HvJ EU 4 mei 2023, C-99/22, ECLI:EU:C:2023:382

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

4 mei 2023 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Landbouw – Verordening (EEG) nr. 2062/92 – Artikel 3, lid 3 – Geldigheid – Gemeenschappelijke ordening van de markten – Ruwe tabak – Premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren – Vermindering van deze premiebedragen naargelang van de hoeveelheid tabak van een lagere klasse, categorie of kwaliteit – Verbod van terugwerkende kracht en bescherming van het gewettigd vertrouwen”

In zaak C‑99/22,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Symvoulio tis Epikrateias (hoogste bestuursrechter, Griekenland) bij beslissing van 30 december 2021, ingekomen bij het Hof op 14 februari 2022, in de procedure

Kapniki A. Michailidis AE

tegen

Organismos Pliromon kai Elenchou Koinotikon Enischiseon Prosanatolismou kai Engyiseon (OPEKEPE),

Ypourgos Agrotikis Anaptyxis kai Trofimon,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: D. Gratsias, kamerpresident, M. Ilešič en Z. Csehi (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Kapniki A. Michailidis AE, vertegenwoordigd door P. Yatagantzidis, dikigoros,

– de Griekse regering, vertegenwoordigd door E. Leftheriotou, M. Tassopoulou en A.‑E. Vasilopoulou als gemachtigden,

– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Balta, A. Nowak-Salles en A. Tamás als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Konstantinidis en B. Rechena als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de geldigheid van artikel 3, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2062/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot vaststelling van de voor de oogst van 1992 geldende streefprijzen, interventieprijzen, premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren, afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak, referentiekwaliteiten en productiegebieden (PB 1992, L 215, blz. 22).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Kapniki A. Michailidis AE enerzijds en de Organismos Pliromon kai Elenchou Koinotikon Enischiseon Prosanatolismou kai Engyiseon (OPEKEPE) (orgaan voor de betaling van en het toezicht op de communautaire oriëntatie‑ en garantiesteun, Griekenland) en de Ypourgos Agrotikis Anaptyxis kai Trofimon (minister van Agrarische Ontwikkeling en Voedingsmiddelen, Griekenland) anderzijds over de nietigverklaring van een besluit van de Ethnikos Organismos Kapnou (nationaal bureau voor tabak, Griekenland), dat is vastgesteld op grond van verordening nr. 2062/92 en waarbij een aan deze vennootschap ten onrechte uitgekeerde premie wordt teruggevorderd.

Unierecht

Verordening nr. 727/70

3 De zesde overweging van verordening (EEG) nr. 727/70 van de Raad van 21 april 1970 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB 1970, L 94, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 860/92 van de Raad van 30 maart 1992 (PB 1992, L 91, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 727/70”), luidde als volgt: „Overwegende dat deze doeleinden kunnen worden bereikt door een interventieregeling die gebaseerd is op een systeem van streef‑ en interventieprijzen, omvattende enerzijds de verplichting tot het verrichten van aankopen tegen de interventieprijs, en anderzijds de toekenning van premies aan de verbruikers die tabaksbladeren rechtstreeks bij de producenten van de Gemeenschap kopen; dat deze regeling op zodanige wijze moet worden toegepast dat daardoor wordt bijgedragen tot verbetering van de kwaliteit en tot aanpassing van de productie, met name in de zin van overschakeling op meer gevraagde of beter concurrerende tabakssoorten”.

4 Artikel 2, lid 3, van deze verordening luidde: „De streefprijs en de interventieprijs worden vastgesteld: a) voor onverpakte tabaksbladeren die geen eerste bewerking hebben ondergaan, b) voor elk der in de Gemeenschap geproduceerde tabakssoorten die [worden] geteeld in erkende productiegebieden; c) voor een referentiekwaliteit van elke soort, waarvan de kenmerken worden bepaald en die voldoende representatief is voor de kwaliteit van een normale oogst. Voor dezelfde soort kunnen evenwel gedifferentieerde prijzen worden vastgesteld voor specifieke productiegebieden in de zin van artikel 4, lid 5.”

