HvJ EU 26 september 2024, C-710/22, ECLI:EU:C:2024:787
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
26 september 2024 ( *1 )
„Hogere voorziening – Staatssteun – Artikel 107, lid 1, VWEU – Door België ten uitvoer gelegde steunmaatregel ten gunste van JCDecaux Street Furniture Belgium – Reclame-installaties op het grondgebied van de Stad Brussel (België) – Geen betaling van huur en belastingen voor die installaties – Steun die onverenigbaar met de interne markt is verklaard – Verplichting tot terugvordering van die steun – Begrip ‚voordeel’ – Vaststelling van de toepasselijke bepalingen – Methode ter berekening van het terug te vorderen steunbedrag”
In zaak C‑710/22 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 17 november 2022,
JCDecaux Street Furniture Belgium NV, gevestigd te Brussel (België), aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Malanda en A. Winckler, advocaten, en vervolgens door B. Cambier, M. Malanda, A. Paternostre en A. Winckler, advocaten,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door G. Braga da Cruz, C.‑M. Carrega en C. Georgieva als gemachtigden, en vervolgens door C.‑M. Carrega en C. Georgieva als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
Clear Channel Belgium BVBA, gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door P. de Bandt, M. Gherghinaru en L. Panepinto, advocaten,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, T. von Danwitz, P. G. Xuereb (rapporteur), A. Kumin en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: A. M. Collins,
griffier: A. Juhász-Tóth, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 januari 2024,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 april 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt JCDecaux Street Furniture Belgium NV (hierna: „JCDecaux”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 7 september 2022, JCDecaux Street Furniture Belgium/Commissie (T‑642/19, EU:T:2022:503; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroep tot nietigverklaring van besluit (EU) 2019/2120 van de Commissie van 24 juni 2019 betreffende steunmaatregel SA.33078 (2015/C) (ex 2015/NN) door België ten uitvoer gelegd ten gunste van JCDecaux Belgium Publicité (PB 2019, L 320, blz. 119; hierna: „litigieus besluit”).
Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit
2 De voorgeschiedenis van het geding, zoals deze naar voren komt uit de punten 2 tot en met 12 van het bestreden arrest, kan als volgt worden samengevat.
3 Op 16 juli 1984 hebben de Stad Brussel (België) en JCDecaux een contract (hierna: „contract van 1984”) met een looptijd van vijftien jaar gesloten met betrekking tot de plaatsing van bushokjes en informatief stadsmeubilair (zogenoemde mobiliers urbains pour publicité et information; hierna: „mupi’s”) op het grondgebied van deze stad, waarvan een deel mocht worden gebruikt voor reclamedoeleinden.
4 Dat contract bepaalde dat JCDecaux bushokjes met reclame en mupi’s waarvan zij eigenaar bleef, ter beschikking stelde van de Stad Brussel en deze exploiteerde. Daarbij golden de volgende voorwaarden: – JCDecaux betaalde huur noch gebruiksvergoedingen of retributies voor de bushokjes en de mupi’s, maar moest de Stad Brussel een aantal voordelen in natura verschaffen. Zij moest met name gratis papiermanden, openbaar sanitair en elektronische kranten ter beschikking stellen en zorgen voor een algemene plattegrond van de Stad Brussel, een toeristische en hotelkaart en een plattegrond van de verkeersvrije straten; – als tegenprestatie daarvoor mocht JCDecaux de geleverde bushokjes en mupi’s gebruiken voor reclamedoeleinden; – elke installatie mocht worden geëxploiteerd gedurende vijftien jaar vanaf de plaatsing ervan, zoals werd vastgesteld in aanwezigheid van beide partijen bij het contract.
5 In 1995 heeft de Stad Brussel het contract van 1984 beëindigd.
6 In 1998 heeft de Stad Brussel een aanbesteding uitgeschreven voor het vervaardigen, leveren, plaatsen, in gebruik nemen en onderhouden van mupi’s, bushokjes en uithangborden waarvan een deel mocht worden gebruikt voor reclamedoeleinden.
7 Om haar contractuele verbintenissen die voortvloeiden uit het contract van 1984 na te leven en te zorgen voor transparantie bij de aanbesteding heeft de Stad Brussel in bijlage 10 bij het bijzonder bestek van die aanbesteding (hierna: „bijlage 10”) een lijst opgemaakt van 282 bushokjes en 198 mupi’s die onder het contract van 1984 vielen (hierna: „in bijlage 10 vermelde reclame-installaties”) en waarvan het exploitatierecht van JCDecaux overeenkomstig het contract van 1984 nog niet vervallen was. Voor elk van die installaties was de locatie en daarnaast ook de datum waarop zij zou worden weggehaald, vermeld.
