HvJ EU 26 maart 2026, C-696/23, ECLI:EU:C:2026:245

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

26 maart 2026 (*)

Inhoud

I. Toepasselijke bepalingen en voorgeschiedenis van de gedingen

A. Besluit 2022/329

B. Besluit 2014/145, zoals met name gewijzigd bij besluit 2022/329

C. Verordening nr. 269/2014

D. Litigieus besluit en litigieuze verordening (zaken C696/23 P en C35/24 P)

E. Litigieuze handelingen (zaken C704/23 P, C711/23 P en C111/24 P)

1. Oorspronkelijke litigieuze handelingen (zaken C704/23/P, C711/23 P en C111/24 P)

2. Eerste litigieuze handhavingshandelingen (zaken C704/23/P, C711/23 P en C111/24 P)

3. Tweede litigieuze handhavingshandelingen (zaken C704/23 P en C711/23 P)

II. Beroepen bij het Gerecht en bestreden arresten

A. Beroep bij het Gerecht en het eerste bestreden arrest (zaak C696/23 P)

B. Beroep bij het Gerecht en tweede bestreden arrest (zaak C704/23 P)

C. Beroep bij het Gerecht en derde bestreden arrest (zaak C711/23 P)

D. Beroep bij het Gerecht en vierde bestreden arrest (zaak C35/24 P)

E. Beroep bij het Gerecht en vijfde bestreden arrest (zaak C111/24 P)

III. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen in hogere voorziening

A. Voeging

B. Verzoeken om toelating tot interventie

C. Conclusies van partijen in hogere voorziening

1. Conclusies van partijen in zaak C696/23 P

2. Conclusies van partijen in zaak C704/23 P

3. Conclusies van partijen in zaak C711/23 P

4. Conclusies van partijen in zaak C35/24 P

5. Conclusies van partijen in zaak C111/24 P

D. Verzoeken om heropening van de mondelinge behandeling

1. Verzoek om heropening van de mondelinge behandeling in zaak C696/23 P

2. Verzoek om heropening van de mondelinge behandeling in zaak C711/23 P

IV. Hogere voorzieningen

A. Middelen ontleend aan schending van criterium g) door het Gerecht

1. Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat het Gerecht de uitdrukking „die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie” als bedoeld in criterium g) onjuist heeft uitgelegd

a) Tweede middel en eerste onderdeel van het derde middel in zaak C711/23 P, alsook tweede middel en eerste onderdeel van het derde middel in zaak C35/24 P

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

b) Tweede grief van het tweede onderdeel van het eerste middel in zaak C704/23 P, eerste tot en met derde onderdeel van het vierde middel in zaak C711/23 P, eerste grief van het tweede onderdeel van het vierde middel in zaak C35/24 P en zevende middel in zaak C111/24 P

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

2. Middelen ontleend aan een onjuiste uitlegging door het Gerecht van het begrip „invloed” in de zin van criterium g)

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

1) Ontvankelijkheid van het eerste middel in zaak C696/23 P

2) Ten gronde

i) Eerste middel in zaak C696/23 P, derde onderdeel van het eerste middel in zaak C704/23 P en vierde onderdeel van het eerste middel in zaak C35/24 P

ii) Eerste en tweede grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in zaak C704/23 P en tweede middel en eerste onderdeel van het vierde middel in zaak C111/24 P

B. Middelen ontleend aan schending door het Gerecht van het evenredigheidsbeginsel en artikel 52, lid 1, van het Handvest en het tweede onderdeel van het vierde middel in zaak C111/24 P

1. Derde middel in zaak C696/23 P, ontleend aan schending van artikel 52, lid 1, eerste volzin, van het Handvest

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

2. Vierde middel in zaak C696/23 P en derde middel in zaak C704/23 P, ontleend aan schending van artikel 52, lid 1, tweede volzin, van het Handvest, en tweede onderdeel van het vierde middel in zaak C704/23 P, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

1) Ontvankelijkheid van het eerste, het tweede en het vierde onderdeel van het vierde middel in zaak C696/23 P

2) Ten gronde

i) Opmerkingen vooraf

ii) Analyse

3. Tweede onderdeel van het vierde middel in zaak C111/24 P

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

C. Middelen ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven bij zijn analyse van de excepties van onwettigheid van criterium g)

1. Derde middel in zaak C111/24 P

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

2. Tweede onderdeel van de derde middelen in de zaken C711/23 P en C35/24 P

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

D. Middelen ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven bij zijn analyse van het beginsel van gelijke behandeling

1. Argumenten van partijen

2. Beoordeling door het Hof

E. Middelen ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen en onjuiste opvattingen van feiten en bewijsmateriaal waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven met betrekking tot de vraag of de vijf rekwiranten voldeden aan de voorwaarden van criterium g)

1. Onjuiste rechtsopvattingen en onjuiste opvattingen van feiten en bewijsmateriaal waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven bij zijn analyse van de vraag of de economische sectoren waarin tweede tot en met vijfde rekwirant actief zijn of waren, een aanzienlijke bron van inkomsten vormen

a) Tweede middel in zaak C704/23 P en eerste onderdeel van het respectieve eerste middel in de zaken C711/23 P en C35/24 P

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

i) Ontvankelijkheid van het tweede middel in zaak C704/23 P en van het eerste onderdeel van het eerste middel in zaak C35/24 P

ii) Ten gronde

b) Eerste grief van het tweede onderdeel van het eerste middel in zaak C704/23 P, tweede onderdeel van het eerste middel en vierde tot en met zesde onderdeel van het vierde middel in zaak C711/23 P, tweede en derde onderdeel van het eerste middel, eerste onderdeel en tweede grief van het tweede onderdeel van het vierde middel in zaak C35/24 P en vijfde en zesde middel in zaak C111/24 P

1) Eerste grief van het tweede onderdeel van het eerste middel in zaak C704/23 P

i) Argumenten van partijen

ii) Beoordeling door het Hof

2) Tweede onderdeel van het eerste middel en vierde tot en met zesde onderdeel van het vierde middel in zaak C711/23 P

i) Argumenten van partijen

ii) Beoordeling door het Hof

3) Tweede en derde onderdeel van het eerste middel en eerste onderdeel en tweede grief van het tweede onderdeel van het vierde middel in zaak C35/24 P

i) Argumenten van partijen

ii) Beoordeling door het Hof

4) Vijfde en zesde middel in zaak C111/24 P

i) Argumenten van partijen

ii) Beoordeling door het Hof

2. Onjuiste rechtsopvattingen en onjuiste opvattingen van feiten en bewijsmateriaal waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven met betrekking tot de „invloed” van tweede rekwirant en de „betrokkenheid” van eerste en vijfde rekwirant in de zin van criterium g)

a) Eerste onderdeel van het tweede middel in zaak C696/23 P

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

b) Derde grief van het eerste onderdeel van het eerste middel in zaak C704/23 P

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

c) Zaak C111/24 P

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

i) Ontvankelijkheid

ii) Ten gronde

F. Tweede onderdeel van het eerste middel en vijfde middel in zaak C696/23 P, derde vordering in zaak C704/23 P, vijfde onderdeel van het eerste middel in zaak C35/24 P en eerste middel in zaak C111/24 P

1. Tweede onderdeel van het eerste middel en vijfde middel in zaak C696/23 P

a) Tweede onderdeel van het eerste middel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

b) Vijfde middel

2. Derde vordering in zaak C704/23 P

3. Vijfde onderdeel van het eerste middel in zaak C35/24 P

4. Eerste middel in zaak C111/24 P

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

V. Conclusie

VI. Kosten

„ Hogere voorziening – Beperkende maatregelen met betrekking tot de militaire agressie tegen Oekraïne – Besluit 2014/145/GBVB – Artikel 1, lid 1, onder e), en artikel 2, lid 1, onder g) – Verordening (EU) nr. 269/2014 – Artikel 3, lid 1, onder g) – Bevriezing van tegoeden en economische middelen – Begrip ‚vooraanstaande zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie’ – Exceptie van onwettigheid – Artikelen 7, 16, 17 en 47 alsook artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, vrijheid van ondernemerschap, recht op eigendom en recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Beperkingen – Legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel – Beginsel van gelijke behandeling ”

In de gevoegde zaken C‑696/23 P, C‑704/23 P, C‑711/23 P, C‑35/24 P en C‑111/24 P,

betreffende vijf hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 16 november 2023, wat de zaken C‑696/23 P en C‑704/23 P betreft, op 22 november 2023, wat zaak C‑711/23 P betreft, op 18 januari 2024, wat zaak C‑35/24 P betreft, en op 8 februari 2024, wat zaak C‑111/24 P betreft,

Dmitry Alexandrovich Pumpyanskiy, wonende te Jekaterinenburg (Rusland), vertegenwoordigd door A. Egger, P. Goeth, G. Lansky en E. Steiner, Rechtsanwälte (C‑696/23 P),

Tigran Khudaverdyan, wonende te Moskou (Rusland), aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Bélot, T. Bontinck, M. Brésart en J. Goffin, vervolgens door F. Bélot, T. Bontinck, en J. Goffin, avocats (C‑704/23 P),

Viktor Filippovich Rashnikov, wonende te Magnitogorsk (Rusland), vertegenwoordigd door M. Campa, avvocato, M. Moretto, avocat, M. Pirovano, avvocata, D. Rovetta, avocat, en V. Villante, avvocato (C‑711/23 P),

Dmitry Arkadievich Mazepin, wonende te Moskou, vertegenwoordigd door A. Bass, avocat, M. Campa, avvocato, M. Moretto, D. Rovetta, avocats, en V. Villante, avvocato (C‑35/24 P),

German Khan, wonende te Londen (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door A. Bass en T. Marembert, avocats (C‑111/24 P),

rekwiranten,

andere partijen in de procedure:

Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Driessen, P. Mahnič, P. Pecheux, V. Piessevaux, J. Rurarz, L. Vétillard en S. Van Overmeire, vervolgens door B. Driessen, P. Pecheux, V. Piessevaux, J. Rurarz, L. Vétillard en S. Van Overmeire als gemachtigden,

verweerder in eerste aanleg,

ondersteund door:

Tsjechische Republiek, vertegenwoordigd door K. Najmanová, M. Smolek, en J. Vláčil als gemachtigden,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Carpus Carcea en L. Puccio als gemachtigden,

interveniëntes in hogere voorziening (C‑35/24 P),

Republiek Letland, vertegenwoordigd door J. Davidoviča, K. Pommere en S. Zābele als gemachtigden,

interveniënte in eerste aanleg (C‑35/24 P),

wijst

Het HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. L. Arastey Sahún (rapporteur), I. Ziemele, J. Passer, O. Spineanu-Matei, M. Condinanzi en F. Schalin, kamerpresidenten, E. Regan, N. Piçarra, A. Kumin, B. Smulders, S. Gervasoni en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Lamote, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 februari 2025,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 juni 2025,

het navolgende

Arrest

1 Dmitry Alexandrovich Pumpyanskiy (hierna: „eerste rekwirant”) vordert met zijn hogere voorziening in zaak C‑696/23 P vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 6 september 2023, Pumpyanskiy/Raad (T‑270/22, EU:T:2023:490; hierna: „eerste bestreden arrest”), waarbij zijn beroep is verworpen dat strekte tot nietigverklaring van besluit (GBVB) 2022/397 van de Raad van 9 maart 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 80, blz. 31) en uitvoeringsverordening (EU) 2022/396 van de Raad van 9 maart 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 80, blz. 1) (hierna gezamenlijk: „litigieus besluit en litigieuze verordening”), voor zover bij het litigieuze besluit en de litigieuze verordening zijn naam is geplaatst op de daaraan als bijlage gehechte lijsten.