5 Artikel 3, leden 1 en 3, van deze verordening bepaalde: „1. Aan natuurlijke personen of aan rechtspersonen die rechtstreeks van telers in de Gemeenschap tabaksbladeren kopen, wordt een premie toegekend. De premie wordt slechts toegekend aan kopers die i) met de telers vóór de overeenkomstig lid 3 te bepalen datum een Europees teeltcontract hebben gesloten; […] 3. De voorschriften voor de toepassing van dit artikel en met name de voorschriften betreffende de administratieve controle worden volgens de procedure van artikel 17 vastgesteld. In deze voorschriften worden de clausules vastgesteld die in de contracten moeten worden opgenomen, met name de vermelding van de aan de producenten te betalen prijs en van het bedrag van de premie waarop het contract recht geeft.”

6 Artikel 4, leden 3 en 4, van die verordening luidde: „3. Het premiebedrag wordt vastgesteld: […] b) voor elk van de in de Gemeenschap geproduceerde tabakssoorten die afkomstig [zijn] uit erkende productiegebieden en voor de dienovereenkomstige referentiekwaliteit. Het aldus vastgestelde premiebedrag geldt voor alle tabak van de betrokken soort. Voor zover evenwel voor een bepaalde soort het toekennen van eenzelfde premiebedrag voor tabak van verschillende kwaliteiten van deze soort de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening en de kwalitatieve aanpassing van de productie aan de behoeften van de verbruikers dreigt te belemmeren, kan de premie, bij wijze van uitzondering, voor andere kwaliteiten dan de als referentiekwaliteit aangehouden kwaliteit worden vastgesteld op een bedrag dat hoger of lager is dan het normaal voor alle tabak van de betrokken soort geldende bedrag. Dit bedrag kan evenwel voor dezelfde soort worden gedifferentieerd voor specifieke productiegebieden in de zin van lid 5. 4. Jaarlijks voor 1 november wordt voor elke tabakssoort het voor de oogst van het volgende kalenderjaar geldende premiebedrag volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het [EEG-Verdrag] vastgesteld.”

7 Om de toeneming van de tabaksproductie in de Europese Unie binnen de perken te houden en terzelfder tijd de productie te ontmoedigen van soorten waarvoor afzetmoeilijkheden bestaan, is bij verordening (EEG) nr. 1114/88 van de Raad van 25 april 1988 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 727/70 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB 1988, L 110, blz. 35) aan artikel 4 van laatstgenoemde verordening een lid 5 toegevoegd. Dit artikel 4, lid 5, bepaalde: „Elk jaar stelt de Raad volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het [EEG-Verdrag] voor elke tabakssoort of groep tabakssoorten die in de Gemeenschap worden geteeld en waarvoor de prijzen en premies worden vastgesteld een gegarandeerde maximumhoeveelheid vast aan de hand van met name de eisen van de markt en de sociaaleconomische en landbouwkundige omstandigheden van de betrokken gebieden. De totale maximumhoeveelheid voor de Gemeenschap wordt voor de oogst van 1988, 1989 en 1990 op telkens 385000 ton tabaksbladeren vastgesteld. […]”

Verordening nr. 1726/70

8 De voorwaarden en vereisten van de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 727/70 bedoelde teeltcontracten zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1726/70 van de Commissie van 25 augustus 1970 betreffende de wijze van toekenning van de premie voor tabaksbladeren (PB 1970, L 191, blz. 1).

9 Artikel 2 ter, leden 1, 3 en 4, van verordening nr. 1726/70, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1413/91 van de Commissie van 29 mei 1991 (PB 1991, L 135, blz. 15) (hierna: „verordening nr. 1726/70”), bepaalde: „1. Het […] teeltcontract, dat ten minste de in de punten 1 tot en met 12 van de bijlage aangegeven bedragen moet bevatten, wordt tussen de volgende partijen gesloten: a) een koper van tabaksbladeren die de tabak de eerste bewerking laat ondergaan en deze verpakt, hierna ‚de koper’ genoemd, en b) een tabaksteler of een groep van tabakstelers die zich aaneengesloten hebben, hierna ‚de verkoper’ genoemd. […] 3. Het teeltcontract kan voor een of meer jaren worden gesloten. Het moet, behoudens overmacht, worden gesloten vóór 1 juni van het jaar waarin het voor het eerst van toepassing is. […] 4. In het teeltcontract moeten verplicht de volgende gegevens worden opgenomen: a) de overeengekomen basisprijs; b) de criteria voor de bepaling van de definitieve aankoopprijs en met name: – de voor de betrokken oogst vastgestelde streefprijs, – het voor die oogst geldende premiebedrag. […]”