8 Nadat JCDecaux de aanbesteding had gewonnen, heeft de Stad Brussel op 14 oktober 1999 een tweede contract met deze onderneming (hierna: „contract van 1999”) gesloten. Dit contract, dat ook een looptijd van vijftien jaar had, bestond uit een bestelbon, het in het vorige punt van dit arrest genoemde bijzondere bestek en de daarbij behorende bijlagen, waaronder bijlage 10. Het contract van 1999 verving het contract van 1984 en bevatte de volgende voorwaarden: – de Stad Brussel werd eigenaar van de mupi’s die werden geplaatst en betaalde per geleverde, volledig uitgeruste, geplaatste en gebruiksklare installatie een vaste nettoprijs; – JCDecaux moest maandelijks huur betalen om de mupi’s die onder het contract vielen te mogen gebruiken voor reclamedoeleinden.
9 In het kader van de uitvoering van het contract van 1999 zijn sommige van de in bijlage 10 vermelde reclame-installaties weggehaald voordat de in die bijlage genoemde data waren verstreken, terwijl andere installaties (hierna: „litigieuze installaties”) na deze data nog steeds door JCDecaux werden geëxploiteerd zonder dat de Stad Brussel van JCDecaux betaling van huur of belastingen verlangde. In augustus 2011 zijn de laatste in bijlage 10 vermelde reclame-installaties weggehaald.
10 Op 19 april 2011 heeft Clear Channel Belgium BVBA (hierna: „CCB”) bij de Europese Commissie een klacht ingediend waarin zij stelde dat JCDecaux met de interne markt onverenigbare staatssteun had ontvangen doordat zij de litigieuze installaties na de vastgestelde vervaldata was blijven exploiteren zonder daarvoor huur of belastingen aan de Stad Brussel te betalen.
11 Op 24 maart 2015 heeft de Commissie de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU ingeleid.
12 Bij arrest van 29 april 2016 heeft de cour d’appel de Bruxelles (hof van beroep Brussel, België) een door de tribunal de première instance francophone de Bruxelles (Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, België) op 13 december 2010 gewezen vonnis bevestigd. Die rechtbank had geoordeeld dat JCDecaux de litigieuze installaties op het openbaar domein van de Stad Brussel zonder toestemming, recht of titel had geëxploiteerd.
13 Op 24 juni 2019 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld.
14 De artikelen 1 en 2 van dat besluit luiden als volgt: „Artikel 1 De staatssteun ten belope van een bedrag dat overeenstemt met de niet betaalde huur en belastingen over de [litigieuze installaties], welke België tussen 15 september 2001 en 21 augustus 2010 in strijd met artikel 108, lid 3, [VWEU] onrechtmatig aan [JCDecaux] heeft verleend, is onverenigbaar met de interne markt. Artikel 2 1) België dient de in artikel 1 bedoelde steun van de begunstigde terug te vorderen. […]”
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
15 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 september 2019, heeft JCDecaux beroep ingesteld tot nietigverklaring van de artikelen 1 tot en met 4 van de litigieuze beschikking.
16 Bij beschikking van de president van de Eerste kamer van het Gerecht van 22 april 2020 is CCB toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.
17 Ter ondersteuning van haar beroep heeft JCDecaux vier middelen aangevoerd, waarvan alleen het eerste en het derde relevant zijn voor de onderhavige hogere voorziening. Het eerste middel was ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout en een onjuiste rechtsopvatting, stellende dat de Commissie zich ten onrechte op het standpunt had gesteld dat de exploitatie van de litigieuze installaties een economisch voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormde. Het derde, subsidiair aangevoerde middel was ontleend aan een gebrekkige motivering van het litigieuze besluit waar het gaat om de beoordeling van het terug te vorderen steunbedrag.
18 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht dat beroep in zijn geheel verworpen.
Procedure bij het Hof en conclusies van partijen
19 Met haar hogere voorziening verzoekt JCDecaux het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – de zaak zelf af te doen en haar vorderingen in eerste aanleg toe te wijzen, hetgeen impliceert dat de artikelen 1 tot en met 4 van het litigieuze besluit nietig worden verklaard, en – de Commissie te verwijzen in de kosten.
20 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – JCDecaux te verwijzen in de kosten.
21 Bij brieven van 28 november 2022 en 14 april 2023 heeft JCDecaux het Hof meegedeeld dat zij niet wenste te verzoeken om vertrouwelijke behandeling van de informatie in haar verzoekschrift in hogere voorziening en in de repliek. In de eerste van die brieven heeft zij er evenwel op gewezen dat het verzoekschrift in hogere voorziening betrekking heeft op bepaalde in het verzoekschrift in eerste aanleg en de bijlagen daarbij opgenomen gegevens waarvan het Gerecht bij beschikking van 5 maart 2021, JCDecaux Street Furniture Belgium/Commissie (T‑642/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:135), heeft erkend dat zij vertrouwelijk zijn.
Hogere voorziening
22 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert JCDecaux twee middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan een tegenstrijdige motivering van het bestreden arrest en een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging en toepassing van het begrip „economisch voordeel” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Het tweede middel heeft betrekking op een onjuiste opvatting van de feiten en van de toepasselijke bepalingen.
