HvJ EU 4 oktober 2024, C-541/20, ECLI:EU:C:2024:818
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
4 oktober 2024 ( *1 )
[Zoals gerectificeerd bij beschikkingen van 19 december 2024 en 12 maart 2025]
Inhoud
I. Toepasselijke bepalingen
A. Internationaal recht
B. Unierecht
1. Regels inzake arbeidstijden
a) Verordening nr. 561/2006
b) Verordening nr. 165/2014
c) Verordening 2020/1054
2. Regels inzake de vestigingseis en inzake cabotage en gecombineerd vervoer
a) Richtlijn 92/106
b) Verordening nr. 1071/2009
c) Verordening nr. 1072/2009
d) Verordening 2020/1055
3. Regels inzake de terbeschikkingstelling van werknemers
a) Richtlijn 96/71
b) Richtlijn 2014/67
c) Richtlijn 2018/957
d) Richtlijn 2020/1057
4. Interinstitutioneel Akkoord
II. Voorgeschiedenis van het geding
III. Conclusies van partijen en procedure bij het Hof
A. Zaak C‑541/20
B. Zaak C‑542/20
C. Zaak C‑543/20
D. Zaak C‑544/20
E. Zaak C‑545/20
F. Zaak C‑546/20
G. Zaak C‑547/20
H. Zaak C‑548/20
I. Zaak C‑549/20
J. Zaak C‑550/20
K. Zaak C‑551/20
L. Zaak C‑552/20
M. Zaak C‑553/20
N. Zaak C‑554/20
O. Zaak C‑555/20
P. Voeging van de zaken C‑541/20 tot en met C‑555/20
IV. Middelen
A. Verordening 2020/1054
1. Overzicht van de middelen
2. Artikel 1, punt 6, onder d), van verordening 2020/1054
a) Ontvankelijkheid
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
b) Ten gronde
1) Schending van het rechtszekerheidsbeginsel
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
2) Schending van het evenredigheidsbeginsel
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
– Vraag of de Uniewetgever artikel 1, punt 6, onder d), van verordening 2020/1054 aan een evenredigheidstoetsing heeft onderworpen
– Evenredigheid van artikel 1, punt 6, onder d), van verordening 2020/1054
3) Schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
4) Schending van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
5) Schending van artikel 91, lid 2, en artikel 94 VWEU
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
6) Schending van de Unierechtelijke bepalingen inzake milieubescherming
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
3. Artikel 1, punt 6, onder c), van verordening 2020/1054
a) Schending van het evenredigheidsbeginsel
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
i) Vraag of de Uniewetgever artikel 1, punt 6, onder c), van verordening 2020/1054 aan een evenredigheidstoetsing heeft onderworpen
ii) Evenredigheid van artikel 1, punt 6, onder c), van verordening 2020/1054
– Geschiktheid van artikel 1, punt 6, onder c), van verordening 2020/1054 voor het bereiken van het nagestreefde doel
– Noodzakelijkheid van artikel 1, punt 6, onder c), van verordening 2020/1054
– Evenredigheid van artikel 1, punt 6, onder c), van verordening 2020/1054
b) Schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
c) Schending van de bepalingen van het VWEU op het gebied van het vrij verrichten van diensten
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
d) Schending van artikel 91, lid 2, en artikel 94 VWEU
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
4. Artikel 2, punt 2, van verordening 2020/1054
a) Inleidende opmerkingen
b) Bestaan van een kennelijke beoordelingsfout en schending van het evenredigheidsbeginsel
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
c) Schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
d) Schending van artikel 151, tweede alinea, VWEU
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
5. Artikel 3 van verordening 2020/1054
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
6. Conclusie omtrent verordening 2020/1054
B. Verordening 2020/1055
1. Overzicht van de middelen
2. Artikel 1, punt 3, van verordening 2020/1055, voor zover daarbij aan artikel 5 van verordening nr. 1071/2009 een lid 1, onder b), wordt toegevoegd
a) Schending van het evenredigheidsbeginsel
1) De verrichting door de Uniewetgever van een evenredigheidstoetsing van artikel 1, punt 3, van verordening 2020/1055, voor zover daarbij aan artikel 5 van verordening nr. 1071/2009 een lid 1, onder b), wordt toegevoegd
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
2) Evenredigheid van artikel 1, punt 3, van verordening 2020/1055, voor zover daarbij aan artikel 5 van verordening nr. 1071/2009 een lid 1, onder b), wordt toegevoegd
b) Andere middelen gericht tegen artikel 1, punt 3, van verordening 2020/1055, voor zover daarbij aan artikel 5 van verordening nr. 1071/2009 een lid 1, onder b), wordt toegevoegd
3. Artikel 2, punt 4, onder a), van verordening 2020/1055
a) Schending van het evenredigheidsbeginsel
1) Verrichting door de Uniewetgever van een evenredigheidstoetsing van artikel 2, punt 4, onder a), van verordening 2020/1055
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
2) Evenredigheid van artikel 2, punt 4, onder a), van verordening 2020/1055
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
– Geschiktheid van artikel 2, punt 4, onder a), van verordening 2020/1055 voor het bereiken van het nagestreefde doel
– Noodzakelijkheid van artikel 2, punt 4, onder a), van verordening 2020/1055
– Evenredigheid van artikel 2, punt 4, onder a), van verordening 2020/1055
b) Schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
c) Schending van artikel 91, lid 1, VWEU
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
d) Schending van artikel 90 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 3, VEU, artikel 91, lid 2, en artikel 94 VWEU
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
e) Schending van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
f) Schending van de Unierechtelijke bepalingen en verbintenissen van de Unie inzake milieubescherming
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
4. Artikel 1, punt 3, van verordening 2020/1055, voor zover daarbij aan artikel 5 van verordening nr. 1071/2009 een lid 1, onder g), wordt toegevoegd
a) Schending van het rechtszekerheidsbeginsel
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
b) Schending van het evenredigheidsbeginsel
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
c) Schending van artikel 11 VWEU en artikel 37 van het Handvest
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
5. Artikel 2, punt 5, onder b), van verordening 2020/1055
a) Schending van het evenredigheidsbeginsel
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
b) Schending van artikel 91, lid 2, en artikel 94 VWEU
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
c) Schending van artikel 11 VWEU en artikel 37 van het Handvest
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
6. Conclusie met betrekking tot verordening 2020/1055
C. Richtlijn 2020/1057
1. Overzicht van de middelen
2. Geldende Unieregeling inzake de detachering van bestuurders in de wegvervoersector
3. Artikel 1 van richtlijn 2020/1057
a) Schending van artikel 1, lid 3, onder a), van richtlijn 96/71
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
b) Schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
i) Inleidende overwegingen
ii) Bestaan van de gestelde discriminerende behandelingen
– Beweerde discriminatie van derdelandenvervoer ten opzichte van bilateraal vervoer
– Gestelde discriminatie van gecombineerd vervoer ten opzichte van bilateraal vervoer
c) Schending van het evenredigheidsbeginsel
1) Vraag of de Uniewetgever een evenredigheidstoetsing van artikel 1, leden 3 tot en met 7, van verordening 2020/1057 heeft verricht
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
2) Evenredigheid van artikel 1, leden drie tot en met zeven, van richtlijn 2020/1057
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
– Geschiktheid van artikel 2, punt 4, onder a), van verordening 2020/1055 om de nagestreefde doelstelling te bereiken
– Noodzakelijkheid van artikel 1, leden 3 tot en met 7, van richtlijn 2020/1057
– Evenredigheid van artikel 1, leden 3 tot en met 7, van richtlijn 2020/1057
d) Schending van artikel 91, lid 1, VWEU
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
e) Schending van artikel 90 VWEU juncto artikel 3, lid 3, VEU, artikel 91, lid 2, VWEU en artikel 94 VWEU
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
f) Schending van het vrije verkeer van goederen en van de vrijheid van dienstverrichting
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
i) Vrij verkeer van goederen
ii) Vrijheid van dienstverrichting
g) Schending van artikel 11 VWEU en artikel 37 van het Handvest
1) Argumenten van partijen
2) Beoordeling door het Hof
4. Artikel 9, lid 1, van richtlijn 2020/1057
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
5. Conclusie met betrekking tot richtlijn 2020/1057
D. Algemene conclusie met betrekking tot de beroepen
V. Kosten
„Beroep tot nietigverklaring – ‚Mobiliteitspakket I’ – Verordening (EU) 2020/1054 – Maximale dagelijkse en wekelijkse rijtijden – Minimumonderbrekingen en dagelijkse en wekelijkse rusttijden – Verplichting om het werk van de bestuurders zodanig te plannen dat zij, naargelang het geval, elke drie of vier weken kunnen terugkeren naar hun woonplaats of naar de exploitatievestiging van hun werkgever om er hun normale of compenserende wekelijkse rusttijd te beginnen of door te brengen – Verbod van normale of compenserende wekelijkse rusttijd in de cabine – Termijn voor de installatie van slimme tachografen van de tweede generatie (V2) – Datum van inwerkingtreding – Verordening (EU) 2020/1055 – Voorwaarden inzake de vestigingseis – Vereiste inzake de terugkeer van voertuigen naar de exploitatievestiging in de lidstaat van vestiging – Verplichting inzake het aantal voertuigen en bestuurders dat normaal gesproken gestationeerd is in de exploitatievestiging in de lidstaat van vestiging – Cabotagevervoer – Wachttijd van vier dagen voor cabotage – Afwijking inzake cabotage in het kader van gecombineerd vervoer – Richtlijn (EU) 2020/1057 – Specifieke regels voor de detachering van bestuurders in de wegvervoersector – Omzettingstermijn – Interne markt – Bijzondere regeling voor het vrij verrichten van vervoersdiensten – Gemeenschappelijk vervoerbeleid – Artikelen 91 en 94 VWEU – Fundamentele vrijheden – Evenredigheidsbeginsel – Effectbeoordeling – Beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie – Beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen – Milieubescherming – Artikel 11 VWEU – Raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité en van het Europees Comité van de Regio’s”
In de gevoegde zaken C‑541/20 tot en met C‑555/20,
[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 19 december 2024] betreffende beroepen tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU, ingesteld op 23 oktober 2020 (zaken C‑541/20–C‑550/20 en C‑552/20) en op 26 oktober 2020 (zaken C‑551/20 en C‑553/20–C‑555/20),
Republiek Litouwen, vertegenwoordigd door K. Dieninis, R. Dzikovič en V. Kazlauskaitė-Švenčionienė als gemachtigden, bijgestaan door R. Petravičius, advokatas, A. Kisieliauskaitė en G. Taluntyté (C‑541/20 en C‑542/20),
Republiek Bulgarije, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Georgieva, T. Mitova en L. Zaharieva, vervolgens door T. Mitova en L. Zaharieva als gemachtigden (C‑543/20–C‑545/20),
Roemenië, vertegenwoordigd door R. Antonie, L.‑E. Baţagoi, M. Chicu, E. Gane, R.‑I. Haţieganu, L. Liţu en A. Rotăreanu als gemachtigden (C‑546/20–C‑548/20),
Republiek Cyprus, vertegenwoordigd door I. Neophytou als gemachtigde (C‑549/20 en C‑550/20),
Hongarije, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en K. Szíjjártó als gemachtigden (C‑551/20),
Republiek Malta, vertegenwoordigd door A. Buhagiar als gemachtigde, bijgestaan door D. Sarmiento Ramírez-Escudero en J. Sedano Lorenzo, abogados (C‑552/20),
Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Horoszko, D. Krawczyk en D. Lutostańska als gemachtigden (C‑553/20–C‑555/20),
verzoekende partijen,
ondersteund door:
Koninkrijk België, aanvankelijk vertegenwoordigd door S. Baeyens, P. Cottin, L. Delmotte, J.‑C. Halleux, C. Pochet en M. B. Van Hyfte, vervolgens door S. Baeyens, P. Cottin, L. Delmotte, C. Pochet en M. B. Van Hyfte als gemachtigden (C‑552/20),
Republiek Estland, aanvankelijk vertegenwoordigd door N. Grünberg en M. Kriisa, vervolgens door M. Kriisa als gemachtigden (C‑541/20, C‑542/20, C‑544/20, C‑545/20, C‑547/20–C‑552/20, C‑554/20 en C‑555/20),
Republiek Letland, aanvankelijk vertegenwoordigd door K. Pommere, I. Romanovska en V. Soņeca, vervolgens door J. Davidoviča, K. Pommere en I. Romanovska als gemachtigden (C‑541/20–C‑555/20),
