HvJ EU 16 oktober 2025, C-391/23, ECLI:EU:C:2025:799

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

16 oktober 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 191, lid 2, VWEU – Milieubeleid van de Unie – Verordening (EU) 2021/1119 – Doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit – Richtlijn (EU) 2019/944 – Gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit – Nationale regeling op grond waarvan de betaling van een inkomstenbelasting wordt opgelegd aan producenten van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen – Vrijstelling voor producenten van elektriciteit uit fossiele brandstoffen en biomassa”

In zaak C‑391/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Bucureşti (belastingrechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 7 februari 2023, ingekomen bij het Hof op 27 juni 2023, in de procedure

Brăila Winds SRL

tegen

Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice București – Administrația Fiscală pentru Contribuabili Mijlocii București,

Ministerul Finanţelor,

Preşedintele Agenţiei Naţionale de Administrare Fiscală,

Agenţia Naţională de Administrare Fiscală,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, I. Jarukaitis (rapporteur), president van de Vierde kamer, en N. Jääskinen, rechter,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Brăila Winds SRL, vertegenwoordigd door C.‑A. Bîrsan, E.‑D. Gramaticescu en A.‑C. Lăcureanu, avocați,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Georgiopoulos, L. Nicolae en K. Talabér-Ritz als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 49, 56, 107 en 108, alsook artikel 191, lid 2, VWEU, artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU (PB 2019, L 158, blz. 125), en verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van verordening (EG) nr. 401/2009 en verordening (EU) 2018/1999 („Europese klimaatwet”) (PB 2021, L 243, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Brăila Winds SRL, een onderneming die elektriciteit op basis van windkracht produceert, en anderzijds de Direcție Generală Regională a Finanțelor Publice București – Administrație Fiscală pentru Contribuabili Mijlocii București (regionaal directoraat-generaal van openbare financiën Boekarest – belastingdienst, afdeling middelgrote belastingplichtigen van Boekarest, Roemenië), de Minister Finanțelor (ministerie van Financiën, Roemenië), de Preşedinte Agenţiei Naţionale de Administrare Fiscală (directeur van het nationaal bureau van de belastingdienst, Roemenië) en de Agenție Națională de Administrare Fiscală (nationaal bureau van de belastingdienst, Roemenië; hierna: „ANAF”) over een belasting die van Brăila Winds wordt gevorderd ten belope van 80 % van haar inkomsten uit het verschil tussen de gemiddelde maandelijkse verkoopprijs van door haar geproduceerde elektriciteit en de door de nationale wetgever vastgestelde prijs.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

VWEU

3 Artikel 191, lid 2, VWEU luidt als volgt: „De Unie streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de [Europese] Unie. Haar beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt. In dit verband omvatten de aan eisen inzake milieubescherming beantwoordende harmonisatiemaatregelen, in de gevallen die daarvoor in aanmerking komen, een vrijwaringsclausule op grond waarvan de lidstaten om niet-economische milieuredenen voorlopige maatregelen kunnen nemen die aan een toetsingsprocedure van de Unie onderworpen zijn.”

Richtlijn 2019/944

4 Artikel 1 van richtlijn 2019/944 („Onderwerp”) bepaalt in de eerste en de tweede alinea: „Bij deze richtlijn worden, met het oog op het scheppen van echt geïntegreerde, concurrerende, consumentgerichte en flexibele, eerlijke en transparante elektriciteitsmarkten in de Unie, gemeenschappelijke regels vastgesteld voor de productie, de transmissie, de distributie, de energieopslag en de levering van elektriciteit, alsook regels voor de bescherming van de consumenten. Steunend op de voordelen van een geïntegreerde markt, is deze richtlijn erop gericht de consument betaalbare, transparante energieprijzen en -kosten, een hoge mate van voorzieningszekerheid en een soepele overgang naar een duurzaam koolstofarm energiesysteem te bieden. [...]”

5 Artikel 9 van die richtlijn („Openbaredienstverplichtingen”) bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Onverminderd lid 2 waarborgen de lidstaten op basis van hun institutionele organisatie en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel dat elektriciteitsbedrijven, volgens de beginselen van deze richtlijn werken met het oog op de totstandbrenging van een door concurrentie gekenmerkte, zekere en in milieuopzicht duurzame elektriciteitsmarkt; wat hun rechten en plichten betreft, mogen zij deze bedrijven niet verschillend behandelen. 2. Met volledige inachtneming van de toepasselijke bepalingen van het VWEU, en met name artikel 106, mogen de lidstaten in het algemeen economisch belang aan elektriciteitsbedrijven openbaredienstverplichtingen opleggen, die betrekking kunnen hebben op de zekerheid, waaronder de voorzieningszekerheid, de regelmaat, de kwaliteit en de prijs van de leveringen zijn begrepen, alsmede op de bescherming van het milieu, met inbegrip van energie-efficiëntie, energie uit hernieuwbare bronnen en bescherming van het klimaat. Deze verplichtingen zijn duidelijk gedefinieerd, transparant, niet-discriminerend en controleerbaar en waarborgen de gelijke toegang voor elektriciteitsbedrijven van de Unie tot nationale consumenten [...]. Openbaredienstverplichtingen die verband houden met de prijsstelling voor de levering van elektriciteit voldoen aan de vereisten van artikel 5 van deze richtlijn.”

6 Artikel 58 van die richtlijn („Algemene doelstellingen van de regulerende instantie”) luidt: „Bij de uitvoering van de in deze richtlijn omschreven reguleringstaken neemt de regulerende instantie, in nauw overleg met de andere betrokken nationale instanties, waaronder de mededingingsautoriteiten, alsook instanties, met inbegrip van regulerende instanties, van naburige lidstaten en, in voorkomend geval, naburige derde landen, en zonder dat wordt geraakt aan hun bevoegdheden, alle redelijke maatregelen om de volgende doelstellingen te bereiken binnen het kader van haar taken en bevoegdheden zoals vastgesteld in artikel 59: a) de bevordering, in nauwe samenwerking met de regulerende instanties van andere lidstaten, de Commissie en [het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators], van een door concurrentie gekenmerkte, flexibele, zekere en vanuit milieuoogpunt duurzame interne markt voor elektriciteit binnen de Unie en van een daadwerkelijke openstelling van de markt voor alle afnemers en leveranciers in de Unie, en waarborging dat elektriciteitsnetten op een doeltreffende en betrouwbare manier werken, rekening houdend met doelstellingen op lange termijn; [...] c) het opheffen van alle beperkingen voor handel in elektriciteit tussen de lidstaten, inclusief de ontwikkeling van afdoende grensoverschrijdende transmissiecapaciteit om aan de vraag te voldoen en de integratie van nationale markten te versterken, hetgeen de elektriciteitsstromen in de Unie kan faciliteren; [...]”.