Eerste middel
Argumenten van partijen
23 Met haar eerste middel voert JCDecaux aan dat het bestreden arrest tegenstrijdig is gemotiveerd, aangezien het Gerecht in de punten 31 en 40 van dat arrest louter op basis van het arrest van de Cour d’appel de Bruxelles van 29 april 2016 heeft vastgesteld dat JCDecaux de litigieuze installaties zonder toestemming, recht of titel had geëxploiteerd, terwijl het in de punten 42 en 102 van het bestreden arrest tot de slotsom kwam dat de – louter uit het gedrag van die onderneming voortvloeiende – onrechtmatige exploitatie staatssteun vormde die door de Stad Brussel was verleend.
24 Volgens JCDecaux vloeit het vermeende economische voordeel voort uit het enkele feit dat zij zonder enige beslissing, toestemming of tussenkomst van de bevoegde overheidsinstanties de litigieuze installaties heeft geëxploiteerd en daarbij onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van de openbare ruimte. Aangezien de Belgische instanties niet hebben aanvaard dat de litigieuze installaties behouden bleven, kan dergelijk eenzijdig gedrag haars inziens niet dienen als grondslag voor de vaststelling dat er sprake is van een door die instanties toegekend economisch voordeel omdat er in dat geval een kennelijke tegenstrijdigheid zou zijn.
25 Subsidiair voert JCDecaux aan dat de motivering van het Gerecht een tweede tegenstrijdigheid bevat. Het Gerecht was in punt 42 van het bestreden arrest weliswaar van oordeel dat het vermeende door de Stad Brussel toegekende economische voordeel steun vormde, ook al werd er met dat voordeel beoogd om JCDecaux te compenseren en zo het economisch evenwicht van het contract van 1984 te bewaren, maar het heeft aan dat oordeel – met name in de punten 83 tot en met 89 van dat arrest – geen enkele consequentie verbonden waar het gaat om de juridische kwalificatie van dat voordeel en de wijze van berekening van het terug te vorderen steunbedrag. Zo leidt het bestreden arrest er, aldus JCDecaux, toe dat het vermeende economische voordeel in zijn geheel wordt teruggevorderd, zonder dat er rekening wordt gehouden met de kosten en schade die voor haar het gevolg zijn geweest van de voortijdige verwijdering van bepaalde in bijlage 10 vermelde reclame-installaties. Voorts is JCDecaux van mening dat het Gerecht in punt 87 van dat arrest ten onrechte de door de Commissie in het litigieuze besluit gehanteerde methode voor de berekening van het terug te vorderen steunbedrag heeft goedgekeurd, zonder er rekening mee te houden dat met dat voordeel werd beoogd om de genoemde kosten en schade te compenseren.
26 De Commissie van haar kant betwist zowel de ontvankelijkheid als de gegrondheid van alle argumenten van JCDecaux.
Beoordeling door het Hof
– Ontvankelijkheid
27 Volgens de Commissie is het eerste middel niet-ontvankelijk. In de eerste plaats betoogt zij dat met dat middel wordt opgekomen tegen de door het Gerecht gedane vaststellingen met betrekking tot het compensatiedoel van het aan JCDecaux toegekende economische voordeel en de uitlegging van het toepasselijke nationale recht. Die vaststellingen vallen vanwege de feitelijke aard ervan buiten de bevoegdheid van het Hof in hogere voorziening, aldus de Commissie.
28 In dit verband zij eraan herinnerd dat uit artikel 256 VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld voortvloeit uit de overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. Deze beoordeling van de feiten levert, behoudens onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht overgelegde bewijzen, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof wel bevoegd om krachtens artikel 256 VWEU toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht die feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden (arrest van 12 mei 2022, Klein/Commissie, C‑430/20 P, EU:C:2022:377, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Tevens moet in herinnering worden gebracht dat het Hof in hogere voorziening met betrekking tot het onderzoek van de vaststellingen van het Gerecht betreffende de nationale wetgeving, welke op het gebied van staatssteun feitelijke beoordelingen vormen, enkel bevoegd is om te onderzoeken of die nationale wetgeving onjuist is opgevat (arrest van 8 november 2022, Fiat Chrysler Finance Europe/Commissie, C‑885/19 P en C‑898/19 P, EU:C:2022:859, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 In casu moet worden vastgesteld dat JCDecaux niet verlangt dat er een nieuwe beoordeling van de feiten wordt gegeven met betrekking tot het doel van het in het litigieuze besluit genoemde economische voordeel, maar het Hof verzoekt om na te gaan of de motivering van het bestreden arrest tegenstrijdig is. Bovendien wordt er met het eerste middel niet beoogd om de door het Gerecht gehanteerde uitlegging van de nationale wetgeving ter discussie te stellen, maar wel het verwijt gemaakt dat de vaststellingen die het heeft gedaan op basis van het arrest van de cour d’appel de Bruxelles van 29 april 2016 tegenstrijdig zijn. Volgens vaste rechtspraak is de vraag of de motivering van een arrest van het Gerecht tegenstrijdig is, een rechtsvraag die in hogere voorziening kan worden opgeworpen (arrest van 16 juli 2009, Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, C‑385/07 P, EU:C:2009:456, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Het betoog van de Commissie dat er met het eerste middel wordt getracht om feitelijke beoordelingen ter discussie te stellen, kan dus niet slagen.