2 Tigran Khudaverdyan (hierna: „tweede rekwirant”) vordert met zijn hogere voorziening in zaak C‑704/23 P vernietiging van het arrest van het Gerecht van 6 september 2023, Khudaverdyan/Raad (T‑335/22, EU:T:2023:500; hierna: „tweede bestreden arrest”), waarbij zijn beroep is verworpen dat strekte tot nietigverklaring van, ten eerste, besluit (GBVB) 2022/429 van de Raad van 15 maart 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 87 I, blz. 44) en uitvoeringsverordening (EU) 2022/427 van de Raad van 15 maart 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 87 I, blz. 1) (hierna gezamenlijk: „oorspronkelijke litigieuze handelingen”), ten tweede, besluit (GBVB) 2022/1530 van de Raad van 14 september 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 239, blz. 149) en uitvoeringsverordening (EU) 2022/1529 van de Raad van 14 september 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 239, blz. 1) (hierna gezamenlijk: „eerste litigieuze handhavingshandelingen”) en, ten derde, besluit (GBVB) 2023/572 van de Raad van 13 maart 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75 I, blz. 134) en uitvoeringsverordening (EU) 2023/571 van de Raad van 13 maart 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75 I, blz. 1) (hierna gezamenlijk: „tweede litigieuze handhavingshandelingen” en gezamenlijk met de oorspronkelijke litigieuze handelingen en de eerste litigieuze handhavingshandelingen: „litigieuze handelingen”), voor zover bij de litigieuze handelingen zijn naam is geplaatst en gehandhaafd op de daaraan als bijlage gehechte lijsten.

3 Viktor Filippovich Rashnikov (hierna: „derde rekwirant”) vordert met zijn hogere voorziening in zaak C‑711/23 P vernietiging van het arrest van het Gerecht van 13 september 2023, Rashnikov/Raad (T‑305/22, EU:T:2023:530; hierna: „derde bestreden arrest”), waarbij zijn beroep is verworpen dat strekte tot nietigverklaring van de litigieuze handelingen, voor zover bij die handelingen zijn naam is geplaatst en gehandhaafd op de daaraan als bijlage gehechte lijsten.

4 Dmitry Arkadievich Mazepin (hierna: „vierde rekwirant”) vordert met zijn hogere voorziening in zaak C‑35/24 P vernietiging van arrest van het Gerecht van 8 november 2023, Mazepin/Raad (T‑282/22, EU:T:2023:701; hierna: „vierde bestreden arrest”), waarbij zijn beroep is verworpen dat strekte tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en de litigieuze verordening, voor zover bij die handelingen zijn naam is geplaatst op de daaraan als bijlage gehechte lijsten.

5 German Khan (hierna: „vijfde rekwirant”) vordert met zijn hogere voorziening in zaak C‑111/24 P vernietiging van het arrest van het Gerecht van 29 november 2023, Khan/Raad (T‑333/22, EU:T:2023:758; hierna: „vijfde bestreden arrest”), waarbij zijn beroep is verworpen dat strekte tot nietigverklaring van de oorspronkelijke litigieuze handelingen en de eerste litigieuze handhavingshandelingen, voor zover bij die handelingen zijn naam is geplaatst en gehandhaafd op de daaraan als bijlage gehechte lijsten.

I. Toepasselijke bepalingen en voorgeschiedenis van de gedingen

6 De feitelijke en juridische achtergrond van de gedingen is uiteengezet in de punten 2 tot en met 17 van het eerste bestreden arrest, in de punten 2 tot en met 18 van het tweede bestreden arrest, in de punten 2 tot en met 25 van het derde bestreden arrest, in de punten 2 tot en met 15 van het vierde bestreden arrest en in de punten 2 tot en met 18 van het vijfde bestreden arrest. Ten behoeve van de onderhavige zaken kan die achtergrond als volgt worden samengevat en aangevuld.

7 De onderhavige zaken moeten worden geplaatst in het kader van de beperkende maatregelen die de Europese Unie sinds 2014 heeft vastgesteld naar aanleiding van acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.

8 Eerste, derde en vierde rekwirant zijn zakenlieden met de Russische nationaliteit, tweede rekwirant is een zakenman met de Armeense nationaliteit en vijfde rekwirant is een zakenman die de Russische en de Israëlische nationaliteit bezit.

9 Op 17 maart 2014 heeft de Raad van de Europese Unie, krachtens artikel 29 VEU, besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 16), vastgesteld.

10 Op diezelfde datum heeft de Raad, krachtens artikel 215, lid 2, VWEU, verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 6), vastgesteld.

11 Na de invasie van Oekraïne door de strijdkrachten van de Russische Federatie op 24 februari 2022 heeft de Raad op 25 februari 2022 besluit (GBVB) 2022/329 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 50, blz. 1, met rectificatie in PB L 94, blz. 12), vastgesteld. Op dezelfde dag heeft die instelling verordening (EU) 2022/330 tot wijziging van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 51, blz. 1), vastgesteld.

A. Besluit 2022/329

12 De overwegingen 5 en 8 tot en met 11 van besluit 2022/329 luiden:

„(5) Op 24 januari 2022 [...] herhaalde de Raad dat elke verdere militaire agressie van Rusland tegen Oekraïne enorme gevolgen en hoge kosten met zich mee zou brengen, waaronder een breed scala aan sectorale en individuele beperkende maatregelen die in overleg met partners zouden worden uitgevaardigd.

[...]

(8) Op 22 februari 2022 heeft de hoge vertegenwoordiger [van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (hierna: „hoge vertegenwoordiger”)] namens de Unie een verklaring afgelegd waarin een veroordeling wordt uitgesproken over die illegale handeling, die de soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne verder ondermijnt en een ernstige inbreuk vormt op het internationale recht en een reeks internationale overeenkomsten, waaronder het Handvest van de VN, de Slotakte van Helsinki, het Handvest van Parijs en het Memorandum van Boedapest, alsook op de Minsk-akkoorden en resolutie 2202 (2015) van de VN-Veiligheidsraad. De hoge vertegenwoordiger drong er bij Rusland, als partij bij het conflict, op aan die erkenning terug te draaien, zijn verbintenissen na te komen, het internationale recht na te leven en de besprekingen in het Normandiëkwartet en de Tripartiete Contactgroep Oekraïne te hervatten. Hij kondigde aan dat de Unie op die meest recente schendingen door Rusland zou reageren door met spoed aanvullende beperkende maatregelen vast te stellen.

(9) Op 24 februari 2022 heeft de president van de Russische Federatie een militaire operatie aangekondigd in Oekraïne en zijn Russische strijdkrachten begonnen met een aanval op Oekraïne. Die aanval is een flagrante schending van de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne.

(10) Op 24 februari 2022 heeft de hoge vertegenwoordiger namens de Unie een verklaring afgelegd waarin hij de niet-uitgelokte invasie van Oekraïne door de strijdkrachten van de Russische Federatie en de betrokkenheid van Belarus in deze agressie tegen Oekraïne in niet mis te verstane bewoordingen veroordeelde. De hoge vertegenwoordiger gaf aan dat de respons van de Unie uit zowel sectorale als individuele beperkende maatregelen zou bestaan.

(11) Gezien de ernst van de situatie is de Raad van oordeel dat de criteria voor aanwijzing moeten worden gewijzigd zodat er ook personen en entiteiten kunnen worden opgenomen die steun verlenen aan of profijt trekken van de regering van de Russische Federatie alsmede personen en entiteiten die een belangrijke inkomstenbron voor de regering van de Russische Federatie zijn, en natuurlijke personen of rechtspersonen die verbonden zijn met op de lijst geplaatste personen of entiteiten.”

B. Besluit 2014/145, zoals met name gewijzigd bij besluit 2022/329

13 Artikel 1, lid 1, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329 (hierna: „besluit 2014/145”), verlangt van de lidstaten dat zij, onder voorbehoud van de in de leden 2, 3 en 6 van dat artikel uiteengezette afwijkingen, de nodige maatregelen nemen om binnenkomst op of doorreis via hun grondgebied te beletten van onder meer natuurlijke personen die met name beantwoorden aan de criteria onder a), b), d) en e), ervan.

14 Artikel 2, lid 1, onder a), d), f) en g), van besluit 2014/145 voorziet in de bevriezing van tegoeden en economische middelen die met name toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van natuurlijke personen die beantwoorden aan de daaronder vastgestelde criteria, waarbij het in essentie gaat om dezelfde criteria als uiteengezet in artikel 1, lid 1, onder a), b), d) en e), van dat besluit. Die bepaling luidt als volgt:

„Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van:

a) natuurlijke personen die verantwoordelijk zijn voor, steun verlenen aan of uitvoering geven aan, acties of beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne, of de stabiliteit of veiligheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, of die de werkzaamheden van internationale organisaties in Oekraïne belemmeren;

[...]

d) natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die materiële of financiële steun verlenen aan of profijt trekken van Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim of de destabilisatie van Oekraïne;

[...]

f) natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die materiële of financiële steun verlenen aan of profijt trekken van de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne, of

g) vooraanstaande zakenlieden of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne,

[...]

en natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die met hen verbonden zijn, als opgesomd in de bijlage, worden bevroren.”

15 De oorspronkelijke versie van artikel 2, lid 1, van besluit 2014/145 luidde als volgt:

„Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van natuurlijke personen die verantwoordelijk zijn voor acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, alsmede van natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die daarbij betrokken zijn, als vermeld in de bijlage, worden bevroren.”

16 In artikel 2, leden 3 tot en met 5, 7 en 8, van besluit 2014/145 wordt in essentie bepaald dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in bepaalde omstandigheden en onder bepaalde voorwaarden toestemming kunnen geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, betalingen kunnen toestaan aan bepaalde entiteiten en kunnen toestaan dat de op de lijst in de bijlage bij dat besluit geplaatste natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen betalingen doen die verschuldigd zijn uit hoofde van een contract dat is gesloten vóór de datum waarop die natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen op die lijst werden geplaatst.

17 Artikel 6, derde alinea, van dat besluit bepaalt dat het voortdurend wordt geëvalueerd en dat het zo nodig wordt verlengd of gewijzigd, indien de Raad van oordeel is dat de doelstellingen ervan niet zijn bereikt.

C. Verordening nr. 269/2014

18 Artikel 3, lid 1, onder a), d), f) en g), van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/330 (hierna: „verordening nr. 269/2014”) bevat een opsomming van de criteria die onder meer worden gehanteerd voor de plaatsing op de als bijlage I bij die verordening opgenomen lijst van de natuurlijke personen wier tegoeden en economische middelen zijn bevroren overeenkomstig artikel 2, lid 1, van die verordening. Die criteria komen in essentie overeen met de in punt 14 van het onderhavige arrest vermelde criteria.

19 De artikelen 4 tot en met 6 ter van die verordening bevatten in essentie dezelfde bepalingen als opgenomen in respectievelijk de leden 3 tot en met 5, 7 en 8 van artikel 2 van besluit 2014/145.

20 Artikel 14, lid 4, van verordening nr. 269/2014 bepaalt dat de als bijlage I bij die verordening gevoegde lijst op gezette tijden, en ten minste om de twaalf maanden, wordt geëvalueerd.