Republiek Litouwen, vertegenwoordigd door K. Dieninis, R. Dzikovič en V. Kazlauskaitė-Švenčionienė als gemachtigden, bijgestaan door R. Petravičius, advokatas, A. Kisieliauskaitė en G. Taluntyté (C‑545/20, C‑547/20, C‑549/20, C‑551/20, C‑552/20 en C‑554/20),
Roemenië, vertegenwoordigd door R. Antonie, L.‑E. Baţagoi, M. Chicu, E. Gane, R.‑1I. Haţieganu, L. Liţu en A. Rotăreanu als gemachtigden (C‑541/20–C‑545/20 en C‑549/20–C‑555/20),
interveniërende partijen,
tegen
Europees Parlement, aanvankelijk vertegenwoordigd door I. Anagnostopoulou, O. Denkov, C. Ionescu–Dima, A. Tamás en S. Toliušis, vervolgens door I. Anagnostopoulou, O. Denkov, C. Ionescu–Dima, W. D. Kuzmienko, B. D. Simon, S. Toliušis en R. van de Westelaken als gemachtigden,
verwerende partij,
ondersteund door:
Koninkrijk Denemarken, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Nymann-Lindegren, M. Søndahl Wolff en L. Teilgård, vervolgens door V. Pasternak Jørgensen, M. Søndahl Wolff en L. Teilgård, vervolgens door V. Pasternak Jørgensen en M. Søndahl Wolff, en tot slot door C. Maertens en M. Søndahl Wolff als gemachtigden (C‑541/20–C‑555/20),
Bondsrepubliek Duitsland, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Möller en D. Klebs, vervolgens door J. Möller als gemachtigden (C‑541/20–C‑555/20),
Helleense Republiek (C‑542/20, C‑543/20, C‑545/20–C‑547/20 en C‑551/20),
Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères, A. Ferrand en N. Vincent, vervolgens door A.‑L. Desjonquères en N. Vincent, vervolgens door R. Bénard, J.‑L. Carré, V. Depenne, A.‑L. Desjonquères en B. Herbaut, en tot slot door R. Bénard, M. Guiresse, B. Herbaut en B. Travard als gemachtigden (C‑541/20–C‑555/20),
Groothertogdom Luxemburg, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Germeaux en T. Uri, vervolgens door A. Germeaux als gemachtigden (C‑541/20–C‑555/20),
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden (C‑541/20–C‑555/20),
Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door A. Posch en J. Schmoll als gemachtigden (C‑541/20–C‑555/20),
Koninkrijk Zweden, aanvankelijk vertegenwoordigd door H. Eklinder, J. Lundberg, C. Meyer-Seitz, A. Runeskjöld, M. Salborn Hodgson, R. Shahsavan Eriksson, H. Shev en O. Simonsson, vervolgens door H. Eklinder, C. Meyer-Seitz, A. Runeskjöld, M. Salborn Hodgson, R. Shahsavan Eriksson, H. Shev en O. Simonsson als gemachtigden (C‑541/20–C‑555/20),
interveniërende partijen,
en
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bencze, I. Gurov, A. Norberg, K. Pavlaki, V. Sanda, A. Sikora-Kaléda, A. Vârnav en L. Vétillard als gemachtigden,
verwerende partij,
ondersteund door:
Koninkrijk Denemarken, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Nymann-Lindegren, M. Søndahl Wolff en L. Teilgård, vervolgens door V. Pasternak Jørgensen, M. Søndahl Wolff en L. Teilgård, vervolgens door V. Pasternak Jørgensen en M. Søndahl Wolff, en tot slot door C. Maertens en M. Søndahl Wolff als gemachtigden (C‑541/20–C‑555/20),
Bondsrepubliek Duitsland, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Möller en D. Klebs, vervolgens door J. Möller als gemachtigden (C‑541/20–C‑555/20),
Helleense Republiek (C‑542/20, C‑543/20, C‑545/20–C‑547/20 en C‑551/20),
Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères, A. Ferrand en N. Vincent, vervolgens door A.‑L. Desjonquères en N. Vincent, vervolgens door R. Bénard, J.‑L. Carré, V. Depenne, A.‑L. Desjonquères en B. Herbaut, en tot slot door R. Bénard, M. Guiresse, B. Herbaut en B. Travard als gemachtigden (C‑541/20–C‑555/20),
Italiaanse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, vervolgens door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door A. Lipari en G. Santini, avvocati dello Stato (C‑541/20–C‑555/20),
Groothertogdom Luxemburg, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Germeaux en T. Uri, vervolgens door A. Germeaux als gemachtigden (C‑541/20–C‑555/20),
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden (C‑541/20–C‑555/20),
Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door A. Posch en J. Schmoll als gemachtigden (C‑541/20–C‑555/20),
Koninkrijk Zweden, aanvankelijk vertegenwoordigd door H. Eklinder, J. Lundberg, C. Meyer-Seitz, A. Runeskjöld, M. Salborn Hodgson, R. Shahsavan Eriksson, H. Shev en O. Simonsson, vervolgens door H. Eklinder, C. Meyer-Seitz, A. Runeskjöld, M. Salborn Hodgson, R. Shahsavan Eriksson, H. Shev en O. Simonsson als gemachtigden (C‑541/20–C‑555/20),
interveniërende partijen,
wijst
HET HOF (Grote kamer)
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, E. Regan (rapporteur), T. von Danwitz, F. Biltgen en Z. Csehi, kamerpresidenten, S. Rodin, A. Kumin, I. Ziemele, J. Passer, D. Gratsias, M. L. Arastey Sahún en M. Gavalec, rechters,
advocaat-generaal: G. Pitruzzella,
griffier: R. Şereş en R. Stefanova-Kamisheva, administrateurs,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 en 25 april 2023,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 november 2023,
het navolgende
Arrest
1 Met haar verzoekschriften in de zaken C‑541/20 en C‑542/20 verzoekt de Republiek Litouwen het Hof om nietigverklaring: – primair, van artikel 1, punt 6, onder d), en artikel 3 van verordening (EU) 2020/1054 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 tot wijziging van verordening (EG) nr. 561/2006 wat betreft de minimumeisen voor maximale dagelijkse en wekelijkse rijtijden, minimumonderbrekingen en dagelijkse en wekelijkse rusttijden, en verordening (EU) nr. 165/2014 wat betreft positionering door middel van tachografen (PB 2020, L 249, blz. 1), of, subsidiair, van verordening 2020/1054 in haar geheel (C‑541/20); – van artikel 1, punt 3, van verordening (EU) 2020/1055 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 houdende wijziging van verordeningen (EG) nr. 1071/2009, (EG) nr. 1072/2009 en (EU) nr. 1024/2012 teneinde ze aan te passen aan ontwikkelingen in de wegvervoersector (PB 2020, L 249, blz. 17), voor zover het een lid 1, onder b), toevoegt aan artikel 5 van verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad (PB 2009, L 300, blz. 51), alsook van artikel 2, punt 4, onder a), van verordening 2020/1055 (C‑542/20), en – primair, van artikel 1, leden 3 en 7, van richtlijn (EU) 2020/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot richtlijn 96/71/EG en richtlijn 2014/67/EU wat betreft de detachering van bestuurders in de wegvervoersector en tot wijziging van richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en verordening (EU) nr. 1024/2012 (PB 2020, L 249, blz. 49), of, subsidiair, van richtlijn 2020/1057 in haar geheel (C‑541/20).
2 Met haar verzoekschriften in de zaken C‑543/20 tot en met C‑545/20 verzoekt de Republiek Bulgarije het Hof om nietigverklaring: – primair, van artikel 1, punt 6, onder c) en d), van verordening 2020/1054 of, subsidiair, van deze verordening in haar geheel (C‑543/20); – van richtlijn 2020/1057 (C‑544/20), en – primair, van artikel 1, punt 3, van verordening 2020/1055, voor zover het aan artikel 5 van verordening nr. 1071/2009 een lid 1, onder b), toevoegt, of, subsidiair, van artikel 1, punt 3, van verordening 2020/1055 in zijn geheel, alsook van artikel 2, punt 4, onder a), van verordening 2020/1055 of, subsidiair, van artikel 2, punt 4, van deze verordening of, meer subsidiair, van die verordening in haar geheel (C‑545/20).
3 Met zijn verzoekschriften in de zaken C‑546/20 tot en met C‑548/20 verzoekt Roemenië het Hof om nietigverklaring: – primair, van artikel 1, punt 6, onder c) en d), van verordening 2020/1054 of, subsidiair, van deze verordening in haar geheel (C‑546/20); – van artikel 1, punt 3, van verordening 2020/1055, voor zover het aan artikel 5 van verordening nr. 1071/2009 een lid 1, onder b), toevoegt, alsook van artikel 2, punt 4, onder a), b) en c), van verordening 2020/1055 of, subsidiair, van deze verordening in haar geheel (C‑547/20), en – primair, van artikel 1, leden 3 tot en met 6, van richtlijn 2020/1057 of, subsidiair, van deze richtlijn in haar geheel (C‑548/20).
4 Met haar verzoekschriften in de zaken C‑549/20 en C‑550/20 verzoekt de Republiek Cyprus het Hof om nietigverklaring: – primair, van artikel 1, punt 3, van verordening 2020/1055, voor zover het aan artikel 5 van verordening nr. 1071/2009 een lid 1, onder b), toevoegt, of, subsidiair, van artikel 1, punt 3, van verordening 2020/1055 in zijn geheel of, meer subsidiair, van deze verordening in haar geheel (C‑549/20), en – van richtlijn 2020/1057 in haar geheel (C‑550/20).
5 Met zijn verzoekschriften in de zaak C‑551/20 verzoekt Hongarije het Hof om nietigverklaring: – van artikel 1, punt 6, onder c), en artikel 2, punt 2, van verordening 2020/1054, alsook in voorkomend geval van alle bepalingen van deze verordening die onlosmakelijk daarmee verbonden zijn of zelfs van die verordening in haar geheel; – van artikel 1, punt 3, van verordening 2020/1055, voor zover het aan artikel 5 van verordening nr. 1071/2009 een lid 1, onder b), toevoegt, alsook in voorkomend geval van alle bepalingen van verordening 2020/1055 die onlosmakelijk daarmee verbonden zijn, en – primair, van artikel 1 van richtlijn 2020/1057 of, subsidiair, van artikel 1, lid 6, ervan, alsook in voorkomend geval van alle bepalingen van deze richtlijn die onlosmakelijk daarmee verbonden zijn.
6 Met haar verzoekschrift in de zaak C‑552/20 verzoekt de Republiek Malta het Hof om nietigverklaring van artikel 1, punt 3, van verordening 2020/1055, voor zover het aan artikel 5 van verordening nr. 1071/2009 een lid 1, onder b), toevoegt, en van artikel 2, punt 4, onder a), van verordening 2020/1055.
7 Met haar verzoekschriften in de zaken C‑553/20 tot en met C‑555/20 verzoekt de Republiek Polen het Hof om nietigverklaring: – primair, van artikel 1, punt 6, onder d), van verordening 2020/1054 of, subsidiair, van deze verordening in haar geheel (C‑553/20); – primair, van artikel 1, punt 3, van verordening 2020/1055, voor zover het aan artikel 5 van verordening nr. 1071/2009 een lid 1, onder b) en g), toevoegt, van artikel 2, punt 4, onder a), van verordening 2020/1055 alsook van artikel 2, punt 5, onder b), van deze verordening of, subsidiair, van die verordening in haar geheel (C‑554/20), en – primair, van artikel 1, leden 3, 4, 6 en 7, en artikel 9, lid 1, van richtlijn 2020/1057 of, subsidiair, van deze richtlijn in haar geheel (C‑555/20).
I. Toepasselijke bepalingen
A. Internationaal recht
8 Op 9 mei 1992 is in New York het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering aangenomen (United Nations Treaty Series, deel 1771, blz. 107; hierna: „UNFCCC”), waarvan het uiteindelijke doel is gelegen in een stabilisering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau waarop gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen. Op 11 december 1997 hebben de partijen bij het UNFCCC het Protocol van Kyoto bij dit raamverdrag aangenomen.
9 Vooruitlopend op het einde van de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto, die de periode 2013‑2020 bestreek, heeft de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC op 12 december 2015 de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering aangenomen, met als hoofddoel de stijging van de wereldwijde temperatuur te beperken tot 1,5 °C à 2 °C boven het pre-industriële niveau.
10 Artikel 2 van deze overeenkomst bepaalt: „1. Doel van deze overeenkomst is door de uitvoering van het [UNFCCC] en de doelstelling ervan te verbeteren, de wereldwijde reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken in de context van duurzame ontwikkeling en inspanningen om armoede uit te bannen, onder meer door: a) de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur ruim onder 2 °C te houden ten opzichte van het pre-industriële niveau en ernaar te blijven streven de stijging te beperken tot 1,5 °C, erkennende dat dit de risico’s en de gevolgen van klimaatverandering aanzienlijk zou beperken; b) het vermogen te vergroten tot aanpassing aan de nadelige gevolgen van klimaatverandering, en de veerkracht voor klimaatverandering en broeikasgasarme ontwikkeling te bevorderen, op een wijze die de voedselproductie niet in gevaar brengt, en c) geldstromen in lijn te brengen met een traject naar broeikasgasarme en klimaatveerkrachtige ontwikkeling. 2. Deze overeenkomst wordt geïmplementeerd op basis van billijkheid en het beginsel van gezamenlijke, doch verschillende, verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden, in het licht van uiteenlopende nationale omstandigheden.”