Verordening 2021/1119

7 Artikel 1 van verordening 2021/1119 („Onderwerp en toepassingsgebied”) bepaalt: „In deze verordening wordt een kader vastgesteld voor de onomkeerbare en geleidelijke reductie van antropogene broeikasgasemissies per bron, en de verbetering van verwijderingen per put van broeikasgassen, die in het Unierecht worden geregeld. Deze verordening bevat een bindende doelstelling inzake klimaatneutraliteit in de Unie uiterlijk in 2050 met het oog op het halen van de temperatuurdoelstelling op lange termijn die is vastgesteld in artikel 2, lid 1, punt a), van de Overeenkomst van Parijs [inzake klimaatverandering, die door de Unie is geratificeerd bij besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB 2016, L 282, blz. 1)], en biedt een kader om vooruitgang te boeken bij de verwezenlijking van de in artikel 7 van de Overeenkomst van Parijs vastgestelde mondiale doelstelling inzake aanpassing aan de klimaatverandering. Deze verordening bevat ook een bindende klimaatdoelstelling op Unieniveau voor de nettoreductie van broeikasgasemissies in de Unie voor 2030. [...]”

8 Artikel 2 van deze verordening („Doelstelling inzake klimaatneutraliteit”) luidt: „1. De in het Unierecht geregelde emissies en verwijderingen van broeikasgassen in de hele Unie zijn uiterlijk in 2050 binnen de Unie in evenwicht, zodat de netto-uitstoot tegen die datum tot nul kan worden herleid, en de Unie streeft daarna naar negatieve emissies. 2. De relevante instellingen van de Unie en de lidstaten nemen de nodige maatregelen, respectievelijk op het niveau van de Unie en op nationaal niveau, om de collectieve verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstelling inzake klimaatneutraliteit mogelijk te maken, rekening houdend met het belang van het bevorderen van zowel rechtvaardigheid en solidariteit tussen de lidstaten als kosteneffectiviteit bij het verwezenlijken van deze doelstelling.”

9 Artikel 5 van deze verordening („Aanpassing aan de klimaatverandering”) bepaalt in lid 1: „De desbetreffende instellingen van de Unie en de lidstaten zorgen voor voortdurende vooruitgang bij het vergroten van het vermogen tot aanpassing aan, en het versterken van de veerkracht en het verminderen van de kwetsbaarheid voor, klimaatverandering, overeenkomstig artikel 7 van de Overeenkomst van Parijs.”

10 Artikel 7 van deze verordening („Beoordeling van nationale maatregelen”) luidt: „1. Uiterlijk op 30 september 2023, en vervolgens om de vijf jaar, beoordeelt de Commissie: a) de mate waarin de nationale maatregelen die, op basis van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, de nationale langetermijnstrategieën en de tweejaarlijkse voortgangsverslagen die zijn ingediend overeenkomstig verordening (EU) 2018/1999 [van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2018, L 328, blz. 1)], als relevant zijn aangemerkt voor de verwezenlijking van de in artikel 2, lid 1, van de onderhavige verordening vastgelegde doelstelling inzake klimaatneutraliteit, stroken met die doelstelling; b) de mate waarin de relevante nationale maatregelen stroken met het waarborgen dat vooruitgang wordt geboekt op het gebied van aanpassing als bedoeld in artikel 5, rekening houdend met de in artikel 5, lid 4, bedoelde nationale aanpassingsstrategieën. [...] 2. Indien de Commissie, met inachtneming van de overeenkomstig artikel 6, lid 1, beoordeelde collectieve vooruitgang, vaststelt dat de maatregelen van een lidstaat niet stroken met de in artikel 2, lid 1 bedoelde doelstelling inzake klimaatneutraliteit of niet in voldoende mate stroken met het waarborgen dat de in artikel 5 bedoelde vooruitgang op het gebied van aanpassing wordt geboekt, kan zij aanbevelingen aan die lidstaat doen. De Commissie maakt dergelijke aanbevelingen openbaar. 3. Indien overeenkomstig lid 2 aanbevelingen worden uitgebracht, zijn de volgende beginselen van toepassing: a) de betrokken lidstaat meldt de Commissie uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanbevelingen hoe hij voornemens is terdege rekening te houden met de aanbevelingen in een geest van solidariteit tussen de lidstaten en de Unie en tussen de lidstaten onderling; b) nadat de in dit lid, punt a), bedoelde melding is ingediend, zet de betreffende lidstaat in zijn volgende overeenkomstig artikel 17 van verordening [2018/1999] ingediende geïntegreerde nationale energie- en klimaatvoortgangsverslag, dat is opgesteld in het jaar volgend op het jaar dat de aanbevelingen werden gedaan, uiteen hoe hij terdege rekening heeft gehouden met de aanbevelingen; Indien de betrokken lidstaat besluit geen gevolg te geven aan de aanbevelingen of een aanzienlijk deel daarvan, deelt deze lidstaat de motieven daarvoor aan de Commissie mede; [...]”

Richtlijn 2008/118

11 Artikel 1 van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG (PB 2008, L 9, blz. 12, met rectificatie in PB 2011, L 261, blz. 32), luidde: „1. Bij deze richtlijn wordt de algemene regeling vastgesteld ter zake van de directe of indirecte heffing van accijns op het verbruik van de volgende goederen, hierna ‚accijnsgoederen’ genoemd: a) energieproducten en elektriciteit vallende onder richtlijn 2003/96/EG [van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB 2003, L 283, blz. 51)]; [...] 2. De lidstaten kunnen op accijnsgoederen nog andere indirecte belastingen met specifieke doeleinden heffen, mits daarbij de communautaire belastingvoorschriften inzake de accijns of de btw in acht worden genomen wat betreft de vaststelling van de maatstaf van heffing en de berekening, de verschuldigdheid en de controle van de belasting, met dien verstande dat de bepalingen betreffende vrijstellingen niet tot die belastingvoorschriften behoren. [...]”

Richtlijn 2003/96

12 Artikel 1 van richtlijn 2003/96 luidt als volgt: „De lidstaten heffen belasting op energieproducten en elektriciteit overeenkomstig deze richtlijn.”

