mee heeft volstaan te antwoorden op het betoog van Cargolux, de motivering van het litigieuze besluit toe te lichten en meer in het bijzonder bepaalde aanwijzingen af te leiden uit de in dat besluit opgenomen informatie.
116 Dat de Commissie de in die punten en met name in de punten 155 tot en met 161 van het bestreden arrest genoemde elementen niet uitdrukkelijk ter sprake heeft gebracht in het deel van het litigieuze besluit dat betrekking heeft op de vaststelling van haar territoriale bevoegdheid, toont niet aan dat het Gerecht zijn motivering op onrechtmatige wijze in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie. Volgens de in punt 113 hierboven aangehaalde rechtspraak is namelijk enkel vereist dat het onderzoek van het Gerecht aansluit bij de beoordelingen in de bestreden handeling. Zoals in het vorige punt reeds is vastgesteld, bevatte de eerste volzin van overweging 1045 van het litigieuze besluit bovendien de elementen aan de hand waarvan het Gerecht kon nagaan of de Commissie daadwerkelijk haar territoriale bevoegdheid had vastgesteld op basis van de gekwalificeerde gevolgen.
117 De vermeende vervanging van de motivering is dus niet aangetoond. Het vijfde onderdeel van het eerste middel moet bijgevolg als ongegrond worden afgewezen.
Zesde onderdeel: onjuiste rechtsopvatting en schending van de rechten van de verdediging
– Argumenten van partijen
118 Cargolux betoogt dat het Gerecht haar rechten van verdediging heeft geschonden door zich bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het litigieuze besluit te baseren op argumenten en een analyse die voor het eerst voor het Gerecht naar voren zijn gebracht. Doordat het Gerecht bij de beoordeling van het criterium van de gekwalificeerde gevolgen zijn eigen motivering in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie, werd Cargolux het recht ontnomen om in de loop van de administratieve procedure een standpunt in te nemen over de toepassing van dit criterium. Dit is in strijd met de rechtspraak volgens welke de betrokken onderneming in staat moet worden gesteld haar standpunt kenbaar te maken over de juistheid en relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden alsmede over de documenten waarmee de Commissie haar vaststelling heeft gestaafd. Hoewel Cargolux de in het bestreden arrest aan de orde gestelde problematiek tijdens de administratieve procedure voor de Commissie heeft kunnen onderkennen, neemt dit niet weg dat het Gerecht zich heeft gebaseerd op een nieuwe analyse en nieuwe argumenten inzake het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, die niet waren opgenomen in het administratieve dossier van de Commissie.
119 De Commissie antwoordt hierop dat dit onderdeel ongegrond is.
– Beoordeling door het Hof
120 Het onderhavige onderdeel berust op de premisse dat het Gerecht bij de beoordeling van de vraag of de Commissie genoegzaam had aangetoond dat in casu was voldaan aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen, ten onrechte zijn eigen motivering in de plaats heeft gesteld van die in het litigieuze besluit. Uit het onderzoek van het vijfde onderdeel van het onderhavige middel blijkt dat deze premisse onjuist is.
121 Het zesde onderdeel van het eerste middel moet bijgevolg als ongegrond worden afgewezen.
Derde onderdeel: vaststelling van de internationale bevoegdheid van de Commissie op basis van de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd
– Argumenten van partijen
122 Cargolux stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 174, 176 en 177 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie op goede gronden haar bevoegdheid om artikel 101 VWEU toe te passen op de inkomende routes kon vaststellen op basis van het feit dat de inbreuk als geheel beschouwd één enkele voortdurende inbreuk vormde.
123 Ten eerste heeft het Gerecht het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” en de vaststelling van de bevoegdheid van de Commissie door elkaar gehaald. Dit begrip, dat is bedoeld om de op de Commissie rustende bewijslast te verlichten, kan haar bevoegdheid om artikel 101 VWEU toe te passen niet uitbreiden. Zoniet zou de Commissie een onbeperkte bevoegdheid worden verleend om kennis te nemen van alle gedragingen die buiten de EER plaatsvinden en die deel zouden uitmaken van één enkele voortdurende inbreuk, waarvan alleen bepaalde onderdelen gevolgen hebben binnen de EER.
124 Ten tweede veronderstelt het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” dat elk wezenlijk deel van die inbreuk zelf een inbreuk vormt. De Commissie kan zich dus niet op dit begrip baseren om haar bevoegdheid uit te breiden tot gedragingen met betrekking tot inkomende routes die noch ertoe strekten, noch tot gevolg hadden dat de mededinging binnen de EER werd beperkt.
125 Ten derde is het Gerecht voorbijgegaan aan het feit dat de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632), betrekking had op feitelijke omstandigheden die geen verband hielden met die van de onderhavige zaak.
126 Ten vierde is punt 177 van het bestreden arrest onjuist voor zover het Gerecht daarin heeft geoordeeld dat de Commissie in overweging 1046 van het litigieuze besluit had onderzocht welke gevolgen de inbreuk in haar geheel zou hebben, terwijl in die overweging helemaal niet werd ingegaan op die vraag.
127 Anders dan de Commissie betoogt, heeft Cargolux overweging 1046 van het litigieuze besluit daadwerkelijk betwist in haar beroep in eerste aanleg, zoals uitdrukkelijk blijkt uit het verzoekschrift voor het Gerecht. Overweging 1046 van het litigieuze besluit is bovendien vermeld in punt 5.3.2 van dat verzoekschrift. Het Gerecht heeft overigens niet op basis van het litigieuze besluit, maar op basis van de antwoorden die de Commissie heeft gegeven op de vragen van het Gerecht vastgesteld dat overweging 1046 van dat besluit een van de overwegingen was op grond waarvan de Commissie van mening was dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan.
128 De Commissie betoogt dat dit onderdeel niet-ontvankelijk is. Cargolux heeft overweging 1046 van het litigieuze besluit niet betwist voor het Gerecht. Dit onderdeel is volgens de Commissie hoe dan ook ongegrond.
– Beoordeling door het Hof
129 Het volstaat op te merken dat Cargolux met haar zesde middel tot nietigverklaring voor het Gerecht enkel de bevoegdheid van de Commissie betwistte om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op de litigieuze gedraging voor zover deze betrekking had op inkomende vrachtdiensten. Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 171 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie ten aanzien van de coördinatie op het gebied van de inkomende vrachtdiensten, afzonderlijk beschouwd, terecht had vastgesteld dat aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen was voldaan, zodat de bevoegdheid van de Commissie om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst toe te passen op de litigieuze gedraging, voor zover deze werd betwist, vaststond. Bijgevolg was het voor het Gerecht overbodig om in de punten 172 tot en met 182 van het bestreden arrest te onderzoeken of de Commissie, teneinde aan te tonen dat zij bevoegd was om artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst op de litigieuze gedraging toe te passen, in overweging 1046 van het litigieuze besluit ook terecht had aangegeven dat was voldaan aan het criterium van de gekwalificeerde gevolgen gelet op de gevolgen van de enkele voortdurende inbreuk als geheel beschouwd.
130 Bovendien blijkt uit het onderzoek van het eerste, het tweede en het vierde tot en met het zesde onderdeel van het onderhavige middel dat het Gerecht in punt 171 van het bestreden arrest tot deze slotsom is gekomen zonder blijk te geven van de vermeende onjuiste rechtsopvattingen en zonder de vermeende vervanging van de motivering.
131 Derhalve moet worden vastgesteld dat het derde onderdeel van het onderhavige middel betrekking heeft op ten overvloede gegeven overwegingen van het bestreden arrest.
132 Bijgevolg moet het derde onderdeel van het eerste middel overeenkomstig de in punt 92 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak hoe dan ook als niet ter zake dienend worden afgewezen.
133 Uit een en ander volgt dat het eerste middel als deels niet-ontvankelijk, deels niet ter zake dienend en deels ongegrond moet worden afgewezen.
Tweede middel, betreffende de kwalificatie van de betrokken gedraging als inbreuk naar strekking
134 Het tweede middel van Cargolux bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel voert zij aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en haar rechten van verdediging heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie de economische en juridische context van de litigieuze mededingingsregeling genoegzaam had onderzocht. Met het tweede onderdeel betoogt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en haar rechten van verdediging heeft geschonden door te oordelen dat de tot het strikt noodzakelijke beperkte beoordeling van de economische en juridische context die de Commissie had verricht, volstond om de betrokken gedraging als een inbreuk naar strekking te kwalificeren.
Eerste onderdeel: omvang van het door de Commissie te verrichten onderzoek van de economische en juridische context
– Argumenten van partijen
135 Cargolux stelt ten eerste dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 303 tot en met 305 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie, die ervan uitging dat de betrokken gedraging een horizontale prijsafspraak vormde, haar onderzoek van de relevante economische en juridische context kon beperken tot „het strikt noodzakelijke” en ook had voldaan aan de vereisten inzake de diepgang van dat onderzoek. In het litigieuze besluit zijn slechts drie bladzijden gewijd aan de kwalificatie van de litigieuze mededingingsregeling als mededingingsbeperking naar strekking. Zoals reeds in het verzoekschrift voor het Gerecht is uiteengezet, wordt daar helemaal niet ingegaan op de economische en juridische context van de markt.
136 Het Gerecht heeft in punt 305 van het bestreden arrest eveneens ten onrechte geoordeeld dat het onderzoek van de Commissie voldeed aan die eisen inzake de diepgang van het onderzoek. Het heeft zich daarbij louter gebaseerd op de verklaringen van de Commissie dat de prijs het belangrijkste mededingingsinstrument was, dat de betrokken praktijken tot doel hadden de prijsonzekerheid op de markt te onderdrukken en te waarborgen dat de discipline op de markt werd gehandhaafd, en dat de verhogingen geheel werden toegepast. In haar vroegere beslissingspraktijk heeft de Commissie daarentegen een diepgaander onderzoek verricht, hoewel het daarbij eveneens ging om een onderzoek dat beperkt was tot hetgeen strikt noodzakelijk was.
137 Anders dan het Gerecht in punt 309 van het bestreden arrest heeft aangenomen, beroept Cargolux zich niet op de vroegere praktijk van de Commissie om aan te tonen dat deze laatste aan striktere eisen had moeten voldoen, maar om aan te tonen dat de verschillen in de door haar gevolgde aanpak voor de uitvoering van het „tot het strikt noodzakelijke beperkte onderzoek” zo groot zijn dat de Commissie haar vroegere beslissingspraktijk zelfs niet als leidraad heeft gebruikt. De Commissie heeft bij haar vermeende onderzoek van de economische en juridische context van de onderhavige zaak ten onrechte tal van relevante factoren buiten beschouwing gelaten, waaronder de aard van de luchtvrachtdiensten en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de luchtvrachtmarkt, de complexiteit van deze markt en de marktmacht van de expediteurs. Zodoende heeft het Gerecht ook geen rekening gehouden met het feit dat het begrip „mededingingsbeperking naar strekking” strikt moet worden uitgelegd.
138 Ten tweede heeft het Gerecht, door vast te stellen dat er sprake was van een inbreuk naar strekking zonder naar behoren rekening te houden met de argumenten die Cargolux in haar verzoekschrift in eerste aanleg had aangevoerd met betrekking tot de beoordeling van de economische en juridische context van de zaak, haar rechten van verdediging geschonden. Het Gerecht heeft haar immers de mogelijkheid ontnomen om een grondig debat op tegenspraak te voeren over de economische en juridische context van haar gedraging.
139 De Commissie antwoordt dat dit onderdeel moet worden afgewezen.
– Beoordeling door het Hof
140 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak bij de beoordeling of een overeenkomst tussen ondernemingen of een besluit van een ondernemersvereniging de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende „strekking” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU te hebben, worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt(en) (arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53, en 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punten 165 en 166).
141 Het Hof heeft echter reeds geoordeeld dat voor overeenkomsten of collusiepraktijken die bijzonder ernstige schendingen van het mededingingsrecht vormen, de analyse van de economische en juridische context van de praktijk kan worden beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om te kunnen besluiten dat er sprake is van een mededingingsbeperkende strekking (zie in die zin arresten van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punten 28 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 26 oktober 2023, EDP – Energias de Portugal e.a., C‑331/21, EU:C:2023:812, punten 100‑102).
142 Tot deze soorten overeenkomsten of collusiepraktijken behoren onder meer horizontale prijsafspraken (zie in die zin arresten van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 82, en 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 163), die overigens vallen onder de categorie overeenkomsten die uitdrukkelijk verboden zijn bij artikel 101, lid 1, onder a), VWEU.
143 De in de punten 140 tot en met 142 van het onderhavige arrest uiteengezette rechtspraak, is door het Gerecht in wezen in herinnering gebracht in de punten 300 en 302 van het bestreden arrest. Bovendien heeft het Gerecht in punt 303 van dat arrest opgemerkt dat de Commissie zich in de overwegingen 908, 909, 1199 en 1208 van het litigieuze besluit op het standpunt had gesteld dat de litigieuze gedraging neerkwam op een horizontale prijsafspraak, ook als die gedraging geen betrekking had op de gehele uiteindelijke prijs van de betrokken diensten. In punt 304 van dat arrest heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat de Commissie in haar verweerschrift terecht heeft gesteld dat zij zich bij het onderzoek van de relevante economische en juridische context kon beperken tot „het strikt noodzakelijke” om de litigieuze overeenkomsten en gedragingen als mededingingsbeperkend „naar strekking” te kunnen aanmerken.
144 De vaststelling van het Gerecht dat de Commissie haar analyse van de economische en juridische context van die gedraging kon beperken tot hetgeen strikt noodzakelijk is om te kunnen besluiten dat er sprake is van een mededingingsbeperkende strekking, aangezien de betrokken gedraging volgens haar neerkwam op een horizontale prijsafspraak, strookt dus met de rechtspraak van het Hof.
145 Wat in de tweede plaats specifiek het betoog van Cargolux met betrekking tot punt 305 van het bestreden arrest betreft, heeft het Gerecht daarin inderdaad geoordeeld dat het onderzoek van de relevante economische en juridische context dat de Commissie in het litigieuze besluit had verricht, voldeed aan dit vereiste. Het Gerecht heeft er in dit verband op gewezen dat de Commissie in de overwegingen 909 en 916 van dat besluit had uitgelegd dat de prijs het belangrijkste mededingingsinstrument was, dat de litigieuze overeenkomsten en praktijken tot doel hadden de prijsonzekerheid op de vrachtmarkt te onderdrukken en zodoende te waarborgen dat de discipline op de markt werd gehandhaafd en dat de uit de brandstofindexen voortvloeiende verhogingen geheel en op gecoördineerde wijze werden toegepast.
146 Het Gerecht heeft in punt 305 van het bestreden arrest echter eveneens vastgesteld dat deze overwegingen van de Commissie met name waren gebaseerd op punt 4 van het litigieuze besluit, waarin met name werd ingegaan op de basisbeginselen en de structuur van de litigieuze mededingingsregeling, en tevens moesten worden gelezen in samenhang met de beschrijving van de vrachtsector en de toepasselijke tariefregelingen die was opgenomen in punt 2.1 van dat besluit, zoals Cargolux zelf had erkend.
147 Het Gerecht heeft zich in punt 305 van het bestreden arrest dus niet beperkt tot de door Cargolux in punt 136 hierboven genoemde vaststelling. Het heeft dit punt immers aangevuld door te verwijzen naar de andere relevante elementen die de Commissie in het litigieuze besluit heeft uiteengezet, namelijk – zoals in punt 305 van het bestreden arrest is aangegeven – de basisbeginselen en de structuur van de litigieuze mededingingsregeling alsook de beschrijving van de vrachtsector en de in die sector toepasselijke tariefregelingen, die overigens volgens de in punt 140 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak relevant zijn om te beoordelen of een bepaalde gedraging een mededingingsbeperking naar strekking vormt.
148 Het tegen dat punt 305 gerichte betoog van Cargolux berust dus op een onvolledige lezing van het bestreden arrest.
149 Cargolux kan zich dienaangaande evenmin beroepen op de vroegere beslissingspraktijk van de Commissie, ook al beroept zij zich – zoals zij in de onderhavige hogere voorziening stelt – alleen maar op die praktijk om aan te tonen dat het Gerecht de Commissie ten onrechte niet heeft bekritiseerd voor het feit dat deze bij het door haar te verrichten onderzoek tal van relevante factoren onrechtmatig buiten beschouwing heeft gelaten. Zoals het Gerecht in punt 309 van het bestreden arrest terecht in herinnering heeft gebracht, kan de vroegere beslissingspraktijk van de Commissie immers slechts een indicatieve waarde hebben (zie in die zin arrest van 13 juli 2023, Commissie/CK Telecoms UK Investments, C‑376/20 P, EU:C:2023:561, punt 164 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
150 Wat in de derde plaats het in punt 138 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog betreft, moet worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak het middel dat berust op de stelling dat het Gerecht niet heeft geantwoord op de in eerste aanleg aangevoerde argumenten, in wezen neerkomt op het aanvoeren van niet-nakoming van de motiveringsplicht die voortvloeit uit artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat van toepassing is op het Gerecht krachtens artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut en artikel 117 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (arrest van 28 september 2023, Changmao Biochemical Engineering/Commissie, C‑123/21 P, EU:C:2023:708, punt 185 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voor zover Cargolux betoogt dat het Gerecht niet naar behoren rekening heeft gehouden met haar argumenten betreffende de beoordeling van de economische en juridische context van de onderhavige zaak voert Cargolux dus in feite, onder het mom van een vermeende schending van haar rechten van verdediging, aan dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen.
151 Er zij aan herinnerd dat de motiveringsplicht die op het Gerecht rust krachtens artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 53, eerste alinea, ervan, inhoudt dat het Gerecht de redenering die het heeft gevolgd duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen (arresten van 11 april 2013, Mindo/Commissie, C‑652/11 P, EU:C:2013:229, punt 29, en 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie, C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
152 De motiveringsplicht verlangt echter niet van het Gerecht dat het een uitputtende uiteenzetting geeft die achtereenvolgens alle door de partijen in het geding uitgedrukte redeneringen volgt. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarop het Gerecht zich baseert en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht in het kader van een hogere voorziening uit te oefenen (arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 372, en 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie, C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 114 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
153 Tevens zij eraan herinnerd dat die motiveringsplicht, die een wezenlijk vormvoorschrift is, moet worden onderscheiden van de gegrondheid van de motivering, die de wettigheid ten gronde van de litigieuze handeling betreft [arresten van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 67, en 4 oktober 2024, UPL Europe en Indofil Industries (Netherlands)/Commissie, C‑262/23 P, EU:C:2024:862, punt 134 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
154 In casu heeft het Gerecht in de punten 293 tot en met 304 van het bestreden arrest de juridische en feitelijke gronden uiteengezet op basis waarvan het tot de slotsom was gekomen dat de Commissie zich terecht op het standpunt had gesteld dat zij zich bij het onderzoek van de relevante economische en juridische context kon beperken tot „het strikt noodzakelijke” om de litigieuze overeenkomsten en gedragingen als mededingingsbeperkend naar strekking te kunnen aanmerken. Bovendien heeft het Gerecht in de punten 305 tot en met 310 van dat arrest uiteengezet waarom het van oordeel was dat – anders dan Cargolux voor het Gerecht heeft betoogd – het door de Commissie in het litigieuze besluit verrichte onderzoek van de relevante economische en juridische context voldeed aan die vereisten. In punt 306 van dat arrest heeft het Gerecht ook het argument afgewezen dat Cargolux ontleende aan een mogelijk waterbedeffect. In punt 309 van dat arrest heeft het eveneens haar argument inzake de vroegere beslissingspraktijk van de Commissie afgewezen. Ten slotte heeft het Gerecht in punt 310 van dat arrest het argument van Cargolux verworpen waarmee deze opkwam tegen de kwalificatie van de litigieuze gedraging als „hardcore kartel”.
155 Gelet op de in de punten 151 en 152 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak kan dan ook niet worden geoordeeld dat het Gerecht, door zijn afwijzing van het betoog van Cargolux dat de Commissie de betrokken gedraging ten onrechte als mededingingsbeperking naar strekking had aangemerkt, zijn verplichting om het bestreden arrest te motiveren niet is nagekomen zonder eerst de relevante economische en juridische context te hebben onderzocht.
156 In zoverre moet het in punt 138 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog derhalve als ongegrond worden afgewezen.
157 Voor zover Cargolux met dat betoog wil aanvoeren dat het Gerecht ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de Commissie de betrokken gedraging terecht als mededingingsbeperking naar strekking heeft aangemerkt, is dit betoog bovendien overeenkomstig de in punt 153 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak niet geschikt om aan te tonen dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen. Het betoog betreft veeleer de gegrondheid van de door het Gerecht verrichte analyse. Cargolux betwist echter de gegrondheid van deze analyse in het tweede onderdeel van het onderhavige middel, zodat dit betoog dus in zoverre samen met dat tweede onderdeel zal worden onderzocht.
158 Gelet op een en ander moet het eerste onderdeel van het tweede middel als ongegrond worden afgewezen.
Tweede onderdeel: analyse op grond waarvan de Commissie de betrokken gedraging als inbreuk naar strekking heeft gekwalificeerd.
– Argumenten van partijen
159 Cargolux betoogt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en haar rechten van verdediging heeft geschonden door te oordelen dat de tot het strikt noodzakelijke beperkte beoordeling van de economische en juridische context die de Commissie had verricht, volstond om de betrokken gedraging als inbreuk naar strekking te kwalificeren, zonder rekening te houden met de contextuele omstandigheden of zelfs zonder het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal te onderzoeken.
160 Ten eerste kan de betrokken gedraging niet als een inbreuk naar strekking worden aangemerkt, aangezien deze noch rechtstreeks noch indirect de mededinging op de luchtvrachtmarkt kon beperken. Zoals in het verzoekschrift voor het Gerecht is uiteengezet, nemen de klanten hun aankoopbeslissingen op basis van de hun in rekening gebrachte totale prijs. Bovendien kan de verhoging van de toeslagen worden geneutraliseerd door de concurrentie op de basisprijzen. De gedraging met betrekking tot de toeslagen bestond er namelijk niet in de verkoopprijzen vast te stellen ten aanzien van de klanten of de prijsconcurrentie te verminderen of uit te schakelen. De punten 298 en 299 van het bestreden arrest zijn derhalve onjuist, aangezien het Gerecht daarin ten onrechte geen rekening heeft gehouden met factoren die een belangrijke rol speelden in de economische en juridische context van de in die punten genoemde zaken en die door de Commissie in aanmerking zijn genomen om in die zaken een inbreuk naar strekking vast te stellen, maar die ontbreken in de onderhavige zaak.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 22 mei 2025, C-621/23, ECLI:EU:C:2025:368
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-581/22, ECLI:EU:C:2024:821
- HvJ EU 26 september 2024, C-710/22, ECLI:EU:C:2024:787
- HvJ EU 26 september 2024, C-790/21, ECLI:EU:C:2024:792
- HvJ EU 4 juli 2024, C-70/23, ECLI:EU:C:2024:580
- HvJ EU 27 juni 2024, C-201/19, ECLI:EU:C:2024:552
- HvJ EU 11 januari 2024, C-363/22, ECLI:EU:C:2024:20
- HvJ EU 21 december 2023, C-680/21, ECLI:EU:C:2023:1010
- HvJ EU 21 december 2023, C-333/21, ECLI:EU:C:2023:1011
- HvJ EU 23 november 2023, C-209/21, ECLI:EU:C:2023:905
- HvJ EU 26 oktober 2023, C-331/21, ECLI:EU:C:2023:812
- HvJ EU 28 september 2023, C-123/21, ECLI:EU:C:2023:708
- HvJ EU 13 juli 2023, C-376/20, ECLI:EU:C:2023:561
- HvJ EU 16 juni 2022, C-700/19, ECLI:EU:C:2022:484
- Gerecht EU 30 maart 2022, T-324/17, ECLI:EU:T:2022:175
- Gerecht EU 30 maart 2022, T-341/17, ECLI:EU:T:2022:182
- HvJ EU 25 maart 2021, C-591/16, ECLI:EU:C:2021:243
- HvJ EU 18 maart 2021, C-440/19, ECLI:EU:C:2021:214
- HvJ EU 14 januari 2021, C-450/19, ECLI:EU:C:2021:10
- HvJ EU 6 september 2017, C-413/14, ECLI:EU:C:2017:632