HvJ EU 6 maart 2025, C-471/23, ECLI:EU:C:2025:155
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
6 maart 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Economische, sociale en territoriale cohesie – Eigen middelen van de Europese Unie – Bescherming van de financiële belangen van de Unie – Verordening (EU) nr. 1303/2013 – Artikel 2, punt 10 – Begrip ‚begunstigde’ – Financiële correctie wegens schending van een nationale regeling inzake overheidsopdrachten – Adressaat van een besluit tot toepassing van een financiële correctie – Contractuele vaststelling van de aansprakelijkheid voor deze correctie en verdeling van die aansprakelijkheid tussen de begunstigde van de staatssteun en de beheerder ervan – Deelname aan administratieve en gerechtelijke procedures betreffende dit besluit – Artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie”
In de gevoegde zaken C‑471/23 en C‑477/23,
betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije) bij beslissingen van 13 juli 2023, ingekomen bij het Hof op 25 juli 2023, in de procedures
Obshtina Veliko Tarnovo (C‑471/23),
Obshtina Belovo (C‑477/23)
tegen
Rakovoditel na Upravlyavashtia organ na Operativna programa „Regioni v rastezh” 2014‑2020 (C‑471/23),
Rakovoditel na Upravlyavashtia organ na Operativna programa „Okolna sreda” 2014‑2020 (C‑477/23),
in tegenwoordigheid van:
Varhovna administrativna prokuratura,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: N. Jääskinen, president van de Negende kamer, waarnemend voor de president van de Achtste kamer, M. Gavalec (rapporteur) en J. Passer, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Obshtina Belovo, vertegenwoordigd door A. A. Kecheva,
– Rakovoditel na Upravlyavashtia organ na Operativna programa „Оkolna sreda” 2014‑2020, vertegenwoordigd door G. Simeonova,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Drambozova, C. Ehrbar en J. Hradil als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van, ten eerste, artikel 2, punten 10, 36 en 37, van verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 320, met rectificatie in PB 2016, L 200, blz. 140), zoals gewijzigd bij verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 (PB 2018, L 193, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1303/2013”) en, ten tweede, de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen, het eerste tussen de Obshtina Veliko Tarnovo (gemeente Veliko Tarnovo, Bulgarije) en de Rakovoditel na Upravlyavashtia organ na Operativna programa „Regioni v rastezh” 2014‑2020 (hoofd van de managementautoriteit van het operationele programma „Regio’s in groei” 2014‑2020) (C‑471/23), en het tweede tussen de Obshtina Belovo (gemeente Belovo, Bulgarije) en de Rakovoditel na Upravlyavashtia organ na Operativna programa „Okolna sreda” 2014‑2020 (hoofd van de managementautoriteit van het operationele programma „Milieu” 2014‑2020) (C‑477/23) over de wijze waarop besluiten tot toepassing van een financiële correctie kunnen worden genomen naar aanleiding van onregelmatigheden die zijn vastgesteld bij de uitvoering van door middelen van de Europese Unie medegefinancierde projecten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 1370/2007
3 De overwegingen 5, 33 en 36 van verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PB 2007, L 315, blz. 1) luiden als volgt: „(5) […] Indien lidstaten in overeenstemming met deze verordening besluiten om bepaalde algemene regels van de werkingssfeer ervan uit te sluiten, dient de algemene regeling voor overheidssteun te gelden. […] (33) In de punten 87 tot en met 95 van zijn arrest [van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C‑280/00, EU:C:2003:415)], heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor recht verklaard dat compensaties voor openbaredienstverlening niet kunnen worden aangemerkt als steun in de zin van artikel [107 VWEU], mits aan vier cumulatieve voorwaarden is voldaan. Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan en derhalve de algemene toepassingscriteria van artikel [107, lid 1, VWEU] van toepassing zijn, worden compensaties voor openbaredienstverlening beschouwd als staatssteun en zijn de artikelen [93, 106, 107 en 108 VWEU] van toepassing. […] (36) […] Andere compensaties voor het verrichten van openbare personenvervoersdiensten dan die welke onder deze nieuwe verordening vallen en waarbij sprake kan zijn van overheidssteun in de zin van artikel [107 VWEU], vallen onder de artikelen [93, 106, 107 en 108 VWEU], inclusief de desbetreffende interpretaties van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en in het bijzonder het arrest [van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C‑280/00, EU:C:2003:415)]. […]”
Verordening nr. 1303/2013