11 Artikel 4 van genoemde overeenkomst bepaalt in de leden 1 tot en met 3 ervan: „1. Teneinde de in artikel 2 vervatte temperatuurdoelstelling voor de lange termijn te behalen, streven de partijen ernaar de piek van de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd zo snel mogelijk te bereiken, erkennende dat partijen die ontwikkelingslanden zijn deze piek later zullen bereiken, en de uitstoot daarna overeenkomstig de beste beschikbare wetenschappelijke kennis snel te verminderen, zodat in de tweede helft van deze eeuw, op basis van billijkheid en in de context van duurzame ontwikkeling en inspanningen om armoede uit te bannen, een balans tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen wordt bereikt. 2. Elke Partij stelt opeenvolgende nationaal bepaalde bijdragen op die zij beoogt te bereiken, deelt deze mede en houdt ze bij. De partijen nemen nationale mitigerende maatregelen ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze bijdragen. 3. Elke volgende nationaal bepaalde bijdrage van een partij dient verder te gaan dan haar op dat tijdstip geldende nationaal bepaalde bijdrage en een zo hoog mogelijk ambitieniveau te weerspiegelen, waaruit de gezamenlijke, doch verschillende, verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden in het licht van uiteenlopende nationale omstandigheden blijken.”
B. Unierecht
1. Regels inzake arbeidstijden
a) Verordening nr. 561/2006
12 Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB 2006, L 102, blz. 1) is laatstelijk, in meerdere bepalingen ervan, gewijzigd bij verordening 2020/1054.
13 Artikel 4, onder d) tot en met h), van deze verordening, dat deel uitmaakt van hoofdstuk I met als opschrift „Inleidende bepalingen” en dat niet is gewijzigd bij verordening 2020/1054, bepaalt: „Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities: [...] d) ‚onderbreking’: elke periode waarin de bestuurder niet mag rijden en ook geen andere werkzaamheden mag verrichten en die uitsluitend dient om te rusten; [...] f) ‚rust’: iedere ononderbroken periode waarin een bestuurder vrijelijk over zijn tijd kan beschikken; g) ‚dagelijkse rusttijd’: de dagelijkse periode waarin een bestuurder vrijelijk over zijn tijd kan beschikken, en die een ‚normale dagelijkse rusttijd’ en een ‚verkorte dagelijkse rusttijd’ omvat; – ‚normale dagelijkse rusttijd’: een periode van rust van ten minste elf uur. De normale dagelijkse rusttijd kan ook worden opgesplitst in twee perioden, waarvan de eerste ten minste drie ononderbroken uren bedraagt en de tweede ten minste negen ononderbroken uren bedraagt; – ‚verkorte dagelijkse rusttijd’: een periode van rust van ten minste negen uur doch minder dan elf uur; h) ‚wekelijkse rusttijd’: een wekelijkse periode waarin een bestuurder vrijelijk over zijn tijd kan beschikken, en die een ‚normale wekelijkse rusttijd’ en een ‚verkorte wekelijkse rusttijd’ omvat: – ‚normale wekelijkse rusttijd’: een periode van rust van ten minste 45 uur; – ‚verkorte wekelijkse rusttijd’: een periode van rust van minder dan 45 uur die, onder de voorwaarden van artikel 8, lid 6, kan worden bekort tot minimaal 24 achtereenvolgende uren; [...]”
14 Artikel 8, leden 6 en 8, van verordening nr. 561/2006, dat deel uitmaakt van hoofdstuk II met als opschrift „Bemanning, rijtijden, onderbrekingen en rusttijden”, bepaalde in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van verordening 2020/1054: „6. Per periode van twee opeenvolgende weken moet een bestuurder ten minste: – twee normale wekelijkse rusttijden, of – één normale wekelijkse rusttijd en één verkorte wekelijkse rusttijd van ten minste 24 uur nemen. De verkorting moet evenwel worden gecompenseerd door een equivalente periode van rust die voor het einde van de derde week na de betrokken week en bloc genomen moet worden. Een wekelijkse rusttijd mag niet later beginnen dan aan het einde van zes perioden van 24 uur te rekenen vanaf het einde van de vorige wekelijkse rusttijd. [...] 8. Wanneer een bestuurder dit zo verkiest, mogen dagelijkse rusttijden en verkorte wekelijkse rusttijden buiten de standplaats in een voertuig worden doorgebracht indien dit voor iedere bestuurder behoorlijke slaapfaciliteiten biedt en het voertuig stilstaat.”
15 Binnen hetzelfde hoofdstuk was in artikel 9, leden 2 en 3, van verordening nr. 561/2006, in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van verordening 2020/1054, het volgende bepaald: „2. Tijd besteed om te reizen naar een plaats om controle te nemen over een voertuig dat onder het toepassingsgebied van deze verordening valt, of om terug te keren van deze plaats, wanneer het voertuig zich niet in de woonplaats van de bestuurder of in de exploitatievestiging van de werkgever waaraan de bestuurder normalerwijze verbonden is, bevindt, wordt niet geteld als rust of een onderbreking, tenzij de bestuurder reist met een veerboot of trein en een bed of slaapbank ter beschikking heeft. 3. Tijd besteed door een bestuurder om met een voertuig dat buiten het toepassingsgebied van deze verordening valt, te rijden naar of van een voertuig dat onder het toepassingsgebied van deze verordening valt en zich niet in de woonplaats van de bestuurder of in de exploitatievestiging van de werkgever waaraan de bestuurder normalerwijze verbonden is, bevindt, wordt geteld als ‚andere werkzaamheden’.”
16 Artikel 14 van verordening nr. 561/2006, dat deel uitmaakt van hoofdstuk IV met als opschrift „Uitzonderingen”, was in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van verordening 2020/1054 als volgt verwoord: „1. Mits geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van artikel 1, kunnen lidstaten, na machtiging door de Commissie, uitzonderingen toestaan op de toepassing van de artikelen 6 tot en met 9 van deze verordening op onder uitzonderlijke omstandigheden verrichte vervoersactiviteiten. 2. In dringende gevallen kunnen de lidstaten voor een periode van ten hoogste 30 dagen een tijdelijke uitzondering toestaan, die onmiddellijk ter kennis van de Commissie wordt gebracht. 3. De Commissie brengt elke krachtens dit artikel verleende uitzondering ter kennis van de andere lidstaten.”
17 Artikel 16, lid 2, van verordening nr. 561/2006, dat deel uitmaakt van hoofdstuk V met als opschrift „Controleprocedures en sancties” en dat niet is gewijzigd bij verordening 2020/1054, bepaalt: „De vervoersonderneming stelt een dienstregeling en een dienstrooster op, die voor iedere bestuurder de naam, de standplaats alsmede het vooraf vastgestelde rooster moeten bevatten van de verschillende rijperioden, de andere werkzaamheden, de onderbrekingen en de beschikbaarheid. Iedere bestuurder die een in lid 1 bedoelde dienst onderhoudt, moet een uittreksel uit het dienstrooster en een afschrift van de dienstregeling bij zich hebben.”
18 Binnen hetzelfde hoofdstuk bepaalt artikel 18 van verordening nr. 561/2006, dat niet is gewijzigd bij verordening 2020/1054, het volgende: „De lidstaten stellen de nodige maatregelen voor de uitvoering van deze verordening vast.”
b) Verordening nr. 165/2014
19 Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van verordening (EG) nr. 561/2006 (PB 2014, L 60, blz. 1) is, in meerdere bepalingen ervan, gewijzigd bij verordening 2020/1054.
20 Artikel 3, lid 4, van deze verordening, dat deel uitmaakt van hoofdstuk I met als opschrift „Beginselen, toepassingsgebied en voorschriften” en dat zelf als opschrift „Toepassingsgebied” draagt, bepaalde in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van verordening 2020/1054 het volgende: „Vijftien jaar nadat nieuw ingeschreven voertuigen een tachograaf moeten hebben zoals bepaald in de artikelen 8, 9 en 10, worden voertuigen die in een andere lidstaat dan de lidstaat van inschrijving worden gebruikt, van zo’n tachograaf voorzien.”
21 Artikel 11 van verordening nr. 165/2014, dat deel uitmaakt van hoofdstuk II met als opschrift „Slimme tachograaf” en dat zelf als opschrift „Gedetailleerde bepalingen voor de slimme tachograaf” draagt, was in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van verordening 2020/1054 als volgt verwoord: „Om te waarborgen dat de slimme tachografen [...] voldoen aan de beginselen en vereisten van deze verordening stelt de Commissie, via uitvoeringshandelingen, gedetailleerde bepalingen vast die nodig zijn voor de eenvormige uitvoering van de artikelen 8, 9 en 10, maar geen bepalingen die de registratie van aanvullende gegevens door de tachograaf mogelijk maken. De uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 42, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. Voor die gedetailleerde bepalingen bedoeld in de eerste [alinea] geldt: a) met betrekking tot de uitvoering van de in dit hoofdstuk genoemde functies van de slimme tachograaf, moeten zij de noodzakelijke vereisten bevatten om de veiligheid, nauwkeurigheid en betrouwbaarheid te waarborgen van de gegevens die aan de tachograaf worden geleverd door de satellietpositioneringsdienst en de technologie voor communicatie op afstand, bedoeld in de artikelen 8 en 9; b) zij moeten de verschillende voorwaarden en vereisten specificeren voor de satellietpositioneringsdienst en de technologie voor communicatie op afstand, bedoeld in de artikelen 8 en 9, die zich in of buiten de tachograaf moeten bevinden, en als ze zich buiten de tachograaf bevinden, moeten zij de voorwaarden voor het gebruik van het satellietpositioneringssignaal als tweede bewegingssensor specificeren; c) ze moeten de noodzakelijke normen specificeren voor de in artikel 10 bedoelde interface. Die normen kunnen een bepaling omvatten over de verdeling van toegangsrechten voor bestuurders, werkplaatsen en vervoersondernemingen, en controlerollen voor de door de tachograaf geregistreerde gegevens, welke controlerollen gebaseerd zijn op een authenticatie-/toestemmingsmechanisme voor de interface, zoals een certificaat voor ieder toegangsniveau, afhankelijk van de technische haalbaarheid daarvan.”
22 Artikel 33 van verordening nr. 165/2014, dat deel uitmaakt van hoofdstuk VI met als opschrift „Gebruik van apparatuur” en dat zelf als opschrift „Verantwoordelijkheden van vervoersondernemingen” draagt, is niet gewijzigd bij verordening 2020/1054 en bepaalt in lid 2 ervan: „De registratiebladen en in voorkomend geval de in artikel 35 bedoelde afdrukken worden door de vervoersondernemingen ten minste één jaar na het gebruik in chronologische volgorde en leesbare vorm bewaard; de onderneming verstrekt de betrokken bestuurder op diens verzoek een kopie. Vervoersondernemingen verstrekken de betrokken bestuurder op diens verzoek tevens een kopie van de gedownloade gegevens van de bestuurderskaart, samen met een papieren afdruk daarvan. De registratiebladen, afdrukken en overgebrachte gegevens moeten op verzoek van de met de controleambtenaren worden overgelegd of overhandigd.”
23 Artikel 1, lid 2, van uitvoeringsverordening (EU) 2016/799 van de Commissie van 18 maart 2016 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de eisen voor de constructie, het testen, de installatie, de exploitatie en de reparatie van tachografen en tachograafonderdelen (PB 2016, L 139, blz. 1), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/502 van de Commissie van 28 februari 2018 (PB 2018, L 85, blz. 1) (hierna: „uitvoeringsverordening 2016/799”), bepaalt: „Bij de constructie, het testen, de installatie, de inspectie, de exploitatie en de reparatie van slimme tachografen en hun onderdelen moeten de in bijlage IC bij deze verordening vastgestelde technische eisen in acht worden genomen.”
24 Artikel 6, derde alinea, van uitvoeringsverordening 2016/799 luidt: „Bijlage IC is evenwel van toepassing met ingang van 15 juni 2019, [...].”