D. Litigieus besluit en litigieuze verordening (zaken C‑696/23 P en C‑35/24 P)

21 Op 9 maart 2022 heeft de Raad, gelet op de ernst van de situatie in Oekraïne, het litigieuze besluit en de litigieuze verordening vastgesteld. Bij die handelingen zijn de namen van eerste en vierde rekwirant om de volgende redenen toegevoegd aan respectievelijk de lijst in de bijlage bij besluit 2014/145 en de lijst in bijlage I bij verordening nr. 269/2014:

„[Eerste rekwirant] is de voorzitter van de raad van bestuur van PJSC Pipe Metallurgic Company [(hierna: ‚TMK’)] en directeur en een bestuurslid van Group Sinara. Hij verleent dus steun aan en trekt profijt van samenwerking met de autoriteiten van de Russische Federatie en staatsbedrijven, waaronder de Russische spoorwegen, Gazprom en Rosneft. Hij is derhalve betrokken bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.

In de beginfase van de Russische agressie tegen Oekraïne had [eerste rekwirant] op 24 februari 2022 samen met 36 andere zakenlieden een ontmoeting met president Vladimir Poetin en andere leden van de Russische regering om de gevolgen van het optreden te bespreken in het licht van de westerse sancties. Het feit dat hij voor deze ontmoeting werd uitgenodigd, toont aan dat hij lid is van de naaste cirkel van Vladimir Poetin en dat hij acties of beleidsmaatregelen steunt of uitvoert die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne alsook de stabiliteit en veiligheid in Oekraïne ondermijnen of bedreigen. Het toont ook aan dat hij één van de vooraanstaande zakenlieden is die betrokken is bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de Russische regering, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.

[...]

[Vierde rekwirant] is de eigenaar en CEO van het meststoffenbedrijf Uralchem. Uralchem Group is een Russische fabrikant van een breed assortiment chemische producten, waaronder minerale meststoffen en ammoniak salpeter. Volgens het bedrijf is het de grootste producent van ammoniumnitraat en de tweede grootste producent van ammoniumhoudende en nitraathoudende meststoffen in Rusland. [Vierde rekwirant] is derhalve betrokken bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.

In de beginfase van de Russische agressie tegen Oekraïne had [vierde rekwirant] op 24 februari 2022 samen met 36 andere zakenlieden een ontmoeting met president Vladimir Poetin en andere leden van de Russische regering om de gevolgen van het optreden te bespreken in het licht van de westerse sancties. Het feit dat hij voor deze ontmoeting werd uitgenodigd, toont aan dat hij lid is van de naaste cirkel van Vladimir Poetin en dat hij acties of beleidsmaatregelen steunt of uitvoert die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne alsook de stabiliteit en veiligheid in Oekraïne ondermijnen of bedreigen. Het toont ook aan dat hij één van de vooraanstaande zakenlieden is die betrokken is bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de Russische regering, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.

In december 2021 schreef [vierde rekwirant] zijn in Cyprus gevestigde bedrijven Uralchem Holding en CI-Chemical Invest, die de controle hebben over ‚Uralchem’, opnieuw in zodat zij onder Russische jurisdictie zouden vallen in het speciale administratieve district Oktyabrsky Island in Kaliningrad Oblast (oblast Kaliningrad).”

E. Litigieuze handelingen (zaken C‑704/23 P, C‑711/23 P en C‑111/24 P)

1. Oorspronkelijke litigieuze handelingen (zaken C‑704/23/P, C‑711/23 P en C‑111/24 P)

22 Op 15 maart 2022 heeft de Raad, gelet op de ernst van de situatie in Oekraïne, de oorspronkelijke litigieuze handelingen vastgesteld. Bij die handelingen zijn de namen van tweede, derde en vijfde rekwirant toegevoegd aan de lijst in de bijlage bij besluit 2014/145 en aan de lijst in bijlage I bij verordening nr. 269/2014. De motivering in die twee lijsten is dezelfde en luidt als volgt:

„[Vijfde rekwirant] is een belangrijke aandeelhouder van het Alfa Group-consortium, dat Alfa Bank omvat, één van de grootste belastingbetalers van Rusland. Hij wordt beschouwd als een van de meest invloedrijke personen in Rusland. Net zoals andere eigenaren van de Alfa Bank (Mikhail Fridman en Petr Aven) onderhoudt hij nauwe banden met Vladimir Poetin en blijft hij aanzienlijke gunsten uitwisselen met hem. De eigenaren van de Alfa Group krijgen zakelijke en juridische voordelen uit deze relatie. De oudste dochter van Vladimir Poetin, Maria, runde een liefdadigheidsproject, Alfa-Endo, dat werd gefinancierd door Alfa Bank. Vladimir Poetin beloonde de loyaliteit van de Alfa Group aan de Russische autoriteiten door politieke hulp te verschaffen aan de buitenlandse investeringsplannen van de Alfa Group.

[Vijfde rekwirant] heeft derhalve de Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim of de destabilisatie van Oekraïne actief materieel of financieel gesteund en heeft daar voordeel bij gehad. Hij is ook een van de vooraanstaande zakenmensen die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.

[...]

[Derde rekwirant] is een vooraanstaande Russische oligarch en eigenaar en voorzitter van de raad van bestuur van Magnitogorsk Iron & Steel Works (MMK). MMK is een van de grootste belastingbetalers van Rusland. De fiscale last voor het bedrijf is recent gestegen, wat heeft geleid tot aanzienlijk hogere inkomsten voor de Russische staatsbegroting.

[Derde rekwirant] is derhalve een vooraanstaand Russisch zakenman die actief is in economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.

[...]

[Tweede rekwirant] is uitvoerend directeur van Yandex [NV], een van de belangrijkste technologiebedrijven in Rusland, dat gespecialiseerd is in intelligente producten en diensten die worden gevoed door machinaal leren. Het voormalige hoofd Nieuws van Yandex beschuldigde het bedrijf ervan een ‚sleutelelement te zijn in het verbergen van informatie’ voor de Russen over de oorlog in Oekraïne. Bovendien heeft het bedrijf Russische gebruikers die op zijn zoekmachine naar nieuws over Oekraïne zoeken, gewaarschuwd voor onbetrouwbare informatie op het internet, nadat de Russische regering Russische media had bedreigd over wat zij publiceren.

Op 24 februari 2022 woonde [tweede rekwirant] een ontmoeting van oligarchen met Vladimir Poetin in het Kremlin bij om de gevolgen van het optreden te bespreken in het licht van de westerse sancties. Het feit dat hij voor die ontmoeting werd uitgenodigd, toont aan dat hij behoort tot de kleine kring van oligarchen dichtbij Vladimir Poetin en dat hij acties of beleidsmaatregelen steunt of uitvoert die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne alsook de stabiliteit en veiligheid in Oekraïne ondermijnen of bedreigen. Bovendien is hij een van de vooraanstaande zakenmensen die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.”

23 Overweging 5 van uitvoeringsverordening 2022/427, een van de twee oorspronkelijke litigieuze handelingen, luidt:

„Op 25 februari 2022 heeft de Raad [verordening 2022/330] vastgesteld, waarin de criteria voor aanwijzing worden gewijzigd zodat er ook personen en entiteiten kunnen worden opgenomen die steun verlenen aan of profijt trekken van de regering van de Russische Federatie alsmede personen en entiteiten die een belangrijke inkomstenbron voor de regering van de Russische Federatie zijn, en natuurlijke personen of rechtspersonen die verbonden zijn met op de lijst geplaatste personen of entiteiten.”

2. Eerste litigieuze handhavingshandelingen (zaken C‑704/23/P, C‑711/23 P en C‑111/24 P)

24 Op 14 september 2022 heeft de Raad de eerste litigieuze handhavingshandelingen vastgesteld, waarbij hij de plaatsing van de namen van tweede, derde en vijfde rekwirant op de lijst in de bijlage bij besluit 2014/145 en op de lijst in bijlage I bij verordening nr. 269/2014 heeft gehandhaafd op basis van dezelfde motivering als opgenomen in punt 22 van het onderhavige arrest, met dien verstande dat, wat tweede rekwirant betreft, in de motivering vanaf toen werd gepreciseerd dat deze „voormalig” uitvoerend directeur van Yandex was.

3. Tweede litigieuze handhavingshandelingen (zaken C‑704/23 P en C‑711/23 P)

25 Op 13 maart 2023 heeft de Raad de tweede litigieuze handhavingshandelingen vastgesteld, waarbij hij de plaatsing van de namen van tweede en derde rekwirant op de lijsten in de bijlage bij besluit 2014/145 en bij verordening nr. 269/2014 heeft gehandhaafd. De motivering voor de plaatsing van derde rekwirant op de lijst bleef ongewijzigd, maar die voor de plaatsing van tweede rekwirant op de lijst luidde vanaf toen als volgt:

„[Tweede rekwirant] is voormalig uitvoerend directeur en [plaatsvervangend] CEO van Yandex [NV]. Nadat de Europese Unie hem op de sanctielijst plaatste, legde hij zijn functies neer. Hij blijft behoren tot de topmanagers van Yandex, die de activiteiten van het bedrijf vormgeven.

Yandex is het grootste technologiebedrijf in Rusland. Het brengt aanzienlijke belastinginkomsten met zich mee voor de regering van de Russische Federatie. Russische staatsbanken zoals Sberbank en VTB houden aandelen van en investeren in het bedrijf. In 2019 besloot Yandex tot een herstructurering, waarbij een ‚gouden aandeel’ werd toegekend aan een toen pas opgerichte stichting van openbaar nut met als doel ‚de belangen van de Russische Federatie te verdedigen’. Via de stichting van openbaar nut kan de regering van de Russische Federatie een veto hebben over een bepaalde lijst van kwesties.

Sinds het begin van de aanvalsoorlog tegen Oekraïne heeft Yandex het voorlichtingsbeleid en de censuur van de regering van de Russische Federatie gevolgd. De zoekresultaten van de Yandex-zoekmachine voldoen aan de eisen van de Russische autoriteiten en laten alleen de bronnen zien die verband houden met Russische pro-oorlogspropaganda. Bovendien heeft Yandex websites geholpen die valse en pro-Russische beweringen over de invasie van Oekraïne de wereld in brengen om winst te maken via digitale reclame.

Op 24 februari 2022 woonde [tweede rekwirant] een ontmoeting van oligarchen met Vladimir Poetin in het Kremlin bij om de gevolgen van het optreden te bespreken in het licht van de westerse sancties. Het feit dat hij voor die ontmoeting werd uitgenodigd, toont aan dat hij behoort tot de kleine kring van oligarchen dichtbij Vladimir Poetin en dat hij acties of beleidsmaatregelen steunt of uitvoert die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne alsook de stabiliteit en de veiligheid in Oekraïne ondermijnen of bedreigen.

Hij is een vooraanstaand zakenman die actief is in een economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de regering van de Russische Federatie, en hij heeft de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisering van Oekraïne, materieel of financieel gesteund. Hij is verantwoordelijk voor het actief steun verlenen aan of uitvoering geven aan acties of beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne, of de stabiliteit en de veiligheid in Oekraïne, ondermijnen of bedreigen.”