10 De bijlage bij verordening nr. 1726/70 bevatte een Europees modelteeltcontract, waarvan de punten 1, 4, 5 en 8 als volgt luidden: „1. De verkoper verbindt zich ertoe voor de oogst(en) 19.., tabak te telen overeenkomstig de onderstaande gegevens: […] Maximumproductie: ... kg/ha en deze te drogen met inachtneming van de eisen die de betrokken soort stelt. […] 4. De verkoper verbindt zich ertoe om binnen de in punt 1 aangegeven maximumproductie alle tabak die wordt geoogst van de oppervlakte waarop dit contract betrekking heeft, aan de koper te leveren. 5. De koper verbindt zich ertoe om binnen de in punt 1 aangegeven maximumproductie alle tabak die wordt geoogst van de oppervlakte waarop dit contract betrekking heeft en die aan de in artikel 6, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1727/70 van de Commissie [van 25 augustus 1970 betreffende uitvoeringsbepalingen voor de interventie in de sector ruwe tabak (PB 1970, L 191, blz. 5)] bedoelde minimumkwaliteitseisen voldoet, te kopen. […] 8. De contractprijs voor de in de communautaire regeling bedoelde referentiekwaliteit bedraagt... per kg. […] Onverminderd het bepaalde in de vorige alinea, komen koper en verkoper een nieuwe contractprijs overeen, indien een communautaire verordening de prijzen of de premie voor de in punt 1 van dit contract vermelde tabakssoort wijzigt. Wanneer deze prijzen of premie worden gewijzigd door de toepassing van artikel 4, lid 5, van [verordening nr. 727/70], wordt de contractprijs aangepast overeenkomstig de wijziging in de prijzen en premies.”

Verordening nr. 2062/92

11 De eerste, de derde en de zevende overweging van verordening nr. 2062/92 luidden als volgt: „Overwegende dat de [Europese] Commissie een hervorming van de gemeenschappelijke marktordening voor tabak met ingang van de oogst 1993 voorgesteld heeft; dat voor de oogst 1992 derhalve dezelfde voorschriften als voor de vorige oogst moeten gelden, behoudens een aantal wijzigingen die voor de overgang naar de nieuwe regeling volstrekt noodzakelijk zijn; dat met het oog daarop, in afwijking van artikel 4, lid 5, eerste alinea, van [verordening nr. 727/70], voor de oogst 1993 de gegarandeerde maximumhoeveelheid voor iedere in de Gemeenschap geteelde tabakssoort of groep tabakssoorten niet behoeft te worden vastgesteld; […] Overwegende dat de streefprijzen en de interventieprijzen voor tabaksbladeren moeten worden vastgesteld volgens de in artikel 2, lid 2, van [verordening nr. 727/70] bedoelde criteria, teneinde de productie een bepaalde oriëntatie te geven en met name de omschakeling te bevorderen op soorten die het meest worden gevraagd, het best kunnen concurreren en het minst schadelijk voor de gezondheid zijn; […] Overwegende dat de premie gelijk is voor alle tabak van de betrokken soort, ongeacht de kwaliteit van de geleverde tabak; dat daardoor echter wordt aangezet tot productie van tabak van matige kwaliteit; dat derhalve het premiebedrag moet worden verminderd voor de hoeveelheid tabak van mindere kwaliteit die door een bewerker wordt aangekocht boven een bepaald percentage dat overeenkomt met het normale aandeel van tabak van mindere kwaliteit in de totale oogst”.

12 Artikel 3 van deze verordening bepaalde: „1. Voor de oogst 1992 worden de in de artikelen 2 en 3 van [verordening nr. 727/70] bedoelde streefprijzen, interventieprijzen en premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren alsmede de in artikel 6 van die verordening bedoelde afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak vastgesteld in bijlage IV bij deze verordening. […] 3. Wanneer het aandeel van de door een bewerker aangekochte hoeveelheid tabak van een lagere klasse, categorie of kwaliteit in de totaal aangekochte hoeveelheid van de betrokken soort groter is dan het in bijlage IV aangegeven percentage, wordt de premie met 30 % verlaagd voor de boven het betreffende percentage aangekochte hoeveelheid.”