25 Bijlage IC bevat de constructie-, test-, installatie- en controlevoorschriften voor slimme tachografen.
c) Verordening 2020/1054
26 De overwegingen 1, 2, 4, 6, 8, 13 tot en met 15, 17 tot en met 19, 23, 27, 34 en 36 van verordening 2020/1054 luiden als volgt: „(1) Goede arbeidsvoorwaarden voor bestuurders en eerlijke concurrentievoorwaarden voor wegvervoersondernemingen zijn uiterst belangrijk om te komen tot een veilige, efficiënte en sociaal verantwoordelijke wegvervoersector, die niet-discriminerend is en aantrekkelijk voor gekwalificeerde werknemers. Om dat proces te bevorderen, is het essentieel dat de sociale regelgeving van de Unie inzake wegvervoer duidelijk, evenwichtig en doelmatig is, gemakkelijk toe te passen en te handhaven is, en dat deze in de hele Unie op een doeltreffende en consequente manier wordt uitgevoerd. (2) Bij de evaluatie van de effectiviteit en de efficiëntie van de uitvoering van de bestaande reeks sociale regels van de Unie in het wegvervoer, en met name verordening [nr. 561/2006], is een aantal tekortkomingen bij de uitvoering van dat rechtskader aan het licht gekomen. Onduidelijke regels voor de wekelijkse rusttijden, rustfaciliteiten en onderbrekingen bij een meervoudige bemanning alsmede het gebrek aan regels inzake de terugkeer van bestuurders naar huis, hebben geleid tot uiteenlopende interpretaties en handhavingspraktijken in de lidstaten. Verscheidene lidstaten hebben onlangs unilaterale maatregelen vastgesteld waardoor de rechtsonzekerheid en de ongelijke behandeling van bestuurders en ondernemingen nog is toegenomen. De maximale dagelijkse en wekelijkse rijtijden zorgen echter voor een daadwerkelijke verbetering van de sociale omstandigheden van bestuurders en van de verkeersveiligheid in het algemeen. Om nakoming van de regels te verzekeren zijn niet-aflatende inspanningen nodig. [...] (4) De ex-postevaluatie van verordening [nr. 561/2006] heeft bevestigd dat de onsamenhangende en ondoeltreffende handhaving van de sociale regelgeving van de Unie hoofdzakelijk te wijten is aan onduidelijke regels, aan inefficiënt en ongelijkmatig gebruik van controle-instrumenten en aan onvoldoende administratieve samenwerking tussen de lidstaten. [...] (6) Duidelijke, geschikte, evenwichtige en eenvormig gehandhaafde regels zijn ook van cruciaal belang om de beleidsdoelstelling inzake betere arbeidsvoorwaarden voor bestuurders te verwezenlijken, en met name te zorgen voor onvervalste en eerlijke concurrentie tussen ondernemers en bij te dragen tot meer verkeersveiligheid voor alle weggebruikers. [...] (8) Bestuurders die betrokken zijn bij internationaal langeafstandsvervoer van goederen, zijn lange tijd weg van huis. Door de huidige voorschriften inzake de wekelijkse rusttijd kunnen die perioden onnodig worden verlengd. Het is dus wenselijk de bepalingen inzake normale wekelijkse rusttijd zodanig aan te passen dat het voor bestuurders gemakkelijker is om in overeenstemming met de regels te rijden en toch de normale wekelijkse rusttijd thuis te nemen, en volledig te worden gecompenseerd voor alle verkorte wekelijkse rusttijden. [...] [...] (13) Ter bevordering van sociale vooruitgang moet worden gespecificeerd waar de wekelijkse rusttijden kunnen worden genomen, zodat bestuurders hun rusttijd in passende omstandigheden kunnen doorbrengen. De kwaliteit van het verblijf is met name belangrijk tijdens de normale wekelijkse rusttijd, die de bestuurder buiten de cabine in een geschikt verblijf op kosten van de vervoersonderneming als werkgever moet doorbrengen. Om te zorgen voor goede arbeidsomstandigheden en de veiligheid van bestuurders moet het vereiste worden verduidelijkt dat bestuurders over een kwalitatief hoogwaardig en gendervriendelijk verblijf kunnen beschikken als zij hun wekelijkse rusttijd buitenshuis nemen. (14) Er moet tevens worden bepaald dat vervoersondernemingen het werk zodanig moeten plannen dat de bestuurders niet buitensporig lang van huis weg zijn en dat bestuurders ter compensatie van de verkorte wekelijkse rusttijden lange rusttijden kunnen genieten. De terugkeer moet zo worden georganiseerd dat een exploitatievestiging van de vervoersonderneming in haar lidstaat van vestiging of zijn woonplaats kan worden bereikt en de bestuurders zijn vrij te bepalen waar zij hun rusttijd willen doorbrengen. Om aan te tonen dat de vervoersonderneming haar verplichtingen inzake de organisatie van de regelmatige terugkeer nakomt, moet de vervoersonderneming gebruik kunnen maken van tachograafgegevens, het dienstrooster van de bestuurder of andere documentatie. Dergelijk bewijs moet in de bedrijfsruimte van de vervoersonderneming beschikbaar zijn om op verzoek van de met controle belaste autoriteiten te worden overlegd. (15) [Daar] de normale wekelijkse rusttijden en langere rusttijden niet in het voertuig of op een parkeerterrein kunnen worden genomen, maar alleen in geschikte accommodatie die eventueel grenst aan een parkeerterrein mogen worden genomen, is het van het grootste belang dat bestuurders veilige en beveiligde parkeerterreinen kunnen vinden die passende veiligheidsniveaus en passende faciliteiten bieden. De Commissie heeft reeds onderzocht hoe de ontwikkeling van parkeerterreinen van hoge kwaliteit, die ten minste aan de noodzakelijke minimumvereisten voldoen, kan worden aangemoedigd. De Commissie moet daarom normen ontwikkelen voor veilige en beveiligde parkeerterreinen. Deze normen moeten bijdragen tot de bevordering van parkeerterreinen van hoge kwaliteit. De normen kunnen worden herzien om de toegang tot alternatieve brandstoffen, in lijn met het beleid voor de ontwikkeling van deze infrastructuur, te verbeteren. Ook is het belangrijk dat parkeerterreinen vrij worden gehouden van ijs en sneeuw. [...] (17) Het is in het belang van de verkeersveiligheid en de handhaving dat alle bestuurders zich volledig bewust zijn van de regels op het gebied van rij- en rusttijden en van de gevaren van vermoeidheid. Eenvoudig toegankelijke informatie over beschikbare rustfaciliteiten is in dit verband van belang. Daarom moet de Commissie via een gebruikersvriendelijke website informatie over veilige en beveiligde parkeerterreinen aanbieden. Deze informatie moet actueel worden gehouden. (18) Om ervoor te zorgen dat parkeerterreinen steeds veilig en beveiligd zijn, moet de bevoegdheid aan de Commissie worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 [VWEU] handelingen vast te stellen om de normen voor het dienstverleningsniveau in veilige en beveiligde parkeerterreinen te bepalen en de procedures om deze veiligheid en beveiliging te certificeren. [...] (19) De herziene TEN-V-richtsnoeren die zijn vastgesteld in verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad [van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van besluit nr. 661/2010/EU (PB 2013, L 348, blz. 1; hierna: ‚TEN-V-verordening’)] voorzien in de aanleg van parkeerterreinen langs snelwegen op ongeveer 100 km afstand van elkaar, met parkeerplaatsen van een adequaat veiligheids- en beveiligingsniveau voor commerciële weggebruikers. Om de aanleg van passende parkeerinfrastructuur te versnellen en te bevorderen, is het van belang dat er voldoende mogelijkheden voor medefinanciering door de Unie beschikbaar zijn, overeenkomstig de huidige en toekomstige rechtshandelingen van de Unie waarin de voorwaarden voor die financiële steun zijn vastgelegd. [...] (23) De lidstaten moeten alle noodzakelijke maatregelen nemen om te waarborgen dat de nationale regels inzake sancties die van toepassing zijn op inbreuken op grond van verordening [nr. 561/2006] en verordening [nr. 165/2014] op doeltreffende, evenredige en ontmoedigende wijze worden uitgevoerd. [...] [...] (27) Met het oog op de kosteneffectiviteit van de handhaving van de sociale regelgeving, de snelle ontwikkeling van nieuwe technologieën, de digitalisering in de economie van de Unie en de behoefte aan een gelijk speelveld voor bedrijven in het internationale wegvervoer, moet de overgangsperiode voor de installatie van slimme tachografen in ingeschreven voertuigen worden bekort. Met behulp van slimme tachografen zullen controles eenvoudiger zijn, hetgeen het werk van nationale autoriteiten zal vergemakkelijken. [...] (34) Belangrijk is dat in derde landen gevestigde vervoersondernemingen bij het verrichten van wegvervoer op het grondgebied van de Unie, onderworpen zijn aan voorschriften die evenwaardig zijn aan de voorschriften van de Unie. De Commissie moet nagaan of dit beginsel op Unieniveau wordt toegepast en passende oplossingen voorstellen waarover in de context van de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (‚AETR-overeenkomst’) onderhandeld dient te worden. [...] (36) Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het verbeteren van de verkeersveiligheid en de arbeidsvoorwaarden voor bestuurders in de Unie door het harmoniseren van de regels inzake rijtijden, pauzes en rusttijden in het wegvervoer en het harmoniseren van de regels betreffende het gebruik en de handhaving van tachografen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van deze verordening beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 [VEU] neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.”
27 In artikel 1, punten 6 tot en met 8, 11, 13 en 16, van verordening 2020/1054 is het volgende bepaald: „Verordening [nr. 561/2006] wordt als volgt gewijzigd: [...] 6) Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 6 wordt vervangen door: ‚6. Per periode van twee opeenvolgende weken neemt een bestuurder ten minste: a) twee normale wekelijkse rusttijden, of b) één normale wekelijkse rusttijd en één verkorte wekelijkse rusttijd van ten minste 24 uur. Een wekelijkse rusttijd mag niet later beginnen dan aan het einde van zes perioden van 24 uur te rekenen vanaf het einde van de vorige wekelijkse rusttijd. In afwijking van de eerste alinea mag een bestuurder die internationaal goederenvervoer verricht, buiten de lidstaat van vestiging twee opeenvolgende verkorte wekelijkse rusttijden nemen, op voorwaarde dat de bestuurder in een willekeurige periode van vier opeenvolgende weken ten minste vier wekelijkse rusttijden neemt, waarvan er ten minste twee normale wekelijkse rusttijden zijn. Voor de toepassing van dit lid wordt een bestuurder geacht internationaal vervoer te verrichten indien de bestuurder de twee opeenvolgende verkorte wekelijkse rusttijden begint buiten de lidstaat van de vestiging van de werkgever en buiten het land van de woonplaats van de bestuurder.’; [...] c) lid 8 wordt vervangen door: ‚8. De normale wekelijkse rusttijden en wekelijkse rusttijden van meer dan 45 uur ter compensatie van eerdere verkorte wekelijkse rusttijden, mogen niet in een voertuig worden genomen. Zij worden genomen in een passend gendervriendelijk verblijf met geschikte slaapfaciliteiten en sanitaire voorzieningen. Eventuele kosten voor het verblijf buiten het voertuig worden door de werkgever gedekt.’; d) het volgende lid wordt ingevoegd: ‚8 bis. Vervoersondernemingen plannen het werk van de bestuurders zodanig dat zij binnen elke periode van vier opeenvolgende weken kunnen terugkeren naar de exploitatievestiging van de werkgever waar de bestuurder normaal gesproken gestationeerd is en waar zijn normale wekelijkse rusttijd begint in de lidstaat van vestiging van de werkgever, of naar zijn woonplaats, zodat hij ten minste één normale wekelijkse rusttijd of een wekelijkse rusttijd van meer dan 45 uur ter compensatie van een verkorte wekelijkse rusttijd kan nemen. Indien de bestuurder echter twee opeenvolgende verkorte wekelijkse rusttijden heeft genomen overeenkomstig lid 6, plant de vervoersonderneming het werk van de bestuurder zodanig dat de bestuurder vóór het begin van de normale wekelijkse rusttijd van meer dan 45 uur die ter compensatie wordt genomen, kan terugkeren. De onderneming licht toe hoe zij die verplichting vervult en houdt de documentatie bij op haar zetel om deze op verzoek ter beschikking te kunnen stellen van de controleautoriteiten.’ [...] 7) Het volgende artikel wordt ingevoegd: ‚Artikel 8 bis 1. De Commissie zorgt ervoor dat informatie over veilige en beveiligde parkeerterreinen gemakkelijk toegankelijk is voor bestuurders die goederen- en personenvervoer over de weg verrichten. De Commissie publiceert een lijst van alle parkeerterreinen die zijn gecertificeerd, teneinde de bestuurders op adequate wijze het volgende te kunnen bieden: – detectie en voorkoming van binnendringing; – verlichting en zichtbaarheid; – aanspreekpunten en procedures bij noodgevallen; – gendervriendelijke sanitaire voorzieningen; – opties voor het aankopen van voedsel en drank; – aansluitpunten voor communicatie; – stroomvoorziening. De lijst van dergelijke parkeerterreinen wordt beschikbaar gesteld op één officiële website die geregeld wordt bijgewerkt. 2. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 23 bis gedelegeerde handelingen vast om meer gedetailleerde normen op te stellen met betrekking tot het dienstverleningsniveau en de beveiliging met betrekking tot de in lid 1 vermelde terreinen en betreffende de procedures voor de certificering van parkeerterreinen. 3. Alle gecertificeerde parkeerterreinen kunnen aangeven dat zij volgens de normen en procedures van de Unie zijn gecertificeerd. Overeenkomstig artikel 39, lid 2, onder c), van [de TEN-V-verordening] moedigen de lidstaten het aanleggen van parkeergelegenheid voor het commerciële wegverkeer aan. 4. Uiterlijk 31 december 2024 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de beschikbaarheid van geschikte rustfaciliteiten voor bestuurders en van beveiligde parkeerfaciliteiten, evenals over de aanleg van veilige en beveiligde parkeerterreinen, die gecertificeerd zijn overeenkomstig de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handelingen. In dat verslag kunnen maatregelen worden opgesomd om het aantal en de kwaliteit van veilige en beveiligde parkeerterreinen te verhogen.’ 8) Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd: [...] b) lid 2 wordt vervangen door: ‚2. Tijd besteed om te reizen naar een plaats om controle te nemen over een voertuig dat onder het toepassingsgebied van deze verordening valt, of om terug te keren van deze plaats, wanneer het voertuig zich niet in de woonplaats van de bestuurder of in de exploitatievestiging van de werkgever waaraan de bestuurder normalerwijze verbonden is, bevindt, wordt niet geteld als rust of een onderbreking, tenzij de bestuurder reist met een veerboot of trein en een bed of slaapcabine ter beschikking heeft.’ [...] 11) Aan artikel 12 worden de volgende alinea’s toegevoegd: ‚Mits de verkeersveiligheid niet in gevaar komt, mag de bestuurder in uitzonderlijke omstandigheden ook afwijken van artikel 6, leden 1 en 2, en artikel 8, lid 2, door de dagelijkse en wekelijkse rijtijd met maximaal één uur te overschrijden om de exploitatievestiging van de werkgever of zijn woonplaats te kunnen bereiken voor het nemen van een wekelijkse rusttijd. De bestuurder mag, onder dezelfde omstandigheden, de dagelijkse en wekelijkse rijtijd met maximaal twee uur overschrijden, op voorwaarde dat onmiddellijk vóór het extra rijden een aaneengesloten onderbreking van 30 minuten is genomen, om de exploitatievestiging van de werkgever of de woonplaats van de bestuurder te bereiken met het oog op het nemen van een normale wekelijkse rusttijd. [...]’ [...] 13) In artikel 14 wordt lid 2 vervangen door: ‚2. In dringende gevallen kunnen de lidstaten onder uitzonderlijke omstandigheden voor een periode van ten hoogste 30 dagen een tijdelijke uitzondering toestaan, die naar behoren wordt gemotiveerd en onmiddellijk ter kennis van de Commissie wordt gebracht. De Commissie maakt deze informatie onmiddellijk bekend op een openbare website.’ [...] 16) In artikel 19 wordt lid 1 vervangen door: ‚1. De lidstaten stellen regelgeving vast inzake sancties voor inbreuken op deze verordening en op [de TEN-V-verordening] en nemen alle maatregelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering ervan. Die sancties dienen doeltreffend en in verhouding met de ernst van de inbreuken te zijn [...] evenals een afschrikkende werking te hebben en niet-discriminerend te zijn. Geen enkele inbreuk op deze verordening en op [de TEN-V-verordening] mag aan meer dan één sanctie of procedure onderworpen worden.’ [...]”