4 De overwegingen 65 en 66 van verordening nr. 1303/2013 luiden als volgt: „(65) De lidstaten moeten passende maatregelen nemen om een goede opzet en werking van hun beheers- en controlesystemen te waarborgen en zo te garanderen dat er een legaal en regelmatig gebruik van de [Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI) (hierna: „ESI-fondsen”)] wordt gemaakt. […] (66) In overeenstemming met het beginsel van gedeeld beheer dienen de lidstaten en de [Europese] Commissie verantwoordelijk te zijn voor het beheer van en het toezicht op de programma’s. De lidstaten dienen, via hun beheers- en controlesystemen, in eerste instantie verantwoordelijk te zijn voor de uitvoering van en het toezicht op de concrete acties in de programma’s. […]”
5 Artikel 1 van deze verordening, met het opschrift „Onderwerp”, is als volgt verwoord: „Bij deze verordening worden de gemeenschappelijke regels vastgesteld die van toepassing zijn op het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), die onder een gemeenschappelijk kader werkzaam zijn [(de ESI-fondsen)]. […] […]”
6 Artikel 2 van die verordening draagt het opschrift „Definities” en bepaalt: „Voor de toepassing van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing: […] 10) ‚begunstigde’: een publiek- of privaatrechtelijke instantie, of een natuurlijke persoon, die belast is met het opzetten, of met het opzetten en uitvoeren, van concrete acties, en: a) in de context van staatssteun de instantie die de steun ontvangt, behalve wanneer de steun per onderneming minder dan 200000 EUR bedraagt; in dat geval kan de betrokken lidstaat besluiten dat de steunverlenende instantie de begunstigde is, onverminderd verordeningen (EU) nr. 1407/2013 [van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU op de-minimissteunen (PB 2013, L 352, blz. 1)] en (EU) nr. 1408/2013 [van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU op de-minimissteun in de landbouwsector (PB 2013, L 352, blz. 9)] en (EU) nr. 717/2014 van de Commissie [van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PB 2014, L 190, blz. 45)]; en b) in de context van financieringsinstrumenten uit hoofde van deel 2, titel IV van deze verordening, de instantie die het financieringsinstrument, of, voor zover dat geschikt is, het fonds van fondsen, ten uitvoer legt; […] 36) ‚onregelmatigheid’: elke inbreuk op het Unierecht of op het nationale recht betreffende de toepassing daarvan, als gevolg van een handeling of nalatigheid van een bij de uitvoering van de ESI-fondsen betrokken economisch subject waarbij de begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld; 37) ‚economisch subject’: elke natuurlijke of rechtspersoon of andere instantie die betrokken is bij de uitvoering van bijstand uit de ESI-fondsen, met uitzondering van de lidstaten in de uitoefening van hun prerogatieven van openbaar gezag; […]”
7 Artikel 143 („Financiële correcties door de lidstaten”) van verordening nr. 1303/2013 luidt als volgt: „1. De lidstaten zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het onderzoeken van onregelmatigheden, voor het toepassen van de vereiste financiële correcties en voor het doen van terugvorderingen. Bij een systemische onregelmatigheid breidt de lidstaat zijn onderzoek uit tot alle concrete acties die daarbij betrokken kunnen zijn. 2. De lidstaten passen de financiële correcties toe die noodzakelijk zijn in verband met individuele of systemische onregelmatigheden die bij concrete acties of operationele programma’s zijn geconstateerd. Financiële correcties bestaan in een volledige of gedeeltelijke intrekking van de overheidsbijdrage aan een concrete actie of operationeel programma. De lidstaten houden rekening met de aard en de ernst van de onregelmatigheden en met het financiële verlies voor de Fondsen of het EFMZV en passen een evenredige correctie toe. Financiële correcties worden opgenomen in de rekeningen voor het boekjaar waarin tot de intrekking wordt besloten. […]”
Bulgaars recht
ZUSEFSU
8 Artikel 70 van de Zakon za upravlenie na sredstvata ot evropeyskite fondove pri spodeleno upravlenie [wet betreffende het beheer van middelen uit de Europese fondsen onder gedeeld beheer, DV nr. 101 van 22 december 2015, waarvan de titel vóór de in DV nr. 51 van 2022 gepubliceerde wijziging, die op 1 juli 2022 in werking is getreden, als volgt luidde: Zakon za upravlenie na sredstvata ot evropeyskite strukturni i investitsionni fondove (wet betreffende het beheer van de middelen van de ESI-fondsen – ZUSESIF)], in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „ZUSEFSU”), bepaalt: „(1) De financiële steun uit middelen uit de ESI-fondsen kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken door middel van een financiële correctie om de volgende redenen: […] 9. een onregelmatigheid die een inbreuk vormt op de regels voor de aanwijzing van een opdrachtnemer uit hoofde van hoofdstuk vier en die het gevolg is van een handeling of nalatigheid van de begunstigde, waardoor de ESI-fondsen worden of zouden kunnen worden benadeeld; […] (2) De gevallen van onregelmatigheid die aanleiding geven tot de in lid 1, punt 9, bedoelde financiële correcties worden omschreven in een wetgevingshandeling van de ministerraad.”