13 Artikel 4 van deze richtlijn bepaalt: „1. De belastingniveaus die de lidstaten toepassen op de in artikel 2 genoemde energieproducten en op elektriciteit, mogen niet onder de bij deze richtlijn voorgeschreven minimumbelastingniveaus liggen. 2. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder ‚belastingniveau’ verstaan het totaal van alle geheven indirecte belastingen (btw uitgezonderd), rechtstreeks of niet-rechtstreeks berekend over de hoeveelheid energieproducten en elektriciteit op het tijdstip van uitslag tot verbruik.”

Roemeens recht

14 Artikel II van Lege nr. 259/2021 pentru aprobarea Ordonanței de urgență a Guvernului nr. 118/2021 privind stabilirea unei scheme de compensare pentru consumul de energie electrică și gaze naturale pentru sezonul rece 2021‑2022, precum și pentru completarea Ordonanței Guvernului nr. 27/1996 privind acordarea de facilități persoanelor care domiciliază sau lucrează în unele localități din Munții Apuseni și în Rezervația Biosferei „Delta Dunării” (wet nr. 259/2021 houdende goedkeuring van noodverordening nr. 118/2021 van de regering tot vaststelling van een subsidieregeling voor het verbruik van elektriciteit en aardgas voor het koude seizoen 2021/2022, alsmede tot aanvulling van wetbesluit nr. 27/1996 van de regering betreffende het verlenen van faciliteiten aan personen die wonen of werken in bepaalde plaatsen in het Apusenigebergte en in het biosfeerreservaat van de Donaudelta), van 29 oktober 2021 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 1036 van 29 oktober 2021), zoals gewijzigd bij ordonanție de urgență a Guvernului nr. 11/2022 privind modificarea și completarea Legii nr. 259/2021 (noodverordening nr. 11/2022 van de regering tot wijziging en aanvulling van wet nr. 259/2021) van 16 februari 2022 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 163 van 17 februari 2022) (hierna: „wet nr. 259/2021”), bepaalt: „1. Gedurende de periode waarin de bepalingen van [noodverordening nr. 118/2021], zoals gewijzigd en aangevuld bij deze wet, van toepassing zijn, worden de extra inkomsten van elektriciteitsproducenten als gevolg van het verschil tussen de gemiddelde maandelijkse verkoopprijs van elektriciteit en de prijs van [450 Roemeense leu (RON) (ongeveer 89 EUR) per megawattuur (MWh)], belast tegen 80 %. 2. Producenten van elektriciteit uit fossiele brandstoffen, waaronder uit warmtekrachtkoppeling, zijn vrijgesteld van de bepalingen van lid 1. 2 bis. De in lid 1 bedoelde belasting wordt maandelijks aangegeven en betaald door de elektriciteitsproducenten, met uitzondering van de in lid 2 bedoelde producenten, uiterlijk op de 25e van de maand volgend op de maand waarvoor deze belasting verschuldigd is. Deze belasting wordt aan de staatsbegroting betaald op een afzonderlijke rekening voor begrotingsontvangsten. 2 ter. In afwijking van lid 2 bis wordt de in lid 1 bedoelde belasting die verschuldigd is over de periode van 1 november tot en met 31 december 2021, uiterlijk op 25 januari 2022 aangegeven en betaald.”

15 Artikel III, lid 3, van noodverordening nr. 11/2022 van de regering tot wijziging en aanvulling van wet nr. 259/2021 luidt: „Producenten van elektriciteit uit biomassa zijn vrijgesteld van de bepalingen van artikel II, lid 1, van wet nr. 259/2021 [...] ten aanzien van extra inkomsten die na 1 januari 2022 zijn verkregen.”

16 Artikel I van ordin președintelui ANAF nr. 64/2022 privind aplicarea prevederilor articolului II din [Legea nr. 259/2021], precum și privind modificarea și completarea Ordinului președintelui [ANAF] nr. 587/2016 pentru aprobarea modelului și conținutului formularelor utilizate pentru declararea impozitelor și taxelor cu regim de stabilire prin autoimpunere sau reținere la sursă (besluit nr. 64/2022 van de directeur van het ANAF inzake de toepassing van de bepalingen van artikel II van wet nr. 259/2021 en tot wijziging en aanvulling van besluit nr. 587/2016 van de directeur van het [ANAF] houdende goedkeuring van het model en de inhoud van de formulieren die worden gebruikt voor de aangifte van belastingen en heffingen die vallen onder de verleggingsregeling of bronbelasting) van 18 januari 2022 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 55 van 19 januari 2022) (hierna: „besluit nr. 64/2022”) luidt als volgt: „De belasting op de extra inkomsten van elektriciteitsproducenten wordt berekend voor de periode van 1 november 2021 tot en met 31 maart 2022.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17 Verzoekster in het hoofdgeding, Brăila Winds, is een dochteronderneming van de groep Engie in Roemenië. Zij produceert elektriciteit door middel van een windkrachtcentrale in het district Brăila (Roemenië).

18 Bij artikel II van wet nr. 259/2021 is met ingang van 1 november 2021 een belasting van 80 % ingevoerd over de in lid 1 van dat artikel bedoelde inkomsten van elektriciteitsproducenten als gevolg van het verschil tussen de gemiddelde maandelijkse verkoopprijs van elektriciteit en de prijs van 450 RON per MWh. Producenten van elektriciteit uit fossiele brandstoffen, waaronder uit warmtekrachtkoppeling, en, vanaf 1 januari 2022, producenten van elektriciteit uit biomassa zijn echter vrijgesteld van deze belasting.

19 Wet nr. 259/2021, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, is het resultaat van verschillende wijzigingen die in de loop van 2021 en 2022 zijn aangebracht bij noodverordeningen van de regering die betrekking hadden op de wijze van betaling van deze belasting. Bovendien is op 19 januari 2022 besluit nr. 64/2022 in werking getreden, dat nadere gegevens bevat over de aangifte en de betaling van die belasting, alsmede over het formulier dat daarvoor moet worden gebruikt.

20 Op grond van deze wet en dit besluit heeft verzoekster in het hoofdgeding, als producent van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, belastingaangiften en rectificerende aangiften ingediend en overeenkomstig die aangiften een totaalbedrag van 11643217 RON (ongeveer 2356926,52 EUR) aan belastingen betaald voor de periode van november 2021 tot en met maart 2022.