II. Beroepen bij het Gerecht en bestreden arresten

A. Beroep bij het Gerecht en het eerste bestreden arrest (zaak C‑696/23 P)

26 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 mei 2022, heeft eerste rekwirant beroep ingesteld tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en de litigieuze verordening, voor zover die handelingen hem betreffen. In het kader van zijn beroep tot nietigverklaring betwistte hij met name de beoordeling van de Raad dat zijn situatie beantwoordde aan het criterium als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder e), en artikel 2, lid 1, onder g), van besluit 2014/145 en in artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 269/2014 [hierna: „criterium g)”]. Hij was van mening dat die instelling op die manier een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt en bovendien zijn grondrechten en het evenredigheidsbeginsel had geschonden.

27 Het Gerecht heeft het beroep van eerste rekwirant bij het eerste bestreden arrest verworpen. Wat criterium g) betreft, heeft het Gerecht in de punten 51, 56 en 58 van dat arrest in wezen geoordeeld dat de Raad een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen had voorgelegd die het bewijs leverden van het feit, ten eerste, dat eerste rekwirant vanwege zijn functies bij TMK en Group Sinara een vooraanstaande zakenman was en, ten tweede, dat hij, gelet op die functies en de talrijke sectoren waarin die twee bedrijven actief waren, betrokken was bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormden voor de regering van de Russische Federatie. In punt 57 van dat arrest heeft het Gerecht gepreciseerd dat het begrip „aanzienlijke bron van inkomsten” in de zin van criterium g) verwijst naar een significante en niet te verwaarlozen bron van inkomsten uit de economische sectoren.

28 In punt 62 van het eerste bestreden arrest heeft het Gerecht voorts geoordeeld dat het voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het litigieuze besluit en de litigieuze verordening niet relevant was dat rekwirant zijn functies bij de twee betrokken bedrijven op de dag zelf van de vaststelling van die handelingen had neergelegd, aangezien hij op de dag van de vaststelling ervan die functies nog steeds vervulde. In punt 63 van dat arrest heeft het ook geoordeeld dat de bewering van eerste rekwirant dat hij zijn aandelen in die twee bedrijven enkele dagen voor de vaststelling van die handelingen had verkocht, niet van belang was omdat de motivering van die handelingen niet was gebaseerd op de zeggenschap van die rekwirant, noch op zijn hoedanigheid van aandeelhouder. Het Gerecht heeft in punt 65 van dat arrest bovendien geoordeeld dat functies als de door eerste rekwirant binnen TMK en Group Sinara uitgeoefende functies op zich volstonden om hem aan te merken als een „vooraanstaande zakenman” in de zin van criterium g), ongeacht de door die rekwirant over die bedrijven uitgeoefende zeggenschap.

29 In punt 66 van het eerste bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de formulering van criterium g) er geen twijfel over liet bestaan dat de met dat criterium bedoelde „aanzienlijke bron van inkomsten” niet afkomstig moest zijn van de „vooraanstaande zakenlieden”, maar van de „economische sectoren”. In punt 67 van dat arrest heeft het Gerecht eveneens het door eerste rekwirant aangevoerde argument dat de Raad zich niet mocht baseren op enkel de omstandigheid dat TMK en Group Sinara belastingen betaalden in Rusland verworpen, aangezien dat argument elke feitelijke grondslag ontbeerde.

30 Wat het middel ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel en de grondrechten betreft, heeft het Gerecht in punt 79 van het eerste bestreden arrest vastgesteld dat in casu aan de vier voorwaarden van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) was voldaan. Het heeft in punt 80 van dat arrest met name geoordeeld dat de bij het litigieuze besluit en de litigieuze verordening aan eerste rekwirant opgelegde beperkende maatregelen „bij wet worden gesteld”, aangezien zij zijn vastgelegd in handelingen die met name een algemene draagwijdte en een duidelijke rechtsgrondslag in het Unierecht hebben.

31 Voorts heeft het Gerecht er in punt 86 van dat arrest op gewezen dat een maatregel die is vastgesteld op een gebied waarop de Uniewetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, slechts onrechtmatig kan zijn wanneer hij ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel kennelijk ongeschikt is. In dat verband heeft het Gerecht in de punten 87 tot en met 95 van dat arrest geoordeeld dat de uit die beperkende maatregelen voortvloeiende beperkingen van de grondrechten van eerste rekwirant niet onevenredig waren.

B. Beroep bij het Gerecht en tweede bestreden arrest (zaak C‑704/23 P)

32 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 juni 2022, heeft tweede rekwirant beroep ingesteld tot nietigverklaring van de litigieuze handelingen, voor zover die handelingen hem betreffen. In het kader van zijn beroep tot nietigverklaring betwistte hij met name de beoordeling van de Raad dat zijn situatie beantwoordde aan criterium g). Hij was van mening dat die instelling op die manier een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt en bovendien zijn grondrechten en het evenredigheidsbeginsel had geschonden.

33 Het Gerecht heeft dat beroep bij het tweede bestreden arrest verworpen. Wat criterium g) betreft, heeft het Gerecht in de punten 79 tot en met 81 van dat arrest erop gewezen dat het begrip „vooraanstaande zakenman”, gelet op met name de met de beperkende maatregelen van het litigieuze besluit en de litigieuze verordening nagestreefde doelstelling, zakenlieden omvat die belangrijk zijn in het licht van, naargelang het geval, hun beroepsstatus, het belang van hun economische activiteiten, de omvang van hun kapitaaldeelnemingen of hun functies binnen een of meer bedrijven, aangezien de Raad met dat criterium gebruik wilde maken van de invloed die deze zakenlieden op het Russische regime kunnen uitoefenen.

34 Het Gerecht heeft voorts in de punten 82 en 83 van het tweede bestreden arrest geoordeeld dat uit de doelstelling van die beperkende maatregelen bleek dat met criterium g) niet de inkomsten van vooraanstaande zakenlieden worden beoogd, maar wel inkomsten uit economische sectoren waarin zij actief zijn. In de punten 105 en 106 van dat arrest heeft het in wezen geoordeeld dat het begrip „aanzienlijke bron van inkomsten” in de zin van dat criterium verwijst naar een significante en niet te verwaarlozen bron van inkomsten die rechtstreeks of indirect afkomstig zijn uit sectoren zoals in casu de informatie- en communicatietechnologiesector.

35 In de punten 90, 107 en 108 van het tweede bestreden arrest heeft het Gerecht bovendien geoordeeld dat de Raad, wat de oorspronkelijke litigieuze handelingen betreft, een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen had voorgelegd die het bewijs leverden van het feit, ten eerste, dat tweede rekwirant vanwege het belang van zijn status en zijn functies bij Yandex en het economische belang van dat bedrijf een vooraanstaande zakenman was en, ten tweede, dat hij, gelet op die functies en de activiteiten van dat bedrijf, betrokken was bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormden voor de regering van de Russische Federatie.

36 Wat de eerste en de tweede litigieuze handhavingshandelingen betreft, heeft het Gerecht in punt 125 van het tweede bestreden arrest geoordeeld dat de Raad zich terecht op het standpunt had gesteld dat tweede rekwirant nog steeds belangrijke banden onderhield met Yandex en het dus nog steeds gerechtvaardigd was om zijn naam op de betrokken lijsten te handhaven.

37 Wat het middel ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling betreft, heeft het Gerecht in de punten 137 tot en met 139 van het tweede bestreden arrest met name geoordeeld dat criterium g), gelet op het feit dat het niet is gericht op de nationaliteit van de vermelde personen, niet kon worden geacht het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit te schenden. Het heeft bovendien in herinnering gebracht dat de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie moeten worden verzoend met het legaliteitsbeginsel, volgens hetwelk niemand zich in zijn voordeel kan beroepen op een onrechtmatigheid die is begaan ten gunste van een ander, en geoordeeld dat de Raad in casu bij de vaststelling van de beperkende maatregelen tegen tweede rekwirant geen beoordelingsfout had gemaakt.

38 Het middel ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel is door het Gerecht in de punten 151 en 166 van het tweede bestreden arrest met name afgewezen op grond van het argument, zoals uiteengezet in de punten 143 en 145 van dat arrest, dat de jegens tweede rekwirant vastgestelde beperkende maatregelen geschikt waren voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen, aangezien de nadelige gevolgen van de toepassing van deze maatregelen op die rekwirant niet kennelijk onredelijk waren en die maatregelen hem niet waren opgelegd vanwege zijn eventuele rechtstreekse rol bij acties van de Russische Federatie tegen Oekraïne.

C. Beroep bij het Gerecht en derde bestreden arrest (zaak C‑711/23 P)

39 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 mei 2022, heeft derde rekwirant beroep ingesteld tot nietigverklaring van de litigieuze handelingen, voor zover die handelingen hem betreffen. In het kader van dat beroep betwistte hij met name de beoordeling van de Raad dat zijn situatie beantwoordde aan criterium g). Hij was van mening dat die instelling op die manier een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt en bovendien het beginsel van gelijke behandeling had geschonden. Tijdens de procedure heeft derde rekwirant op grond van artikel 277 VWEU ook aangevoerd dat dit criterium onwettig was.

40 Het Gerecht heeft dat beroep bij het derde bestreden arrest verworpen. Wat criterium g) betreft, heeft het Gerecht de begrippen „vooraanstaande zakenman” en „aanzienlijke bron van inkomsten” op dezelfde manier uitgelegd als bij het tweede bestreden arrest en tegelijkertijd in punt 78 van het derde bestreden arrest geoordeeld dat de Raad derde rekwirant terecht had aangemerkt als „vooraanstaande zakenman”, hetgeen door laatstgenoemde niet werd betwist en tevens kon worden afgeleid uit het economische belang van MMK, waarvan hij de eigenaar en de voorzitter van de raad van bestuur was. Voorts heeft het Gerecht in de punten 79 tot en met 90 van dat arrest geoordeeld dat de Raad een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen had voorgelegd die het bewijs leverden van het feit dat derde rekwirant betrokken was bij een economische sector, te weten de metaalsector, die een aanzienlijke bron van inkomsten vormde voor de regering van de Russische Federatie.

41 In punt 81 van het derde bestreden arrest heeft het Gerecht erop gewezen dat de bijdrage van MMK aan de Russische staatsbegroting niet doorslaggevend was om vast te stellen of de economische sector waarin derde rekwirant actief was een aanzienlijke bron van inkomsten voor de regering van dat derde land vormde, aangezien voor de toepassing van criterium g) moest worden nagegaan wat de bijdrage was van de economische sectoren als geheel, en niet die van bedrijven in het bijzonder. Voorts heeft het in punt 98 van dat arrest verklaard dat voor de toepassing van dat criterium evenmin moest worden gekeken naar de belastingbijdrage als dusdanig van vooraanstaande zakenlieden of van de bedrijven waarbij zij werkzaam zijn, aangezien dat criterium verwijst naar alle inkomsten die worden gegenereerd door de sector waarin die zakenlieden actief zijn.