9 Artikel 73, lid 1, van de ZUSEFSU luidt als volgt: „De grondslag en het bedrag van de financiële correctie worden vastgesteld bij een met redenen omkleed besluit van het hoofd van de managementautoriteit die het project heeft goedgekeurd.”
Wet inzake overheidsopdrachten
10 Krachtens artikel 2, lid 2, van de Zakon za obshtestvenite porachki (wet inzake overheidsopdrachten, DV nr. 13 van 16 februari 2016) is het de aanbestedende diensten bij een overheidsopdracht niet toegestaan de mededinging te beperken door het opleggen van voorwaarden of vereisten die een ongerechtvaardigd voordeel opleveren of de toegang van marktdeelnemers tot overheidsopdrachten op ongerechtvaardigde wijze beperken en die niet evenredig zijn aan het voorwerp, de waarde, de moeilijkheidsgraad, de hoeveelheid of de omvang van de overheidsopdracht.
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak C‑471/23
11 Na een toekenningsprocedure in het kader van het operationele programma „Regio’s in groei” 2014‑2020, dat deel uitmaakt van de partnerschapsovereenkomst van de Republiek Bulgarije voor de programmeringsperiode 2014‑2020, is de subsidie „Uitvoering van geïntegreerde herstel- en stadsontwikkelingsplannen 2014‑2020” rechtstreeks toegekend aan de gemeente Veliko Tarnovo.
12 Op 24 augustus 2018 heeft deze gemeente een partnerschapsovereenkomst gesloten met de „Organizatsia na dvizhenieto, parkingi i garazhi” EOOD (instantie voor verkeer, parkeerterreinen en garages; hierna: „gemeentelijke instantie”). In deze partnerschapsovereenkomst is bepaald dat die gemeente en de gemeentelijke instantie respectievelijk als „hoofdpartner” en „partner” worden aangeduid in het project „Geïntegreerd stedelijk vervoer van de stad Veliko Tarnovo” in het kader van dit operationele programma.
13 Volgens die partnerschapsovereenkomst moeten de hoofdpartner en de partner een beheerovereenkomst sluiten indien dit project wordt goedgekeurd. De partner, in dit geval de gemeentelijke instantie, is als aanbestedende dienst verplicht om overeenkomstig de wet inzake overheidsopdrachten een aanbestedingsprocedure te voeren voor de levering van rollend materieel. Daarnaast wordt in deze overeenkomst bepaald dat indien tijdens die procedure inbreuken zijn gepleegd die een financiële correctie rechtvaardigen, de middelen waarop deze correctie betrekking heeft ten belope van die correctie ten laste komen van de aanbestedende dienst die partij is bij de overeenkomst die aanleiding heeft gegeven tot die correctie.
14 Op 19 juli 2019 heeft de gemeente Veliko Tarnovo, als begunstigde van de subsidie „Uitvoering van geïntegreerde herstel- en stadsontwikkelingsplannen 2014‑2020”, met de managementautoriteit van het operationele programma „Regio’s in groei” 2014‑2020 een beheerovereenkomst gesloten voor de uitvoering van het voorstel van dat project, met een totale waarde van 11133732,51 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 5700000 EUR), waaronder deze subsidie van 10409573,31 BGN (ongeveer 5300000 EUR) en een eigen bijdrage van de begunstigde van 724159,20 BGN (ongeveer 370000 EUR).
15 In deze beheerovereenkomst is bepaald dat een deel van die subsidie staatssteun vormt ten gunste van de exploitant van openbaar personenvervoer in de vorm van compensatie voor openbare dienstverlening, overeenkomstig verordening nr. 1370/2007. De beheerder van die steun is de gemeente Veliko Tarnovo, die ervoor moet zorgen dat de toepasselijke regeling wordt uitgevoerd in overeenstemming met de uit deze verordening voortvloeiende vereisten, waaronder de invoering en toepassing van passende mechanismen voor het toezicht op de naleving ervan.
16 Overeenkomstig de algemene voorwaarden van die beheerovereenkomst is de begunstigde jegens de managementautoriteit van het operationele programma „Regio’s in groei” 2014‑2020 verantwoordelijk voor handelingen van de partners en externe contractanten bij de uitvoering van het betrokken project, en draagt hij „voor eigen rekening alle risico’s, met inbegrip van niet-subsidiabele uitgaven en financiële correcties ten laste van de subsidie van de begroting van het project”.
17 Na een aanbestedingsprocedure te hebben ingeleid als exploitant van een dienst van algemeen economisch belang en persoon die staatssteun ontvangt uit middelen uit de ESI-fondsen, heeft de gemeentelijke instantie op 31 maart 2020 met de opdrachtnemer „Excelor-Alfa” DZZD een overeenkomst gesloten inzake een overheidsopdracht voor de levering van drie elektrische bussen.