21 Vervolgens heeft verzoekster in het hoofdgeding bij het ANAF, ten eerste, een bezwaar ingediend waarbij zij nietigverklaring van besluit nr. 64/2022 vorderde en, ten tweede, een bezwaar tegen de belastingaangiften op grond waarvan zij de betrokken belasting had betaald. Deze twee bezwaren werden afgewezen bij twee besluiten van dit bureau, respectievelijk van 16 maart en 23 maart 2022. Wat de nietigverklaring van besluit nr. 64/2022 betreft, heeft het ANAF in wezen geoordeeld dat dit besluit uitvoering gaf aan de bij wet nr. 259/2021 ingevoerde belasting en dat deze wettelijke bepalingen dus niet door middel van een administratief bezwaar ter discussie konden worden gesteld.

22 Op 27 april 2022 heeft verzoekster in het hoofdgeding beroep ingesteld bij de Curte de Apel București (belastingrechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië), de verwijzende rechter, waarmee zij de rechtmatigheid van besluit nr. 64/2022 en van de op basis daarvan opgestelde belastingaangiften betwist op grond dat de bij artikel II van wet nr. 259/2021 ingevoerde belasting zelf onrechtmatig is. In dit verband voert zij voor deze rechter aan dat deze belasting producenten van energie uit hernieuwbare bronnen discrimineert en in strijd is met het beginsel van billijke verdeling van de belastingdruk, het beginsel van voorkoming van dubbele belasting en het verbod van terugwerkende kracht en het beginsel van voorzienbaarheid van de belasting, waaruit het beginsel van fiscale neutraliteit, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen voortvloeien. Zij voert tevens aan dat deze belasting onrechtmatige staatssteun vormt die in strijd met artikel 107, lid 1, VWEU is toegekend aan producenten van elektriciteit uit fossiele brandstoffen, waaronder uit warmtekrachtkoppeling, en aan producenten van elektriciteit uit biomassa, dat zij in strijd met de artikelen 49 en 56 VWEU belemmeringen voor het vrij verrichten van diensten oplevert en dat zij in strijd is met de doelstellingen van de Unie inzake klimaatneutraliteit tegen 2050, met het Europese beleid inzake energiebelasting en met richtlijn 2019/944. Het ANAF concludeert tot verwerping van dit beroep op grond dat de bestreden nationale handelingen in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen op grond waarvan zij zijn vastgesteld en die op dat moment van kracht waren.

23 De verwijzende rechter is van oordeel dat de beantwoording van verschillende vragen noodzakelijk is voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding. Zo wenst deze rechter met zijn eerste vraag te vernemen of wet nr. 259/2021, die tot gevolg heeft dat de inkomsten van bepaalde elektriciteitsproducenten extra worden belast, kan worden aangemerkt als „staatssteun” ten gunste van niet-belaste elektriciteitsproducenten, welke steun krachtens artikel 108, lid 3, VWEU bij de Commissie had moeten worden aangemeld, zoals verzoekster voor hem aanvoert. Deze rechter vraagt zich in het bijzonder af of het criterium van het selectieve voordeel vervuld is, gelet op het feit dat deze wet niet van toepassing is op alle categorieën elektriciteitsproducenten.

24 De tweede vraag van de verwijzende rechter heeft betrekking op de eventuele gevolgen van wet nr. 259/2021 voor de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, voor zover deze wet de groep Engie kan ontmoedigen om de productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen op het grondgebied van Roemenië verder te zetten vanwege het hoge bedrag van de bij deze wet ingevoerde belasting. Het grensoverschrijdende element bestaat in casu in het feit dat Brăila Winds deel uitmaakt van deze groep die haar zetel in Parijs (Frankrijk) heeft. Hoewel deze vraag betrekking heeft op de uitlegging van zowel artikel 49 als artikel 56 VWEU, erkent de verwijzende rechter dat de vrijheid van dienstverrichting subsidiair is ten opzichte van de vrijheid van vestiging, maar dat beide vrijheden door verzoekster in het hoofdgeding worden ingeroepen. Bovendien is de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belasting weliswaar op niet-discriminerende wijze van toepassing op ingezeten en niet-ingezeten producenten, maar uit de rechtspraak van het Hof volgt niettemin dat op basis van die omstandigheid op zich niet kan worden geoordeeld dat wet nr. 259/2021 niet in strijd is met deze bepalingen van het VWEU. In casu rijst met name de vraag of een dergelijke regeling kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang en of zij evenredig is.

25 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de bij wet nr. 259/2021 ingevoerde belasting kan worden aangemerkt als een maatregel van gelijke werking als een vaststelling van de verkoopprijs of als een beperking van de vrijheid om de verkoopprijs van elektriciteit vast te stellen, in strijd met de bepalingen van richtlijn 2019/944 en in het bijzonder met artikel 58, onder c), ervan, betreffende de verplichting van de nationale regulerende instantie om alle beperkingen voor de handel in elektriciteit tussen de lidstaten op te heffen, gelezen in samenhang met artikel 9 van deze richtlijn, voor zover dit artikel rechtstreekse werking heeft. In dit verband preciseert de verwijzende rechter dat verzoekster in het hoofdgeding betoogt dat de in casu aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling de vrije mededinging op de elektriciteitsmarkt vervalst, doordat zij voor bepaalde producenten extra kosten meebrengt, de voorzieningszekerheid vermindert en de prijsvorming naargelang van de wisselwerking tussen vraag en aanbod verhindert. Derhalve moet worden nagegaan of deze wettelijke regeling verenigbaar is met dat artikel 9, voor zover voor de verwijzende rechter is aangevoerd dat deze regeling noch geschikt is voor het nagestreefde doel, noch evenredig is.

26 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, alsmede de beginselen dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en dat de vervuiler betaalt, zoals neergelegd in artikel 191, lid 2, VWEU, waarop verzoekster in het hoofdgeding zich voor hem heeft beroepen, rechtstreekse werking hebben en of zij worden geschonden door de invoering van een belasting die geldt voor producenten van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, met uitsluiting van producenten van elektriciteit uit fossiele brandstoffen. Hij wijst er bovendien op dat verzoekster in het hoofdgeding ook aanvoert dat deze belasting in strijd is met richtlijn 2003/96 en met de doelstellingen van de Unie op het gebied van klimaatneutraliteit.