42 Voorts heeft het Gerecht in de punten 104 tot en met 109 van het derde bestreden arrest de door derde rekwirant aangevoerde exceptie van onwettigheid van criterium g) verworpen. In dat verband heeft het erop gewezen dat dit criterium geen vermoeden inhoudt dat er een verband is tussen de hoedanigheid van vooraanstaande zakenman en de regering van de Russische Federatie, maar tegelijkertijd verklaard dat dit criterium beantwoordde aan het voornemen van de Raad om een zodanige druk op de Russische autoriteiten uit te oefenen dat zij zouden afzien van hun voor Oekraïne destabiliserende acties en beleidsmaatregelen. Het heeft daar in punt 108 van dat arrest uit afgeleid dat er een logisch verband bestond tussen enerzijds het feit dat de maatregelen zijn gericht tegen vooraanstaande zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die, in het licht van zowel het belang van die sectoren zelf als het belang ervan voor de Russische economie, aanzienlijke inkomsten opleveren voor de Russische Federatie, en anderzijds de met de beperkende maatregelen in casu nagestreefde doelstelling, die erin bestaat de druk op de Russische Federatie op te voeren en de kosten van haar acties die erop gericht zijn de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne te ondermijnen, te verhogen. Het Gerecht is op basis daarvan tot de slotsom gekomen dat criterium g) voorwaarden inhield met betrekking tot het persoonlijke gedrag van de beoogde personen, te weten de invloed die zij uitoefenen als gevolg van hun economische activiteiten in bepaalde sectoren, waardoor een toereikend en subjectief verband kon worden gelegd tussen die personen en het beoogde derde land, namelijk de Russische Federatie.

43 Het middel ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling is door het Gerecht in de punten 143 tot en met 146 van het derde bestreden arrest afgewezen om in wezen dezelfde redenen als uiteengezet in punt 37 van het onderhavige arrest.

D. Beroep bij het Gerecht en vierde bestreden arrest (zaak C‑35/24 P)

44 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 mei 2022, heeft vierde rekwirant beroep ingesteld tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en de litigieuze verordening, voor zover die handelingen hem betreffen. In het kader van zijn beroep tot nietigverklaring betwistte hij met name de beoordeling van de Raad dat zijn situatie beantwoordde aan criterium g). Hij was van mening dat die instelling op die manier een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt en bovendien het beginsel van gelijke behandeling had geschonden. Tijdens de procedure heeft vierde rekwirant op grond van artikel 277 VWEU ook aangevoerd dat dit criterium onwettig was.

45 Het Gerecht heeft dat beroep bij het vierde bestreden arrest verworpen. Wat criterium g) betreft, heeft het Gerecht de begrippen „vooraanstaande zakenman” en „aanzienlijke bron van inkomsten” op dezelfde manier uitgelegd als in de punten 33 en 34 van het onderhavige arrest en tegelijkertijd in punt 66 van het vierde bestreden arrest geoordeeld dat de Raad vierde rekwirant terecht had aangemerkt als „vooraanstaande zakenman”, hetgeen door laatstgenoemde niet werd betwist en tevens kon worden afgeleid uit het economische belang van Uralchem, de vennootschap waarvan hij de eigenaar en de CEO was. In de punten 67 tot en met 76 van dat arrest heeft het Gerecht bovendien geoordeeld dat de Raad een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen had voorgelegd die het bewijs leverden van het feit dat vierde rekwirant betrokken was bij de economische sector van de meststoffen, die een aanzienlijke bron van inkomsten vormde voor de regering van de Russische Federatie. In dat verband heeft het Gerecht er in punt 69 van het vierde bestreden arrest, en in lijn met de overwegingen in punt 81 van het derde bestreden arrest, op gewezen dat de eigen bijdrage van Group Uralchem aan de Russische staatsbegroting weliswaar van nut kon zijn om het economische belang ervan vast te stellen voor de betrokken sector of de hoedanigheid van vooraanstaande zakenman van vierde rekwirant, maar dat zij niet doorslaggevend was om de vraag te beantwoorden of die rekwirant kon worden aangemerkt als „vooraanstaande zakenman die betrokken is bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie”, aangezien voor de toepassing van criterium g) de betrokken economische sector en niet een specifieke natuurlijke persoon of een specifiek bedrijf een aanzienlijke bron van inkomsten voor die regering moet vormen.

46 Voorts heeft het Gerecht in de punten 84 tot en met 92 van het vierde bestreden arrest de door vierde rekwirant aangevoerde exceptie van onwettigheid van criterium g) verworpen. In dat verband heeft het dezelfde redenering gevolgd als samengevat in punt 42 van het onderhavige arrest.

47 Het middel ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling is door het Gerecht in de punten 126 tot en met 131 van het vierde bestreden arrest afgewezen om in wezen dezelfde redenen als uiteengezet in punt 37 van het onderhavige arrest. Het heeft er in punt 128 van het vierde bestreden arrest aan toegevoegd dat de Raad niet verplicht was om alle personen die beantwoorden aan een criterium als criterium g), op te nemen in de lijsten van de personen voor wie beperkende maatregelen gelden. Volgens het Gerecht beschikt de Raad immers over een ruime beoordelingsbevoegdheid, zodat hij eventueel kan besluiten bepaalde personen geen beperkende maatregelen op te leggen indien hij van mening is dat dit, gelet op de met die maatregelen nagestreefde doelstellingen, niet aangewezen is.

E. Beroep bij het Gerecht en vijfde bestreden arrest (zaak C‑111/24 P)

48 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 juni 2022, heeft vijfde rekwirant beroep ingesteld tot nietigverklaring van de oorspronkelijke litigieuze handelingen en de eerste litigieuze handhavingshandelingen, voor zover die handelingen hem betreffen. In het kader van zijn beroep tot nietigverklaring betwistte hij met name de beoordeling van de Raad dat zijn situatie beantwoordde aan criterium g). Die instelling had volgens hem op die manier een kennelijke beoordelingsfout gemaakt. Hij voerde tevens aan dat dit criterium onwettig was omdat het geen wettelijke grondslag had en in strijd was met het evenredigheidsbeginsel.

49 Het Gerecht heeft het beroep bij het vijfde bestreden arrest verworpen. Wat de exceptie van onwettigheid van criterium g) wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag betreft, heeft het Gerecht er in punt 37 van dat arrest op gewezen dat zodra er sprake is van een overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V van het VEU vastgesteld besluit dat voorziet in beperkende maatregelen, de Raad krachtens artikel 215, lid 2, VWEU dergelijke maatregelen kan vaststellen tegen gelijk welke persoon, entiteit of groep, met name tegen adressaten die geen enkele band hebben met het heersende regime van een derde land.

50 Voorts heeft het Gerecht er in punt 45 van dat arrest op gewezen dat criterium g), gelet op het feit dat het verwijst naar alle inkomsten die worden gegenereerd door de sector waarbij de betrokken vooraanstaande zakenlieden betrokken zijn, verwijst naar alle belastingen uit de betrokken economische sector, zelfs de belastingen die niet door die personen zijn betaald.

51 De exceptie van onwettigheid van criterium g) wegens schending van het evenredigheidsbeginsel is door het Gerecht in de punten 50 tot en met 63 van het vijfde bestreden arrest verworpen om soortgelijke redenen als samengevat in punt 42 van het onderhavige arrest. In punt 58 van het vijfde bestreden arrest heeft het geoordeeld dat het feit dat personen worden beoogd wier situatie beantwoordt aan criterium g), ongeacht de belastingen die zij in Rusland betalen, aansloot bij de nagestreefde doelstelling, aangezien die personen betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijk bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, zodat dat criterium niet kennelijk ongeschikt was. Voorts heeft het Gerecht in punt 60 van dat arrest het door vijfde rekwirant aangevoerde argument, ontleend aan overweging 11 van besluit 2022/329, verworpen op grond dat een overweging niet kan afwijken van de bepalingen zelf van de betrokken handeling.

52 Wat de toepassing van criterium g) op vijfde rekwirant betreft, heeft het Gerecht in de punten 88 tot en met 93 en in punt 106 van het vijfde bestreden arrest de begrippen „vooraanstaande zakenman” en „aanzienlijke bron van inkomsten” op dezelfde manier uitgelegd als uiteengezet in de punten 33 en 34 van het onderhavige arrest en tegelijkertijd erop gewezen dat de Raad niet hoefde aan te tonen dat er sprake was van een nauwe band tussen de vooraanstaande zakenlieden en de regering van de Russische Federatie of dat zij onderling van elkaar afhankelijk waren. Het heeft in de punten 92 en 93 van het vijfde bestreden arrest met name ten eerste verklaard dat de uitlegging van het begrip „vooraanstaande zakenman” niet ter discussie werd gesteld door het gebruik in bepaalde taalversies van criterium g) van het bijvoeglijk naamwoord „invloedrijk”, terwijl in andere taalversies het bijvoeglijk naamwoord „belangrijk” werd gehanteerd en, ten tweede, dat de door een zakenman uitgeoefende functies weliswaar kunnen staven dat hij „invloed” in de zin van dat criterium heeft, maar dat er niettemin ook andere factoren zijn waarmee de Raad in dat kader rekening kan houden.

53 Wat de gegrondheid van de oorspronkelijke litigieuze handelingen betreft, heeft het Gerecht in punt 105 van het vijfde bestreden arrest geoordeeld dat de Raad, gelet op al het bewijsmateriaal, geen beoordelingsfout had gemaakt door zich op het standpunt te stellen dat vijfde rekwirant bij de vaststelling van die handelingen een „vooraanstaand zakenman” was. In de punten 106 tot en met 111 van dat arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de Raad op basis van een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen rechtsgeldig had kunnen besluiten dat Alfa Group, die Alfa Bank omvat en waarvan vijfde rekwirant een van de grootste aandeelhouders is, actief was in een economische sector, te weten de banksector, die een aanzienlijke bron van inkomsten voor de regering van de Russische Federatie vormde.

54 Wat de eerste litigieuze handhavingshandelingen betreft, heeft het Gerecht in punt 125 van het vijfde bestreden arrest geoordeeld dat de Raad geen beoordelingsfout had gemaakt door vast te stellen dat de individuele situatie van vijfde rekwirant niet was gewijzigd en door zich voor de handhaving van de tegen die rekwirant vastgestelde beperkende maatregelen op hetzelfde bewijsmateriaal te baseren.

III. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen in hogere voorziening

A. Voeging

55 Op 5 juni 2024 heeft de president van het Hof partijen verzocht een standpunt in te nemen over de eventuele voeging van de zaken C‑696/23 P, C‑704/23 P, C‑711/23 P, C‑35/24 P en C‑111/24 P voor het verdere verloop van de procedure.

56 Bij brieven van 20 juni 2024 hebben de tweede, de derde en de vierde rekwirant het Hof meegedeeld dat zij geen bezwaar hadden tegen de voeging van deze zaken. Bij vijf brieven van respectievelijk 27 juni 2024, 3 juli 2024, 1 juli 2024, 28 juni 2024 en 1 juli 2024 heeft de Raad het Hof meegedeeld dat hij evenmin bezwaar had tegen de voeging van die vijf zaken. Bij brieven van respectievelijk 20 juni 2024 en 19 juni 2024 hebben de eerste en de vijfde rekwirant aangegeven dat zij zich tegen de voeging van die zaken voor het verdere verloop van de procedure verzetten.

57 Op 5 juli 2024 heeft de president van het Hof beslist dat er in dat stadium van de procedure geen aanleiding bestond om de zaken te voegen.

B. Verzoeken om toelating tot interventie

58 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 april 2024, heeft de Tsjechische Republiek verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Raad in zaak C‑35/24 P. Bij beslissing van de president van het Hof van 7 mei 2024 is dat verzoek om toelating tot interventie ingewilligd.

59 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 3 mei 2024, heeft de Commissie verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Raad in zaak C‑35/24 P. Bij beslissing van de president van het Hof van 31 mei 2024 is dat verzoek om toelating tot interventie ingewilligd.