18 Naar aanleiding van de melding van een onregelmatigheid heeft de managementautoriteit van het operationele programma „Regio’s in groei” 2014‑2020 op 11 mei 2022 een besluit tot toepassing van een financiële correctie vastgesteld ten aanzien van de gemeente Veliko Tarnovo (hierna: „besluit van 11 mei 2022 tot toepassing van een financiële correctie”) wegens een door de gemeentelijke instantie begane onregelmatigheid in de zin van artikel 70, lid 1, punt 9, van de ZUSEFSU. Deze financiële correctie bedroeg 25 % van de middelen die in aanmerking kwamen voor financiering uit de ESI-fondsen in het kader van die overeenkomst inzake een overheidsopdracht.
19 De gemeente Veliko Tarnovo heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Administrativen sad Veliko Tarnovo (bestuursrechter in eerste aanleg Veliko Tarnovo, Bulgarije).
20 Bij beslissing van 1 november 2022 heeft deze rechter dit beroep verworpen op grond dat deze gemeente de enige begunstigde van de subsidie in kwestie was, aangezien zij partij was bij de in punt 14 van het onderhavige arrest bedoelde beheerovereenkomst en die gemeente, als contracterende partij, op goede gronden kon worden beschouwd als de adressaat van de bestuurshandeling waarbij de betrokken financiële correctie is vastgesteld. Deze rechter heeft tevens opgemerkt dat het feit dat dezelfde gemeente, als begunstigde van die subsidie, voor bepaalde activiteiten partnerschapsovereenkomsten had gesloten, haar niet ontslaat van haar aansprakelijkheid als partij bij die overeenkomst die een rechtstreekse band heeft met de managementautoriteit van het operationele programma „Regio’s in groei” 2014‑2020. Ten slotte heeft dezelfde rechter vastgesteld dat de clausule betreffende de aansprakelijkheid voor inbreuken en risico’s, waaronder financiële correcties, een regresclausule was, aangezien daarmee werd beoogd vast te stellen wie in de interne betrekkingen tussen de partners voor dergelijke correcties aansprakelijk is.
21 De gemeente Veliko Tarnovo heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije), de verwijzende rechter.
22 Volgens deze rechter moet om te beginnen het begrip “begunstigde” in de zin van artikel 2, punt 10, van verordening nr. 1303/2013 worden uitgelegd, teneinde na te gaan of de gemeente Veliko Tarnovo de enige begunstigde van de subsidie in kwestie is en of zij in die hoedanigheid het Bulgaarse recht heeft geschonden, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot een financiële correctie.
23 Vervolgens rijst de vraag of de gemeente Veliko Tarnovo kan worden beschouwd als de adressaat van het besluit van 11 mei 2022 tot toepassing van een financiële correctie wegens een door de gemeentelijke instantie begane onregelmatigheid in de zin van artikel 2, punt 36, van verordening nr. 1303/2013, en dus de aansprakelijkheid op zich moet nemen voor schendingen die zijn begaan tijdens de door die instantie ingeleide aanbestedingsprocedure, terwijl deze gemeente de middelen uit de ESI-fondsen niet gebruikt in het kader van de na die procedure gesloten overeenkomst inzake een overheidsopdracht.
24 Indien ten slotte zou komen vast te staan dat de gemeentelijke instantie de begunstigde is van de subsidie waarop deze financiële correctie is toegepast, als ontvanger van deze subsidie en als publiekrechtelijke instantie die belast is met het opzetten en uitvoeren van de concrete actie bestaande in de aanschaf van rollend materieel, rijst tevens de vraag waarom het recht om deel te nemen aan de procedure tot vaststelling van die financiële correctie voor haar niet is gewaarborgd en of zij als partij in de procedure tot nietigverklaring van die correctie bij de Administrativen sad Veliko Tarnovo had moeten kunnen interveniëren.