32 In de tweede plaats betoogt de Commissie in wezen dat het argument van JCDecaux dat er geen overheidshandeling heeft plaatsgevonden, een nieuw middel is, aangezien die onderneming voor het eerst in hogere voorziening ter discussie stelt dat de aan de orde zijnde steun aan de staat kan worden toegerekend.
33 Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat volgens artikel 170, lid 1, tweede volzin, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof in hogere voorziening het voorwerp van het geschil voor het Gerecht niet mag worden gewijzigd. Zoals volgt uit vaste rechtspraak zou een partij, wanneer zij voor het eerst voor het Hof een grief zou mogen aanvoeren die zij voor het Gerecht niet heeft aangevoerd, bovendien in feite bij het Hof (dat een beperkte bevoegdheid in hogere voorziening heeft) een geschil aanhangig mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof dus alleen bevoegd om de beoordeling door het Gerecht van de in eerste aanleg bepleite middelen en argumenten te onderzoeken (arrest van 18 januari 2024, Jenkinson/Raad e.a., C‑46/22 P, EU:C:2024:50, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 In casu moet worden vastgesteld, zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, dat met het eerste middel – anders dan de Commissie betoogt – JCDecaux niet ter discussie stelt dat het aan de orde zijnde economische voordeel kan worden toegerekend aan de staat, maar aanvoert dat het Gerecht zich niet, zonder zichzelf kennelijk tegen te spreken, kon baseren op het arrest van de cour d’appel de Bruxelles van 29 april 2016 om te bevestigen dat er sprake was van staatssteun, gelet op het feit dat in dat arrest was vastgesteld dat dit voordeel niet het resultaat was van een beslissing van een overheidsinstantie. Bijgevolg kan het betrokken argument niet als een nieuw middel worden beschouwd.
35 Het eerste middel is dan ook ontvankelijk.
– Ten gronde
36 JCDecaux is primair van mening dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de vaststellingen in de punten 31 en 40 van het bestreden arrest en de vaststellingen die het Gerecht ertoe hebben geleid in de punten 42 en 102 van dat arrest te bevestigen dat er sprake is van staatssteun.
37 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat dit betoog berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het is juist dat het Gerecht in de punten 31 en 40 van het bestreden arrest heeft aangegeven dat de cour d’appel de Bruxelles in het arrest van 29 april 2016 had geoordeeld dat JCDecaux de litigieuze installaties zonder toestemming, recht of titel had geëxploiteerd.
38 In punt 29 van het bestreden arrest heeft het Gerecht evenwel vastgesteld dat JCDecaux volgens bijlage 10, in afwijking van de bepalingen van het contract van 1999, de in die bijlage vermelde reclame-installaties mocht blijven exploiteren onder de voorwaarden van het contract van 1984, dus zonder huur of belastingen te betalen, maar uitsluitend tot de in die bijlage vastgelegde data waarop die installaties zouden worden weggehaald. Voorts volgt in wezen uit overweging 49 van het litigieuze besluit, die in punt 30 van het bestreden arrest is vermeld, en uit punt 41 van dat arrest dat de Belgische autoriteiten ermee hebben ingestemd dat de exploitatie van de litigieuze installaties ook na de in bijlage 10 vastgelegde data voor het weghalen van die installaties zou worden voortgezet om het economische evenwicht van het contract van 1984 te bewaren.
39 In die omstandigheden heeft het Gerecht, anders dan JCDecaux stelt, niet louter op basis van het arrest van de cour d’appel de Bruxelles van 29 april 2016 vastgesteld dat de exploitatie van de litigieuze installaties zonder de toestemming van de Belgische autoriteiten is voortgezet na de in bijlage 10 vastgelegde data voor het weghalen daarvan.
40 Hieruit volgt dat de vaststellingen van het Gerecht in de punten 42 en 102 van het bestreden arrest niet berusten op een tegenstrijdige motivering.
41 Subsidiair voert JCDecaux aan dat het Gerecht in punt 42 van het bestreden arrest van oordeel was dat het voortzetten van de exploitatie van de litigieuze installaties na de in bijlage 10 vastgelegde data voor het weghalen daarvan een economisch voordeel opleverde, maar in dat punt ook had vastgesteld dat het voortzetten van de exploitatie ten doel had om die onderneming te compenseren voor de schade en kosten die waren ontstaan als gevolg van de voortijdige verwijdering van bepaalde in bijlage 10 vermelde reclame-installaties. Aldus heeft het Gerecht volgens JCDecaux een tegenstrijdige motivering gegeven en aan die vaststelling niet de nodige consequenties verbonden waar het gaat om de beoordeling van het terug te vorderen steunbedrag.