C. Conclusies van partijen in hogere voorziening

1. Conclusies van partijen in zaak C‑696/23 P

60 Eerste rekwirant verzoekt het Hof:

– het eerste bestreden arrest te vernietigen;

– over het beroep ten gronde uitspraak te doen en het litigieuze besluit en de litigieuze verordening nietig te verklaren, voor zover deze hem betreffen, alsook de Raad te verwijzen in de kosten, met inbegrip van de kosten in eerste aanleg, en

– subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en de beslissing omtrent de kosten aan te houden.

61 De Raad verzoekt het Hof:

– de hogere voorziening af te wijzen;

– subsidiair, voor het geval dat het Hof beslist om het eerste bestreden arrest te vernietigen en de zaak zelf af te doen, het beroep ten gronde te verwerpen, en

– eerste rekwirant te verwijzen in de kosten van beide instanties.

2. Conclusies van partijen in zaak C‑704/23 P

62 Tweede rekwirant verzoekt het Hof:

– het tweede bestreden arrest te vernietigen;

– over het beroep ten gronde uitspraak te doen en de litigieuze handelingen nietig te verklaren, voor zover deze hem betreffen;

– krachtens artikel 268 VWEU te gelasten dat de immateriële schade die rekwirant door de vaststelling van die handelingen heeft geleden, wordt vergoed, en

– de Raad te verwijzen in de kosten.

63 De Raad verzoekt het Hof:

– de hogere voorziening af te wijzen;

– subsidiair, voor het geval dat het Hof beslist om het tweede bestreden arrest te vernietigen en de zaak zelf af te doen, het beroep ten gronde te verwerpen, en

– tweede rekwirant te verwijzen in de kosten.

3. Conclusies van partijen in zaak C‑711/23 P

64 Derde rekwirant verzoekt het Hof:

– het derde bestreden arrest te vernietigen;

– de litigieuze handelingen nietig te verklaren;

– subsidiair, het derde bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en, hoe dan ook,

– de Raad te verwijzen in de kosten van beide instanties.

65 De Raad verzoekt het Hof:

– de hogere voorziening af te wijzen en

– derde rekwirant te verwijzen in de kosten.

4. Conclusies van partijen in zaak C‑35/24 P

66 Vierde rekwirant verzoekt het Hof:

– het vierde bestreden arrest te vernietigen;

– het litigieuze besluit en de litigieuze verordening nietig te verklaren;

– subsidiair, het vierde bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en, hoe dan ook,

– de Raad te verwijzen in de kosten van beide instanties.

67 De Raad, ondersteund door de Tsjechische Republiek, de Republiek Letland en de Europese Commissie, verzoekt het Hof:

– de hogere voorziening af te wijzen en

– vierde rekwirant te verwijzen in de kosten.

5. Conclusies van partijen in zaak C‑111/24 P

68 Vijfde rekwirant verzoekt het Hof:

– het vijfde bestreden arrest te vernietigen;

– het beroep zelf af te doen en de oorspronkelijke litigieuze handelingen en de eerste litigieuze handhavingshandelingen nietig te verklaren;

– subsidiair, het vijfde bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en, hoe dan ook,

– de Raad te verwijzen in de kosten.

69 De Raad verzoekt het Hof:

– de hogere voorziening af te wijzen en

– vijfde rekwirant te verwijzen in de kosten.

D. Verzoeken om heropening van de mondelinge behandeling

1. Verzoek om heropening van de mondelinge behandeling in zaak C‑696/23 P

70 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 juni 2025, heeft eerste rekwirant overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om heropening van de mondelinge behandeling in zaak C‑696/23 P.

71 Ter ondersteuning van zijn verzoek voert hij ten eerste aan dat hij, anders dan de advocaat-generaal in punt 32 van haar conclusie in die zaak in wezen heeft verklaard, in zijn hogere voorziening stelt dat hij niet als „vooraanstaande zakenman” kan worden aangemerkt omdat hij zijn aandelen in TMK en Group Sinara heeft verkocht en zijn functies bij die bedrijven heeft neergelegd. Ten tweede heeft de Raad ter terechtzitting voor het Hof ten onrechte en, zonder dat eerste rekwirant daarop heeft kunnen antwoorden, betoogd dat tegen die rekwirant beperkende maatregelen waren vastgesteld op grond dat laatstgenoemde „CEO van een bedrijf” was, terwijl zijn plaatsing op de lijst was ingegeven door het feit dat hij voorzitter van de raad van bestuur van TMK en directeur en bestuurslid van Group Sinara was.

72 Volgens artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

73 Wat in casu de stelling van eerste rekwirant betreft dat de advocaat-generaal in punt 32 van haar conclusie in zaak C‑696/23 P zijn hogere voorziening verkeerd heeft opgevat, dient in herinnering te worden gebracht dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet voorzien in de mogelijkheid voor de belanghebbende partijen om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft immers krachtens artikel 252, tweede alinea, VWEU tot taak om in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is. Het Hof is in dat verband niet gebonden door de conclusie van de advocaat-generaal of door de motivering op grond waarvan de advocaat-generaal tot die conclusie komt. Het feit dat een partij het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal, kan als zodanig dus geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties hij in zijn conclusie heeft onderzocht (arrest van 5 maart 2024, Public.Resource.Org en Right to Know/Commissie e.a., C‑588/21 P, EU:C:2024:201, punten 47 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

74 Wat voorts de beweerdelijk door de Raad ter terechtzitting voor het Hof gemaakte fout betreft, moet worden vastgesteld dat het uiteraard geen „argument” betreft waarover de partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen in de zin van artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, maar wel een materiële fout die veel weg heeft van een verspreking of een ongelukkig ingekorte formulering.

75 Gelet op het voorgaande oordeelt het Hof, de advocaat-generaal gehoord, dat er geen reden is om de heropening van de mondelinge behandeling in zaak C‑696/23 P te gelasten.

2. Verzoek om heropening van de mondelinge behandeling in zaak C‑711/23 P

76 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 5 juni 2025, heeft derde rekwirant overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om heropening van de mondelinge behandeling in zaak C‑711/23 P.

77 Ter ondersteuning van zijn verzoek voert hij aan dat besluit 2014/145 en verordening nr. 269/2014 zijn gewijzigd bij respectievelijk besluit (GBVB) 2025/904 van de Raad van 13 mei 2025 (PB L, 2025/904) en bij verordening (EU) 2025/903 van de Raad van 13 mei 2025 (PB L, 2025/903). Deze twee Uniehandelingen bevatten elementen die het standpunt ontkrachten dat de Raad ter terechtzitting voor het Hof heeft ingenomen over de uitlegging en de rechtmatigheid van criterium g), met name wat betreft het vermeende voorlopige karakter van de beperkende maatregelen. Het gaat dus om een nieuw feit dat partijen niet bekend was op het moment van die terechtzitting – die plaatsvond op 11 februari 2025 – en dat, mede gelet op de terugwerkende kracht van een aantal bepalingen van genoemde handelingen wat de litigieuze handelingen betreft, van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof.

78 In casu moet worden vastgesteld dat besluit 2025/904 en verordening 2025/903 ratione temporis niet van toepassing zijn op zaak C‑711/23 P. Voor die zaak moet de rechtmatigheid van de litigieuze handelingen worden getoetst aan de situatie die bestond bij de vaststelling ervan, zodat de eventuele tegenspraak tussen de inhoud van voornoemd besluit en voornoemde verordening en het door de Raad ter terechtzitting in die zaak aangenomen standpunt niet van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof. Bovendien moet erop worden gewezen dat zelfs indien een aantal bepalingen van die handelingen terugwerkende kracht zou hebben wat de situatie van derde rekwirant en de litigieuze handelingen betreft, een dergelijk gevolg geen reden zou vormen om de mondelinge behandeling van de procedure te heropenen, aangezien, zelfs indien de hogere voorziening in genoemde zaak zou worden afgewezen, derde rekwirant niet de mogelijkheid zou worden ontnomen om gebruik te maken van de rechtsmiddelen die het Unierecht, of zelfs het nationale recht, biedt om die bepalingen en de eventuele gevolgen en implicaties daarvan aan te vechten.

79 Voorts moet de zaak niet kennelijk worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen, aangezien het Hof over alle voor de beslissing benodigde gegevens beschikt.

80 Gelet op het voorgaande oordeelt het Hof, de advocaat-generaal gehoord, dat er geen reden is om de heropening van de mondelinge behandeling in zaak C‑711/23 P te gelasten.

IV. Hogere voorzieningen

81 Gelet op hun verknochtheid dienen de onderhavige zaken overeenkomstig artikel 54, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof te worden gevoegd voor het arrest.

82 Eerste rekwirant voert ter ondersteuning van zijn hogere voorziening in zaak C‑696/23 P vijf middelen aan. Met zijn eerste middel stelt hij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door hem aan te merken als een „vooraanstaande zakenman” in de zin van criterium g). Met zijn tweede middel betoogt hij dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat hij „betrokken was bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie” in de zin van dat criterium. Met zijn derde middel stelt eerste rekwirant dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de rechtsgrondslag van het litigieuze besluit en de litigieuze verordening „bij wet wordt gesteld” in de zin van artikel 52, lid 1, eerste volzin, van het Handvest. Het vierde middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht in het eerste bestreden arrest blijk heeft gegeven door ten onrechte te oordelen dat de beperkende maatregelen tegen hem evenredig waren. Met zijn vijfde middel verklaart eerste rekwirant dat hij alle argumenten herneemt die hij in eerste aanleg heeft aangevoerd met betrekking tot het tweede criterium waarop de tegen hem gerichte beperkende maatregelen waren gebaseerd, te weten het met name in artikel 2, lid 1, onder f), van besluit 2014/145 opgenomen criterium, en verzoekt hij het Hof om daarover uitspraak te doen voor het geval dat het zijn beroep gegrond zou verklaren en de zaak niet zou terugverwijzen naar het Gerecht.

83 Tweede rekwirant voert in het kader van zijn hogere voorziening in zaak C‑704/23 P vier middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven bij de uitlegging en de toepassing van criterium g). Met het tweede middel voert hij aan dat het Gerecht is voorbijgegaan aan de omvang van zijn rechterlijke toetsing. Het derde en het vierde middel zijn ontleend aan een onjuiste beoordeling door het Gerecht van de middelen die hij had aangevoerd ter ondersteuning van zijn beroep in eerste aanleg die waren afgeleid uit een schending van het evenredigheidsbeginsel en zijn grondrechten.

84 Derde rekwirant voert ter ondersteuning van zijn hogere voorziening in zaak C‑711/23 P vijf middelen aan. Met zijn eerste middel betoogt hij dat het Gerecht is voorbijgegaan aan de omvang van zijn rechterlijke toetsing en aldus blijk heeft gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen en verschillende feiten onjuist heeft opgevat. Het tweede en het derde middel zijn in wezen ontleend aan schending van criterium g), waarbij derde rekwirant subsidiair, met zijn derde middel, krachtens artikel 277 VWEU de onwettigheid en niet-toepasselijkheid van dat criterium aanvoert. Met zijn vierde middel stelt hij dat het Gerecht de begrippen „bron van inkomsten” en „aanzienlijke bron van inkomsten” in de zin van criterium g) heeft geschonden, feiten en bewijsmateriaal verkeerd heeft opgevat, wezenlijke vormvoorschriften heeft geschonden, zijn motiveringsplicht niet is nagekomen en dat criterium onjuist heeft toegepast. Met zijn vijfde middel betoogt derde rekwirant dat het Gerecht met betrekking tot dat criterium de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie heeft geschonden.