13 Bijlage IV bij die verordening bepaalde onder volgnummer 18 dat voor klasse IV van de soort „Katerini en vergelijkbare soorten” het in artikel 3, lid 3, van die verordening bedoelde percentage 20 % bedroeg.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

14 Verzoekster in het hoofdgeding heeft vóór 1 juni 1992 met tabaksproducenten contracten gesloten voor de aankoop van tabak van de soort Katerini voor de oogst van 1992. Daarop heeft zij bij wege van voorschot de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 727/70 bedoelde premie ontvangen.

15 Bij besluit van 22 september 1995 heeft het nationaal bureau voor tabak (Griekenland) verzoekster in het hoofdgeding verzocht om overeenkomstig artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2062/92 een deel van de haar toegekende premie ten bedrage van 51564843 Griekse drachme (GRD) (ongeveer 151327 EUR) terug te betalen als ten onrechte ontvangen bedrag, op grond dat het voorschot dat zij op die premie had ontvangen, hoger was dan de premie waar zij recht op had. Volgens het nationaal bureau voor tabak vertegenwoordigde het aandeel van de door verzoekster in het hoofdgeding aangekochte hoeveelheid tabak van een lagere categorie namelijk meer dan 20 % van de totaal aangekochte hoeveelheid.

16 Verzoekster in het hoofdgeding heeft tegen dit besluit beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de Symvoulio tis Epikrateias (hoogste bestuursrechter, Griekenland), de verwijzende rechter, die dit beroep heeft verwezen naar de Dioikitiko Protodikeio Athinon (bestuursrechter in eerste aanleg Athene, Griekenland), om daar te worden behandeld als een beroep in volle omvang. Voor deze laatste rechter heeft verzoekster in het hoofdgeding onder andere aangevoerd dat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2062/92 ongeldig was omdat deze bepaling terugwerkende kracht had en in strijd was met het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen. De Dioikitiko Protodikeio Athinon heeft dit beroep bij vonnis ongegrond verklaard.

17 Verzoekster in het hoofdgeding heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Dioikitiko Efeteio Athinon (bestuursrechter in tweede aanleg Athene, Griekenland), die het hoger beroep bij arrest heeft verworpen op grond dat, ten eerste, artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2062/92 geen terugwerkende kracht had, aangezien deze bepaling geen betrekking had op de datum waarop de betrokken teeltcontracten waren gesloten, maar op de kwaliteit van de tabak, en, ten tweede, deze verordening niet in strijd was met het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.

18 Verzoekster in het hoofdgeding heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld bij de Symvoulio tis Epikrateias. Deze rechter vraagt zich af of artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2062/92 geldig is, voor zover het in strijd zou kunnen zijn met het beginsel dat rechtsregels geen terugwerkende kracht hebben en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.

19 Meer in het bijzonder is deze rechter van oordeel dat deze bepaling terugwerkende kracht had, aangezien verordening nr. 2062/92 was bekendgemaakt op 30 juli 1992, dat wil zeggen na het verstrijken van de in verordening nr. 1726/70 gestelde termijn voor het sluiten van teeltcontracten tussen de producenten en de bewerkers, wat de oogst van 1992 betreft. In dit verband is de verwijzende rechter van oordeel dat, hoewel de in artikel 3, lid 3, bedoelde verlaging van de premie tot doel had de kwaliteit van de geteelde tabakssoorten en dus het concurrentievermogen ervan te verbeteren, een dergelijke doelstelling, die in overeenstemming was met de doelstellingen van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector tabak, op de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 2062/92 niet kon worden bereikt, aangezien deze termijn op die datum was verstreken en de marktdeelnemers op de betrokken markt reeds hadden beslist over de oriëntatie van productie, zonder dat dit doel tijdens de oogst van 1992 kon worden bereikt. Deze rechter vraagt zich dan ook af of artikel 3, lid 3 van verordening nr. 2062/92 geldig is.