27 In deze context heeft de Curte de Apel București de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten de bepalingen van de artikelen 107 en 108 VWEU aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling zoals de regeling die is ingevoerd bij [wet nr. 259/2021], op grond waarvan slechts aan bepaalde elektriciteitsproducenten een belasting wordt opgelegd, staatssteun voor de vrijgestelde entiteiten vormt waarvoor een aanmeldingsverplichting geldt? Is een dergelijke regeling discriminerend indien zij slechts geldt voor bepaalde producenten van elektriciteit, waaronder die van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen? 2) Moeten de bepalingen van respectievelijk de artikelen 49 en 56 VWEU en van artikel 17 van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling zoals de regeling die is ingevoerd bij wet nr. 259/2021, op grond waarvan slechts aan bepaalde producenten van elektriciteit (waaronder die van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen), met uitsluiting van andere categorieën producenten, een hoge belasting wordt opgelegd? 3) Staat richtlijn [2019/944] in de weg aan een nationale regeling, zoals de regeling die is ingevoerd bij wet nr. 259/2021, die gelijkwaardig kan zijn aan een vaststelling van de verkoopprijs/een beperking van de vrijheid om die prijs vast te stellen? 4) Staan de bepalingen van artikel 191, lid 2, VWEU inzake het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen aan de bron moeten worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt, in de weg aan een nationale regeling zoals de regeling die is ingevoerd bij wet nr. 259/2021? Komen de Europese doelstellingen om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn en het Uniebeleid op het gebied van energiebelasting hierdoor niet in het gedrang?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Bevoegdheid van het Hof en ontvankelijkheid

28 Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de in artikel 267 VWEU geregelde procedure een samenwerkingsinstrument is voor het Hof en de nationale rechters, door middel waarvan het Hof de nationale rechters de gegevens voor de uitlegging van het Unierecht verschaft, die zij nodig hebben voor de beslechting van bij hen aanhangige gedingen (zie beschikking van 26 januari 1990, Falciola, C‑286/88, EU:C:1990:33, punt 7). De rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing is niet gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de daadwerkelijke beslechting van een geding (zie arresten van 16 december 1981, Foglia, 244/80, EU:C:1981:302, punt 18, en 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Bij een prejudiciële procedure moet dus sprake zijn van een zodanig verband tussen dat geding en de bepalingen van Unierecht waarvan om uitlegging wordt verzocht, dat die uitlegging objectief noodzakelijk is voor de door de verwijzende rechter te nemen beslissing (arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 De nationale rechter dient wegens het vereiste om tot een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht te komen een omschrijving te geven van het feitelijke en wettelijke kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of ten minste de feiten uiteen te zetten waarop die vragen zijn gebaseerd (zie arrest van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a., C‑320/90–C‑322/90, EU:C:1993:26, punt 6). Zo heeft het Hof geoordeeld dat het onontbeerlijk is dat de nationale rechter een minimum aan uitleg geeft over de redenen voor de keuze van de bepalingen van het Unierecht waarvan hij om uitlegging verzoekt en over het verband tussen die bepalingen en de nationale regeling die van toepassing is op het geding (zie beschikking van 28 juni 2000, Laguillaumie, C‑116/00, EU:C:2000:350, punt 16, en arrest van 12 september 2024, Syndyk Masy Upadłości A, C‑709/22, EU:C:2024:741, punt 70).

31 In dit verband moet worden benadrukt dat de gegevens in de verwijzingsbeslissingen ten eerste het Hof in staat moeten stellen een nuttig antwoord te geven op de vragen van de nationale rechter, en ten tweede de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbenden in staat moeten stellen het hun bij artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verleende recht uit te oefenen om opmerkingen in te dienen. Het Hof dient erop toe te zien dat dit recht gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat ingevolge deze bepaling alleen de verwijzingsbeslissingen ter kennis van de belanghebbenden worden gebracht (zie in die zin arrest van 2 september 2021, Irish Ferries, C‑570/19, EU:C:2021:664, punt 134 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Deze cumulatieve vereisten met betrekking tot de inhoud van een verwijzingsbeslissing staan uitdrukkelijk vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, en de verwijzende rechter wordt in het kader van de door artikel 267 VWEU ingestelde samenwerking geacht deze te kennen en nauwgezet na te leven. Deze vereisten zijn bovendien ook vermeld in de punten 13, 15 en 16 van de aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB C, C/2024/6008) [zie in die zin arrest van 12 september 2024, Presidenza del Consiglio dei ministri e.a. (Vergoeding van honoraire magistraten), C‑548/22, EU:C:2024:730, punt 29].

33 Wat in de eerste plaats de eerste vraag betreft, waarmee de verwijzende rechter in essentie wenst te vernemen of de artikelen 107 en 108 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale regeling op grond waarvan enkel bepaalde elektriciteitsproducenten onderworpen zijn aan een belasting op inkomsten die een bepaald bedrag overschrijden, aan de aanmeldingsverplichting onderworpen staatssteun vormt ten gunste van producenten die daarvan zijn vrijgesteld, moet worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak een nationale maatregel slechts als „staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan worden aangemerkt wanneer is voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden. Ten eerste moet het gaan om een maatregel van de staat of een maatregel die met staatsmiddelen is bekostigd. Ten tweede moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Ten derde moet de maatregel de begunstigde een selectief voordeel verschaffen. Ten vierde moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (arrest van 26 april 2018, ANGED, C‑233/16, EU:C:2018:280, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Om met name te beoordelen of de betrokken nationale maatregel de begunstigden ervan een selectief voordeel verschaft, moet worden nagegaan of die maatregel binnen het kader van een bepaalde juridische regeling „bepaalde ondernemingen of bepaalde producties” kan begunstigen ten opzichte van andere ondernemingen of productietakken die zich uit het oogpunt van de met die regeling nagestreefde doelstelling in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden, waardoor zij een verschillende behandeling ondergaan die in wezen als discriminerend kan worden aangemerkt (arresten van 16 maart 2017, Identi, C‑493/15, EU:C:2017:219, punt 26, en 5 december 2023, Luxemburg e.a./Commissie, C‑451/21 P en C‑454/21 P, EU:C:2023:948, punt 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien is de afbakening van het referentiekader nog belangrijker bij belastingmaatregelen, daar het bestaan van een economisch voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU slechts ten opzichte van een „normale” belasting kan worden vastgesteld (arrest van 7 november 2019, UNESA e.a., C‑105/18–C‑113/18, EU:C:2019:935, punt 62).

35 In casu heeft de verwijzende rechter niet uitgelegd waarom hij van mening is dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling onverenigbaar kan zijn met de bepalingen van artikel 107, lid 1, VWEU. Bovendien bevat het verzoek om een prejudiciële beslissing evenmin de gegevens die nodig zijn om te bepalen of de bij deze wettelijke regeling ingevoerde belastingregeling „staatssteun” in de zin van die bepalingen kan vormen. Zo is het met name niet mogelijk om het in het hoofdgeding aan de orde zijnde referentiestelsel vast te stellen, te weten de „normale” belasting die wordt opgelegd aan de elektriciteitsproducenten, het doel, de aard en de structuur van dat stelsel, de vergelijkbaarheid tussen de aan de betrokken belasting onderworpen elektriciteitsproducenten en de van die belasting vrijgestelde elektriciteitsproducenten en, in voorkomend geval, de eventuele rechtvaardiging van hun verschil in behandeling.

36 Aangezien het Hof niet beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de eerste vraag, moet deze vraag niet-ontvankelijk worden verklaard.

37 Wat in de tweede plaats de tweede vraag betreft, die ziet op de uitlegging van de artikelen 49 en 56 VWEU en artikel 17 van het Handvest, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de verwijzende rechter in het kader van deze vraag wenst te vernemen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling een met de artikelen 49 en 56 VWEU strijdige indirecte discriminatie oplevert voor zover zij betrekking heeft op personen, zoals verzoekster in het hoofdgeding, die deel uitmaken van een groep waarvan de moedermaatschappij in een andere lidstaat is gevestigd. In het bijzonder wijst de verwijzende rechter erop dat deze regeling tot gevolg zou kunnen hebben dat deze groep wordt ontmoedigd om de productie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen op het grondgebied van Roemenië verder te zetten.

38 Ten eerste moet worden opgemerkt dat in casu de moedermaatschappij van die groep, die in een andere lidstaat is gevestigd, geen partij is in het hoofdgeding en dat de verwijzende rechter niet uitlegt in welk opzicht hij in het kader van het bij hem aanhangige geding – dat betrekking heeft op de rechtmatigheid van de belasting die alleen aan verzoekster in het hoofdgeding, een dochteronderneming van deze moedermaatschappij, is opgelegd – ertoe zou kunnen worden gebracht de gevolgen van deze belasting voor die moedermaatschappij te beoordelen en daaraan in voorkomend geval eventuele consequenties te verbinden.

39 Voor zover de tweede vraag aldus zou kunnen worden opgevat dat zij betrekking heeft op een hypothese die niet overeenkomt met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde feitelijke situatie, namelijk het bestaan van eventuele beperkingen van de in de artikelen 49 en 56 VWEU bedoelde vrijheden die zouden kunnen worden gesteld aan de moedermaatschappij van verzoekster in het hoofdgeding, moet bijgevolg worden vastgesteld dat deze vraag hypothetisch is en derhalve niet-ontvankelijk (zie naar analogie arrest van 5 juni 2025, Elektrorazpredelitelni mrezhi Zapad, C‑310/24, EU:C:2025:406, punt 44).

40 Wat ten tweede het bestaan van een eventuele beperking van bovengenoemde vrijheden betreft die verzoekster in het hoofdgeding zelf zou kunnen ondervinden, zij eraan herinnerd dat het Hof in het kader van een prejudiciële procedure de taak heeft om de verwijzende rechter bij te staan bij de beslechting van het bij hem aanhangige concrete geding, hetgeen inhoudt dat wordt aangetoond dat de door die rechter ingeroepen vrijheden van toepassing zijn op dat geding. De bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting zijn niet van toepassing op een situatie waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen (zie in die zin arresten van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C‑268/15, EU:C:2016:874, punten 47 en 49, en 2 maart 2023, Bursa Română de Mărfuri, C‑394/21, EU:C:2023:146, punt 48).

41 Bovendien kan het Hof, wanneer het door een nationale rechter is aangezocht in het kader van een geding over een dergelijke situatie, en deze rechter alleen aangeeft dat de bij hem aan de orde zijnde nationale regeling zonder onderscheid geldt voor onderdanen van de betrokken lidstaat en onderdanen van andere lidstaten, niet oordelen dat het verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van de bepalingen van het VWEU die zien op de fundamentele vrijheden, voor die rechter noodzakelijk is voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak. De specifieke aspecten waaruit blijkt dat er een verband bestaat tussen het voorwerp of de omstandigheden van een geding, waarvan alle aspecten zich binnen de betrokken lidstaat afspelen, en de artikelen 49 en 56 VWEU moeten immers naar voren komen uit de verwijzingsbeslissing, zodat het Hof een aanknopingspunt met die Unierechtelijke bepalingen kan vaststellen (zie in die zin arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C‑268/15, EU:C:2016:874, punten 54 en 55).

42 In casu blijken dergelijke specifieke aspecten niet uit de verwijzingsbeslissing, aangezien de verwijzende rechter enkel aangeeft dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling zonder onderscheid van toepassing is op zowel eigen onderdanen als onderdanen van andere lidstaten. Het enkele feit dat verzoekster in het hoofdgeding een dochteronderneming is van een moedermaatschappij die in een andere lidstaat dan Roemenië is gevestigd, is een ontoereikende aanwijzing wat het eventuele bestaan van het in het vorige punt van dit arrest bedoelde aanknopingspunt betreft.

43 Wat ten derde en ten slotte artikel 17 van het Handvest betreft, waarin het recht op eigendom is neergelegd, zij eraan herinnerd dat de bepalingen van het Handvest ingevolge artikel 51, lid 1, ervan uitsluitend aan de lidstaten zijn gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Om te bepalen of een nationale maatregel „het recht van de Unie ten uitvoer brengt” in de zin van dat artikel 51, lid 1, moet onder meer worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijne nationale regeling de uitvoering van een Unierechtelijke bepaling beoogt, wat de aard van deze regeling is en of zij niet andere doelstellingen nastreeft dan die waarop het Unierecht ziet, ook al zou die regeling dit recht indirect kunnen beïnvloeden, en of er een Unierechtelijke regeling bestaat die specifiek is voor deze materie of deze kan beïnvloeden (zie in die zin arrest van 5 mei 2022, BPC Lux 2 e.a., C‑83/20, EU:C:2022:346, punten 25‑27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 In casu bevat de verwijzingsbeslissing echter geen enkel element op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het hoofdgeding betrekking heeft op een nationale regeling die het Unierecht ten uitvoer brengt in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest. Hieruit volgt dat het Hof niet bevoegd is om uitspraak te doen over de uitlegging van artikel 17 van het Handvest.

45 Gelet op het voorgaande is de tweede vraag in haar geheel niet-ontvankelijk.

Ten gronde

Derde vraag

46 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of richtlijn 2019/944 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling die producenten van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen onderwerpt aan een belasting over de inkomsten uit de verkoop van hun elektriciteit boven een bepaalde, in die regeling vastgestelde prijs.

47 In dit verband stelt richtlijn 2019/944 volgens artikel 1 ervan gemeenschappelijke regels vast voor de productie, de transmissie, de distributie, de energieopslag en de levering van elektriciteit, alsook regels voor de bescherming van de consumenten, met het oog op het scheppen van echt geïntegreerde, concurrerende, consumentgerichte en flexibele, eerlijke en transparante elektriciteitsmarkten in de Unie. Bovendien is deze richtlijn er met name op gericht de consument betaalbare, transparante energieprijzen en -kosten te bieden.

48 Artikel 9, lid 1, van deze richtlijn bepaalt dat de lidstaten dienen te waarborgen dat elektriciteitsbedrijven volgens de in deze richtlijn vastgestelde beginselen werken met het oog op de totstandbrenging van een door concurrentie gekenmerkte, zekere en in milieuopzicht duurzame elektriciteitsmarkt en dat zij deze bedrijven niet verschillend mogen behandelen wat hun rechten en plichten betreft. Artikel 58 van deze richtlijn, dat de aan de regulerende instantie opgedragen algemene doelstellingen opsomt, bepaalt onder c) dat deze instantie alle redelijke maatregelen moet nemen om alle beperkingen voor de handel in elektriciteit tussen de lidstaten op te heffen, inclusief de ontwikkeling van afdoende grensoverschrijdende transmissiecapaciteit om aan de vraag te voldoen en de integratie van nationale markten te versterken.

49 In dit verband wenst de verwijzende rechter te vernemen of een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die bepaalde elektriciteitsproducenten onderwerpt aan een belasting over de inkomsten uit de verkoop van hun elektriciteit boven een bepaalde, in die regeling vastgestelde prijs, in strijd is met richtlijn 2019/944, als maatregel die gelijkwaardig is aan de vaststelling van de verkoopprijs van elektriciteit of aan een beperking van de vrijheid om die prijs vast te stellen, aangezien zij eventueel van invloed kan zijn op de vaststelling van die prijs.

50 Verzoekster in het hoofdgeding voert voor de verwijzende rechter aan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belastingregeling de vrije mededinging op de elektriciteitsmarkt vervalst, doordat zij voor bepaalde producenten extra kosten meebrengt, de voorzieningszekerheid vermindert en de prijsvorming naargelang van de wisselwerking tussen vraag en aanbod verhindert.

51 Opgemerkt zij dat uit de rechtspraak van het Hof over richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG (PB 2009, L 211, blz. 55), die is vervangen door richtlijn 2019/944, blijkt dat eerstgenoemde richtlijn niet strekte tot onderlinge aanpassing van de belastingstelsels van de lidstaten op dit gebied en dat het daarin vastgestelde non-discriminatiebeginsel niet van toepassing was op een regeling van een lidstaat waarbij een belasting werd ingesteld op het opwekken van elektriciteit en de afgifte daarvan aan het elektriciteitsnet op het grondgebied van die lidstaat (zie in die zin arrest van 3 maart 2021, Promociones Oliva Park, C‑220/19, EU:C:2021:163, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 In casu blijkt, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, dat de betrokken bepalingen van wet nr. 259/2021 een belasting invoeren die, althans gedeeltelijk, een begrotingsdoelstelling nastreeft en niet tot doel heeft de levering van elektriciteit te regelen of de bescherming van de consument of van de vrije mededinging te waarborgen.

53 Bovendien lijken de betrokken bepalingen van wet nr. 259/2021 hoe dan ook geen maatregel te vormen die gelijkwaardig is aan een „maatregel tot vaststelling van de verkoopprijs” van elektriciteit of aan een beperking van de vrijheid van elektriciteitsproducenten om hun verkoopprijzen vast te stellen, aangezien het eventuele effect van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde belasting op de verkoopprijzen op zijn minst niet voor de hand liggend en onzeker is, aangezien deze belasting in wezen enkel de winst vermindert die deze producenten uit hun verkoop kunnen halen.

54 Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat richtlijn 2019/944 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling die producenten van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen onderwerpt aan een belasting over de inkomsten uit de verkoop van hun elektriciteit boven een bepaalde, in die regeling vastgestelde prijs.

Vierde vraag

55 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat – zoals ook blijkt uit punt 28 van het onderhavige arrest – volgens vaste rechtspraak het Hof in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, tot taak heeft om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vraag te herformuleren (arrest van 30 april 2025, Inspektorat kam Visshia sadeben savet, C‑313/23, C‑316/23 en C‑332/23, EU:C:2025:303, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56 In casu verwijst de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing met betrekking tot de vierde vraag naar de verenigbaarheid van een nationale regeling als wet nr. 259/2021, gelet op met name de „doelstellingen inzake klimaatneutraliteit tegen 2050” en de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 11 december 2019, met als opschrift „De Europese Green Deal” [COM(2019) 640 final]. Deze Deal is echter slechts een mededeling van de Commissie, die geen bindende werking heeft [zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Litouwen e.a./Parlement en Raad (Mobiliteitspakket), C‑541/20–C‑555/20, EU:C:2024:818, punt 432].

57 De doelstelling van klimaatneutraliteit wordt echter bij verordening 2021/1119 collectief aan de Unie en de lidstaten opgelegd, waarbij artikel 2, lid 1, van deze verordening bepaalt dat de klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050 op het niveau van de Unie moet worden bereikt.

58 Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vierde vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 191, lid 2, VWEU en verordening 2021/1119 zich verzetten tegen een nationale regeling die producenten van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen onderwerpt aan een belasting over de inkomsten uit de verkoop van hun elektriciteit boven een bepaalde, in die regeling vastgestelde prijs, maar producenten van elektriciteit uit fossiele brandstoffen vrijstelt van die belasting.