42 JCDecaux verwijt het Gerecht dat het aan de genoemde vaststelling – in het bijzonder in de punten 83 tot en met 89 van het bestreden arrest – geen consequenties heeft verbonden wat de beoordeling van het terug te vorderen bedrag betreft. Dit heeft er volgens deze onderneming toe geleid dat het vermeende voordeel ten onrechte volledig wordt teruggevorderd, zonder dat er rekening wordt gehouden met de kosten die zij als gevolg van de voortijdige verwijdering van bepaalde in bijlage 10 vermelde reclame-installaties heeft moeten maken of met de door haar geleden contractuele schade. Het Gerecht heeft in punt 87 van het bestreden arrest ook ten onrechte de door de Commissie in het litigieuze besluit vastgestelde methode voor de berekening van de terug te vorderen steun goedgekeurd en daarbij geen rekening gehouden met het bestaan van het compensatiemechanisme, aldus JCDecaux.
43 In de eerste plaats zij eraan herinnerd, zoals het Gerecht in punt 24 van het bestreden arrest heeft gedaan, dat het begrip „voordeel”, dat inherent is aan de kwalificatie van een maatregel als staatssteun, een objectief begrip is, onafhankelijk van de met de betrokken maatregel nagestreefde doeleinden. Zo hebben de aard van de met de staatsmaatregelen nagestreefde doelen en de rechtvaardiging ervan geen gevolgen voor de kwalificatie ervan als staatssteun. Artikel 107, lid 1, VWEU maakt immers geen onderscheid naar de redenen of doeleinden van de maatregelen van de staten, maar ziet op hun gevolgen (arrest van 25 januari 2022, Commissie/European Food e.a., C‑638/19 P, EU:C:2022:50, punt 122 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Voor zover het in het litigieuze besluit genoemde economische voordeel erin gelegen is dat JCDecaux de exploitatie van de litigieuze installaties na de in bijlage 10 vastgelegde data heeft voortgezet zonder huur of belastingen te betalen aan de Stad Brussel, heeft het Gerecht in punt 25 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat dit voordeel bedoeld was ter compensatie van een vermeend nadeel dat die onderneming had ondervonden als gevolg van de voortijdige verwijdering van bepaalde in bijlage 10 vermelde reclame-installaties, niet betekent dat de beoogde compensatie geen staatssteun kan vormen.
45 Tevens zij erop gewezen dat het Gerecht met betrekking tot het betoog van JCDecaux dat de Commissie in het litigieuze besluit ten onrechte had geconcludeerd dat de Stad Brussel zich niet als een marktdeelnemer had gedragen, in de punten 37 tot en met 41 van het bestreden arrest terecht in herinnering heeft gebracht dat, om te bepalen of een overheidsmaatregel steun vormt, uit objectieve en controleerbare gegevens duidelijk moet blijken dat de betrokken lidstaat vóór of tegelijk met de toekenning van het economische voordeel heeft besloten om met de daadwerkelijk ten uitvoer gelegde maatregel het nadeel te vergoeden dat een medecontractant beweerdelijk lijdt in het kader van de uitvoering van zijn verbintenissen (zie in die zin arrest van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C‑124/10 P, EU:C:2012:318, punten 82 en 83).
46 In dit verband heeft het Gerecht in punt 38 van het bestreden arrest geoordeeld dat nergens in het dossier bleek dat de Stad Brussel een analyse had gemaakt van de schade die JCDecaux stelt te hebben geleden door het voortijdig weghalen van bepaalde in bijlage 10 vermelde reclame-installaties, of van de winst die kon worden behaald uit de voortzetting van de exploitatie van de litigieuze installaties. Bovendien heeft het Gerecht in punt 39 van dat arrest vastgesteld dat nergens in het dossier bleek dat de Stad Brussel „de toepassing van het compensatiemechanisme van het contract van 1984 [had] gemonitord”.
47 Verder heeft het Gerecht er in punt 41 van het bestreden arrest in wezen op gewezen dat de intentie om met het contract van 1999 een soort compensatieregeling in het leven te roepen om het economisch evenwicht van het contract van 1984 te bewaren, de nationale overheid hoe dan ook niet vrijstelde van de verplichting om een analyse te maken van het bestaan en de omvang van het nadeel dat JCDecaux stelt te hebben geleden door het voortijdig weghalen van bepaalde in bijlage 10 vermelde installaties.
48 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht weliswaar niet heeft uitgesloten dat het contract van 1999 mogelijkerwijs een mechanisme bevatte dat erop gericht was JCDecaux te compenseren, maar dat het ook heeft geoordeeld dat een dergelijk compensatiemechanisme, bij de analyse of er sprake was van staatssteun overeenkomstig artikel 107, lid 1, VWEU, niet in de weg stond aan de vaststelling dat er een economisch voordeel in de zin van die bepaling was. Bijgevolg kon het Gerecht, zonder het bestreden arrest tegenstrijdig te motiveren, in punt 42 van dat arrest oordelen dat het door JCDecaux voortzetten van de exploitatie van de litigieuze installaties na de in bijlage 10 vastgelegde data voor het weghalen daarvan een economisch voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormde, ook al was het voortzetten van die exploitatie bedoeld om die onderneming te compenseren voor het voortijdig weghalen van bepaalde in die bijlage vermelde installaties die zij ter uitvoering van het contract van 1984 had geplaatst.
49 Wat in de tweede plaats de methode voor de berekening van het terug te vorderen steunbedrag betreft, moet worden opgemerkt dat uit de punten 43 tot en met 48 van het onderhavige arrest volgt dat het Gerecht in casu geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het door de Belgische autoriteiten beoogde compensatiedoel niet ertoe leidde dat de kwalificatie als economisch voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU ter discussie werd gesteld. Het Gerecht kan dus niet worden verweten de in het litigieuze besluit vastgestelde methode voor de berekening van de terug te vorderen steun niet ongeldig te hebben verklaard in het licht van dat doel.
50 Voorts heeft het Gerecht in punt 95 van het bestreden arrest, dat in het eerste middel van de hogere voorziening niet aan de orde is, het betoog van JCDecaux dat alleen het economische voordeel dat de vergoeding van de vermeende schade te boven gaat als staatssteun is aan te merken, afgewezen op de grond dat dit betoog gebaseerd was op de onjuiste aanname dat de voortzetting van de exploitatie van de litigieuze installaties geen economisch voordeel opleverde.
51 Bijgevolg kan het Gerecht niet worden verweten dat het heeft geoordeeld, zoals naar voren komt uit de lezing van de punten 87 en 95 van het bestreden arrest, dat er bij de door de Commissie vastgestelde methode voor de berekening van het terug te vorderen steunbedrag geen rekening hoefde te worden gehouden met het door de Stad Brussel beoogde compensatiedoel.
52 Aangezien de door JCDecaux ter discussie gestelde onderbouwing van het bestreden arrest niet tegenstrijdig is, moet het eerste middel in hogere voorziening worden afgewezen.
Tweede middel
Argumenten van partijen
53 Met haar tweede middel voert JCDecaux aan dat het Gerecht de feiten en de toepasselijke bepalingen onjuist heeft opgevat door te oordelen dat de voortzetting van de exploitatie van de litigieuze installaties na de in bijlage 10 vastgelegde data voor het weghalen van die installaties, onder de regeling van het contract van 1999 viel.
54 Met het eerste onderdeel van het tweede middel verwijt JCDecaux het Gerecht dat het in de punten 29 en 30 van het bestreden arrest ten eerste heeft geoordeeld dat tussen partijen vaststond dat die onderneming na de sluiting van het contract van 1999 op het grondgebied van de Stad Brussel enkel stadsmeubilair kon installeren en exploiteren onder de voorwaarden van dat contract, volgens welke zij huur en belastingen moest betalen, ten tweede dat de litigieuze installaties na de in bijlage 10 vastgelegde data voor het weghalen daarvan moesten worden vervangen door nieuwe installaties die onder het contract van 1999 vielen en dus onderworpen waren aan die betalingsverplichting, en ten derde dat die onderneming, door het na die data voortzetten van de exploitatie van de litigieuze installaties onder de in het contract van 1984 vastgestelde voorwaarden, „heeft kunnen vermijden om nieuwe installaties die onder het contract van 1999 vielen te plaatsen en te exploiteren, en bijgevolg om huur en belastingen te betalen die zij volgens dat laatste contract had moeten betalen”.
55 In dit verband betoogt JCDecaux om te beginnen dat de inwerkingtreding van het contract van 1999 geen gevolgen heeft gehad voor de juridische regeling die van toepassing was op de litigieuze installaties. Volgens het Belgische contractenrecht bleven die reclame-installaties, die op grond van het contract van 1984 waren geplaatst, immers onder dat contract vallen tot aan hun daadwerkelijke verwijdering, ongeacht of die verwijdering plaatsvond vóór of na de in bijlage 10 vastgelegde data, aldus die onderneming. Zij wijst erop dat zij als tegenprestatie voor een aanzienlijke investering die hoofdzakelijk bestond in het ontwerpen, vervaardigen, plaatsen en onderhouden van de aan de Stad Brussel ter beschikking gestelde mupi’s en bushokjes, deze voor reclamedoeleinden mocht gebruiken.
56 Vervolgens betoogt JCDecaux dat volgens geen enkele bepaling van het contract van 1999 de installaties die onder het contract van 1984 vielen – of enig ander bestaand stadsmeubilair – automatisch moesten worden verwijderd. Integendeel, in het contract van 1999 was expliciet bepaald dat de ter uitvoering van dat contract geplaatste installaties naast die van bijlage 10 zouden bestaan en dat de contractuele bepalingen die op de laatstgenoemde installaties van toepassing waren, niet werden gewijzigd. Bovendien was er volgens JCDecaux geen verplichting om elke litigieuze installatie een‑op‑een te vervangen op dezelfde locatie. Verder had de omstandigheid dat die installaties behouden bleven na de in bijlage 10 vastgelegde data voor het weghalen daarvan, haar in staat gesteld om het plaatsen en exploiteren van nieuwe, onder het contract van 1999 vallende installaties te vermijden.