28 Artikel 2 van verordening 2020/1054 bepaalt het volgende: „Verordening (EU) nr. 165/2014 wordt als volgt gewijzigd: [...] 2) In artikel 3 wordt lid 4 vervangen door: ‚4. Uiterlijk drie jaar na het einde van het jaar van inwerkingtreding van de in artikel 11, tweede alinea, genoemde gedetailleerde bepalingen, worden de volgende categorieën voertuigen die in een andere lidstaat dan de lidstaat van inschrijving worden gebruikt, voorzien van een slimme tachograaf zoals bepaald in de artikelen 8, 9 en 10 van deze verordening: a) voertuigen uitgerust met een analoge tachograaf; b) voertuigen uitgerust met een digitale tachograaf die voldoet aan de specificaties van bijlage I B bij verordening (EEG) nr. 3821/85 [van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB 1985, L 370, blz. 8)], die tot en met 30 september 2011 van toepassing waren; c) voertuigen uitgerust met een digitale tachograaf die voldoet aan de specificaties van bijlage I B bij verordening [nr. 3821/85], die sinds 1 oktober 2011 van toepassing zijn, en d) voertuigen uitgerust met een digitale tachograaf die voldoet aan de specificaties van bijlage I B bij verordening [nr. 3821/85], die sinds 1 oktober 2012 van toepassing zijn. 4 bis. Uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van de in artikel 11, tweede alinea, genoemde gedetailleerde bepalingen, worden voertuigen uitgerust met een slimme tachograaf die voldoet aan bijlage I C bij uitvoeringsverordening [2016/799], die in een andere lidstaat dan de lidstaat van inschrijving worden gebruikt, voorzien van een slimme tachograaf zoals bepaald in de artikelen 8, 9 en 10 van deze verordening.’ [...] 8) Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd: a) de eerste alinea wordt vervangen door: ‚Om te waarborgen dat de slimme tachografen voldoen aan de beginselen en vereisten van deze verordening stelt de Commissie, via uitvoeringshandelingen, gedetailleerde bepalingen vast die nodig zijn voor de eenvormige uitvoering van de artikelen 8, 9 en 10, maar geen bepalingen die de registratie van aanvullende gegevens door de tachograaf mogelijk maken. Uiterlijk 21 augustus 2021 stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast met gedetailleerde bepalingen voor de eenvormige toepassing van de verplichting om te zorgen voor de registratie en de opslag van gegevens in verband met elke grensoverschrijding van het voertuig en activiteiten als bedoeld in artikel 8, lid 1, tweede en derde streepje, en in artikel 8, lid 1, tweede alinea. [...]’”
29 De gedetailleerde bepalingen voor de slimme tachograaf, als bedoeld in artikel 11, tweede alinea, van verordening nr. 165/2014, zoals gewijzigd bij artikel 2, punt 8, onder a), van verordening nr. 2020/1054, zijn vastgesteld in uitvoeringsverordening (EU) 2021/1228 van de Commissie van 16 juli 2021 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) 2016/799 (PB 2021, L 273, blz. 1), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2023/980 van de Commissie van 16 mei 2023 wat betreft slimme overgangstachografen en het gebruik van de Galileo Open Service Navigation Message Authentication door dergelijke tachografen, en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) 2021/1228 (PB 2023, L 134, blz. 28) (hierna: „uitvoeringsverordening 2021/1228”). Volgens artikel 1 van uitvoeringsverordening 2021/1228 wordt bijlage IC bij uitvoeringsverordening (EU) 2016/799 gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze uitvoeringsverordening 2021/1228.
30 Artikel 3, eerste alinea, van verordening 2020/1054 bepaalt: „Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.”
2. Regels inzake de vestigingseis en inzake cabotage en gecombineerd vervoer
a) Richtlijn 92/106
31 De derde overweging van richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten (PB 1992, L 368, blz. 38) luidt als volgt: „Overwegende dat het, gezien de toenemende problemen in verband met de verstopte wegen, het milieu en de verkeersveiligheid, in het algemeen belang is het gecombineerd vervoer als alternatief voor het wegvervoer verder te ontwikkelen.”
32 Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt: „Deze richtlijn is van toepassing op het gecombineerd vervoer, onverminderd het bepaalde in verordening (EEG) nr. 881/92 [van de Raad van 26 maart 1992 betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een lidstaat of over het grondgebied van een of meer lidstaten (PB 1992, L 95, blz. 1)]. In deze richtlijn wordt verstaan onder ,gecombineerd vervoer’: het goederenvervoer tussen lidstaten waarbij de vrachtwagen, de aanhangwagen, de oplegger met of zonder trekker, de wissellaadbak of de container van 20 voet en meer gebruik maken van de weg voor het eerste of het laatste gedeelte in het traject, en voor het andere gedeelte van het spoor of de binnenwateren, of van een zeetraject wanneer dat traject meer bedraagt dan 100 km hemelsbreed gemeten, en het begin- of het eindvervoer over de weg verrichten: – hetzij tussen de laadplaats van de goederen en het dichtstbij gelegen geschikte station van inlading, voor wat het beginvervoer betreft, en tussen het dichtstbij gelegen geschikte station van uitlading en de losplaats van de goederen, voor wat het eindvervoer betreft; – hetzij binnen een afstand van ten hoogste 150 km hemelsbreed gemeten, vanaf de rivier- of zeehaven van in- of van uitlading.”
33 In artikel 4 van genoemde richtlijn is het volgende bepaald: „In een lidstaat gevestigde ondernemers van wegvervoer die met betrekking tot het goederenvervoer tussen de lidstaten aan de voorwaarden voor toelating tot het beroep en voor toegang tot de vervoersmarkt voldoen, mogen in het kader van gecombineerd vervoer tussen lidstaten al dan niet grensoverschrijdend begin- en/of eindvervoer verrichten dat een integrerend bestanddeel uitmaakt van het gecombineerd vervoer.”
b) Verordening nr. 1071/2009
34 Artikel 3 van verordening nr. 1071/2009, dat deel uitmaakt van hoofdstuk I met als opschrift „Algemene bepalingen” en dat zelf als opschrift „Vereisten voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer” draagt, bepaalde in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van verordening 2020/1055 het volgende: „1. Ondernemingen die het beroep van wegvervoerondernemer uitoefenen moeten: a) werkelijk en op duurzame wijze in een lidstaat gevestigd zijn; b) betrouwbaar zijn; c) voldoende financiële draagkracht bezitten, en d) de vereiste vakbekwaamheid bezitten. 2. De lidstaten kunnen besluiten de ondernemingen voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer aanvullende voorwaarden op te leggen die evenredig en niet-discriminerend moeten zijn.”
35 Artikel 5 van verordening nr. 1071/2009, dat deel uitmaakt van hoofdstuk II met als opschrift „Voorwaarden waaraan moet worden voldaan om te voldoen aan de eisen van artikel 3” en dat zelf als opschrift „Voorwaarden inzake de vestigingseis” draagt, luidde in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van verordening 2020/1055 als volgt: „Om aan de in artikel 3, lid 1, onder a), vastgestelde eis te voldoen, moet een onderneming in de betrokken lidstaat: a) beschikken over een vestiging in die lidstaat met ruimten waarin zij de documenten inzake haar hoofdactiviteiten bewaart, met name de boekhoudkundige bescheiden, documenten inzake personeelsbeleid, documenten met gegevens over de rij- en rusttijden en alle andere documenten waartoe de bevoegde instantie toegang moet krijgen om te kunnen controleren of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan. De lidstaten kunnen verlangen dat vestigingen op hun grondgebied ook andere documenten te allen tijde in hun ruimten beschikbaar houden; b) zodra vergunning is verleend, over één of meer voertuigen beschikken, hetzij in volle eigendom, hetzij uit hoofde van bijvoorbeeld een huurkoopovereenkomst of een huur- of leasingovereenkomst, die zijn ingeschreven of anderszins in het verkeer toegelaten overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat; c) daadwerkelijk en permanent haar activiteiten met betrekking tot de onder b) vermelde voertuigen verrichten met de nodige administratieve uitrusting en adequate technische voorzieningen en faciliteiten, in een in die lidstaat gelegen exploitatievestiging.”