59 Wat in de eerste plaats artikel 191, lid 2, VWEU betreft, zij eraan herinnerd dat volgens deze bepaling de Unie in haar milieubeleid streeft naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de Unie. Dat beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt. In dit verband omvatten de aan eisen inzake milieubescherming beantwoordende harmonisatiemaatregelen, in de gevallen die daarvoor in aanmerking komen, een vrijwaringsclausule op grond waarvan de lidstaten om niet-economische milieuredenen voorlopige maatregelen kunnen nemen die aan een toetsingsprocedure van de Unie onderworpen zijn.

60 De verwijzende rechter wenst in het bijzonder te vernemen of de in die bepaling neergelegde beginselen rechtstreekse werking hebben en, zo ja, of een belasting als die in het hoofdgeding in strijd is met deze beginselen.

61 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 191, lid 2, VWEU zich ertoe beperkt de algemene doelstellingen van de Unie op milieugebied te omschrijven, terwijl de beslissing over de met het oog op de verwezenlijking van die doelstellingen te nemen maatregelen ingevolge die bepaling toekomt aan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, beslissend volgens de gewone wetgevingsprocedure. Aangezien artikel 191, lid 2, VWEU, die met name het beginsel bevat dat de vervuiler betaalt, tot de Uniewetgever is gericht, kan zij als zodanig dus niet door particulieren worden ingeroepen ter ondersteuning van een verzoek om een nationale regeling als die in het hoofdgeding buiten toepassing te laten in een situatie die door geen enkele op grond van artikel 192 VWEU vastgestelde Unieregeling wordt beheerst (zie in die zin arresten van 4 maart 2015, Fipa Group e.a., C‑534/13, EU:C:2015:140, punten 39 en 40, en 13 juli 2017, Túrkevei Tejtermelő Kft., C‑129/16, EU:C:2017:547, punten 36 en 37).

62 Aangezien de Uniewetgever geen enkele handeling op basis van artikel 192 VWEU heeft vastgesteld die een kader kan vormen voor de vaststelling door de lidstaten van een belasting als die welke bij wet nr. 259/2021 is ingesteld, moet worden vastgesteld dat artikel 191, lid 2, VWEU niet van toepassing is op het hoofdgeding, zodat de vierde vraag niet hoeft te worden onderzocht in het licht van die bepaling.

63 In de tweede plaats moet, met betrekking tot de doelstellingen van klimaatneutraliteit die de Unie zichzelf heeft opgelegd, en met name met betrekking tot verordening 2021/1119, waarin die tegen 2050 te bereiken doelstellingen worden vastgesteld, worden opgemerkt dat deze verordening volgens artikel 1 ervan met name tot doel heeft een kader voor de onomkeerbare en geleidelijke reductie van antropogene broeikasgasemissies en een bindende doelstelling inzake klimaatneutraliteit op het niveau van de Unie.

64 Artikel 2, lid 2, van verordening 2021/1119 bepaalt bovendien dat de lidstaten op nationaal niveau de nodige maatregelen moeten nemen om de collectieve verwezenlijking van de doelstelling inzake klimaatneutraliteit mogelijk te maken. Krachtens artikel 5, lid 1, van die verordening moeten de desbetreffende instellingen van de Unie en de lidstaten zorgen voor voortdurende vooruitgang bij het vergroten van het vermogen tot aanpassing aan, en het versterken van de veerkracht en het verminderen van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering. Volgens artikel 7 van verordening 2021/1119 moet de Commissie regelmatig de mate beoordelen waarin de nationale maatregelen die op basis van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, de nationale langetermijnstrategieën en de tweejaarlijkse voortgangsverslagen als relevant zijn aangemerkt, stroken met de doelstelling inzake klimaatneutraliteit. Indien deze instelling vaststelt dat de maatregelen van een lidstaat niet stroken met die doelstelling of onvoldoende waarborgen dat de in artikel 5 ervan bedoelde vooruitgang op het gebied van aanpassing wordt geboekt, kan zij aanbevelingen doen aan de lidstaat in kwestie, die de Commissie dan moet melden hoe hij voornemens is terdege daarmee rekening te houden en om in de loop van het daaropvolgende jaar uiteen te zetten hoe hij daarmee rekening heeft gehouden. Indien de betrokken lidstaat besluit geen gevolg te geven aan de aanbevelingen of een aanzienlijk deel daarvan, moet hij de motieven daarvoor meedelen aan deze instelling.

65 Zowel uit de bewoordingen van de bepalingen van verordening 2021/1119, met name de artikelen 2, 5 en 7 ervan, als uit de daarmee nagestreefde doelstelling inzake klimaatneutraliteit, blijkt dus dat deze verordening de lidstaten enkel verplicht om een algemene strategie op te stellen om die doelstelling te verwezenlijken.

66 Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft benadrukt, moet een concrete maatregel van een lidstaat in dat opzicht immers worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van de situatie waarin hij is vastgesteld en van alle maatregelen die de betrokken lidstaat heeft genomen om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstelling inzake klimaatneutraliteit op het niveau van de Unie. Een regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, kan op zich evenwel geen beslissende invloed hebben op de verwezenlijking van een dergelijke doelstelling en kan evenmin tot gevolg hebben dat de lidstaat die deze regeling heeft vastgesteld, daardoor de verplichting niet nakomt om de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om dat gemeenschappelijke doel te verwezenlijken, met name gelet op het feit dat de toepassing van deze regeling in de tijd beperkt is en geen significante invloed lijkt te kunnen hebben op de emissie van broeikasgassen.

67 Bijgevolg moet op de vierde vraag worden geantwoord dat verordening 2021/1119 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling die producenten van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen onderwerpt aan een belasting over de inkomsten uit de verkoop van hun elektriciteit boven een bepaalde, in die regeling vastgestelde prijs, maar producenten van elektriciteit uit fossiele brandstoffen vrijstelt van die belasting.

Kosten

68 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

1) Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling die producenten van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen onderwerpt aan een belasting over de inkomsten uit de verkoop van hun elektriciteit boven een bepaalde, in die regeling vastgestelde prijs.

2) Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van verordening (EG) nr. 401/2009 en verordening (EU) 2018/1999 („Europese klimaatwet”), moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling die producenten van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen onderwerpt aan een belasting over de inkomsten uit de verkoop van hun elektriciteit boven een bepaalde, in die regeling vastgestelde prijs, maar producenten van elektriciteit uit fossiele brandstoffen vrijstelt van die belasting.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Roemeens.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in