57 Ten slotte voert JCDecaux aan dat het contract van 1984 en dat van 1999 fundamentele verschillen vertonen wat betreft de economische logica die eraan ten grondslag ligt en de respectieve voorwaarden ervan. Volgens haar kon het Gerecht, ook al was het maar ter vergelijking om zo het vermeende economische voordeel te kunnen berekenen, er niet van uitgaan dat die onderneming noodzakelijkerwijs elke litigieuze installatie zou hebben vervangen door een identieke installatie op dezelfde locatie en aan de Stad Brussel huur en belastingen zou hebben betaald voor de – wezenlijk verschillende – prestaties waarin het contract van 1999 voorzag.
58 Met het tweede onderdeel van het tweede middel voert JCDecaux aan dat het Gerecht in de punten 53, 54 en 56 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting van de op de litigieuze installaties toepasselijke bepalingen.
59 In dit verband voert JCDecaux ten eerste aan dat het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de tussen 2001 en 2011 door de Stad Brussel vastgestelde belastingreglementen van toepassing waren op die installaties, en zich daarbij heeft gebaseerd op het in punt 54 van dat arrest weergegeven feit dat de Belgische autoriteiten dit tijdens de precontentieuze procedure niet hadden betwist.
60 Aldus is het Gerecht volgens die onderneming voorbijgegaan aan het feit dat de Stad Brussel, die krachtens artikel 170, lid 4, van de Belgische Grondwet fiscale autonomie geniet, pas vanaf 2001 belastingreglementen voor reclame heeft vastgesteld. Het Gerecht heeft dus geen rekening gehouden met het feit dat die belastingreglementen pas na de inwerkingtreding van het contract van 1999 werden vastgesteld. Het Gerecht heeft ook geen rekening gehouden met de twee vonnissen van de tribunal de première instance francophone de Bruxelles van 4 november 2016, waaruit bleek dat de reclame-installaties die onder het contract van 1999 vielen, van de belasting op reclame moesten worden vrijgesteld, aldus JCDecaux.
61 Ten tweede is deze onderneming van mening dat het feit dat zij geen belasting hoefde te betalen over de litigieuze installaties geen selectief voordeel was, aangezien er – anders dan het Gerecht in punt 53 van het bestreden arrest heeft geoordeeld – niet van kon worden uitgegaan dat het vermeende voordeel selectief was, temeer daar CCB zelf ook onder die vrijstelling viel voor soortgelijke reclame-installaties die zij in andere Belgische gemeenten exploiteerde, hetgeen werd bevestigd in een arrest van het hof van beroep van Brussel van 4 september 2018.
62 De Commissie betwist zowel de ontvankelijkheid als de gegrondheid van alle argumenten van JCDecaux.
Beoordeling door het Hof
63 In het verlengde van de in punt 28 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moet erop worden gewezen dat de beoordeling van de feiten en de bewijsstukken, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag oplevert die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in hogere voorziening en dat van een dergelijke onjuiste opvatting sprake is wanneer, zonder gebruik te maken van nieuwe bewijsmiddelen, de beoordeling van de bestaande bewijsmiddelen kennelijk onjuist blijkt te zijn. Een dergelijke onjuiste opvatting moet echter duidelijk uit de stukken van het dossier blijken, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld. Wanneer een rekwirant stelt dat het Gerecht bewijzen onjuist heeft opgevat, moet hij bovendien precies aangeven welke elementen volgens hem onjuist zijn opgevat, en aantonen welke fouten in de analyse tot die onjuiste opvatting in de beoordeling van het Gerecht hebben geleid (arrest van 23 maart 2023, PV/Commissie, C‑640/20 P, EU:C:2023:232, punten 77 en 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Van een dergelijke onjuiste opvatting is met name sprake wanneer het Gerecht de grenzen van een redelijke beoordeling van de bewijzen kennelijk heeft overschreden (arrest van 2 oktober 2014, Strack/Commissie, C‑127/13 P, EU:C:2014:2250, punt 79).
64 De feitelijke constateringen die het Gerecht in het bestreden arrest heeft gedaan, kunnen dus slechts in twijfel worden getrokken indien uit de aan het Gerecht overgelegde stukken duidelijk blijkt dat deze constateringen onjuist zijn.
65 Met het eerste onderdeel van het tweede middel voert JCDecaux in wezen aan dat het Gerecht de feiten en de toepasselijke bepalingen onjuist heeft opgevat door in punt 30 van het bestreden arrest vast te stellen dat zij, door het voortzetten van de exploitatie van de litigieuze installaties na de in bijlage 10 vastgelegde data voor het weghalen daarvan, heeft kunnen vermijden om nieuwe installaties die onder het contract van 1999 vielen te plaatsen en te exploiteren, en bijgevolg om huur en belastingen te betalen die zij volgens dat contract had moeten betalen.