85 De vijf middelen die vierde rekwirant heeft aangevoerd in het kader van zijn hogere voorziening in zaak C‑35/24 P, zijn op dezelfde manier geformuleerd als de vijf middelen van derde rekwirant, met uitzondering van het vierde middel, waarbij vierde rekwirant het Gerecht verwijt dat het de bewijslast heeft omgekeerd veeleer dan dat het criterium g) onjuist heeft toegepast.

86 Vijfde rekwirant voert in het kader van zijn hogere voorziening in zaak C‑111/24 P acht middelen aan. Met zijn eerste middel verwijt hij het Gerecht dat het niet is ingegaan op zijn grieven inzake de relevantie van het onder meer in artikel 2, lid 1, onder d), van besluit 2014/145 opgenomen criterium, volgens hetwelk de tegoeden en economische middelen die onder meer toebehoren aan natuurlijke personen die financiële steun verlenen aan of profijt trekken van Russische besluitvormers, moeten worden bevroren [hierna: „criterium d)”]. Met zijn tweede middel voert hij aan dat het Gerecht het begrip „vooraanstaande zakenman” in de zin van criterium g) heeft geschonden en, met zijn derde middel, dat het ten onrechte heeft geoordeeld dat het vereiste van een voldoende nauwe band tussen het betrokken derde land en de personen voor wie beperkende maatregelen gelden, was achterhaald door artikel 215, lid 2, VWEU. Zijn vierde middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven door criterium g) uit te leggen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, het recht op eigendom en de vrijheid van ondernemerschap. Met zijn vijfde middel verwijt vijfde rekwirant het Gerecht dat het de betekenis en de draagwijdte van bewijsmateriaal onjuist heeft opgevat en niet is ingegaan op een van zijn argumenten en, met zijn zesde middel, dat het criterium g) onjuist heeft toegepast of bij zijn overwegingen is uitgegaan van vermoedens om tot de conclusie te komen dat de banksector over het algemeen een aanzienlijke bron van inkomsten vormde voor de regering van de Russische Federatie. Het zevende middel is ontleend aan schending van het begrip economische sectoren die „een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie” in de zin van criterium g) en, het achtste middel, aan schending van de beginselen van een eerlijk proces en gelijke wapens.

87 Aangezien meerdere middelen die de vijf rekwiranten ter ondersteuning van hun respectievelijke hogere voorzieningen hebben aangevoerd, onderling samenhangen of zelfs identiek zijn, zal het Hof deze samen onderzoeken, alvorens in te gaan op de middelen die specifiek zijn voor bepaalde hogere voorzieningen. Bovendien is het noodzakelijk om de draagwijdte van criterium g) te verduidelijken alvorens de rechtmatigheid ervan te onderzoeken, zodat eerst de middelen inzake de uitlegging van dat criterium zullen worden onderzocht en vervolgens de middelen die betrekking hebben op de verwerping van de exceptie van onwettigheid van dat criterium.

A. Middelen ontleend aan schending van criterium g) door het Gerecht

88 De middelen, onderdelen en grieven waarmee de vijf rekwiranten in wezen kritiek uiten op de uitlegging door het Gerecht van criterium g), moeten gezamenlijk worden onderzocht. Het gaat om het eerste middel en het tweede onderdeel van het tweede middel van eerste rekwirant in zaak C‑696/23 P, de eerste en de tweede grief van het eerste onderdeel van het eerste middel, de tweede grief van het tweede onderdeel van het eerste middel en het derde onderdeel van het eerste middel van tweede rekwirant in zaak C‑704/23 P, het tweede middel, het eerste onderdeel van het derde middel en het eerste en het derde onderdeel van het vierde middel van derde rekwirant in zaak C‑711/23 P, het vierde onderdeel van het eerste middel, het tweede middel, het eerste onderdeel van het derde middel en de eerste grief van het tweede onderdeel van het vierde middel van vierde rekwirant in zaak C‑35/24 P en het tweede middel, het eerste onderdeel van het vierde middel en het zevende middel van vijfde rekwirant in zaak C‑111/24 P.

89 Er zij aan herinnerd dat volgens criterium g) alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan „vooraanstaande zakenlieden of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne”, worden bevroren.

90 Het onderzoek van de in punt 88 van het onderhavige arrest genoemde middelen, onderdelen en grieven zal hieronder worden onderverdeeld in twee delen, die respectievelijk betrekking hebben op de uitlegging van de uitdrukking „die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie” en op die van het bijvoeglijk naamwoord „vooraanstaand”, waarmee de zakenlieden worden aangeduid die onder criterium g) vallen.

1. Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat het Gerecht de uitdrukking „die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie” als bedoeld in criterium g) onjuist heeft uitgelegd

91 Vooraf zij opgemerkt dat het door eerste rekwirant ter ondersteuning van zijn hogere voorziening in zaak C‑696/23 P aangevoerde tweede onderdeel van het tweede middel weliswaar is bedoeld als kritiek op de door het Gerecht gegeven uitlegging van die uitdrukking, maar dat voor de behandeling ervan een algehele beoordeling van criterium g) is vereist, zodat dit onderdeel later afzonderlijk zal worden onderzocht.

a) Tweede middel en eerste onderdeel van het derde middel in zaak C‑711/23 P, alsook tweede middel en eerste onderdeel van het derde middel in zaak C‑35/24 P

1) Argumenten van partijen

92 Met zijn tweede middel in zaak C‑711/23 P verwijt derde rekwirant het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 68 tot en met 70 van het derde bestreden arrest in wezen te oordelen dat de „aanzienlijke inkomsten” voor de regering van de Russische Federatie afkomstig moesten zijn uit de „economische sectoren”, terwijl deze in werkelijkheid afkomstig moeten zijn van de „vooraanstaande zakenlieden” waarnaar criterium g) verwijst. In dat verband voert derde rekwirant aan dat uit zeven taalversies van criterium g), te weten de Bulgaarse, de Deense, de Estse, de Letse, de Litouwse, de Sloveense en de Finse taalversie, duidelijk blijkt dat de inkomsten afkomstig moeten zijn van die zakenlieden. Bovendien vloeit uit overweging 11 van besluit 2022/329 en uit overweging 5 van uitvoeringsverordening 2022/427 voort dat de Uniewetgever zich wilde richten op zakenlieden die zelf een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie. Het Gerecht heeft het met criterium g) nagestreefde doel dan ook niet correct vastgesteld, zodat de teleologische uitlegging daarvan in de punten 68 tot en met 70 van het derde bestreden arrest rechtens onjuist is.

93 In zijn memorie van repliek zet derde rekwirant uiteen dat de door hem voorgestelde uitlegging het deel van de bewoordingen van criterium g) dat de vooraanstaande zakenlieden betrokken moeten zijn bij economische sectoren, niet onlogisch maakt. Die precisering dient om de zakenlieden die een voortdurende en actieve rol in dergelijke sectoren spelen, te onderscheiden van degenen die daarin slechts een passieve rol hebben in de vorm van het aanhouden van belangrijke deelnemingen. Hij voegt daaraan toe dat die uitlegging geen overlapping teweegbrengt tussen criterium g) en andere criteria die zijn opgenomen in artikel 1, lid 1, en artikel 2, lid 1, van besluit 2014/145 en in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 269/2014. Hoe dan ook is het altijd mogelijk dat er overlappingen zijn tussen meerdere criteria voor plaatsing op de in de bijlage bij die Uniehandelingen opgenomen lijsten.

94 Met het eerste onderdeel van zijn derde middel verwijt derde rekwirant het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in wezen, en voornamelijk in de punten 69 en 70 van het derde bestreden arrest, te oordelen dat de aanzienlijke inkomsten voor de regering van de Russische Federatie slechts afkomstig moesten zijn van de economische sectoren, terwijl zij ook afkomstig moeten zijn van de vooraanstaande zakenlieden. Derde rekwirant baseert zich in dat verband wederom op overweging 11 van besluit 2022/329 en op overweging 5 van uitvoeringsverordening 2022/427 en wijst er tegelijkertijd op dat het Gerecht niet consistent is geweest door geen waarde te hechten aan deze overwegingen, terwijl het zich op verschillende andere overwegingen heeft gebaseerd om zijn redenering in andere punten van het derde bestreden arrest te onderbouwen. Hij voegt daaraan toe dat aangezien het Gerecht in punt 109 van dat arrest heeft erkend dat criterium g) voorwaarden stelt met betrekking tot het persoonlijke gedrag van de beoogde personen, entiteiten en lichamen, alleen aan de hand van zijn in het licht van die twee overwegingen voorgestelde uitlegging rekening kan worden gehouden met het persoonlijke gedrag van de betrokken zakenlieden, te weten hun bijdrage aan de betrokken economische sector, met dien verstande dat hun invloed binnen die economische sector op zich niet als persoonlijk gedrag kan worden beschouwd.

95 Het tweede middel dat vierde rekwirant ter ondersteuning van zijn hogere voorziening in zaak C‑35/24 P aanvoert, heeft betrekking op de punten 56 en 57 van het vierde bestreden arrest en berust op dezelfde argumenten als uiteengezet door derde rekwirant ter ondersteuning van het tweede middel van zijn hogere voorziening in zaak C‑711/23 P, met inbegrip van de in diens memorie van repliek ontwikkelde argumenten. Vierde rekwirant voegt daar evenwel aan toe dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door na te laten om de verschillende taalversies van criterium g) te onderzoeken.

96 Met het eerste onderdeel van zijn derde middel, dat voornamelijk betrekking heeft op de punten 56 en 57 van het vierde bestreden arrest, gelezen in samenhang met punt 92 van dat arrest, voert vierde rekwirant dezelfde argumenten aan als uiteengezet door derde rekwirant ter ondersteuning van het eerste onderdeel van het derde middel van zijn hogere voorziening in zaak C‑711/23 P.

97 De Raad, ondersteund door de Tsjechische Republiek, de Republiek Letland en de Commissie in zaak C‑35/24 P, betwist de gegrondheid van de argumenten van derde en vierde rekwirant.

2) Beoordeling door het Hof

98 In wezen stellen derde rekwirant, met zijn tweede middel en met het eerste onderdeel van zijn derde middel, en vierde rekwirant, met zijn tweede middel en met het eerste onderdeel van zijn derde middel, dat uit verschillende taalversies van criterium g) en uit de context van dat criterium blijkt dat de Uniewetgever heeft bedoeld dat de aanzienlijke bron van inkomsten voor de regering van de Russische Federatie in de zin van dat criterium afkomstig is van de „vooraanstaande zakenlieden” waarnaar dat criterium verwijst, en niet van de „economische sectoren”, zoals het Gerecht derhalve ten onrechte zou hebben geoordeeld in de punten 69 en 70 van het derde bestreden arrest en in de punten 56 en 57 van het vierde bestreden arrest. Vierde rekwirant betoogt bovendien dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door de verschillende taalversies van criterium g) niet met elkaar te vergelijken, hetgeen in strijd is met de rechtspraak van het Hof.