36 Artikel 6 van verordening nr. 1071/2009 ziet volgens het opschrift ervan op de voorwaarden betreffende de betrouwbaarheidseis.
c) Verordening nr. 1072/2009
37 De overwegingen 2, 4, 5, 13 en 15 van verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (PB 2009, L 300, blz. 72) luiden als volgt: „(2) De totstandbrenging van een gemeenschappelijk vervoersbeleid houdt onder meer in dat er gemeenschappelijke voorschriften moeten worden vastgesteld betreffende de toegang tot de markt van het internationale vervoer van goederen over de weg op het grondgebied van de Gemeenschap, en dat de voorwaarden moeten worden vastgesteld waaronder niet-ingezeten vervoerders vervoersdiensten mogen verrichten in een lidstaat. Deze voorschriften moeten bijdragen tot de goede werking van de interne vervoersmarkt. [...] (4) De totstandbrenging van een gemeenschappelijk vervoersbeleid impliceert dat ten aanzien van degene die de vervoersdiensten verricht, elke beperking op grond van nationaliteit of vestiging in een andere lidstaat dan die waarin de dienst moet worden verricht, wordt opgeheven. (5) Met het oog op een vlotte en flexibele verwezenlijking hiervan dient te worden voorzien in een tijdelijke cabotageregeling, zolang de harmonisering van de markt voor vervoer over de weg nog niet is voltooid. [...] (13) De vervoerders die houder zijn van de communautaire vergunning als omschreven in deze verordening, dan wel de vervoerders die gemachtigd zijn om bepaalde categorieën internationaal vervoer te verzorgen, moeten worden gemachtigd om op tijdelijke basis nationale vervoersdiensten te verlenen overeenkomstig deze verordening, [in een lidstaat] waar zij geen kantoor of andere vestiging hebben. [...] [...] (15) Onverminderd de Verdragsbepalingen betreffende het recht van vestiging bestaat cabotagevervoer in het verlenen van diensten door vervoerders binnen een lidstaat waar deze niet zijn gevestigd, en mag het niet worden verboden zolang het niet op zodanige wijze wordt verricht dat het een permanente of ononderbroken activiteit binnen die lidstaat wordt. Om bij te dragen tot de handhaving van dit voorschrift, moeten de frequentie van het cabotagevervoer en de periode waarbinnen het kan worden verricht, duidelijker worden omschreven. In het verleden waren dergelijke nationale vervoersdiensten toegestaan indien zij van tijdelijke aard waren. In de praktijk bleek het moeilijk om na te gaan welke diensten zijn toegestaan. Er is derhalve behoefte aan duidelijke en gemakkelijk toepasbare regels.”
38 Artikel 2 van verordening nr. 1072/2009, dat deel uitmaakt van hoofdstuk I met als opschrift „Algemene bepalingen” en zelf het opschrift „Definities” draagt, is niet gewijzigd bij verordening 2020/1055 en bepaalt: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1) ‚voertuig’: een in een lidstaat geregistreerd motorvoertuig of een samenstel van voertuigen waarvan ten minste het trekkende voertuig in een lidstaat is geregistreerd, dat uitsluitend wordt gebruikt voor vervoer van goederen; 2) ‚internationaal vervoer’: a) de verplaatsingen van een geladen voertuig waarvan het punt van vertrek en het punt van aankomst zich in twee verschillende lidstaten bevinden, met of zonder doorvoer via één of meer lidstaten of derde landen; b) de verplaatsingen van een geladen voertuig vanuit een lidstaat naar een derde land en omgekeerd, met of zonder doorvoer via één of meer lidstaten of derde landen; c) de verplaatsingen van een geladen voertuig tussen derde landen met doorvoer via één of meer lidstaten, of d) de lege ritten in verband met het onder a), b) en c) bedoelde vervoer; [...] 6) ‚cabotage’: nationaal vervoer voor rekening van derden dat tijdelijk wordt verricht in een lidstaat van ontvangst, overeenkomstig deze verordening; [...]”
39 Hoofdstuk III van verordening nr. 1072/2009, met als opschrift „Cabotage”, bevat de artikelen 8 tot en met 10 daarvan.
40 Artikel 8 van deze verordening, met als opschrift „Algemeen beginsel”, bepaalde in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van verordening 2020/1055: „1. Vervoerders voor rekening van derden die houder zijn van een communautaire vergunning mogen, mits de bestuurder, indien deze onderdaan is van een derde land, houder is van een bestuurdersattest, onder de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden cabotagevervoer verrichten. 2. Zodra de in het kader van het inkomende internationale vervoer vervoerde goederen zijn geleverd, wordt de in lid 1 bedoelde vervoerders toestemming verleend om, aansluitend op internationaal vervoer vanuit een andere lidstaat of vanuit een derde land naar de lidstaat van ontvangst, met hetzelfde voertuig of, in het geval van een samenstel van voertuigen, het trekkende voertuig van datzelfde voertuig, tot drie cabotageritten uit te voeren. De laatste lossing in het kader van een cabotagerit, alvorens de lidstaat van ontvangst te verlaten, vindt plaats binnen zeven dagen na de laatste lossing die in het kader van het inkomende internationale vervoer in de lidstaat van ontvangst heeft plaatsgevonden. Binnen de in de eerste alinea bedoelde termijn mogen de vervoerders een aantal of alle van de in die alinea bedoelde cabotageritten in iedere lidstaat uitvoeren, op voorwaarde dat zij worden beperkt tot één cabotagerit per lidstaat binnen drie dagen na de binnenkomst zonder lading op het grondgebied van die lidstaat. 3. Nationale wegvervoerdiensten die in de lidstaat van ontvangst worden verricht door een niet-ingezeten vervoerder, worden slechts in overeenstemming met deze verordening geacht indien deze vervoerder duidelijke bewijzen kan overleggen van het inkomende internationale vervoer en van elke daaropvolgende cabotagerit die is uitgevoerd. De in de eerste alinea vermelde documenten moeten voor elke rit de volgende gegevens bevatten: a) naam, adres en handtekening van de opdrachtgever; b) naam, adres en handtekening van de vervoerder; c) naam, adres en handtekening van de geadresseerde en de datum van levering, wanneer de goederen zijn geleverd; d) plaats en datum van overname van de goederen en plaats van levering; e) handelsbenaming van de goederen, verpakkingsmethode en, in het geval van gevaarlijke goederen, de algemeen erkende beschrijving ervan, het aantal verpakkingen en hun bijzondere merktekens en nummers; f) de brutomassa of de anderszins uitgedrukte hoeveelheid van de goederen; g) de kentekenplaten van de motorvoertuigen en aanhangwagens. 4. Er is geen aanvullend document vereist als bewijs dat aan de in dit artikel omschreven vereisten is voldaan. 5. Alle vervoerders die in de lidstaat van vestiging, overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat, gemachtigd zijn het in artikel 1, lid 5, onder a), b) en c), genoemde goederenvervoer over de weg voor rekening van derden te verrichten, worden onder de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden toegelaten tot het verrichten van, naargelang van het geval, soortgelijk cabotagevervoer of cabotagevervoer met voertuigen van dezelfde categorie. 6. Voor de toelating tot het verrichten van cabotagevervoer in het kader van het vervoer bedoeld in artikel 1, lid 5, onder d) en e), gelden geen beperkingen.”
41 Artikel 10 van verordening nr. 1072/2009, met als opschrift „Vrijwaringsprocedure”, bepaalde in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van verordening 2020/1055: „1. In geval van ernstige verstoring van de nationale vervoersmarkt in een bepaalde geografische zone, veroorzaakt door de cabotageactiviteit of hierdoor verergerd, kunnen de lidstaten de kwestie bij de Commissie aanhangig maken zodat vrijwaringsmaatregelen kunnen worden genomen. De lidstaten verstrekken de Commissie daartoe de nodige gegevens en delen haar mee welke maatregelen zij overwegen ten aanzien van de op hun grondgebied gevestigde vervoerders. 2. In lid 1 wordt verstaan onder: – ‚ernstige verstoring van de nationale vervoersmarkt in een bepaalde geografische zone’: het aan de dag treden van specifieke problemen op deze markt die kunnen leiden tot een ernstig en mogelijk langdurig overaanbod dat een ernstige bedreiging vormt voor het financiële evenwicht en het voortbestaan van een aanzienlijk aantal vervoerders; – ‚geografische zone’: een zone die een deel of het geheel van het grondgebied van een lidstaat omvat of zich uitstrekt tot een deel of het geheel van het grondgebied van andere lidstaten. 3. De Commissie onderzoekt de situatie en beslist, op basis van met name de relevante gegevens en na raadpleging van het in artikel 15, lid 1, bedoelde comité, binnen een maand na ontvangst van het verzoek van de lidstaat of het al dan niet noodzakelijk is vrijwaringsmaatregelen te treffen, en in voorkomend geval stelt zij die maatregelen vast. Deze maatregelen kunnen behelzen dat de betrokken zone tijdelijk van het toepassingsgebied van deze verordening wordt uitgesloten. De overeenkomstig dit artikel genomen maatregelen blijven van kracht gedurende een periode van niet meer dan zes maanden, welke eenmaal met ten hoogste dezelfde geldigheidsduur kan worden verlengd. De Commissie stelt de lidstaten en de Raad onverwijld in kennis van elk krachtens dit lid genomen besluit. 4. Indien de Commissie besluit vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van één of meer lidstaten te treffen, dienen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten maatregelen van gelijke strekking te treffen ten aanzien van de aldaar gevestigde vervoerders en stellen zij de Commissie daarvan in kennis. Laatstgenoemde maatregelen gaan uiterlijk in op de datum waarop de door de Commissie aangenomen vrijwaringsmaatregelen van toepassing worden. 5. Elke lidstaat kan een door de Commissie overeenkomstig lid 3 genomen besluit binnen 30 dagen na de kennisgeving ervan aan de Raad voorleggen. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een ander besluit nemen binnen een termijn van 30 dagen vanaf de datum waarop de zaak bij hem aanhangig is gemaakt of, als verscheidene lidstaten dat gedaan hebben, vanaf de datum van het eerste verzoek. De maximumperioden bedoeld in lid 3, derde alinea, zijn van toepassing op het besluit van de Raad. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten dienen maatregelen van gelijke strekking te nemen ten aanzien van de aldaar gevestigde vervoerders, en stellen de Commissie daarvan in kennis. Indien de Raad binnen de in de eerste alinea bedoelde termijn geen besluit neemt, wordt het besluit van de Commissie definitief. 6. Indien de Commissie van oordeel is dat de in lid 3 genoemde maatregelen verlengd dienen te worden, dient zij daartoe een voorstel in bij de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.”
d) Verordening 2020/1055
42 De overwegingen 6, 8 en 20 tot en met 22 van verordening 2020/1055 luiden als volgt: „(6) Om het verschijnsel van de zogenoemde ‚brievenbusondernemingen’ te bestrijden en eerlijke concurrentie en een gelijk speelveld op de interne markt te garanderen, is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat wegvervoerondernemingen die in een lidstaat zijn gevestigd, werkelijk en duurzaam in die lidstaat aanwezig zijn en hun vervoersactiviteiten vanuit die lidstaat uitvoeren. In het licht van de opgedane ervaring moeten de bepalingen inzake het bestaan van een werkelijke en duurzame vestiging dan ook worden verduidelijkt en verscherpt, waarbij het opleggen van onevenredige administratieve lasten moet worden vermeden. [...] (8) Verordening (EG) nr. 1071/2009 eist dat ondernemingen hun werkzaamheden daadwerkelijk en ononderbroken verrichten, met de adequate technische voorzieningen en apparatuur in een exploitatievestiging die zich in de lidstaat van vestiging bevindt, en staat aanvullende eisen op nationaal niveau toe, met als meest gebruikelijke het vereiste om in de lidstaat van vestiging parkeerplaatsen ter beschikking te hebben. Deze, ongelijk toegepaste, vereisten volstonden echter niet om tot een reële band met die lidstaat te komen en zodoende brievenbusondernemingen doeltreffend te bestrijden en het risico op systematische cabotage en nomadische bestuurders, georganiseerd door een onderneming waarheen de voertuigen niet terugkeren, te beperken. Aangezien voor het verzekeren van de goede werking van de interne markt op het gebied van vervoer specifieke regels inzake het recht van vestiging en het verrichten van diensten nodig kunnen zijn, is het passend de vestigingsvereisten verder te harmoniseren en in de lidstaat van vestiging de vereisten inzake de aanwezigheid van de door de vervoerondernemer gebruikte voertuigen te versterken. Het vaststellen van een duidelijk minimuminterval binnen hetwelk het voertuig moet terugkeren, draagt er ook toe bij dat deze voertuigen op de juiste wijze met de technische voorzieningen in de lidstaat van vestiging kunnen worden onderhouden en vereenvoudigt controles. Deze terugkeercyclus moet worden gelijkgetrokken met de krachtens verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad op de vervoersonderneming rustende verplichting haar activiteiten zo te organiseren dat de bestuurder ten minste om de vier weken naar huis kan terugkeren, zodat aan beide verplichtingen kan worden voldaan doordat de bestuurder samen met zijn voertuig ten minste elke tweede cyclus van vier weken terugkeert. Deze synchronisatie versterkt het recht van de bestuurder om terug te keren en vermindert het risico dat het voertuig alleen maar moet terugkeren om aan deze nieuwe vestigingseis te voldoen. De verplichting om naar de lidstaat van vestiging terug te keren, mag echter niet vereisen dat in de lidstaat van vestiging een welbepaald aantal vervoersactiviteiten wordt verricht of dat de ondernemers anderszins wordt beperkt om op de hele interne markt diensten te verrichten. [...] (20) De regels betreffende nationaal vervoer dat in een lidstaat van ontvangst door niet-ingezeten vervoerders op tijdelijke basis wordt verricht (‚cabotage’), moeten duidelijk, eenvoudig en gemakkelijk te handhaven zijn, met behoud van het tot dusver bereikte niveau van liberalisering. (21) Cabotage moet helpen de benuttingsgraad van zware bedrijfsvoertuigen te verhogen en het aantal lege ritten te verminderen, en moet worden toegestaan zolang zij niet zodanig wordt verricht dat ze een permanente of ononderbroken activiteit in de betrokken lidstaat wordt. Opdat cabotage niet zodanig wordt verricht dat zij een permanente of ononderbroken activiteit wordt, mogen vervoerders gedurende een bepaalde termijn na een periode van cabotage geen cabotage in dezelfde lidstaat verrichten. (22) Terwijl de verdere liberalisering die is ingesteld bij artikel 4 van richtlijn 92/106/EEG van de Raad ten opzichte van cabotage in het kader van verordening (EG) nr. 1072/2009 bevorderlijk is geweest voor het gecombineerd vervoer en, in beginsel, moet worden gehandhaafd, moet ervoor worden gezorgd dat er geen misbruik van wordt gemaakt. De ervaring leert dat deze bepaling in bepaalde delen van de Unie op systematische wijze is gebruikt om de tijdelijke aard van cabotage te omzeilen en dat deze ten grondslag ligt aan de voortdurende aanwezigheid van voertuigen in een andere lidstaat dan die van vestiging van onderneming. Dergelijke oneerlijke praktijken kunnen tot sociale dumping leiden en de naleving van het wettelijke kader betreffende cabotage in gevaar brengen. Daarom moeten de lidstaten kunnen afwijken van artikel 4 van richtlijn [92/106] en de cabotagebepalingen van verordening [nr. 1072/2009] kunnen toepassen om dergelijke problemen aan te pakken, door een evenredige beperking in te voeren van de ononderbroken aanwezigheid van voertuigen op hun grondgebied.”