25 In die omstandigheden heeft de Varhoven administrativen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Valt de beheerder van staatssteun in de vorm van middelen uit de [ESI-fondsen], die de steun niet heeft ontvangen, onder het begrip ‚begunstigde’ van de steun in de context van staatssteun in de zin van artikel [2], punt 10, van [verordening nr. 1303/2013]? 2) Kan de beheerder van staatssteun in de vorm van middelen uit de ESI-fondsen, die niet degene is die de steun op grond van een overheidsopdracht gebruikt, de juiste adressaat zijn van een besluit waarbij een financiële correctie wordt vastgesteld vanwege een inbreuk op het nationale recht of het Unierecht tijdens de aanbestedingsprocedure? 3) Moet de persoon die de adressaat is van de bestuursmaatregel waarbij een financiële correctie wordt toegepast vanwege een onregelmatigheid in de zin van artikel 2, punt 36, van verordening nr. 1303/2013, in geval van staatssteun in de vorm van middelen uit de ESI-fondsen aan twee cumulatieve voorwaarden voldoen: hij is de ontvanger van de subsidie uit de middelen waarop de onregelmatigheid betrekking heeft, en hij is degene die de betrokken middelen heeft gebruikt? 4) Kan de aansprakelijkheid voor wetsovertredingen bij het gebruik van staatssteun in de vorm van middelen uit de ESI-fondsen worden geregeld of verdeeld in een overeenkomst tussen de ontvanger van de steun en de beheerder van de steun, of is de ontvanger van de steun, die deze onrechtmatig gebruikt, aansprakelijk? 5) Bestaat er hoofdelijke aansprakelijkheid tussen de ontvanger van de steun en de beheerder van de steun en moet de steunovereenkomst voorzien in hoofdelijke aansprakelijkheid? 6) Verzetten de artikelen 41 en 47 van het [Handvest] zich tegen een nationale bestuurspraktijk en nationale rechtspraak volgens welke in een geval als dat in het hoofdgeding, waarbij aan een ‚exploitant van een dienst van algemeen economisch belang’, zoals de [gemeentelijke instantie], die in de door hem uitgevoerde procedure beweerdelijk inbreuk heeft gemaakt op de Zakon za obshtestvenite porachki (Bulgaarse wet inzake overheidsopdrachten) bij het plaatsen van een overheidsopdracht in de procedure voor het gebruik van middelen uit de ESI-fondsen [die staatssteun vormen], zowel het recht om deel te nemen aan de procedure tot vaststelling van een financiële correctie met betrekking tot een door hem gesloten overeenkomst als het recht om deel te nemen aan de gerechtelijke procedure tegen die bestuurshandeling wordt ontzegd, op grond dat deze exploitant, als partner van de gemeente, op grond van de partnerschapsovereenkomst civielrechtelijk aansprakelijk is voor het regres?”
Zaak C‑477/23
26 Zaak C‑477/23 betreft het gebruik van de ESI-fondsen voor de periode 2014‑2020 in het kader van een „gecombineerde procedure voor het ontwerp en de bouw van composteerinstallaties en installaties voor de voorbehandeling van huishoudelijk afval”, die tot doel heeft de hoeveelheid gestort afval te verminderen door extra capaciteit te leveren voor de voorbehandeling van gemengd afval en voor de gescheiden inzameling en recycling door compostering van groen en/of biologisch afbreekbaar afval.
27 In het kader van de procedure om een rechtstreekse subsidie voor de regio Pazardzhik (Bulgarije) te verkrijgen, hebben verschillende gemeenten, waaronder met name Pazardzhik en Belovo, een gezamenlijk projectvoorstel opgesteld met het oog op de toekenning van een dergelijke subsidie. De betrokken gemeenten dienden een beheerovereenkomst te ondertekenen voor de toekenning van een subsidie in het kader van het operationele programma „Milieu” 2014‑2020. In deze overeenkomst is bepaald dat de gemeenten die partij zijn bij de overeenkomst de gemeente Pazardzhik als „hoofdgemeente” aanwijzen. Daarnaast is in deze overeenkomst bepaald dat alle gemeenten die onder de overeenkomst vallen begunstigden zijn, niettegenstaande het feit dat naast de naam van elk van deze gemeenten tevens hun hoedanigheid van „partner” is vermeld.
28 Uit de uitvoeringsbepalingen van het in het kader van deze procedure goedgekeurde project, die integrerend deel uitmaken van de in het vorige punt genoemde beheerovereenkomst, blijkt dat de gemeente Pazardzhik als „hoofdgemeente” verantwoordelijk is voor het beheer van dit project en bevoegd is om de bedoelde gelden op haar bankrekening te ontvangen en te verdelen onder de partnergemeenten, terwijl laatstgenoemden samen met de hoofdgemeente deelnemen aan de voorbereiding en aan de technische en financiële uitvoering van dat project. In deze context diende de gemeente Belovo de overheidsopdracht voor wat betreft het ontwerp, het toezicht op de werkzaamheden, de bouw, de voltooiing en de oplevering van een composteerinstallatie voor gescheiden ingezameld groen en/of biologisch afbreekbaar afval met een capaciteit van 2000 ton per jaar, uit te voeren en te gunnen.
29 In het kader van de procedure voor deze overheidsopdracht heeft de gemeente Belovo, in haar hoedanigheid van aanbestedende dienst, een overeenkomst inzake een overheidsopdracht gesloten met „Delchev Engineering” EOOD.
30 Bij besluit van 21 maart 2022 heeft de managementautoriteit van het operationele programma „Milieu” 2014‑2020 de gemeente Pazardzhik een financiële correctie van 10 % opgelegd op de uitgaven die op grond van deze overeenkomst inzake een overheidsopdracht in aanmerking kwamen voor financiering uit de ESI-fondsen (hierna: „besluit van 21 maart 2022 tot toepassing van een financiële correctie”). Deze financiële correctie is opgelegd wegens een door de gemeente Belovo begane onregelmatigheid in de zin van artikel 70, lid 1, punt 9, van de ZUSEFSU.
31 De gemeente Belovo, die niet de adressaat is van het besluit van 21 maart 2022 tot toepassing van een financiële correctie, heeft daartegen beroep ingesteld bij de Administrativen sad Pazardzhik (bestuursrechter in eerste aanleg Pazardzhik, Bulgarije). Bij beslissing van 26 oktober 2022 heeft deze rechter dat beroep verworpen en overwogen dat in dat besluit weliswaar uitsluitend de gemeente Pazardzhik als adressaat ervan is genoemd, maar dat de gemeente Belovo als aanbestedende dienst de overeenkomst inzake een overheidsopdracht had ondertekend en er een wettelijk belang bij had om dat beroep in te stellen. Deze rechter is evenwel tot de slotsom gekomen dat dit besluit was vastgesteld in overeenstemming met het Bulgaarse recht.
32 De gemeente Belovo heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Varhoven administrativen sad, de verwijzende rechter.
33 Volgens deze rechter bestaan er uiteenlopende opvattingen in de nationale rechtspraak over feitelijke situaties die vergelijkbaar zijn met die van de onderhavige zaak, betreffende dezelfde procedure voor financiering uit de ESI-fondsen.
34 Enerzijds blijkt immers uit bepaalde nationale rechterlijke uitspraken dat alleen de hoofdgemeente van het betrokken project als „begunstigde” in de zin van artikel 2, punt 10, van verordening nr. 1303/2013 wordt beschouwd en dat zij de adressaat is van het besluit tot toepassing van een financiële correctie, terwijl de andere partnergemeenten die hoedanigheid niet hebben. In de zaken die hebben geleid tot die nationale rechtspraak waren de partnergemeenten die geen hoofdgemeente waren dus niet toegelaten als partij in de procedure tot vaststelling van de financiële correctie in kwestie, noch in de gerechtelijke procedure tot nietigverklaring van de handeling waarbij die correctie is verricht, zelfs wanneer die partnergemeenten aan de oorsprong lagen van de onregelmatigheid die aanleiding heeft gegeven tot die financiële correctie.
35 Anderzijds zijn sommige nationale rechterlijke instanties van oordeel dat, in geval van schending van de regels inzake overheidsopdrachten door een gemeente die middelen uit de ESI-fondsen gebruikt, deze gemeente moet worden beschouwd als de adressaat van de handeling tot toepassing van de financiële correctie in kwestie en het recht heeft om deel te nemen aan de procedure tot vaststelling van de betrokken financiële correctie en om zich voor een rechterlijke instantie te verdedigen.
36 Daarnaast heeft de verwijzende rechter er twijfels over hoe moet worden bepaald wie aansprakelijk is voor financiële correcties als gevolg van inbreuken op de regels inzake overheidsopdrachten in het kader van het gebruik van de ESI-fondsen.
37 In die omstandigheden heeft de Varhoven administrativen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Staat de uitlegging van artikel 2, punten 10, 36 en 37, van verordening nr. 1303/2013 in de weg aan een nationale regeling of de uitlegging en toepassing in de praktijk van een dergelijke regeling, volgens welke in een geval als dat in het hoofdgeding slechts één van de partnergemeenten (partijen bij de beheerovereenkomst over de toekenning van financiële bijstand), namelijk de partnergemeente die als hoofdpartner de beheerovereenkomst over de financiële bijstand heeft ondertekend, moet worden beschouwd als begunstigde van de subsidie uit [middelen uit de ESI-fondsen]? Aan welke voorwaarden moet een organisatie voldoen om in een geval als het onderhavige als ‚begunstigde’ in de zin van artikel 2, punt 10, van verordening nr. 1303/2013 te worden aangemerkt? 2) Staat de uitlegging van artikel 2, punten 10, 36 en 37, van verordening nr. 1303/2013 in de weg aan een nationale regeling of de uitlegging en toepassing in de praktijk van een dergelijke regeling, volgens welke, in een geval als dat in het hoofdgeding, de financiële correctie wegens een door een marktdeelnemer begane inbreuk op de regels inzake overheidsopdrachten wordt vastgesteld in een besluit dat gericht is tot een andere marktdeelnemer die geen inbreuk heeft begaan, maar als hoofdpartner is vermeld in de overeenkomst over de financiële bijstand? 3) Staat verordening nr. 1303/2013 in de weg aan een nationale regeling of de uitlegging en toepassing in de praktijk van een dergelijke regeling, volgens welke de aansprakelijkheid voor een financiële correctie tussen de projectpartners bij overeenkomst kan worden verdeeld, of moet elke marktdeelnemer de aansprakelijkheid voor financiële correcties in verband met inbreuken die hij bij het gebruik van [middelen uit de ESI-fondsen] heeft begaan, dragen volgens de bepalingen van de overeenkomsten waarbij hij partij is? 4) Staan de artikelen 41 en 47 van het [Handvest] in de weg aan een nationale bestuurspraktijk en nationale rechtspraak volgens welke in een geval als dat in het hoofdgeding, waarbij aan de gemeente, die beweerdelijk inbreuk heeft gemaakt op de Zakon za obshtestvenite porachki (Bulgaarse wet inzake overheidsopdrachten) bij het plaatsen van de overheidsopdracht in het kader van de procedure voor het gebruik van [middelen uit de ESI-fondsen], zowel het recht om deel te nemen aan de procedure tot vaststelling van een financiële correctie met betrekking tot een door haar gesloten overeenkomst als het recht om deel te nemen aan de gerechtelijke procedure tegen die bestuurshandeling wordt ontzegd, op grond dat zij zich, als partner, krachtens de partnerschapsovereenkomst met de hoofdpartner kan wenden tot de civiele rechter?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag in zaak C‑471/23 en eerste vraag in zaak C‑477/23
38 Met de eerste vraag in zaak C‑471/23 en de eerste vraag in zaak C‑477/23 wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, punt 10, van verordening nr. 1303/2013 aldus moet worden uitgelegd dat een instantie die belast is met het opzetten, of met het opzetten en uitvoeren, van de betrokken concrete acties, maar die geen staatssteun als bedoeld in artikel 2, punt 10, onder a), van die verordening ontvangt, alsmede een instantie die een beheerovereenkomst voor de toekenning van financiële bijstand niet als „hoofdpartner” heeft ondertekend, onder het begrip „begunstigde” in de zin van deze bepaling kunnen vallen.
39 In artikel 2, punt 10, van deze verordening wordt het begrip „begunstigde” om te beginnen omschreven als een publiek- of privaatrechtelijke instantie, of een natuurlijke persoon, die belast is met het opzetten, of met het opzetten en uitvoeren, van concrete acties. Vervolgens wordt in deze bepaling onder a) en b) verduidelijkt dat deze instantie in de context van staatssteun de instantie is die de steun ontvangt, behalve wanneer de steun per onderneming minder dan 200000 EUR bedraagt; in dat geval kan de betrokken lidstaat besluiten dat de steunverlenende instantie de begunstigde is, onverminderd verordeningen nr. 1407/2013, nr. 1408/2013 en nr. 717/2014, en in de context van financieringsinstrumenten uit hoofde van deel 2, titel IV, van verordening nr. 1303/2013, de instantie die het financieringsinstrument, of, voor zover dat geschikt is, het fonds van fondsen, ten uitvoer legt.
40 Uit de bewoordingen van het eerste deel van de definitie van dit begrip in genoemd artikel 2, punt 10, blijkt dat de lidstaten over een bepaalde beoordelingsmarge beschikken om vast te stellen of de begunstigde, in zijn hoedanigheid van publiek- of privaatrechtelijke instantie of natuurlijke persoon, uitsluitend belast is met het opzetten van de betrokken concrete acties, dan wel met het opzetten en uitvoeren ervan.
41 Het tweede deel van datzelfde artikel 2, punt 10, bevat regels ter bepaling wie de begunstigde is in de context van staatssteun en financieringsinstrumenten uit hoofde van deel 2, titel IV, van verordening nr. 1303/2013.
42 In dit verband zij opgemerkt dat de voorwaarden van het eerste deel van artikel 2, punt 10, van deze verordening en die van dat artikel 2, punt 10, onder a) en b), worden gescheiden door het voegwoord „en”. Het gebruik van dit voegwoord betekent evenwel niet dat die voorwaarden cumulatief zijn. Integendeel, de bepalingen van dit eerste deel bevatten een algemene regel, terwijl de bepalingen van dat artikel 2, punt 10, onder a) en b), aanvullende regels voor specifieke situaties vormen.
43 Derhalve moet worden vastgesteld dat de bewoordingen van artikel 2, punt 10, van verordening nr. 1303/2013 geenszins uitsluiten dat er meerdere begunstigden zijn voor dezelfde actie.
44 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat – zoals blijkt uit overweging 66 van deze verordening – de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de concrete acties in de programma’s in de eerste plaats berust bij de lidstaten, die dus vrij zijn om te bepalen welke instantie verantwoordelijk is voor het opzetten van de betrokken concrete acties of voor het opzetten en uitvoeren ervan, alsook welke instantie de steun in kwestie ontvangt.
45 Een tegenovergestelde uitlegging zou kunnen leiden tot situaties waarin geen enkele instantie kan worden aangemerkt als begunstigde in de zin van artikel 2, punt 10, van verordening nr. 1303/2013, aangezien zij niet kan voldoen aan de twee voorwaarden van het eerste deel van artikel 2, punt 10, en artikel 2, punt 10, onder a) of b).