99 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt [zie arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 26 april 2022, Landespolizeidirektion Steiermark (Maximumduur van het grenstoezicht aan de binnengrenzen), C‑368/20 en C‑369/20, EU:C:2022:298, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Het Hof heeft gepreciseerd dat Uniehandelingen waarbij beperkende maatregelen worden opgelegd, moeten worden uitgelegd in het licht van de historische context waarbinnen de bepalingen door de Unie zijn vastgesteld en waarbij die handelingen aansluiten (zie in die zin arrest van 1 maart 2016, National Iranian Oil Company/Raad, C‑440/14 P, EU:C:2016:128, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

100 Voorts kan de in een van de taalversies van een unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen; evenmin kan er in zoverre voorrang aan worden toegekend boven de andere taalversies. Een dergelijke benadering zou immers onverenigbaar zijn met het vereiste van een uniforme toepassing van het Unierecht, aangezien de bepalingen ervan op uniforme wijze moeten worden uitgelegd en toegepast in het licht van de versies in alle talen van de Unie. Wanneer er verschillen zijn tussen de taalversies, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie arresten van 25 maart 2010, Helmut Müller, C‑451/08, EU:C:2010:168, punt 38, en 20 november 2025, Lolach, C‑327/24, EU:C:2025:901, punt 29).

101 Tevens zij in herinnering gebracht dat in de motivering van een arrest of een beschikking de redenering van het Gerecht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijk toezicht kan uitoefenen. De motiveringsplicht houdt echter niet in dat het Gerecht alle door partijen in het geding aangevoerde argumenten een voor een uitputtend dient te behandelen. De motivering mag dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden eruit kunnen opmaken waarom het Gerecht hun argumentatie niet heeft gevolgd, en het Hof er voldoende aanknopingspunten in kan vinden om zijn toezicht uit te oefenen (arrest van 18 januari 2024, Jenkinson/Raad e.a., C‑46/22 P, EU:C:2024:50, punt 131 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

102 Wat in de eerste plaats de stelling van vierde rekwirant betreft dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door in de punten 56 en 57 van het vierde bestreden arrest geen analyse te maken van de verschillende taalversies van criterium g), terwijl het in punt 52 van dat arrest heeft verwezen naar soortgelijke rechtspraak als aangehaald in punt 99 van het onderhavige arrest, moet worden benadrukt dat partijen in eerste aanleg geen verschillen tussen de taalversies van dit criterium hebben aangevoerd met betrekking tot de vraag naar de herkomst van de aanzienlijke bron van inkomsten. Het Gerecht hoefde bijgevolg niet in te gaan op een argument dat in deze zaak niet aan de orde was gesteld, met als gevolg dat het zijn motiveringsplicht niet heeft geschonden.

103 Wat in de tweede plaats de argumenten betreft waarmee derde en vierde rekwirant aanvoeren dat de door het Gerecht in de punten 69 en 70 van het derde bestreden arrest en in de punten 56 en 57 van het vierde bestreden arrest gegeven teleologische uitlegging van criterium g) onjuist is omdat de door het Gerecht genoemde doelstellingen worden tegengesproken door de bewoordingen en de context van dat criterium, moet, gelet op in de punten 99 en 100 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte uitleggingsregels, worden nagegaan of het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door criterium g) aldus uit te leggen dat de „aanzienlijke bron van inkomsten” voor de regering van de Russische Federatie niet afkomstig moet zijn van „vooraanstaande zakenlieden”, maar van „economische sectoren”.

104 Wat ten eerste de bewoordingen van criterium g) betreft, moet, om de herkomst van de aanzienlijke bron van inkomsten voor de regering van de Russische Federatie vast te stellen, aan de hand van de verschillende taalversies van dat criterium worden onderzocht waarnaar het betrekkelijk voornaamwoord „die” in de uitdrukking „die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie” verwijst, of op welk begrip van die bewoordingen de uitdrukking „een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie” betrekking heeft.

105 Vooraf zij erop gewezen dat partijen het erover eens zijn dat de uitdrukking „die betrokken zijn bij economische sectoren” slaat op de gehele naamwoordgroep „vooraanstaande zakenlieden of rechtspersonen, entiteiten of lichamen”. In die omstandigheden kan de uitdrukking „die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie” ofwel slaan op de naamwoordgroep „vooraanstaande zakenlieden of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij economische sectoren”, ofwel uitsluitend op de naamwoordgroep „economische sectoren”.

106 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de uitdrukking „die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie”, anders dan derde en vierde rekwirant betogen, in de Deense, de Estse, de Letse, de Litouwse en de Finse taalversie van criterium g) slechts betrekking kan hebben op de „economische sectoren”. De betrekkelijke voornaamwoorden „der” in het Deens, „mis” in het Ests en „kas” in het Lets slaan in die respectieve talen namelijk noodzakelijkerwijs op de bewoordingen of uitdrukkingen „økonomiske sektorer”, „majandussektoritega” en „ekonomikas nozarēs” („economische sectoren”). Evenzo kan in het Litouws het woord „užtikrinančiais” („die [...] vormen”) slechts betrekking hebben op de naamwoordgroep „ekonomikos sektoriais” („economische sectoren”). De in het Fins gehanteerde uitdrukking „sellaisilla talouden aloilla, jotka” („in dergelijke economische sectoren die”) geeft dan weer ondubbelzinnig aan dat het de economische sectoren zijn die een aanzienlijke bron van inkomsten voor de regering van de Russische Federatie moeten vormen.

107 Daarentegen is er in de Bulgaarse en de Sloveense taalversie sprake van een dubbelzinnigheid – waarop die rekwiranten wijzen –, aangezien de respectieve betrekkelijke voornaamwoorden „които” en „ki” („die”) zowel betrekking kunnen hebben op de uitdrukkingen „видни бизнесмени или юридически лица, образувания или органи” en „vodilni poslovneži ali pravne osebe, subjekti ali organi” („vooraanstaande/invloedrijke zakenlieden of rechtspersonen, entiteiten of lichamen”) als op de uitdrukkingen „икономически сектори” en „gospodarske sektorje” („economische sectoren”). Dezelfde dubbelzinnigheid is bovendien terug te vinden in de Spaanse, de Maltese, de Roemeense en de Slowaakse taalversie. In de andere taalversies van criterium g), waaronder de in het vorige punt genoemde, wordt duidelijk aangegeven dat de inkomsten afkomstig moeten zijn uit de economische sectoren.

108 Zes van die taalversies, namelijk de Bulgaarse, de Spaanse, de Maltese, de Roemeense, de Slowaakse en de Sloveense taalversie, kunnen dus op de twee in punt 105 van het onderhavige arrest genoemde manieren worden gelezen, in tegenstelling tot de achttien andere taalversies, waarin de uitdrukking „die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie” alleen betrekking kan hebben op de naamwoordgroep „economische sectoren”.

109 Uit het voorgaande volgt dat de bewoordingen van criterium g) overeenkomstig de in punt 100 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof in alle Unietalen op uniforme wijze kunnen worden uitgelegd in die zin dat de „aanzienlijke bron van inkomsten” voor de regering van de Russische Federatie afkomstig moet zijn uit de „economische sectoren”. In die omstandigheden is er van verschillen tussen die taalversies geen sprake, zodat het argument van derde en vierde rekwirant dat de door het Gerecht in de punten 69 en 70 van het derde bestreden arrest en in de punten 56 en 57 van het vierde bestreden arrest gegeven teleologische uitlegging van criterium g) in tegenspraak is met de bewoordingen van criterium g) in bepaalde taalversies, moet worden verworpen.

110 Wat ten tweede de context van criterium g) betreft, zij allereerst opgemerkt dat in de veronderstelling dat de aanzienlijke bron van inkomsten voor de regering van de Russische Federatie niet afkomstig zou moeten zijn uit de „economische sectoren” als zodanig, maar van de „vooraanstaande zakenlieden of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij economische sectoren”, de draagwijdte en de nuttige werking van criterium g) teniet zou worden gedaan of op zijn minst zou worden afgezwakt. Dit criterium zou dan namelijk grotendeels, zo niet volledig, overlappen met het criterium dat is vastgelegd in artikel 2, lid 1, onder f), van besluit 2014/145, terwijl er voorwaarden aan zouden worden toegevoegd die in dat laatste criterium ontbreken.

111 Die bepaling luidt immers dat alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die onder meer financiële steun verlenen aan de regering van de Russische Federatie.

112 Vastgesteld moet worden dat aan de hand van een dergelijk criterium reeds beperkende maatregelen kunnen worden opgelegd aan natuurlijke personen, waaronder, in voorkomend geval, vooraanstaande zakenlieden, alsook aan rechtspersonen, entiteiten en lichamen, louter op grond dat zij financiële steun verlenen aan genoemde regering en zonder dat hoeft te worden nagegaan, ten eerste, of de betrokken natuurlijke personen daadwerkelijk „vooraanstaande zakenlieden” zijn, ten tweede, of die natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten en lichamen betrokken zijn bij een sector van de Russische economie en, ten derde, of hun financiële steun, zelfs in de veronderstelling dat deze een zeker kwantitatief of kwalitatief belang moet hebben (zie naar analogie arrest van 1 maart 2016, National Iranian Oil Company/Raad, C‑440/14 P, EU:C:2016:128, punten 82 en 83), moet worden aangemerkt als een „aanzienlijke bron van inkomsten” voor die regering.

113 In die omstandigheden pleit het behoud van de nuttige werking van criterium g) ten aanzien van het criterium van artikel 2, lid 1, onder f), van besluit 2014/145 voor een uitlegging volgens welke de aanzienlijke bron van inkomsten voor de regering van de Russische Federatie afkomstig moet zijn uit de „economische sectoren” van dat derde land.

114 Voorts is het juist dat, zoals derde en vierde rekwirant aanvoeren, in overweging 11 van besluit 2022/329 en in overweging 5 van uitvoeringsverordening 2022/427 in wezen wordt gepreciseerd dat de plaatsingscriteria die als grondslag dienen voor het opleggen van beperkende maatregelen vanwege de voor Oekraïne destabiliserende acties van de Russische Federatie, na de invasie van Oekraïne door dit derde land zijn gewijzigd zodat er ook „personen en entiteiten” kunnen worden opgenomen „die een belangrijke inkomstenbron voor de regering van de Russische Federatie zijn”, waarbij die formulering verwijst naar criterium g).

115 Volgens vaste rechtspraak kan de considerans van een Uniehandeling weliswaar de inhoud van die handeling preciseren, aangezien de overwegingen ervan een belangrijk interpretatief element vormen dat licht kan werpen op de wil van de opsteller, maar heeft een dergelijke considerans geen bindende kracht en kan hij niet worden aangevoerd om van de bepalingen van die handeling af te wijken of om ze uit te leggen op een wijze die kennelijk in strijd is met hun bewoordingen (zie in die zin arrest van 19 december 2019, Puppinck e.a./Commissie, C‑418/18 P, EU:C:2019:1113, punten 75 en 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

116 Zoals is aangegeven in punt 109 van het onderhavige arrest, verschillen de verschillende taalversies van criterium g) niet van elkaar, aangezien uit een gezamenlijke lezing ervan voortvloeit dat de „aanzienlijke bron van inkomsten” voor de regering van de Russische Federatie afkomstig moet zijn van de „economische sectoren” van dat derde land. De bewoordingen van de in punt 114 van het onderhavige arrest genoemde overwegingen zijn dus in tegenspraak met de formulering van dat criterium, zodat het Gerecht in punt 57 van het vierde bestreden arrest terecht in wezen heeft geoordeeld dat genoemde overwegingen voor de contextuele analyse van dat criterium, waarmee wordt beoogd de oorsprong van de bron van die inkomsten vast te stellen, niet doorslaggevend zijn.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken