HvJ EU 22 mei 2025, C-621/23, ECLI:EU:C:2025:368

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

22 mei 2025 ( *1 )

„Hogere voorziening – Milieu – Richtlijn 2003/87/EG – Systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten in de Europese Unie – Kosteloze toewijzing van emissierechten – Artikel 10 bis, lid 1 – Begrip ‚vervangingsproducten’ – Nationale uitvoeringsmaatregelen – Artikel 11, lid 1 – Door de lidstaten aan de Europese Commissie verstrekte lijsten met installaties die onder richtlijn 2003/87 vallen – Besluit (EU) 2021/355 – Voorstel van de betrokken lidstaat om een subinstallatie die pellets van ijzererts produceert onder een benchmark voor gesinterd erts te laten vallen – Afwijzend besluit – Vaststelling van de benchmarks door de Commissie – Algemene doelstelling om de reductie van de broeikasgasemissies te stimuleren – Geen resultaatsverplichting – Artikel 296 VWEU – Verplichting tot motivering van de beslissingen van de instellingen van de Europese Unie”

In zaak C‑621/23 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 6 oktober 2023,

Luossavaara-Kiirunavaara AB, gevestigd te Luleå (Zweden), vertegenwoordigd door A. Bryngelsson, A. Johansson en F. Sjövall, advokater,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. De Meester en G. Wils als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

Koninkrijk Zweden, vertegenwoordigd door C. Meyer-Seitz en R. Shahsavan Eriksson als gemachtigden,

interveniënt in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún (rapporteur), kamerpresident, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer en B. Smulders, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 november 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt Luossavaara-Kiirunavaara AB om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 26 juli 2023, Luossavaara-Kiirunavaara/Commissie (T‑244/21, EU:T:2023:428; hierna: „bestreden arrest”) waarbij het Gerecht haar beroep tot nietigverklaring van artikel 1, lid 3, van besluit (EU) 2021/355 van de Commissie van 25 februari 2021 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2021, L 68, blz. 221; hierna: „litigieus besluit”) heeft verworpen.

Toepasselijke bepalingen

Richtlijn 2003/87

2 Artikel 1 van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB 2003, L 275, blz. 32), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/410 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2018 (PB 2018, L 76, blz. 3) (hierna: „richtlijn 2003/87”) bepaalt: „Bij deze richtlijn wordt een gemeenschapsregeling vastgesteld voor de handel in broeikasgasemissierechten, hierna ‚het [ETS]’ […], teneinde de emissies van broeikasgassen op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen. […]”

3 In artikel 2 („Toepassingsgebied”) van richtlijn 2003/87 is bepaald: „1. Deze richtlijn is van toepassing op emissies uit de in bijlage I genoemde activiteiten en de in bijlage II genoemde broeikasgassen. 2. Deze richtlijn is van toepassing onverminderd eventuele uit richtlijn 96/61/EG [van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB 1996, L 257, blz. 26)] voortvloeiende voorschriften. […]”

4 Artikel 10 bis („Overgangsregels voor de hele Unie voor een geharmoniseerde kosteloze toewijzing”) van deze richtlijn bepaalt in lid 1: „De [Europese] Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met betrekking tot de volledig geharmoniseerde uitvoeringsmaatregelen voor de hele [Europese] Unie voor het toewijzen van in de leden 4, 5, 7 en 19 van dit artikel bedoelde emissierechten. De in de eerste alinea bedoelde maatregelen bevatten voor zover mogelijk voor de hele Unie geldende ex-ante-benchmarks die waarborgen dat de toewijzing gebeurt op een wijze die de reductie van broeikasgasemissies en het gebruik van energie-efficiënte technieken stimuleert door rekening te houden met de meest efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocedés, hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, energie-efficiënt hergebruik van rookgassen, het gebruik van biomassa en het afvangen en de opslag van CO2, indien de faciliteiten daarvoor beschikbaar zijn, en zetten niet aan tot een toename van de emissie. Er wordt geen kosteloze toewijzing gegeven voor elektriciteitsopwekking, behalve in gevallen als bedoeld in artikel 10 quater en voor met rookgassen geproduceerde elektriciteit. Voor elke bedrijfstak en deeltak wordt de benchmark in principe eerder berekend op basis van het product dan op basis van de inputs, teneinde te zorgen voor een zo groot mogelijke reductie van de broeikasgasemissie en een zo groot mogelijke energiebezuiniging in het hele productieproces van de betrokken bedrijfstak of deeltak. Bij het bepalen van de grondslagen voor het vaststellen van ex-ante-benchmarks in afzonderlijke bedrijfstakken en deeltakken, raadpleegt de Commissie de relevante belanghebbenden, met inbegrip van de betrokken bedrijfstakken en deeltakken. […]”

5 Artikel 10 ter („Overgangsmaatregelen ter ondersteuning van bepaalde energie-intensieve industrieën in geval van koolstoflekkage”) van deze richtlijn bepaalt in lid 1: „Bedrijfstakken en deeltakken waarvan het product van de vermenigvuldiging van de intensiteit van hun handel met derde landen, gedefinieerd als de verhouding tussen de totale waarde van de uitvoer naar derde landen plus de waarde van de invoer uit derde landen en de totale grootte van de markt van de Europese Economische Ruimte (jaaromzet plus totale invoer uit derde landen), met hun emissie-intensiteit, gemeten in kgCO2, gedeeld door hun bruto toegevoegde waarde (in EUR), groter is dan 0,2 worden geacht een koolstofweglekrisico te lopen. Dergelijke bedrijfstakken en deeltakken krijgen voor de periode tot en met 2030 kosteloze emissierechten toegewezen ten belope van 100 % van de hoeveelheid die krachtens artikel 10 bis is bepaald.”

6 Artikel 11 („Nationale uitvoeringsmaatregelen”) van die richtlijn luidt als volgt: „1. Elke lidstaat publiceert en verstrekt de Commissie uiterlijk op 30 september 2011 de lijst met installaties op zijn grondgebied die onder deze richtlijn vallen en alle kosteloze toewijzingen aan elke installatie op zijn grondgebied, berekend overeenkomstig de in artikel 10 bis, lid 1, en artikel 10 quater bedoelde regels. Een lijst van onder deze richtlijn vallende installaties voor de periode van vijf jaar die op 1 januari 2021 ingaat, wordt uiterlijk op 30 september 2019 ingediend en nadien om de vijf jaar een lijst voor elke volgende periode van vijf jaar. Elke lijst bevat informatie over de productieactiviteit, de overdracht van warmte en gassen, de elektriciteitsproductie en de emissies op het niveau van de subinstallatie betreffende de vijf kalenderjaren voorafgaand aan de indiening ervan. Kosteloze toewijzingen worden enkel verstrekt aan installaties waarvoor die gegevens zijn ingediend. 2. Uiterlijk op 28 februari van elk jaar verlenen de bevoegde autoriteiten de hoeveelheid emissierechten die voor dat jaar dienen te worden verdeeld, berekend overeenkomstig de artikelen 10, 10 bis en 10 quater. 3. De lidstaten mogen geen kosteloze toewijzingen overeenkomstig lid 2 verlenen aan installaties waarvan opneming in de in lid 1 bedoelde lijst door de Commissie is geweigerd.”

7 Bijlage I bij richtlijn 2003/87 somt de categorieën activiteiten op waarop deze richtlijn van toepassing is.

Richtlijn 2009/29

8 De overwegingen 24 en 25 van richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van richtlijn 2003/87 teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden (PB 2009, L 140, blz. 63) luiden als volgt: „(24) […] Mochten andere ontwikkelde landen en andere grote uitstoters van broeikasgassen niet [meedoen] aan deze [internationale overeenkomst over klimaatverandering die het mogelijk moet maken om de wereldwijde temperatuurstijging te beperken tot 2 °C] […], dan zou dit kunnen leiden tot een stijging van de emissie van broeikasgassen in derde landen waar de industrie niet onder vergelijkbare CO2-beperkingen zou vallen („CO2-weglekeffect”) en zouden er tevens economische nadelen kunnen ontstaan voor bepaalde energie-intensieve bedrijfstakken en deeltakken in de [Europese] Gemeenschap die aan internationale concurrentie onderhevig zijn. Dit kan de milieu-integriteit en de baten van maatregelen van de Gemeenschap ondermijnen. Vanwege het risico op het ontstaan van een weglekeffect moet de Gemeenschap 100 % kosteloos emissierechten toewijzen aan bedrijfstakken of deeltakken die aan de desbetreffende criteria voldoen. […] (25) De Commissie dient derhalve uiterlijk op 30 juni 2010 de situatie te evalueren, alle relevante maatschappelijke partners te raadplegen en in het licht van de resultaten van de internationale onderhandelingen een verslag met eventuele voorstellen in te dienen. In deze context dient de Commissie uiterlijk op 31 december 2009 te signaleren welke energie-intensieve bedrijfstakken of deeltakken wellicht gevoelig kunnen zijn voor het weglekeffect. Zij dient in haar analyse uit te gaan van een beoordeling in hoeverre het voor bedrijfstakken mogelijk is de kosten van de vereiste emissierechten in de productprijzen door te berekenen zonder een significant verlies van marktaandeel aan installaties buiten de Gemeenschap die geen vergelijkbare maatregelen nemen om hun emissie te beperken. Energie-intensieve bedrijfstakken waarvan wordt vastgesteld dat het weglekeffect een significante risicofactor vormt, zouden een grotere kosteloze toewijzing kunnen krijgen […].”

Gedelegeerde verordening 2019/331

9 Gedelegeerde verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2019, L 59, blz. 8) stelt de benchmarks vast, met name voor producten, voor de kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten voor installaties en subinstallaties van de Unie die gebruikmaken van de betrokken producten. Gedelegeerde verordening 2019/331 definieert de waarde van deze benchmarks eveneens.

10 Overweging 3 van deze gedelegeerde verordening luidt: „Volgens artikel 10 bis, lid 1, van [richtlijn 2003/87] moeten de voor de hele Unie geldende en volledig geharmoniseerde overgangsmaatregelen voor de kosteloze toewijzing van emissierechten, voor zover mogelijk, ex-ante-benchmarks bevatten die waarborgen dat de kosteloze toewijzing van emissierechten gebeurt op een wijze die de reductie van broeikasgasemissies en het gebruik van energie-efficiënte technieken stimuleert door rekening te houden met de meest efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocedés, hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, energie-efficiënt hergebruik van afgassen, het gebruik van biomassa en het afvangen en de opslag van kooldioxide, indien de faciliteiten daarvoor beschikbaar zijn. Tegelijkertijd mogen deze maatregelen niet aanzetten tot een toename van de emissie. Ter vermindering van de stimulans voor het affakkelen van afgassen, anders dan voor veiligheidsaffakkeling, moet het aantal kosteloos toegewezen emissierechten voor de desbetreffende subinstallaties worden verminderd met de historische emissies uit afgefakkelde afgassen, met uitzondering van veiligheidsaffakkeling, en niet worden gebruikt voor de productie van meetbare warmte, niet-meetbare warmte of elektriciteit. Rekening houdend met de bijzondere behandeling die mogelijk is op grond van artikel 10 bis, lid 2, van [richtlijn 2003/87], en om te voorzien in een overgangsperiode, zou deze vermindering evenwel pas vanaf 2026 van toepassing moeten zijn.”

11 Bijlage I („Benchmarks”) bij deze gedelegeerde verordening bepaalt in punt 1 ervan de productbenchmarks en de systeemgrenzen zonder aandacht voor de uitwisselbaarheid van brandstof en elektriciteit als volgt: „Product-benchmark Bepaling van de betrokken producten Bepaling van de betrokken processen en emissies (systeemgrenzen) Uitgangspunt voor het vaststellen van het jaarlijkse verminderings-percentage voor het bijwerken van benchmarkwaarden (emissierechten/t) […] Gesinterd erts Geagglomereerde ijzerhoudende producten met fijne ijzerertsdeeltjes, vloeimiddelen en ijzerhoudende recycling-materialen met de vereiste chemische en fysische eigenschappen, zoals basiciteit, mechanische sterkte en doorlaatbaarheid, om ijzer en de nodige vloeimiddelen in procedés voor ijzerertsreductie te bezorgen. Uitgedrukt in ton gesinterd erts bij het afvoeren uit de sinterfabriek. Alle processen die direct of indirect verband houden met de sinterfabriek, voorbereidings-eenheden voor grondstoffen, warmescreening-eenheid, koeleenheid voor sinters, koudescreening-eenheid en stoomgenerator-installatie van de proceseenheden, zijn inbegrepen. 0,171 […]”

Besluit 2011/278

12 Besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van richtlijn 2003/87 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 130, blz. 1) is met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken bij gedelegeerde verordening 2019/331.

13 Overweging 4 van dit besluit luidde: „Voor zover dit haalbaar was, heeft de Commissie benchmarks ontwikkeld voor producten, alsook tussenproducten die tussen installaties worden verhandeld en die geproduceerd worden middels activiteiten opgesomd in bijlage I [bij richtlijn 2003/87]. In principe moet voor elk product een benchmark worden vastgesteld. Een product dat een rechtstreeks vervangingsproduct is van een ander product, moet onder dezelfde benchmark en bijhorende productdefinitie vallen.”

Litigieus besluit

14 De overwegingen 1 tot en met 5, 12 en 13 van het litigieuze besluit luiden als volgt: „(1) Voor de toewijzing van emissierechten aan exploitanten van installaties die onder het [ETS] vallen is veiling sinds 2013 de norm. Exploitanten die hiervoor in aanmerking komen, blijven in de handelsperiode 2021‑2030 kosteloos emissierechten ontvangen. De hoeveelheid rechten die een dergelijke exploitant ontvangt, wordt bepaald op basis van in [richtlijn 2003/87] en [gedelegeerde verordening 2019/331] vastgestelde geharmoniseerde voorschriften voor de hele Unie. (2) De lidstaten moesten uiterlijk op 30 september 2019 hun nationale uitvoeringsmaatregelen, bestaande uit een lijst van installaties op hun grondgebied die onder [richtlijn 2003/87] vallen, met inbegrip van informatie over de productieactiviteit, de overdracht van warmte en gassen, de elektriciteitsproductie en de emissies op het niveau van de subinstallatie betreffende vastgestelde referentieperiode (2014‑2018) overeenkomstig bijlage IV bij [gedelegeerde verordening 2019/331], bij de Commissie indienen. (3) Om de kwaliteit en vergelijkbaarheid van de gegevens te waarborgen, hebben de lidstaten hun nationale uitvoeringsmaatregelen ingediend door middel van een elektronisch sjabloon dat de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, van [gedelegeerde verordening 2019/331] heeft verstrekt en waarop de relevante gegevens per installatie zijn opgenomen. De lidstaten hebben ook een methodologisch verslag ingediend waarin zij het proces van gegevensverzameling door hun autoriteiten beschrijven. (4) Gezien het brede scala van ingediende informatie en gegevens is de Commissie eerst nagegaan of alle nationale uitvoeringsmaatregelen compleet waren. Als de Commissie constateerde dat de ingediende gegevens niet compleet waren, heeft zij de betrokken lidstaten om aanvullende informatie verzocht. In antwoord op die verzoeken hebben de desbetreffende autoriteiten aanvullende relevante informatie verstrekt om de ingediende nationale uitvoeringsmaatregelen te completeren. (5) Daarna heeft de Commissie, met inachtneming van de tussen januari en april 2020 gepubliceerde richtsnoeren van de Commissie aan de lidstaten, de nationale uitvoeringsmaatregelen getoetst aan de criteria van [richtlijn 2003/87] en [gedelegeerde verordening 2019/331]. Deze consistentiecontroles vormden de tweede fase van de beoordeling van de nationale uitvoeringsmaatregelen. […] (12) Zweden stelde voor een installatie op te nemen waarvan de emissies afkomstig zijn van een kalkoven waarin kalkneerslag, een residu van het terugwinnen van kookchemicaliën in fabrieken die oplosbare kraftpulp produceren, wordt gecalcineerd. Het proces van terugwinning van kalk uit kalkneerslag valt onder de definities van de systeemgrenzen van kortvezelige en langvezelige kraftpulp. Met de betreffende installatie wordt zo een tussenproduct dat onder een productbenchmark valt, ingevoerd. Aangezien emissies, zoals vermeld in artikel 16, lid 7, van [gedelegeerde verordening 2019/331] niet dubbel mogen worden geteld, moeten de gegevens voor kosteloze toewijzing van die installatie worden afgewezen. (13) Zweden stelde voor om voor drie installaties andere benchmark-subinstallaties te gebruiken in vergelijking met de in de nationale uitvoeringsmaatregelen voor de derde fase voor de productie van pellets van ijzererts gebruikte benchmark-subinstallaties. Zweden heeft voorgesteld een benchmark-subinstallatie voor gesinterd erts voor de productie van pellets van ijzererts te gebruiken, terwijl in de derde fase warmte- en brandstofbenchmarks werden gebruikt. De benchmark voor gesinterd erts wordt echter gedefinieerd in bijlage I bij [gedelegeerde verordening 2019/331], en de definities van producten, processen en emissies die onder die productbenchmark vallen zijn afgestemd op de […] sinterproductie en omvatten geen pellets van ijzererts. Bovendien worden de benchmarkwaarden voor de vierde fase bij artikel 10 bis, lid 2, van [richtlijn 2003/87] geactualiseerd, maar wordt niet voorzien in de mogelijkheid de interpretatie van de benchmarkdefinities aan te passen. De ingediende gegevens voor de productie van pellets van ijzererts op basis van een subinstallatie voor gesinterd erts moeten daarom worden afgewezen[.]”

15 Artikel 1, lid 3, van dit besluit bepaalt: „De gegevens die overeenstemmen met de productbenchmark-subinstallaties van de in bijlage III bij dit besluit genoemde installaties in de lijsten van installaties die onder [richtlijn 2003/87] vallen en overeenkomstig artikel 11, lid 1, van die richtlijn bij de Commissie zijn ingediend, worden afgewezen.”

16 Bijlage III („Installaties die de productbenchmark van gesinterd erts gebruiken in plaats van warmte- of brandstofbenchmarks”) bij dit besluit vermeldt de volgende identificatiecodes van de installaties: „SE000000000000497 SE000000000000498 SE000000000000499”

Voorgeschiedenis van het geding

17 De voorgeschiedenis van het geding, zoals die uit de punten 2 tot en met 6 van het bestreden arrest naar voren komt, kan worden samengevat als volgt.

18 Rekwirante is een Zweeds mijnbouwbedrijf dat eigendom is van de staat. Ze produceert met name ijzererts, de belangrijkste grondstof die gebruikt wordt bij de productie van staal. De onderhavige zaak heeft betrekking op drie van haar installaties in Zweden die worden genoemd in bijlage III bij het litigieuze besluit, met name de installaties met de identificatiecodes SE-497, SE-498 en SE-499, die zich respectievelijk in Kiruna, Malmberget (Gällivare) en Svappavaara bevinden (hierna: „betrokken installaties”).

19 De betrokken installaties vallen onder het door richtlijn 2003/87 ingestelde ETS.

20 Zoals blijkt uit het litigieuze besluit is voor de toewijzing van emissierechten aan exploitanten van installaties die onder het ETS vallen, veiling sinds 2013 de norm geworden. Exploitanten die hiervoor in aanmerking komen, blijven in de handelsperiode 2021‑2030 – ook de „vierde handelsperiode” genoemd – echter kosteloos emissierechten ontvangen. Gedurende deze periode wordt de hoeveelheid rechten die een dergelijke exploitant ontvangt bepaald op basis van de in richtlijn 2003/87 en gedelegeerde verordening 2019/331 vastgestelde geharmoniseerde voorschriften.

21 Om de voorlopige kosteloze toewijzing voor die periode, die inging op 1 januari 2021, voor te bereiden heeft het Koninkrijk Zweden – via de Naturvårdsverket (agentschap voor milieubescherming, Zweden) – in 2019 de lijst van de onder richtlijn 2003/87 vallende installaties en van de toegewezen kosteloze emissierechten voor iedere installatie aan de Commissie verstrekt overeenkomstig artikel 11 van die richtlijn. In dit verband heeft deze lidstaat voorgesteld om subinstallaties van de betrokken installaties mee op te nemen in de lijst met het oog op de kosteloze toewijzing van rechten op basis van de productbenchmark voor gesinterd erts, zoals deze is vastgesteld in bijlage I, punt 1, bij gedelegeerde verordening 2019/331 (hierna: „benchmark voor gesinterd erts”), terwijl hiervoor aanvankelijk warmte- of brandstofbenchmarks waren toegepast.

22 Nadat de Commissie de door het Koninkrijk Zweden verstrekte informatie had getoetst aan de criteria van richtlijn 2003/87 en gedelegeerde verordening 2019/331, heeft zij besloten om het voorstel van deze lidstaat af te wijzen om de in overweging 13 van het litigieuze besluit genoemde redenen.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

23 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 mei 2021, heeft rekwirante beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.

24 Ter ondersteuning van haar beroep heeft rekwirante zes middelen aangevoerd. Het eerste middel betrof de schending van bijlage I bij gedelegeerde verordening 2019/331 en artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87. Het tweede middel betrof de schending van het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van non-discriminatie. Het derde middel betrof de niet-nakoming van de uit hoofde van het internationaal milieurecht op de Unie rustende verplichtingen en verbintenissen, en het vierde middel betrof de schending door de bevoegde instelling van de verplichting om alle relevante aspecten van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken. Het vijfde middel had betrekking op de niet-nakoming van de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU. Tot slot heeft rekwirante met haar zesde middel, dat subsidiair is aangevoerd, overeenkomstig artikel 277 VWEU verzocht om nietigverklaring van gedelegeerde verordening 2019/331, voor zover deze van toepassing is op het litigieuze besluit.

25 Het Gerecht heeft bij het bestreden arrest alle door rekwirante aangevoerde middelen, en bijgevolg het beroep in zijn geheel, afgewezen.

Conclusies van partijen in hogere voorziening

26 Met haar hogere voorziening verzoekt rekwirante het Hof: – het bestreden arrest in zijn geheel te vernietigen; – artikel 1, lid 3, van het litigieuze besluit nietig te verklaren, en – de Commissie te verwijzen in de kosten.

27 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwirante te verwijzen in de kosten.

28 Het Koninkrijk Zweden verzoekt het Hof de hogere voorziening toe te wijzen.

Hogere voorziening

29 Rekwirante voert vijf middelen aan, waarvan het eerste en het derde middel door het Koninkrijk Zweden worden ondersteund.

Eerste middel

Argumenten van partijen

30 Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen en betreft in essentie de onjuiste uitlegging door het Gerecht van het begrip „vervangingsproducten” van artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87.

31 Met het eerste onderdeel van het eerste middel voert rekwirante aan dat het Gerecht in punt 88 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat het aan rekwirante stond om aan te tonen dat de pellets van ijzererts „rechtstreekse vervangingsproducten” waren van gesinterd erts, hoewel de term „rechtstreeks” noch in richtlijn 2003/87, noch in het litigieuze besluit, noch in gedelegeerde verordening 2019/331 voorkomt. Bijgevolg heeft het Gerecht artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87 geschonden door dit artikel aldus uit te leggen dat het juridische criterium dat geldt voor vervangingsproducten bij de vaststelling van de benchmarks voor de toewijzing van emissierechten wordt gewijzigd.

32 Zij merkt ten eerste op dat de bewoordingen van deze bepaling zich verzetten tegen een dergelijke uitlegging. Hoewel de term „vervangingsproduct” duidt op een product dat voor een bepaald gebruik kan worden vervangen door een ander product, neemt dit namelijk niet weg dat een vervangingsproduct niet noodzakelijk identiek is aan of vergelijkbaar is met het product dat het vervangt.

33 Zo heeft het Hof in het arrest van 26 juli 2017, ArcelorMittal Atlantique et Lorraine (C‑80/16, EU:C:2017:588, punt 45), in essentie geoordeeld dat indien een product een ander product kan vervangen voor hetzelfde gebruik, de betrokken producten „vervangingsproducten” zijn in de zin van artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87, hetgeen het geval was voor het gesinterd erts dat en de pellets die werden gebruikt in de installatie die aan de orde was in de zaak die tot dat arrest heeft geleid.

34 Ten tweede is rekwirante van mening dat deze bepaling, gelet op de context ervan, ruim moet worden uitgelegd en dat het daarin voorkomende begrip „vervangingsproducten” dus niet eenvoudigweg kan verwijzen naar dezelfde producten die volgens verschillende productiemethoden zijn verkregen.

35 Ten derde vindt deze uitlegging steun in het doel van artikel 10 bis van richtlijn 2003/87, namelijk de reductie van broeikasgasemissies door rekening te houden met de meest efficiënte technieken.

36 Gelet op dit doel kan een product met lagere emissies, zoals pellets van ijzererts, in vergelijking met een ander vervangingsproduct, zoals gesinterd erts, niet worden uitgesloten van de benchmark voor gesinterd erts.

37 Ten vierde stelt rekwirante dat het begrip „vervangingsproducten” in de zin van artikel 10 bis, lid 1, van deze richtlijn moet worden uitgelegd in het licht van, ten eerste, de subdoelstelling van het bewaren van de eenheid van de interne markt en van de mededingingsvoorwaarden en, ten tweede, het beginsel van gelijke behandeling. Dit betekent dat dit begrip niet aldus mag worden uitgelegd dat de mededinging wordt vervalst of dat installaties die zich in vergelijkbare situaties bevinden verschillend worden behandeld.

38 Met het tweede onderdeel van het eerste middel verwijt rekwirante het Gerecht in de eerste plaats dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 69 van het bestreden arrest te oordelen dat uit de bewoordingen „voor zover mogelijk” in artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87 volgt dat deze bepaling de Commissie geen enkele resultaatsverplichting oplegt.

39 In werkelijkheid moet dit begrip aldus worden uitgelegd dat het ziet op de mogelijkheid zelf om een benchmark vast te stellen.

40 Indien de Commissie een dergelijke benchmark vaststelt, mag zij niet afwijken van de verplichting om de inhoud ervan te bepalen, zodat de reductie van de broeikasgasemissies en het gebruik van energie-efficiënte technieken worden gestimuleerd.

41 In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 93 tot en met 99 van het bestreden arrest een test van substitueerbaarheid van producten ten onrechte vervangen door een test van „gelijkenis” tussen deze producten, door zich te baseren op irrelevante verschillen tussen gesinterd erts en pellets van ijzererts, hetgeen tot gevolg heeft dat het begrip „vervangingsproducten” in de zin van artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87 te restrictief en in strijd met de gewone betekenis ervan is uitgelegd. Bovendien heeft het Gerecht dit begrip niet uitgelegd in overeenstemming met het doel van de bepaling waarvan het deel uitmaakt – in casu de reductie van broeikasgasemissies – en met inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling.

42 De Commissie betoogt dat het eerste middel ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

– Tweede onderdeel van het eerste middel

43 Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, dat als eerste moet worden onderzocht, moet in herinnering worden gebracht dat het Gerecht in punt 69 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de algemene doelstelling om de reductie van broeikasgasemissies te stimuleren „voor zover mogelijk” moet worden bereikt door de voorkeur te geven aan emissie-efficiënte technologieën boven minder emissie-efficiënte technologieën, zoals blijkt uit artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87, overweging 4 van besluit 2011/278 en overweging 3 van gedelegeerde verordening 2019/331. Volgens het Gerecht heeft de Commissie in dit verband dus geen resultaatsverplichting. Een techniek of activiteit kan in vergelijking met een andere op zich efficiëntievoordelen bieden, maar deze andere techniek of activiteit kan ook haar eigen voordelen hebben die als zodanig op grond van de regelgeving in aanmerking kunnen worden genomen bij een algehele beoordeling waarbij beide technieken of activiteiten met elkaar worden vergeleken. Bovendien kan, gelet op de inhoud van de sectorverslagen, de alternatieve techniek of activiteit in kwestie, ook al is zij minder efficiënt, het toch mogelijk maken om materialen te recyclen die anders afval zouden worden.

44 In punt 70 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat de Commissie bij de beoordeling van verschillende technieken of activiteiten dus rekening diende te houden met alle parameters die deze technieken of activiteiten kenmerken, in plaats van zich slechts op één daarvan te concentreren.

45 In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat volgens artikel 10 bis, lid 1, tweede alinea, eerste volzin, van richtlijn 2003/87 de door de Commissie overeenkomstig artikel 10 bis, lid 1, eerste alinea, vastgestelde maatregelen voor zover mogelijk voor de hele Unie geldende ex-ante-benchmarks bevatten die waarborgen dat de toewijzing gebeurt op een wijze die de reductie van broeikasgasemissies en het gebruik van energie-efficiënte technieken stimuleert door rekening te houden met de meest efficiënte technieken, vervangingsproducten, alternatieve productieprocedés, hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, energie-efficiënt hergebruik van rookgassen, het gebruik van biomassa en het afvangen en de opslag van CO2, indien de faciliteiten daarvoor beschikbaar zijn, en niet aanzetten tot een toename van deze emissies.

46 Zoals de advocaat-generaal in punt 80 van haar conclusie heeft opgemerkt, blijkt reeds uit de bewoordingen van deze bepaling dat de Commissie bij de vaststelling van de betrokken maatregelen rekening moet houden met verschillende aspecten.

47 Artikel 10 bis, lid 1, tweede alinea, eerste volzin, van richtlijn 2003/87 heeft uitdrukkelijk tot doel het gebruik van efficiënte technieken voor de reductie van broeikasgasemissies te stimuleren, maar dit neemt niet weg dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof, dit hoofddoel moet worden verwezenlijkt met inachtneming van een reeks subdoelen. Zoals in de overwegingen 5 en 7 van richtlijn 2003/87 is uiteengezet, zijn deze subdoelen met name het behoud van de economische ontwikkeling en de werkgelegenheid en het bewaren van de eenheid van de interne markt en van de mededingingsvoorwaarden (arrest van 22 juni 2016, DK Recycling und Roheisen/Commissie, C‑540/14 P, EU:C:2016:469, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 69 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie bij de vaststelling van de benchmarks een algemene doelstelling moet nastreven, die erop gericht is de reductie van de broeikasgasemissies voor zover mogelijk te stimuleren, en dat deze verplichting geen resultaatsverbintenis is.

49 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.

– Eerste onderdeel van het eerste middel

50 Om het eerste onderdeel van het eerste middel te onderzoeken, waarmee rekwirante het in het bestreden arrest verrichte onderzoek naar de substitueerbaarheid van de betrokken producten betwist, moet in herinnering worden gebracht dat het Gerecht zich in de punten 86 en 87 van dat arrest heeft gebaseerd op overweging 4 van besluit 2011/278 en op punt 47 van het arrest van 26 juli 2017, ArcelorMittal Atlantique et Lorraine (C‑80/16, EU:C:2017:588), en in punt 88 van het bestreden arrest tot de slotsom is gekomen dat rekwirante terecht heeft betoogd dat indien werd aangetoond dat de pellets van ijzererts rechtstreekse vervangingsproducten waren van gesinterd erts, in beginsel ervoor had moeten worden gezorgd dat deze twee producten onder dezelfde productbenchmark en de overeenkomstige productomschrijving vielen.

51 In de punten 93 tot en met 99 van het bestreden arrest heeft het Gerecht in het kader van zijn soevereine beoordeling van de feiten de rechtstreekse onderlinge substitueerbaarheid van deze producten onderzocht.

52 In punt 94 van dat arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat er ondanks bepaalde gelijkenissen tussen gesinterd erts en pellets van ijzererts, die beide kunnen worden gebruikt voor de productie van staal in een hoogoven door middel van bepaalde technische aanpassingen om van het ene op het andere product over te schakelen, niettemin verschillen bestonden tussen die producten.

53 Als een van deze verschillen heeft het Gerecht in punt 95 van het bestreden arrest het feit genoemd dat de productie van elk van deze twee producten op een ander substraat berustte, hetgeen tot gevolg had dat het ijzergehalte van fijne gesinterde deeltjes – dat tussen 55 % en 58 % bedroeg – in het algemeen verschilde van dat van pellets van ijzererts, dat tussen 62 % en 66 % lag.

54 In punt 96 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat rekwirante bij de productie van pellets van ijzererts kleinere hoeveelheden cokesbries nodig had dan bij de productie van gesinterd erts, en dat in het kader van de productie van gesinterd erts de ijzerhoudende restproducten rechtstreeks als inputs werden gerecycled, terwijl hiervoor bij de productie van pellets van ijzererts een andere oplossing moest worden gevonden.

55 In punt 97 van dat arrest heeft het Gerecht gewezen op andere verschillen tussen deze producten wat hun samenstelling, respectieve kenmerken en productieproces betreft.

56 In punt 98 van dat arrest heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat, aangezien de broeikasgasemissies bij de productie van gesinterd erts ongeveer zes- tot zevenmaal hoger lagen dan bij de productie van pellets van ijzererts, er een aanzienlijke verstoring van het evenwicht kon plaatsvinden voor de onder de benchmark voor gesinterd erts vallende installaties indien nieuwe categorieën installaties in die benchmark werden opgenomen.

57 In punt 99 van het bestreden arrest is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat deze verschillen voldoende groot waren om de Commissie op grond van haar ruime beoordelingsbevoegdheid in staat te stellen te oordelen dat pellets van ijzererts geen rechtstreekse vervangingsproducten zijn van gesinterd erts wat betreft de vaststelling van de installaties die onder de benchmark voor gesinterd erts vielen.

58 In dat verband moet in herinnering worden gebracht, zoals het Hof in de punten 31 en 37 van het arrest van 26 juli 2017, ArcelorMittal Atlantique et Lorraine (C‑80/16, EU:C:2017:588), reeds heeft geoordeeld en het Gerecht in de punten 13 tot en met 15 van het bestreden arrest zelf heeft opgemerkt, dat de Commissie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt om op grond van artikel 10 bis, lid 2, van richtlijn 2003/87 de benchmarks per bedrijfstak of deeltak vast te stellen. Bij deze taak dient zij met name keuzen en ingewikkelde technische en economische beoordelingen te maken. Een op dit gebied vastgestelde maatregel is slechts onrechtmatig wanneer hij kennelijk ongeschikt is.

59 In dat arrest heeft het Hof de geldigheid onderzocht van besluit 2011/278, dat net als het litigieuze besluit werd vastgesteld op grond van richtlijn 2003/87, en waarin de benchmarks werden vastgesteld voor de producten die thans zijn opgenomen in bijlage I bij gedelegeerde verordening 2019/331.

60 Zoals staat te lezen in overweging 13 van het litigieuze besluit wordt de benchmark voor gesinterd erts gedefinieerd in bijlage I, punt 1, bij gedelegeerde verordening 2019/331, en worden de definities van producten, processen en emissies die onder die productbenchmark vallen afgestemd op de sinterproductie en omvatten zij geen pellets van ijzererts. Voorts preciseert deze overweging dat de benchmarkwaarden voor de vierde fase bij artikel 10 bis, lid 2, van richtlijn 2003/87 geactualiseerd worden, maar wordt niet voorzien in de mogelijkheid de interpretatie van de benchmarkdefinities aan te passen.

61 In overweging 4 van besluit 2011/278 was vermeld dat indien een product een rechtstreeks vervangingsproduct is van een ander product, beide producten onder dezelfde benchmark en bijbehorende productdefinitie moesten vallen.

62 Tegen deze achtergrond heeft het Hof in punt 40 van het arrest van 26 juli 2017, ArcelorMittal Atlantique et Lorraine (C‑80/16, EU:C:2017:588), onderzocht of de in die zaak aan de orde zijnde producten, gelet op hun eigenschappen en samenstelling, rechtstreekse vervangingsproducten waren.

63 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 94 tot en met 98 van het bestreden arrest rekening te houden met de respectieve kenmerken en samenstelling van gesinterd erts en pellets van ijzererts om te bepalen of deze producten rechtstreekse vervangingsproducten waren.

64 In essentie heeft het Gerecht in punt 99 van het bestreden arrest dan ook terecht geoordeeld dat de Commissie, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover zij beschikt, in het litigieuze besluit rechtmatig kon besluiten om de benchmark voor gesinterd erts niet toe te passen op de door de betrokken installaties geproduceerde pellets van ijzererts, aangezien deze producten geen rechtstreekse vervangingsproducten waren vanwege hun verschillende kenmerken en samenstellingen.

65 Bij het onderzoek dat nodig is om een dergelijk besluit te nemen en dat een beoordeling inhoudt van de kenmerken, de samenstelling en de productie van het betrokken product gaat het namelijk om een complexe technische beoordeling, in het kader waarvan de Commissie over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt (zie naar analogie arrest van 26 juli 2017, ArcelorMittal Atlantique et Lorraine, C‑80/16, EU:C:2017:588, punt 44).

66 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van rekwirante dat het Hof in punt 42 van het arrest van 26 juli 2017, ArcelorMittal Atlantique et Lorraine (C‑80/16, EU:C:2017:588), heeft geoordeeld dat de Commissie de pellets en het gesinterd erts die aan de orde waren in de zaak die heeft geleid tot dat arrest inderdaad als vervangingsproducten mocht beschouwen.

67 Zoals het Gerecht in de punten 106 tot en met 112 van het bestreden arrest in essentie heeft opgemerkt, heeft het Hof deze vaststelling namelijk gedaan in de bijzondere context van die zaak, waarin het blijkens de punten 42, 44 tot en met 46 en 48 van het arrest van 26 juli 2017, ArcelorMittal Atlantique et Lorraine (C‑80/16, EU:C:2017:588), ging om een geïntegreerde staalfabriek die zowel een productie-eenheid voor pellets als een productie-eenheid voor gesinterd erts bevatte die met elkaar waren verbonden om een mengsel te produceren dat de hoogovens rechtstreeks voedde, aangezien dit mengsel vanwege zijn eigenschappen als rechtstreeks vervangingsproduct voor gesinterd erts kon worden gebruikt in die hoogovens.

68 Blijkens het dossier waarover het Hof beschikt is de specifieke context van de onderhavige zaak echter niet volledig analoog aan die van de zaak waarin het arrest van 26 juli 2017, ArcelorMittal Atlantique et Lorraine (C‑80/16, EU:C:2017:588), is gewezen.

69 Wat het in punt 35 van het onderhavige arrest bedoelde argument van rekwirante betreft, waarmee zij in essentie betoogt dat het Gerecht het door artikel 10 bis van richtlijn 2003/87 nagestreefde doel, namelijk de reductie van broeikasgasemissies door rekening te houden met de meest efficiënte technieken, heeft miskend, moet worden vastgesteld dat het Gerecht in punt 68 van het bestreden arrest heeft opgemerkt dat een van de doelstellingen van richtlijn 2003/87 inderdaad erin bestaat om de reductie van broeikasgasemissies te stimuleren door de voorkeur te geven aan emissie-efficiënte technologieën boven minder emissie-efficiënte technologieën, zoals met name blijkt uit artikel 10 bis, lid 1, tweede alinea, zodat de maatregelen die worden genomen om de ex-ante-benchmarks vast te stellen gericht moeten zijn op de bevordering van de meest efficiënte technieken voor de reductie van broeikasgasemissies.

70 Zoals het Gerecht in punt 99 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt en zoals blijkt uit het onderzoek naar het tweede onderdeel van het eerste middel, streeft richtlijn 2003/87 echter verschillende doelstellingen na, aangezien de reductie van broeikasgasemissies volgens artikel 1 „op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze” moet worden verwezenlijkt. Zoals het Gerecht in punt 69 van het bestreden arrest heeft benadrukt moet deze doelstelling van de reductie van broeikasgasemissies overeenkomstig artikel 10 bis, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn dus „voor zover mogelijk” worden bereikt, in die zin dat een techniek of activiteit die minder efficiënt is voor de reductie van de broeikasgasemissies in het kader van een globale beoordeling haar eigen voordelen kan hebben op het stuk van economische efficiëntie.

71 In dit verband heeft het Gerecht in punt 96 van het bestreden arrest in het kader van zijn soevereine beoordeling van de feiten vastgesteld dat de bij de productie van gesinterd erts ontstane ijzerhoudende restproducten rechtstreeks als inputs werden gerecycled, terwijl dit bij de productie van pellets van ijzererts niet het geval is.

72 Bovendien heeft het Gerecht in punt 98 van het bestreden arrest, eveneens in het kader van zijn soevereine beoordeling van de feiten, opgemerkt dat de opneming van nieuwe categorieën installaties in de benchmark voor gesinterd erts tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht kon leiden voor de installaties die toen onder die benchmark vielen, aangezien de broeikasgasemissies bij de productie van gesinterd erts ongeveer zes- tot zevenmaal zo hoog waren dan bij de productie van pellets van ijzererts.

73 Het risico op een dergelijke aanzienlijke verstoring van het evenwicht moet met name worden begrepen in het licht van overweging 24 van richtlijn 2009/29, waarin wordt benadrukt dat de Unie stappen heeft ondernomen om een stijging te voorkomen van de emissie van broeikasgassen in derde landen waar de industrie niet onder vergelijkbare CO2-beperkingen zou vallen als die waar de industrie in de Unie onder valt („CO2-weglekeffect”), en om economische nadelen te voorkomen voor bepaalde energie-intensieve bedrijfstakken en deeltakken in de Unie die aan internationale concurrentie onderhevig zijn. Volgens de Uniewetgever zou dit de milieu-integriteit en de baten van maatregelen van de Unie kunnen ondermijnen. Vanwege dat risico op koolstoflekkage heeft die wetgever besloten om 100 % kosteloos emissierechten toe te wijzen aan bedrijfstakken of deeltakken die aan de desbetreffende criteria voldoen.

74 Het staat vast dat de Commissie zowel de winning van ijzererts als de vervaardiging van ruwijzer en staal en van ferrolegeringen heeft erkend als bedrijfstakken die in de zin van artikel 10 ter, lid 1, van richtlijn 2003/87 zijn blootgesteld aan een risico op „CO2-weglekeffect”.

75 Tegen deze achtergrond heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld, waarvan overweging 13 stelt dat de benchmark voor gesinterd erts wordt gedefinieerd in bijlage I bij gedelegeerde verordening 2019/331, en dat de definities van producten, processen en emissies die onder die productbenchmark vallen zijn afgestemd op de sinterproductie en geen pellets van ijzererts omvatten.

76 Aangezien de productie van pellets van ijzererts minder emissies veroorzaakt dan de productie van gesinterd erts, zoals rekwirante in haar hogere voorziening heeft erkend, krijgen de producenten van deze pellets volgens de in die overweging 13 bedoelde warmte- en brandstofbenchmarks namelijk een hoeveelheid kosteloze emissierechten die dienovereenkomstig lager is. Hieruit volgt, zoals de advocaat-generaal in punt 108 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, dat indien de productie van pellets van ijzererts zou worden opgenomen in de benchmark voor gesinterd erts, de waarde van deze benchmark lager zou zijn, zodat de productie van gesinterd erts slechts een fractie van de voor die productie vereiste emissierechten zou ontvangen.

77 Zoals de advocaat-generaal in punt 107 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, komt de kosteloze toewijzing van emissierechten voor de productie van enerzijds pellets van ijzererts en anderzijds gesinterd erts overeen met de keuze die de Uniewetgever op het gebied van milieubescherming heeft gemaakt om het „CO2-weglekeffect” tegen te gaan, waarnaar in punt 73 van het onderhavige arrest wordt verwezen, teneinde ten eerste te waarborgen dat noch de producenten van pellets van ijzererts, noch de producenten van gesinterd erts emissierechten moeten verwerven wanneer zij de meest efficiënte methoden gebruiken, en ten tweede te voorkomen dat zij hun productie stopzetten of van de Unie naar derde landen overbrengen wegens de kosten van de emissierechten.

78 Gelet op deze overwegingen heeft het Gerecht in punt 99 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat de Commissie zich in het kader van haar ruime beoordelingsbevoegdheid en rekening houdend met de verschillende doelstellingen van richtlijn 2003/87 op het standpunt mocht stellen dat een subinstallatie voor de productie van ijzererts niet onder de benchmark voor gesinterd erts kan vallen.

79 Om deze redenen kunnen ook rekwirantes argumenten betreffende de gelijke behandeling van de marktdeelnemers binnen de interne markt en het bewaren van eerlijke mededingingsvoorwaarden niet afdoen aan de beoordeling van het Gerecht in punt 98 van het bestreden arrest.

80 In deze omstandigheden moet het eerste onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.

81 Bijgevolg moet het eerste middel in zijn geheel ongegrond worden verklaard.

Tweede middel

Argumenten van partijen

82 Met haar tweede middel stelt rekwirante dat het Gerecht in de punten 93 tot en met 99 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de motivering met betrekking tot het door de Commissie in het litigieuze besluit gedane onderzoek naar substitueerbaarheid te vervangen door zijn eigen beoordeling.

83 Allereerst voert rekwirante aan dat de redenen in de punten 93 tot en met 99 van het bestreden arrest niet voorkomen in de bewoordingen van het litigieuze besluit. Ter ondersteuning van dit besluit wordt enkel vermeld dat de benchmark is aangepast aan de productie van gesinterd erts en dat artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87 niet voorziet in een aanpassing van de uitlegging van de benchmarkdefinities.

84 Vervolgens betoogt zij dat, zelfs indien de briefwisseling tussen de Commissie en het Koninkrijk Zweden zou worden geacht deel uit te maken van de motivering van het litigieuze besluit, deze briefwisseling geen melding maakt van een aantal kenmerken die nochtans door het Gerecht in aanmerking zijn genomen, namelijk de herkomst van het ijzererts, de verrijking, het ijzergehalte en een hematiet/magnetiet onderscheid, de geringere hoeveelheid cokesbries die nodig is voor de productie van pellets van ijzererts, en het feit dat de opneming van installaties voor de productie van deze pellets in de benchmark voor ijzererts zou kunnen leiden tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht voor de installaties die toen onder die benchmark vielen.

85 Ten slotte stelt rekwirante, onder verwijzing naar het arrest van 6 oktober 2021, Sigma Alimentos Exterior/Commissie (C‑50/19 P, EU:C:2021:792), dat het Gerecht, zonder daarbij te refereren aan het litigieuze besluit en op basis van zijn eigen uitlegging, dit litigieuze besluit ex post facto heeft gemotiveerd op basis van specifieke elementen die voor het eerst in het kader van de procedure voor het Gerecht zijn aangevoerd. Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn eigen motivering in de plaats te stellen van die van het litigieuze besluit.

86 Volgens de Commissie moet het tweede middel worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

87 In de punten 93 tot en met 99 van het bestreden arrest, waarop het tweede middel van de hogere voorziening betrekking heeft, heeft het Gerecht het argument onderzocht dat rekwirante had aangevoerd in het kader van het eerste middel van haar verzoekschrift in eerste aanleg, namelijk de vermeende schending door de Commissie van bijlage I bij gedelegeerde verordening 2019/331 en van artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87, betreffende de rechtstreekse onderlinge substitueerbaarheid van de betrokken producten.

88 Dit onderzoek is voorafgegaan door de vaststelling in punt 89 van het bestreden arrest, volgens welke uit het litigieuze besluit niet bleek dat de Commissie gedetailleerd had onderzocht of de betrokken producten rechtstreekse vervangingsproducten waren. Voorts heeft het Gerecht in punt 90 van het bestreden arrest in het kader van zijn soevereine beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van de feiten en het bewijs verwezen naar de briefwisseling tussen het Koninkrijk Zweden en de Commissie, na afloop waarvan deze instelling de Zweedse autoriteiten duidelijk heeft laten weten dat de pellets van ijzererts geen rechtstreekse vervangingsproducten zijn van gesinterd erts.

89 In punt 91 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de verschillende argumenten van de partijen voor of tegen het feit dat pellets van ijzererts rechtstreekse vervangingsproducten zijn van gesinterd erts in deze context moesten worden beoordeeld.

90 In dit verband moet worden vastgesteld dat rekwirante in het kader van het eerste middel van haar verzoekschrift in eerste aanleg inderdaad heeft betoogd dat de in overweging 13 van het litigieuze besluit aangevoerde redenen om de productie van pellets van ijzererts van de benchmark voor gesinterd erts uit te sluiten, niet „overtuigend” waren.

91 Het betoog ter ondersteuning van dit eerste middel had echter geen betrekking op de schending door de Commissie van de motiveringsplicht krachtens artikel 296, tweede alinea, VWEU, maar op het feit dat het litigieuze besluit niet in overeenstemming was met bijlage I bij gedelegeerde verordening 2019/331 en artikel 10 bis, lid 1, van richtlijn 2003/87, gelet op de keuze van de Commissie om de productie van pellets van ijzererts niet op te nemen in de benchmark voor gesinterd erts.

92 In werkelijkheid is de schending door de Commissie van haar motiveringsplicht aangevoerd in het kader van het vijfde middel van het verzoekschrift in eerste aanleg, hetgeen het Gerecht in de punten 149 tot en met 160 van het bestreden arrest heeft onderzocht. Deze laatste punten komen aan de orde in het vijfde middel van de hogere voorziening.

93 Met haar betoog in het kader van het tweede middel van de hogere voorziening, volgens hetwelk het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn onderzoek van de op de Commissie rustende motiveringsplicht, kan rekwirante dus niet afdoen aan de overwegingen in het bestreden arrest inzake de gegrondheid van het litigieuze besluit.

94 Derhalve moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.

Derde middel

Argumenten van partijen

95 Met haar derde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht in de punten 116 en 117 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het de bewijselementen, namelijk het deskundigenadvies van S. Kallo, de directeur voor technische en metallurgische aangelegenheden van het staalbedrijf SSAB Europe, verantwoordelijk voor de productie van SSAB in Zweden en Finland (hierna: „advies van Kallo”), onjuist heeft opgevat.

96 Zij preciseert in dit verband dat de door het Gerecht in die punten van het bestreden arrest vermelde bewijzen niet volstaan om de conclusie van het Gerecht in punt 99 van dat arrest dat de pellets van ijzererts geen rechtstreekse vervangingsproducten zijn van gesinterd erts, te rechtvaardigen.

97 Ter ondersteuning van haar middel legt rekwirante twee tabellen over. In die tabellen geeft een eerste kolom de punten van het bestreden arrest weer waarin het Gerecht zich op dat deskundigenadvies heeft gebaseerd en waarin het in die context dat advies onjuist heeft opgevat. De kolom ernaast geeft de overeenkomstige passages weer van het advies van Kallo zoals die aan het Gerecht zijn overgelegd.

98 Zo betoogt rekwirante ten eerste dat het Gerecht in punt 117 van het bestreden arrest de punten 15 en 19 van het advies van Kallo onjuist heeft gelezen, aangezien het in dat punt van het bestreden arrest met name heeft geoordeeld dat uit dat advies bleek dat tests en aanpassingen nodig waren wanneer in een installatie – in verschillende verhoudingen – werd overgeschakeld van het gebruik van gesinterd erts als input op het gebruik van pellets van ijzererts. Volgens rekwirante stond in het advies van Kallo te lezen dat het gemakkelijk was om de gebruikte verhoudingen van deze twee producten te wijzigen.

99 Ten tweede heeft het Gerecht in punt 116 van het bestreden arrest geoordeeld dat de overschakeling van het gebruik van gesinterd erts op het gebruik van pellets van ijzererts meer inhield dan „eenvoudigweg op een knop drukken”, terwijl het advies van Kallo uitdrukkelijk vermeldt dat „de toevoer van grondstoffen automatisch wordt berekend en gewijzigd”.

100 Ten derde betoogt rekwirante dat het Gerecht in dat punt 116 ook heeft overwogen dat „aanzienlijke aanpassingen noodzakelijk zijn om de overgang van de ene grondstof naar de andere mogelijk te maken”. Deze overweging is ook onverenigbaar met het advies van Kallo, waarin staat te lezen dat „aangezien het gesinterd erts op het terrein van het staalbedrijf wordt geproduceerd, dergelijke aanpassingen op zeer korte termijn kunnen worden aangebracht”.

101 Volgens de Commissie moet het derde middel worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

102 In de punten 100 tot en met 118 van het bestreden arrest heeft het Gerecht onderzocht of de Commissie een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door uit te sluiten dat de productie van pellets van ijzererts onder de benchmark voor gesinterd erts kon vallen, en door aldus, anders dan het Hof dit heeft gedaan in punt 42 van het arrest van 26 juli 2017, ArcelorMittal Atlantique et Lorraine (C‑80/16, EU:C:2017:588), ten aanzien van de geïntegreerde staalfabriek die aan de orde was in de zaak die tot laatstgenoemd arrest heeft geleid, niet te erkennen dat die pellets vervangingsproducten zijn voor gesinterd erts.

103 In punt 114 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het bestaan van een dergelijke kennelijke beoordelingsfout uitgesloten door zich te baseren op de conclusie in punt 99 van dat arrest, welk punt rekwirante tevergeefs heeft bekritiseerd in het kader van het eerste middel van de onderhavige hogere voorziening.

104 Voorts heeft het Gerecht in punt 115 van het bestreden arrest ten eerste vastgesteld dat de door rekwirante genoemde voorbeelden van exclusief gebruik van pellets van ijzererts voor hoogovens aantoonden dat het ging om noodoplossingen of louter geteste oplossingen, die overigens relatief oud waren.

105 Rekwirante heeft deze vaststelling in de onderhavige hogere voorziening niet betwist.

106 Ten tweede heeft het Gerecht zich in de punten 116 en 117 van het bestreden arrest gebaseerd op een rapport van het consultancybureau CRU en op het advies van Kallo om zijn oordeel te onderbouwen dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door zich niet op het standpunt te stellen dat de pellets van ijzererts in casu konden worden beschouwd als rechtstreekse vervangingsproducten van gesinterd erts.

107 In dit verband moet ten eerste worden vastgesteld dat het Gerecht, op basis van zijn onderzoek in de punten 94 tot en met 99 van het bestreden arrest naar de substitueerbaarheid van die producten, dat tevergeefs is bekritiseerd door het eerste middel van de hogere voorziening, en gelet op de vaststelling in punt 115 van het bestreden arrest die, zoals blijkt uit punt 105 van het onderhavige arrest, in het stadium van de onderhavige hogere voorziening niet wordt bekritiseerd, op goede gronden heeft kunnen oordelen dat de Commissie bij de vaststelling van het litigieuze besluit geen enkele kennelijke beoordelingsfout had gemaakt.

108 Ten tweede en in elk geval moet, wat betreft de stelling dat het Gerecht in de punten 116 en 117 van het bestreden arrest de bewijselementen onjuist heeft opgevat, in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak de beoordeling van de feiten, behoudens het geval van een onjuiste opvatting van die bewijzen, geen rechtsvraag oplevert die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof. Van een dergelijke onjuiste opvatting is sprake wanneer, zonder gebruik te maken van nieuwe bewijzen, de beoordeling van de bestaande bewijsstukken kennelijk onjuist blijkt of kennelijk in strijd met de bewoordingen ervan blijkt te zijn. Deze onjuiste opvatting moet echter kennelijk blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat het nodig is om de feiten en het bewijsmateriaal opnieuw te beoordelen (arrest van 27 april 2023, Fondazione Cassa di Risparmio di Pesaro e.a./Commissie, C‑549/21 P, EU:C:2023:340, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

109 In casu blijkt uit punt 15 van het advies van Kallo, dat als bijlage bij het verzoekschrift in eerste aanleg is gevoegd, dat een wijziging van de verhoudingen tussen pellets van ijzererts en gesinterd erts voor het gebruik ervan als grondstof in hoogovens inderdaad gemakkelijk zou zijn en in de meeste staalfabrieken vaak zou plaatsvinden. In punt 22 van dat advies wordt evenwel gepreciseerd dat indien de wijzigingen belangrijk zijn of betrekking hebben op een grondstof die nog nooit in de betrokken installatie is gebruikt, die wijzigingen in het algemeen worden voorafgegaan door tests om hun effect op het productieproces, de productiviteit en de totale kosten te beoordelen. Bovendien blijkt uit punt 25 van dat advies dat het, om een duurzame wijziging van de installatie mogelijk te maken met het oog op het uitsluitende gebruik van pellets van ijzererts, noodzakelijk kan zijn de interne logistiek aan te passen aan een nieuwe materiaalstroom, teneinde de activiteiten binnen de betrokken installatie verder te optimaliseren.

110 Het litigieuze besluit heeft echter betrekking op de weigering van de Commissie om pellets van ijzererts op te nemen in de benchmark voor gesinterd erts voor de betrokken installaties en niet op het specifieke geval van een geïntegreerde staalfabriek als bedoeld in punt 42 van het arrest van 26 juli 2017, ArcelorMittal Atlantique et Lorraine (C‑80/16, EU:C:2017:588).

111 In die omstandigheden heeft het Gerecht het advies van Kallo niet onjuist opgevat door in punt 117 van het bestreden arrest in essentie vast te stellen dat uit dat advies, niettegenstaande de conclusie daarin dat pellets van ijzererts rechtstreeks vervangen kunnen worden door gesinterd erts, bleek dat de overschakeling – in verschillende verhoudingen – van gesinterd erts op pellets van ijzererts tests, aanpassingen en voorbereidende werkzaamheden vereist, waaronder een aanpassing van de interne logistiek aan een nieuwe materiaalstroom.

112 Het derde middel moet dus ongegrond worden verklaard.

Vierde middel

Argumenten van partijen

113 Met haar vierde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 148 van het bestreden arrest te oordelen dat, in tegenstelling tot hetgeen rekwirante ter ondersteuning van het vierde middel van haar verzoekschrift in eerste aanleg betoogde, de Commissie haar verplichting was nagekomen om alle relevante aspecten van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken.

114 Zij betoogt dat de Commissie, alvorens het litigieuze besluit vast te stellen, geen dergelijk zorgvuldig en onpartijdig onderzoek heeft verricht. Het Gerecht heeft in punt 89 van het bestreden arrest namelijk vastgesteld dat uit dit besluit niet bleek dat de Commissie gedetailleerd had onderzocht of de twee betrokken producten rechtstreekse vervangingsproducten waren. In het bijzonder was voor de beoordeling van het relatieve gemak of de relatieve moeilijkheid om de basiciteit van de lading van de hoogoven bij het veranderen van de toevoer te controleren, de raadpleging van een deskundige op het gebied van metallurgie vereist.

115 Volgens de Commissie moet dit middel worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

116 In het kader van het onderzoek naar het eerste middel in eerste aanleg heeft het Gerecht in punt 89 van het bestreden arrest vastgesteld dat uit het litigieuze besluit inderdaad niet bleek dat de Commissie gedetailleerd had onderzocht of de twee producten rechtstreekse vervangingsproducten waren, aangezien deze instelling zich had beperkt tot het onderzoek naar de bewoordingen van de benchmark voor gesinterd erts en slechts had opgemerkt dat zij niet verplicht was om „de uitlegging van de benchmarkdefinities aan te passen”.

117 In punt 90 van het bestreden arrest heeft het Gerecht echter verwezen naar de briefwisseling tussen de Commissie en het Koninkrijk Zweden, dat bij deze instelling vóór de vaststelling van het litigieuze besluit voorstellen heeft ingediend die rekening hielden met de belangen van de exploitanten van de betrokken installaties, en aldus nauw betrokken was geweest bij de procedure die met de vaststelling van dat besluit is afgesloten. In die briefwisseling had de Commissie de Zweedse autoriteiten duidelijk laten weten dat de pellets van ijzererts volgens haar geen rechtstreekse vervangingsproducten waren van gesinterd erts, met name wegens hetgeen het Hof in het arrest van 26 juli 2017, ArcelorMittal Atlantique et Lorraine (C‑80/16, EU:C:2017:588), had beslist.

118 Gelet op de inhoud van deze briefwisseling heeft het Gerecht in punt 147 van het bestreden arrest terecht kunnen oordelen dat aan de Commissie niet kan worden verweten dat zij haar verplichting om dergelijke argumenten tijdens de administratieve procedure zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, niet is nagekomen.

119 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 148 van het bestreden arrest te oordelen dat het vierde middel van het verzoekschrift in eerste aanleg moest worden afgewezen.

120 Het vierde middel moet dan ook ongegrond worden verklaard.

Vijfde middel

Argumenten van partijen

121 Met haar vijfde middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 160 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie haar motiveringsplicht was nagekomen.

122 Rekwirante betoogt dat, gelet op de technische complexiteit van de beoordeling van de substitueerbaarheid, het litigieuze besluit een toereikende uiteenzetting had moeten bevatten van de wetenschappelijke redenen die de grondslag vormden van haar conclusie. In dit verband voert zij aan dat de Commissie in het litigieuze besluit niet alleen verplicht was uit te leggen waarom pellets van ijzererts en gesinterd erts al dan niet vervangingsproducten waren, maar ook waarom zij van mening was dat dit in casu niet het geval was.

123 In dit verband verwijst rekwirante naar de arresten van het Gerecht van 2 juli 1992, Dansk Pelsdyravlerforening/Commissie (T‑61/89, EU:T:1992:79, punt 131), en 14 mei 1998, Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie (T‑354/94, EU:T:1998:104, punt 126), alsmede naar de arresten van het Hof van 26 november 1981, Michel/Parlement (195/80, EU:C:1981:284, punt 22), en 16 november 2000, Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie (C‑286/98 P, EU:C:2000:630), en voert zij aan dat volgens deze rechtspraak de motivering van een besluit van de Commissie in dat besluit zelf moet zijn opgenomen, en dat verklaringen van deze instelling die dateren van na de vaststelling ervan, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, niet in aanmerking kunnen worden genomen.

124 De door het Gerecht in de punten 157 tot en met 159 van het bestreden arrest genoemde redenen kunnen echter niet worden beschouwd als „uitzonderlijke omstandigheden” in de zin van die rechtspraak.

125 Bovendien stelt rekwirante dat de door de Commissie aan het Koninkrijk Zweden gezonden brieven niet relevant kunnen worden geacht voor het litigieuze besluit en dat, zelfs indien dat wel het geval zou zijn, deze brieven geen toereikende uiteenzetting vormen van de wetenschappelijke redenen die de grondslag vormen van de conclusie dat de twee betrokken producten rechtstreekse vervangingsproducten zijn.

126 Volgens de Commissie moet het vijfde middel worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

127 In punt 154 van het bestreden arrest heeft het Gerecht allereerst terecht in herinnering gebracht dat de door artikel 296 VWEU vereiste motivering de redenering van de instelling die de bestreden handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig moet weergeven, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen om hun rechten te kunnen verdedigen en de Unierechter zijn toezicht kan uitoefenen.

128 In punt 155 van dat arrest heeft het Gerecht vervolgens terecht daaraan toegevoegd dat het niet noodzakelijk is dat alle relevante feitelijke of juridische gegevens in een dergelijke motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de beoordeling van de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.

129 Ten slotte heeft het Gerecht in punt 156 van het bestreden arrest, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, benadrukt dat de nakoming van de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU in verband met een besluit betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van richtlijn 2003/87, des te belangrijker is omdat in deze context de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid van de Commissie op grond van laatstgenoemde bepaling ingewikkelde economische en ecologische beoordelingen impliceert en de toetsing van de rechtmatigheid en gegrondheid van deze beoordelingen door de Unierechter beperkt is.

130 Op basis van deze beginselen heeft het Gerecht in de punten 157 tot en met 159 van het bestreden arrest geoordeeld dat rekwirante in casu niet op goede gronden kon aanvoeren dat zij niet had kunnen begrijpen waarom de Commissie van mening was dat de benchmark voor gesinterd erts afgestemd was op de productie van gesinterd erts en niet, zoals het Koninkrijk Zweden wenste, de productie van pellets van ijzererts kon omvatten.

131 Daartoe heeft het Gerecht in de eerste plaats in punt 158 van het bestreden arrest geoordeeld dat uit het dossier waarover het beschikte bleek dat rekwirante de gegrondheid van het litigieuze besluit – voor zover dit haar betrof – had kunnen betwisten, en dit zowel wat betreft de bewoordingen van de benchmark voor gesinterd erts en de mogelijke gevolgen die de verschillende doelstellingen van de toepasselijke regelgeving op de uitlegging ervan konden hebben, als het feit dat de Commissie zich in casu impliciet maar noodzakelijkerwijs op het standpunt had gesteld dat het niet passend was om voor de betrokken installaties dezelfde oplossing te kiezen als die waar zij eerder voor had gekozen ten aanzien van een te IJmuiden (Nederland) gelegen installatie van Tata Steel (voorheen Corus), die deel uitmaakt van een geïntegreerd staalbedrijf.

132 In de tweede plaats heeft het Gerecht er in punt 159 van het bestreden arrest op gewezen dat uit het verzoekschrift in eerste aanleg, en in het bijzonder uit de inhoud van de verschillende ter ondersteuning daarvan aangevoerde middelen, bleek dat rekwirante ook goed op de hoogte was van de verschillende briefwisselingen tussen het Koninkrijk Zweden en de Commissie die hebben plaatsgevonden tijdens de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van het litigieuze besluit en die deel uitmaakten van de context.

133 In dit verband en zoals het Gerecht in punt 155 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld, is het volgens vaste rechtspraak niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische gegevens in de motivering van een handeling van een instelling van de Unie worden gespecificeerd, aangezien bij de beoordeling van de vraag of de motivering van een dergelijke handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arresten van 12 september 2017, Anagnostakis/Commissie, C‑589/15 P, EU:C:2017:663, punt 29; 20 januari 2022, Roemenië/Commissie, C‑899/19 P, EU:C:2022:41, punt 68, en 23 januari 2025, Neos/Ryanair en Commissie, C‑490/23 P, EU:C:2025:32, punt 34).

134 In casu is in overweging 13 van het litigieuze besluit aangegeven dat het Koninkrijk Zweden daadwerkelijk had voorgesteld om een benchmark-subinstallatie voor gesinterd erts voor de productie van pellets van ijzererts te gebruiken, terwijl in de derde fase warmte- en brandstofbenchmarks waren gebruikt. In diezelfde overweging heeft de Commissie echter in herinnering gebracht dat, ten eerste, de benchmark voor gesinterd erts werd gedefinieerd in bijlage I bij gedelegeerde verordening 2019/331, ten tweede, de definities van producten, processen en emissies die onder die productbenchmark vallen waren afgestemd op de sinterproductie en geen pellets van ijzererts omvatten, en ten derde, artikel 10 bis, lid 2, van richtlijn 2003/87 voorzag in het actualiseren van de benchmarkwaarden voor de vierde fase, maar niet in de mogelijkheid om de interpretatie van de benchmarkdefinities aan te passen.

135 In dit verband moet worden vastgesteld dat rekwirante met haar hogere voorziening enkel opkomt tegen het besluit dat de productie van pellets van ijzererts niet onder de benchmark voor gesinterd erts valt.

136 Voorts volstaat de normatieve context waarin het litigieuze besluit is vastgesteld, die is vermeld in overweging 13 van dat besluit en waarnaar wordt verwezen in de punten 73 tot en met 77 van het onderhavige arrest, in combinatie met de toelichtingen in die overweging, om te begrijpen waarom de Commissie heeft besloten dat de productie van pellets van ijzererts niet onder de benchmark voor gesinterd erts viel.

137 Naast het feit dat het Koninkrijk Zweden, dat bij de Commissie voorstellen heeft ingediend die rekening houden met de belangen van de exploitanten van de betrokken installaties, nauw is betrokken bij de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van het litigieuze besluit, moet bovendien worden vastgesteld dat rekwirante, gelet op haar verklaringen voor het Gerecht de gegrondheid van dit besluit heeft kunnen aanvechten (zie naar analogie arrest van 10 september 2024, Commissie/Ierland e.a., C‑465/20 P, EU:C:2024:724, punt 393).

138 In het licht van deze overwegingen moet worden vastgesteld dat de motivering van het litigieuze besluit voldoet aan de vereisten van artikel 296 VWEU en dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het vijfde middel van het verzoekschrift in eerste aanleg, dat betrekking heeft op de schending van de motiveringsplicht door de Commissie, af te wijzen.

139 Het vijfde middel moet dan ook ongegrond worden verklaard.

140 Aangezien geen van de door rekwirante aangevoerde middelen in hogere voorziening is toegewezen, dient de hogere voorziening in haar geheel te worden afgewezen.

Kosten

141 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd.

142 Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.

143 Overeenkomstig artikel 184, lid 4, van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof beslissen dat wanneer zij niet zelf de hogere voorziening heeft ingesteld, een partij die in eerste aanleg heeft geïntervenieerd en aan de schriftelijke of mondelinge behandeling van de hogere voorziening heeft deelgenomen, haar eigen kosten zal dragen. In casu moet worden geoordeeld dat het Koninkrijk Zweden, die aan de schriftelijke behandeling voor het Hof heeft deelgenomen, zijn eigen kosten zal dragen.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) Luossavaara-Kiirunavaara AB draagt haar eigen kosten en de kosten van de Europese Commissie.

3) Het Koninkrijk Zweden draagt zijn eigen kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in