43 Artikel 1 van verordening 2020/1055 bepaalt: „Verordening (EG) nr. 1071/2009 wordt als volgt gewijzigd: [...] 3) Artikel 5 wordt vervangen door: ‚Artikel 5 Voorwaarden inzake de vestigingseis 1. Om aan het vereiste in artikel 3, lid 1, onder a), te voldoen, moet een onderneming in de lidstaat van vestiging: a) beschikken over gebouwen waar zij toegang heeft tot de originele documenten inzake haar hoofdactiviteiten, in elektronische of enige andere vorm, met name de vervoersovereenkomsten, documenten in verband met de voertuigen waarover de onderneming beschikt, boekhoudkundige bescheiden, documenten inzake personeelsbeleid, arbeidsovereenkomsten, socialezekerheidsdocumenten, documenten met gegevens over de dispatching en detachering van bestuurders, documenten met gegevens over cabotage, de rij- en rusttijden en alle andere documenten waartoe de bevoegde autoriteit toegang moet krijgen om te kunnen controleren of de onderneming aan de voorwaarden van deze verordening voldoet; b) de activiteit van haar voertuigenpark zodanig organiseren dat de voertuigen waarover de onderneming beschikt en die voor internationaal vervoer worden gebruikt, ten minste binnen acht weken na vertrek uit de lidstaat terugkeren naar een van de exploitatievestigingen in die lidstaat; c) zijn ingeschreven in het handelsregister van die lidstaat of in een soortgelijk register, wanneer dat uit hoofde van het nationaal recht vereist is; d) onderworpen zijn aan de belasting op inkomsten en, wanneer dat uit hoofde van het nationaal recht vereist is, een geldig btw-nummer hebben; e) zodra een vergunning is verleend, over één of meer voertuigen beschikken die zijn ingeschreven, in het verkeer zijn toegelaten of mogen worden gebruikt overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat, ongeacht of die voertuigen in volle eigendom zijn dan wel onderworpen zijn aan bijvoorbeeld een huurkoopovereenkomst of een huur- of leasingovereenkomst; f) haar administratieve en commerciële activiteiten daadwerkelijk en ononderbroken verrichten met de adequate apparatuur en voorzieningen in gebouwen als bedoeld onder a) die zich in die lidstaat bevinden, en haar vervoersactiviteiten daadwerkelijk en ononderbroken uitvoeren met de onder g) bedoelde voertuigen en met adequate technische voorzieningen die zich in die lidstaat bevinden; g) in de regel en op permanente basis beschikken over een aantal voertuigen dat voldoet aan de voorwaarden onder e) en bestuurders die normaal gesproken gestationeerd zijn in een exploitatievestiging in die lidstaat, in beide gevallen in verhouding tot het volume vervoersactiviteiten dat de onderneming uitvoert. [...]’”
44 Artikel 2 van verordening 2020/1055 bepaalt: „Verordening (EG) nr. 1072/2009 wordt als volgt gewijzigd: [...] 4) Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd: a) het volgende lid wordt ingevoegd: ‚2 bis. Vervoerders mogen binnen vier dagen na het einde van een cabotage in een lidstaat, met hetzelfde voertuig of, in het geval van een samenstel van voertuigen, met de trekker van datzelfde voertuig, geen cabotage uitvoeren in diezelfde lidstaat.’ b) de eerste alinea van lid 3 wordt vervangen door: ‚3. Nationale wegvervoersdiensten die in de lidstaat van ontvangst worden verricht door een niet-ingezeten vervoerder, worden alleen geacht aan deze verordening te voldoen als de vervoerder duidelijke bewijzen van het voorafgaande internationale vervoer en van elke daaropvolgende cabotageactiviteit kan leveren. Ingeval het voertuig zich in de laatste vier dagen vóór het internationale vervoer op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst heeft bevonden, levert de vervoerder tevens duidelijke bewijzen van alle activiteiten die in die periode zijn verricht.’ c) het volgende lid wordt ingevoegd: ‚4 bis. De in lid 3 bedoelde bewijzen worden op verzoek voorgelegd aan of verzonden naar de gemachtigde inspecteur van de lidstaat van ontvangst, binnen de duur van de wegcontrole. Zij kunnen in elektronische vorm worden voorgelegd of verzonden, gebruikmakend van een wijzigbaar gestructureerd formaat dat rechtstreeks gebruikt kan worden voor opslag en verwerking door computers, zoals een elektronische vrachtbrief (e-CMR) in het kader van het Aanvullend Protocol van Genève bij het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) betreffende de elektronische vrachtbrief van 20 februari 2008. Tijdens de wegcontrole mag de bestuurder contact opnemen met het hoofdkantoor, de vervoersmanager of een andere persoon of entiteit opdat deze voor het einde van de wegcontrole de in lid 3 bedoelde bewijzen kan verstrekken.’; [...] 5) Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd: [...] b) het volgende lid wordt toegevoegd: ‚7. Naast de leden 1 tot en met 6 van dit artikel en in afwijking van artikel 4 van richtlijn 92/106/EEG, kunnen de lidstaten, waar dat nodig is om te voorkomen dat laatstgenoemde bepaling wordt misbruikt door tijdens gecombineerd vervoer tussen lidstaten onbeperkte en doorlopende diensten voor begin- of eindtrajecten over de weg in een lidstaat van ontvangst te verlenen, bepalen dat artikel 8 van deze verordening van toepassing is op vervoerders wanneer zij dergelijke begin- of eindtrajecten uitvoeren in die lidstaat. Met betrekking tot dergelijke wegtrajecten kunnen de lidstaten voorzien in een langere periode dan de in artikel 8, lid 2, van deze verordening vastgestelde periode van zeven dagen, en kunnen zij voorzien in een kortere periode dan de in artikel 8, lid 2 bis, van deze verordening vastgestelde periode van vier dagen. De toepassing van artikel 8, lid 4, van deze verordening op dergelijke vervoersactiviteiten laat de vereisten uit hoofde van richtlijn 92/106/EEG onverlet. Lidstaten die gebruikmaken van de in dit lid voorziene uitzondering, stellen de Commissie daarvan vóór de toepassing van hun relevante nationale maatregelen in kennis. Zij toetsen die maatregelen ten minste om de vijf jaar en stellen de Commissie in kennis van de resultaten van die toetsing. Zij stellen de regels, inclusief de duur van de respectieve termijnen, op transparante wijze openbaar beschikbaar.’”
3. Regels inzake de terbeschikkingstelling van werknemers
a) Richtlijn 96/71
45 Artikel 1 van richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB 1997, L 18, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/957 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 (PB 2018, L 173, blz. 16), met als opschrift „Onderwerp en toepassingsgebied”, bepaalt: „1. Deze richtlijn waarborgt de bescherming van ter beschikking gestelde werknemers tijdens hun detachering in verband met het vrij verrichten van diensten, door het vaststellen van bindende bepalingen inzake de arbeidsvoorwaarden en bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers die moeten worden geëerbiedigd. [...] 3. Deze richtlijn is van toepassing voor zover de in lid 1 bedoelde ondernemingen een van de volgende transnationale maatregelen nemen: a) een werknemer voor hun rekening en onder hun leiding op het grondgebied van een lidstaat ter beschikking stellen, in het kader van een overeenkomst tussen de onderneming van herkomst en de ontvanger van de dienst die in deze lidstaat werkzaam is, voor zover er gedurende de periode van terbeschikkingstelling een dienstverband tussen de onderneming van herkomst en de werknemer bestaat, of b) een werknemer op het grondgebied van een lidstaat ter beschikking stellen van een vestiging of een tot hetzelfde concern behorende onderneming, voor zover er gedurende de periode van terbeschikkingstelling een dienstverband tussen de onderneming van herkomst en de werknemer bestaat, of c) als uitzendbedrijf of als onderneming van herkomst, een werknemer detacheren bij een inlenende onderneming die op het grondgebied van een lidstaat gevestigd is of actief is, voor zover er gedurende de periode van detachering een dienstverband tussen het uitzendbureau of de onderneming van herkomst en de werknemer bestaat. [...]”
46 Artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift „Definitie”, bepaalt in lid 1: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder ‚ter beschikking gestelde werknemer’ verstaan, iedere werknemer die gedurende een bepaalde periode werkt op het grondgebied van een lidstaat die niet de staat is waar die werknemer gewoonlijk werkt.”
47 Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Arbeidsvoorwaarden en ‑omstandigheden”, bepaalt: „1. De lidstaten zien er, ongeacht het recht dat van toepassing is op het dienstverband, op toe dat in artikel 1, lid 1, bedoelde ondernemingen voor de werknemers die op basis van een gelijke behandeling op hun grondgebied zijn gedetacheerd de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden waarborgen die verband houden met de volgende aangelegenheden en die, in de lidstaat waar het werk wordt uitgevoerd, zijn neergelegd in: – wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en/of – collectieve arbeidsovereenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken die algemeen verbindend zijn verklaard of anderszins van toepassing zijn overeenkomstig lid 8: a) maximale werk- en minimale rustperioden; b) minimumaantal betaalde jaarlijkse verlofdagen; c) beloning, inclusief vergoedingen voor overwerk; dit punt is niet van toepassing op aanvullende bedrijfspensioenregelingen; d) voorwaarden voor het ter beschikking stellen van werknemers, inzonderheid door uitzendbedrijven; e) gezondheid, veiligheid en hygiëne op het werk; f) beschermende maatregelen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden van zwangere of onlangs bevallen vrouwen, van kinderen en jongeren; g) gelijke behandeling van mannen en vrouwen, alsmede andere bepalingen inzake niet-discriminatie; h) de voorwaarden van huisvesting van werknemers, indien de werkgever huisvesting ter beschikking stelt aan werknemers die zich niet op hun gewone werkplaats bevinden; i) toeslagen of vergoeding van uitgaven voor reis-, maaltijd- en verblijfkosten voor werknemers die beroepshalve van huis zijn. [...] 3. De lidstaten kunnen, na raadpleging van de sociale partners, overeenkomstig de in de onderscheiden lidstaten geldende gebruiken en tradities, besluiten lid 1, eerste alinea, tweede streepje, onder c), niet toe te passen in de in artikel 1, lid 3, onder a) en b), bedoelde gevallen, wanneer de duur van de terbeschikkingstelling niet meer dan één maand bedraagt. 4. De lidstaten kunnen, overeenkomstig hun nationale wetgeving en/of praktijk, bepalen dat door middel van collectieve arbeidsovereenkomsten in de zin van lid 8, voor een of meer bedrijfstakken kan worden afgeweken van de bepalingen van lid 1, eerste alinea, tweede streepje, onder c), in de in artikel 1, lid 3, onder a) en b), bedoelde gevallen, alsmede van een besluit van de lidstaat in de zin van lid 3, wanneer de duur van de terbeschikkingstelling niet meer dan één maand bedraagt. [...]”
b) Richtlijn 2014/67
48 Artikel 9 van richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt („de IMI-verordening”) (PB 2014, L 159, blz. 11) betreft de administratieve eisen en controlemaatregelen op het gebied van de terbeschikkingstelling van werknemers.
c) Richtlijn 2018/957
49 Overweging 15 van richtlijn 2018/957 luidt: „Gezien de zeer mobiele aard van het werk in het internationaal wegvervoer doet de uitvoering van deze richtlijn in die sector bijzondere juridische vragen en moeilijkheden rijzen, die moeten worden aangepakt met specifieke regels voor het wegvervoer die tevens de strijd tegen fraude en misbruik in het kader van het mobiliteitspakket zullen versterken.”