20 Voorts is de verwijzende rechter van oordeel dat verordening nr. 2062/92, door te voorzien in een verlaging van de premie voor tabak van lagere kwaliteit, het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen kan schenden, aangezien ingevolge artikel 4, lid 4, van verordening nr. 727/70 het voor de oogst van het betrokken jaar geldende premiebedrag vóór 1 november van het voorafgaande jaar moest worden vastgesteld en de teeltcontracten hoe dan ook vóór 1 juni van elk jaar moesten worden gesloten.

21 In die omstandigheden heeft de Symvoulio tis Epikrateias besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Is de bepaling van artikel 3, lid 3, van verordening [nr. 2062/92], dat wanneer het aandeel van de door een bewerker aangekochte hoeveelheid tabak van een lagere kwaliteit in de totaal aangekochte hoeveelheid van de betrokken soort groter is dan het in bijlage IV [bij deze verordening] aangegeven percentage, de premie met 30 % wordt verlaagd voor de boven het betreffende percentage aangekochte hoeveelheid, in strijd met het beginsel dat rechtsregels geen terugwerkende kracht hebben en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

22 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2062/92 verenigbaar is met het beginsel dat rechtsregels geen terugwerkende kracht hebben en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.

23 Er zij om te beginnen aan herinnerd dat het rechtszekerheidsbeginsel zich er weliswaar in het algemeen tegen verzet dat een Uniehandeling reeds vóór de publicatie van deze handeling van kracht is, maar dat hiervan bij wijze van uitzondering kan worden afgeweken indien dit voor een doel van algemeen belang noodzakelijk is en het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht wordt genomen, of wanneer er blijkens de bewoordingen, de doelstellingen of de opzet van de betrokken regels zulke gevolgen aan dienen te worden toegekend [arrest van 30 april 2019, Italië/Raad (Vangstquota voor mediterrane zwaardvis), C‑611/17, EU:C:2019:332, punt 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

24 In die omstandigheden moet om te beginnen worden bepaald of artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2062/92 – volgens hetwelk, wanneer het aandeel van de door een bewerker aangekochte hoeveelheid tabak van een lagere klasse, categorie of kwaliteit in de totaal aangekochte hoeveelheid van de betrokken soort groter is dan het in bijlage IV bij deze verordening aangegeven percentage, de premie met 30 % wordt verlaagd voor de boven het betreffende percentage aangekochte hoeveelheid – terugwerkende kracht heeft. Indien dat het geval is, moet vervolgens worden nagegaan of deze bepaling overeenkomstig de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak retroactief kan worden toegepast.

25 Wat in de eerste plaats de beoordeling van de terugwerkende kracht van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2062/92 betreft, moet worden vastgesteld dat deze verordening op 30 juli 1992 is bekendgemaakt. Blijkens artikel 2 ter, lid 3, van verordening nr. 1726/70 hadden natuurlijke personen of rechtspersonen die tabaksbladeren van telers kopen, om voor de oogst van 1992 recht te hebben op de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 727/70 bedoelde premie, behoudens overmacht, uiterlijk vóór 1 juni 1992 met deze telers teeltcontracten moeten sluiten.

26 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat verordening nr. 2062/92, met inbegrip van artikel 3, lid 3, ervan, terugwerkende kracht had, aangezien zij is vastgesteld op een tijdstip waarop de natuurlijke personen of rechtspersonen die tabaksbladeren van telers kopen, jegens hen reeds bindende contractuele verbintenissen hadden moeten aangaan met betrekking tot de aankoop van hun productie (zie naar analogie arrest van 11 juli 1991, Crispoltoni, C‑368/89, EU:C:1991:307, punten 14‑16).

27 Bovendien vloeide deze terugwerkende kracht voort uit het feit dat overeenkomstig deze bepaling de jaarlijkse vaststelling van het bedrag van de premie voor de oogst van 1992 in juni 1992 heeft plaatsgevonden, terwijl zij overeenkomstig artikel 4, lid 4, van verordening nr. 727/70 vóór 1 november 1991 had moeten plaatsvinden.

28 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of de retroactieve toepassing van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2062/92 gerechtvaardigd kan zijn door een doel van algemeen belang, moet worden opgemerkt dat de retroactieve toepassing van deze verordening, met inbegrip van artikel 3, lid 3, ervan, dwingend voortvloeit uit de noodzaak om het fundamentele doel van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector tabak voor 1992 te bereiken, namelijk het verstrekken van financiële steun aan tabaksproducenten en ‑bewerkers.

29 In die omstandigheden moet in de derde plaats worden onderzocht of het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen naar behoren is geëerbiedigd. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, ook al behoort dit beginsel tot de algemene rechtsbeginselen van de Unie, de marktdeelnemers niet mogen vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die de Unie-instellingen in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid kunnen wijzigen, inzonderheid op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, waarvan het doel een voortdurende aanpassing aan de wijzigingen van de economische situatie meebrengt (zie in die zin arresten van 5 oktober 1994, Crispoltoni e.a., C‑133/93, C‑300/93 en C‑362/93, EU:C:1994:364, punt 57; 17 september 1998, Pontillo, C‑372/96, EU:C:1998:412, punt 22, en 26 juni 2012, Polen/Commissie, C‑335/09 P, EU:C:2012:385, punt 180 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 Hieruit volgt dat de marktdeelnemers zich niet kunnen beroepen op een verkregen recht om een uit een gemeenschappelijke marktordening voortvloeiend voordeel, dat hun op een bepaald ogenblik is toegekend, te behouden (arresten van 5 oktober 1994, Crispoltoni e.a., C‑133/93, C‑300/93 en C‑362/93, EU:C:1994:364, punt 58, en 17 september 1998, Pontillo, C‑372/96, EU:C:1998:412, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 Dit geldt des te meer wanneer, zoals in het hoofdgeding het geval is, de toepasselijke Unieregeling, in casu verordening nr. 727/70, de Raad verplichtte om elk jaar, met name gelet op de ontwikkeling van de markten en de schadelijkheid van de verschillende tabakssoorten, de prijzen en premies hiervoor vast te stellen, en uitdrukkelijk voorzag in de mogelijkheid van een verlaging van die prijzen en premies (zie in die zin arrest van 17 september 1998, Pontillo, C‑372/96, EU:C:1998:412, punt 24).

32 Sinds de bekendmaking van verordening nr. 1114/88 waren alle betrokken marktdeelnemers zich namelijk bewust van de onzekerheid die voortvloeide uit het feit dat de jaarlijkse vaststelling van de prijzen en premies nog niet had plaatsgevonden. Zolang de Uniewetgever de prijzen en premies voor de tabaksoogst van 1992 niet had vastgesteld, konden deze marktdeelnemers er in het bijzonder niet rechtmatig op vertrouwen dat de betrokken prijzen en premies op een bepaald niveau gehandhaafd zouden blijven.

33 Bovendien kon de premie krachtens artikel 4, lid 3, van verordening nr. 727/70, bij wijze van uitzondering, voor andere kwaliteiten dan de als referentiekwaliteit aangehouden kwaliteit worden vastgesteld op een bedrag dat hoger of lager was dan het normaal voor alle tabak van de betrokken soort geldende bedrag. Zoals blijkt uit artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2062/92, gelezen in het licht van de eerste, de derde en de zevende overwegingen ervan, beoogde deze verordening daarenboven de productie tegen te gaan van tabakssoorten van lagere klasse, categorie of kwaliteit waarvoor afzetmoeilijkheden bestonden, teneinde de tabaksproductie in de Unie in het algemeen te beperken.

34 Ook zij eraan herinnerd dat uit artikel 2 ter, lid 1, van verordening nr. 1726/70, gelezen in samenhang met punt 8 van de bijlage bij deze verordening, blijkt dat de tussen de kopers en de telers gesloten teeltcontracten een clausule bevatten dat de contractprijs opnieuw wordt onderhandeld in geval van wijziging van met name de aan de kopers uitgekeerde premie.

35 Derhalve moet worden vastgesteld dat het gewettigd vertrouwen van de betrokken marktdeelnemers niet is geschonden door artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2062/92.

36 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat bij het onderzoek van de prejudiciële vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2062/92 kunnen aantasten in het licht van het beginsel dat rechtsregels geen terugwerkende kracht hebben en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.

Kosten

37 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

Bij het onderzoek van de prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 3, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2062/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot vaststelling van de voor de oogst van 1992 geldende streefprijzen, interventieprijzen, premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren, afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak, referentiekwaliteiten en productiegebieden, kunnen aantasten in het licht van het beginsel dat rechtsregels geen terugwerkende kracht hebben en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Grieks.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in