66 Dienaangaande zij opgemerkt dat het Gerecht in punt 29 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat tussen partijen vaststond dat JCDecaux na de sluiting van het contract van 1999 op het grondgebied van de Stad Brussel enkel stadsmeubilair kon installeren en exploiteren onder de voorwaarden van dat contract, volgens welke zij huur en belastingen moest betalen. Voorts heeft het Gerecht in dat punt ook aangegeven dat JCDecaux volgens bijlage 10, in afwijking van de bepalingen van het contract van 1999, de in die bijlage vermelde reclame-installaties mocht blijven exploiteren onder de voorwaarden van het contract van 1984, dus zonder huur of belastingen te betalen, maar uitsluitend tot de in die bijlage vastgelegde data waarop die installaties zouden worden weggehaald. Na die data moesten de installaties worden vervangen door nieuwe installaties die onder het contract van 1999 vielen en waarvoor er dus wel belastingen en huur moesten worden betaald.
67 De in punt 30 van het bestreden arrest gehanteerde redenering, die in punt 65 van het onderhavige arrest is samengevat, is op die constateringen gebaseerd.
68 Vastgesteld moet worden dat JCDecaux niet aantoont dat uit de aan het Gerecht overgelegde stukken duidelijk blijkt dat die constateringen onjuist zijn. Derhalve dient het eerste onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
69 Met het tweede onderdeel van het tweede middel stelt JCDecaux in wezen dat het Gerecht in de punten 53, 54 en 56 van het bestreden arrest de op de exploitatie van de litigieuze installaties toepasselijke bepalingen onjuist heeft opgevat.
70 Wat de stelling van JCDecaux betreft dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met artikel 170, lid 4, van de Belgische Grondwet en ten onrechte heeft geoordeeld dat de vanaf 2001 door de Stad Brussel vastgestelde belastingreglementen op haar van toepassing waren, moet worden geoordeeld dat, zoals de advocaat-generaal in punt 67 van zijn conclusie heeft opgemerkt, met die stelling niet wordt beoogd om als zodanig af te doen aan de door het Gerecht in punt 54 van het bestreden arrest gedane constatering dat de Belgische autoriteiten tijdens de precontentieuze procedure niet hebben betwist dat de belastingreglementen van de Stad Brussel in casu de toepasselijke belastingregeling vormden.
71 Met betrekking tot het argument van JCDecaux dat het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met de twee vonnissen van de tribunal de première instance francophone de Bruxelles van 4 november 2016 – waaruit bleek dat de reclame-installaties die onder het contract van 1999 vielen, van de belasting op reclame moesten worden vrijgesteld – moet worden opgemerkt dat het Gerecht slechts heeft aangegeven dat die vonnissen niet relevant zijn voor de kwalificatie van het aan de orde zijnde voordeel als staatssteun. JCDecaux heeft niet aangetoond waarom deze vonnissen de beoordeling van het Gerecht in punt 63 ter discussie kunnen stellen.
72 Daarnaast faalt ook het argument van JCDecaux dat er – bij de beoordeling van de voorwaarde betreffende het bestaan van een economisch voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU – rekening moest worden gehouden met het feit dat CCB zelf ook van de belasting op reclame was vrijgesteld waar het ging om de exploitatie van reclame-installaties in andere Belgische gemeenten. Zoals de advocaat-generaal in punt 69 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is dat immers niet relevant voor de vaststelling of JCDecaux een dergelijk voordeel heeft genoten.
73 Derhalve moet het tweede middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.
74 Aangezien geen van de middelen in hogere voorziening slaagt, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
75 Ingevolge artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover dit is gevorderd.
76 Aangezien JCDecaux in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.
77 Artikel 184, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat het Hof kan beslissen dat een partij die in eerste aanleg heeft geïntervenieerd maar niet zelf de hogere voorziening heeft ingesteld, haar eigen kosten draagt indien zij aan de schriftelijke of mondelinge behandeling bij het Hof heeft deelgenomen. In casu heeft CCB, interveniënte in eerste aanleg, zonder zelf de hogere voorziening te hebben ingesteld, deelgenomen aan de mondelinge behandeling bij het Hof, maar niet verzocht om JCDecaux te verwijzen in de kosten. In die omstandigheden dient te worden beslist dat CCB haar eigen kosten in verband met de procedure in hogere voorziening zal dragen.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) JCDecaux Street Furniture Belgium NV wordt verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van de Europese Commissie.
3) Clear Channel Belgium BVBA draagt haar eigen kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 18 januari 2024, C-46/22, ECLI:EU:C:2024:50
- HvJ EU 23 maart 2023, C-640/20, ECLI:EU:C:2023:232
- HvJ EU 8 november 2022, C-885/19, ECLI:EU:C:2022:859
- Gerecht EU 7 september 2022, T-642/19, ECLI:EU:T:2022:503
- HvJ EU 12 mei 2022, C-430/20, ECLI:EU:C:2022:377
- HvJ EU 25 januari 2022, C-638/19, ECLI:EU:C:2022:50
- HvJ EU 2 oktober 2014, C-127/13, ECLI:EU:C:2014:2250
- HvJ EU 5 juni 2012, C-124/10, ECLI:EU:C:2012:318
- HvJ EU 16 juli 2009, C-385/07, ECLI:EU:C:2009:456