50 Artikel 3, lid 3, van deze richtlijn bepaalt: „Deze richtlijn is van toepassing op de sector wegvervoer vanaf de datum van toepassing van een wetgevingshandeling tot wijziging van richtlijn 2006/22/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van richtlijn 88/599/EEG van de Raad (PB 2006, L 102, blz. 35)] betreffende handhavingsvoorschriften en tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot richtlijn [96/71] en richtlijn [2014/67] voor het detacheren van bestuurders in de wegvervoerssector.”
d) Richtlijn 2020/1057
51 De overwegingen 1 tot en met 4, 7 tot en met 13, 15 en 43 van richtlijn 2020/1057 luiden als volgt: „(1) Om tot een veilige, efficiënte en sociaal verantwoordelijke wegvervoersector te komen, moeten zowel correcte arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming voor bestuurders worden gewaarborgd als passende bedrijfsomstandigheden en eerlijke concurrentievoorwaarden voor wegvervoerondernemers (‚ondernemers’) worden gegarandeerd. Gezien de hoge mate van mobiliteit van het personeelsbestand in de wegvervoersector zijn sectorspecifieke regels nodig om het evenwicht te waarborgen tussen de vrijheid van ondernemers om grensoverschrijdende diensten te verlenen, het vrije verkeer van goederen, correcte arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming voor bestuurders. (2) In het licht van de hoge mate van mobiliteit van wegvervoersdiensten moet bijzondere aandacht uitgaan naar het verzekeren dat bestuurders de rechten genieten waarop zij aanspraak kunnen maken en dat ondernemers, waarvan de meesten kleine ondernemingen zijn, niet worden geconfronteerd met buitensporige administratieve hinderpalen of discriminerende controles die hun vrijheid om grensoverschrijdende diensten te verlenen overmatig beperken. Om dezelfde reden moeten alle nationale regels voor het wegvervoer evenredig en gerechtvaardigd zijn, en moet rekening worden gehouden met de noodzaak om correcte arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming voor bestuurders te waarborgen en de uitoefening van de vrijheid om wegvervoersdiensten te verlenen op basis van eerlijke concurrentie tussen binnen- en buitenlandse ondernemers, te vergemakkelijken. (3) Het evenwicht tussen betere sociale en arbeidsvoorwaarden voor bestuurders en het bewerkstelligen van de vrijheid om wegvervoersdiensten te verlenen op basis van eerlijke concurrentie tussen binnen- en buitenlandse ondernemers is van cruciaal belang voor de goede werking van de interne markt. (4) Uit een evaluatie van de effectiviteit en de efficiëntie van de huidige sociale Unieregelgeving in de sector wegvervoer is gebleken dat de bestaande wetgeving achterpoortjes bevat en dat de handhaving tekortschiet, bijvoorbeeld wat het gebruik van brievenbusmaatschappijen betreft. Bovendien wordt deze wetgeving in de lidstaten in een aantal gevallen verschillend geïnterpreteerd, toegepast en uitgevoerd, wat zware administratieve lasten voor bestuurders en ondernemers oplevert. Dat zorgt voor rechtsonzekerheid, wat nadelig is voor de sociale en arbeidsvoorwaarden van bestuurders en voor de voorwaarden voor eerlijke concurrentie voor ondernemers in de sector. [...] (7) Om de doeltreffende en evenredige uitvoering van richtlijn [96/71] in de wegvervoersector te waarborgen, is het noodzakelijk sectorspecifieke regels op te stellen die zijn afgestemd op de bijzondere aard van het zeer mobiele personeelsbestand van de wegvervoersector en een evenwicht te creëren tussen de sociale bescherming van bestuurders en de vrijheid van ondernemers om grensoverschrijdende diensten te verlenen. De bepalingen van richtlijn [96/71] betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers en van richtlijn [2014/67] inzake de handhaving van die bepalingen, zijn van toepassing op de wegvervoersector en moeten worden onderworpen aan de specifieke regels van deze richtlijn. (8) Gezien het zeer mobiele karakter van de vervoersector worden bestuurders in het kader van een dienstencontract in de regel niet voor lange perioden naar een andere lidstaat gedetacheerd, zoals dat soms in andere sectoren wordt gedaan. Daarom moet worden verduidelijkt in welke omstandigheden de regels inzake langdurige detachering in richtlijn [96/71] niet van toepassing zijn op dergelijke bestuurders. (9) Evenwichtige sectorspecifieke regels inzake detachering moeten gebaseerd zijn op het bestaan van voldoende verbondenheid van de bestuurder en de verleende dienst, met het grondgebied van een lidstaat van ontvangst. Ter vergemakkelijking van de handhaving van die regels moet een onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende soorten vervoer afhankelijk van de mate waarin zij verbonden zijn met het grondgebied van de lidstaat van ontvangst. (10) Indien een bestuurder aan bilaterale vervoersactiviteiten deelneemt vanaf de lidstaat waar de onderneming is gevestigd (‚de lidstaat van vestiging’) naar het grondgebied van een andere lidstaat, een derde land of terug naar de lidstaat van vestiging, is de aard van de dienst nauw verbonden met de lidstaat van vestiging. Het is mogelijk dat een bestuurder in één reis meerdere bilaterale vervoersactiviteiten verricht. De vrijheid om grensoverschrijdende wegvervoersdiensten aan te bieden zou onevenredig worden beperkt indien de detacheringsregels, en derhalve de in de lidstaat van ontvangst gegarandeerde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, zouden gelden voor dergelijke bilaterale activiteiten. (11) Er moet worden verduidelijkt dat er bij internationaal vervoer in doorvoer over het grondgebied van een lidstaat geen sprake is van detachering. Dergelijke operaties worden namelijk gekenmerkt door het feit dat de bestuurder door de lidstaat reist zonder vracht te laden of te lossen en zonder dat er passagiers in- of uitstappen; er is derhalve geen significante verbondenheid tussen de activiteiten van de bestuurder en de lidstaat van doorreis. Ook als de bestuurder bijvoorbeeld om hygiënische redenen halt houdt, blijft hij in die lidstaat de doorvoerstatus behouden. (12) Als een bestuurder gecombineerd vervoer verricht, is de aard van de dienstverlening tijdens het begin- en het eindtraject nauw verbonden met de lidstaat van vestiging indien het wegtraject op zich een bilaterale vervoersactiviteit is. Daarentegen is er, als het vervoer tijdens het wegtraject binnen de ontvangende lidstaat of als niet-bilateraal internationaal vervoer wordt verricht, voldoende verbondenheid met het grondgebied van een ontvangende lidstaat, en moeten derhalve de detacheringsregels wel gelden. (13) Wanneer een bestuurder andere soorten activiteiten verricht, in het bijzonder cabotage of niet-bilateraal internationaal vervoer, is er voldoende verbondenheid met het grondgebied van de ontvangende lidstaat. Deze verbondenheid bestaat bij cabotage zoals gedefinieerd [in verordening nr. 1072/2009 en verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van verordening nr. 561/2006 (PB 2009, L 300, blz. 88)], aangezien het volledige vervoer plaatsvindt in een ontvangende lidstaat en de dienstverlening bijgevolg nauw verbonden is met het grondgebied van de ontvangende lidstaat. Niet-bilateraal internationaal vervoer wordt gekenmerkt door het feit dat de bestuurder betrokken is bij internationaal vervoer buiten de lidstaat van vestiging van de detacherende onderneming. Daarom zijn de verrichte diensten meer verbonden met de betrokken ontvangende lidstaat dan met de lidstaat van vestiging. In deze gevallen zijn sectorspecifieke regels alleen nodig met betrekking tot de administratieve voorschriften en controlemaatregelen. [...] (15) In de Unie gevestigde ondernemers worden in toenemende mate beconcurreerd door ondernemers uit derde landen. Het is daarom van het grootste belang ervoor te zorgen dat in de Unie gevestigde ondernemers niet worden gediscrimineerd. Overeenkomstig artikel 1, lid 4, van richtlijn [96/71], mogen ondernemingen die gevestigd zijn in een land dat geen lidstaat is, geen gunstiger behandeling krijgen dan in een lidstaat gevestigde ondernemingen. Dat beginsel moet ook gelden voor de specifieke regels betreffende de detachering waarin deze richtlijn voorziet. Het moet met name van toepassing zijn wanneer in een derde land gevestigde ondernemers vervoersactiviteiten verrichten in het kader van bilaterale of multilaterale overeenkomsten waarbij toegang tot de markt van de Unie of delen daarvan wordt verleend. [...] (43) De nationale bepalingen ter omzetting van deze richtlijn moeten van toepassing zijn met ingang van de datum 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn. Richtlijn [2018/957] moet van toepassing moet zijn op de sector wegvervoer, overeenkomstig artikel 3, lid 3, van deze richtlijn met ingang van 2 februari 2022.”
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
- Artikel 23 Statuut
- Artikel 1 VWEU
- Artikel 3 VWEU
- Artikel 9 VWEU
- Artikel 11 VWEU
- Artikel 18 VWEU
- Artikel 19 VWEU
- Artikel 21 VWEU
- Artikel 26 VWEU
- Artikel 34 VWEU
- Artikel 35 VWEU
- Artikel 36 VWEU
- Artikel 45 VWEU
- Artikel 49 VWEU
- Artikel 54 VWEU
- Artikel 55 VWEU
- Artikel 56 VWEU
- Artikel 58 VWEU
- Artikel 90 VWEU
- Artikel 91 VWEU
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 21 maart 2024, C-61/22, ECLI:EU:C:2024:251
- HvJ EU 21 december 2023, C-167/22, ECLI:EU:C:2023:1020
- HvJ EU 12 oktober 2023, C-670/21, ECLI:EU:C:2023:763
- HvJ EU 14 september 2023, C-246/22, ECLI:EU:C:2023:673
- HvJ EU 8 juni 2023, C-50/21, ECLI:EU:C:2023:448
- HvJ EU 4 mei 2023, C-99/22, ECLI:EU:C:2023:382
- HvJ EU 22 september 2022, C-475/20, ECLI:EU:C:2022:714
- HvJ EU 8 september 2022, C-659/20, ECLI:EU:C:2022:642
- HvJ EU 7 september 2022, C-391/20, ECLI:EU:C:2022:638
- HvJ EU 14 juli 2022, C-116/21, ECLI:EU:C:2022:557
- HvJ EU 24 februari 2022, C-262/20, ECLI:EU:C:2022:117
- HvJ EU 22 februari 2022, C-160/20, ECLI:EU:C:2022:101
- HvJ EU 16 februari 2022, C-156/21, ECLI:EU:C:2022:97
- HvJ EU 10 februari 2022, C-522/20, ECLI:EU:C:2022:87
- HvJ EU 27 januari 2022, C-179/20, ECLI:EU:C:2022:58
- HvJ EU 2 september 2021, C-570/19, ECLI:EU:C:2021:664
- HvJ EU 2 september 2021, C-502/20, ECLI:EU:C:2021:678
- HvJ EU 15 juli 2021, C-584/20, ECLI:EU:C:2021:601
- HvJ EU 8 juli 2021, C-428/19, ECLI:EU:C:2021:548
- HvJ EU 3 juni 2021, C-39/20, ECLI:EU:C:2021:435
Aangehaald in
- HvJ EU 16 januari 2025, C-376/23, ECLI:EU:C:2025:20
- HvJ EU 10 juli 2025, C-254/23, ECLI:EU:C:2025:569
- HvJ EU 16 oktober 2025, C-391/23, ECLI:EU:C:2025:799
- HvJ EU 21 januari 2025, C-188/23, ECLI:EU:C:2025:26
- HvJ EU 1 augustus 2025, C-703/23, ECLI:EU:C:2025:608
- HvJ EU 6 maart 2025, C-471/23, ECLI:EU:C:2025:155
- Gerecht EU 3 september 2025, T-348/23, ECLI:EU:T:2025:821
- Gerecht EU 19 november 2025, T-367/23, ECLI:EU:T:2025:1038
- HvJ EU 12 februari 2026, C-48/24, ECLI:EU:C:2026:83
- HvJ EU 5 februari 2026, C-364/24, ECLI:EU:C:2026:67
- HvJ EU 21 mei 2026, C-684/24, ECLI:EU:C:2026:410
- HvJ EU 26 maart 2026, C-696/23, ECLI:EU:C:2026:245
- HvJ EU 16 oktober 2025, C-482/23, ECLI:EU:C:2025:789