46 Bovendien zou een dergelijke uitlegging, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen in essentie heeft opgemerkt, waar het gaat om de specifieke situatie bedoeld in artikel 2, punt 10, onder a), van verordening nr. 1303/2013 en gelet op het feit dat een subsidie verschillende vormen kan aannemen waarvan sommige staatssteun vormen, vereisen dat voor de delen van een concrete actie waarop de steun betrekking heeft, de instantie die deze steun ontvangt de begunstigde is in de zin van dat artikel 2, punt 10, onder a), terwijl voor de andere delen van dezelfde concrete actie de instantie die verantwoordelijk is voor het opzetten of voor het opzetten en uitvoeren van die actie de begunstigde is in de zin van het eerste deel van dat artikel 2, punt 10. Deze uitlegging zou evenwel kunnen stuiten op praktische moeilijkheden die verband houden met het feit dat de subsidies vaak met elkaar verweven zijn en met de vraag welke van die subsidies staatssteun kunnen vormen.
47 In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat, in zaak C‑471/23, de gemeente Veliko Tarnovo op grond van de beheerovereenkomst die met de managementautoriteit van het operationele programma „Regio’s in groei” 2014‑2020 is gesloten met het oog op de uitvoering van het in die zaak aan de orde zijnde voorstel van dat project, is aangewezen als verantwoordelijke voor de uitvoering van dat project, terwijl de gemeentelijke instantie is aangeduid als begunstigde van de staatssteun. In dit verband vormt een deel van de subsidie uit hoofde van dat project staatssteun, maar de verwijzende rechter verduidelijkt niet of het bedrag van die steun lager is dan 200000 EUR. In zaak C‑477/23 neemt de gemeente Pazardzhik als „hoofdgemeente”, die verantwoordelijk is voor het beheer van het in die zaak aan de orde zijnde project, samen met andere gemeenten – waaronder Belovo – deel aan de voorbereiding en aan de technische en financiële uitvoering van dat project.
48 In dit verband staat het aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om de feiten van het hoofdgeding te beoordelen en de betrokken nationale regeling uit te leggen, om te bepalen of in zaak C‑471/23 de gemeente Veliko Tarnovo en in zaak C‑477/23 de gemeenten Pazardzhik en Belovo belast zijn met het opzetten, of met het opzetten en uitvoeren, van de betrokken concrete acties in de zin van het eerste deel van artikel 2, punt 10, van verordening nr. 1303/2013, of de door de gemeentelijke instantie in zaak C‑471/23 ontvangen steun valt onder het begrip „staatssteun” in de zin van dat artikel 2, punt 10, onder a), van deze verordening en, in voorkomend geval, wat het bedrag van die steun is.
49 In dit verband zij er in navolging van de Commissie op gewezen dat uit de overwegingen 5, 33 en 36 van verordening nr. 1370/2007 en uit de vaste rechtspraak van het Hof volgt dat compensatie voor openbaredienstverlening die wordt toegekend met inachtneming van alle in deze verordening gestelde voorwaarden, geen staatssteun vormt.
50 Zoals blijkt uit punt 43 van het onderhavige arrest, moet de instantie die de steun ontvangt voorts krachtens artikel 2, punt 10, onder a), van verordening nr. 1303/2013 in het kader van staatssteun weliswaar als begunstigde in de zin van deze bepaling worden beschouwd, maar sluit dit geenszins uit dat een instantie die voldoet aan de voorwaarden van het eerste deel van dat artikel 2, punt 10, eveneens als begunstigde in de zin van laatstgenoemde bepaling kan worden aangemerkt.
51 Met betrekking tot de vraag van de verwijzende rechter in zaak C‑477/23 of alleen een overheidsinstantie die als „hoofdpartner” een beheerovereenkomst voor de toekenning van een subsidie heeft ondertekend als begunstigde van de betrokken subsidie moet worden beschouwd, zij vastgesteld dat artikel 2, punt 10, van verordening nr. 1303/2013 niet in specifieke categorieën potentiële begunstigden voorziet.
52 Bijgevolg kan een instantie, voor zover zij is belast met het opzetten, of met het opzetten en uitvoeren, van de betrokken concrete acties, onder het begrip „begunstigde” in de zin van deze bepaling vallen, ongeacht of een dergelijke instantie als „hoofdpartner” is aangewezen.
53 Uit een en ander volgt dat op de eerste vraag in zaak C‑471/23 en de eerste vraag in zaak C‑477/23 moet worden geantwoord dat artikel 2, punt 10, van verordening nr. 1303/2013 aldus moet worden uitgelegd dat een instantie die belast is met het opzetten, of met het opzetten en uitvoeren, van de betrokken concrete acties, maar die geen staatssteun als bedoeld in artikel 2, punt 10, onder a), van die verordening ontvangt, alsmede een instantie die een beheerovereenkomst voor de toekenning van financiële bijstand niet als „hoofdpartner” heeft ondertekend, onder het begrip „begunstigde” in de zin van deze bepaling kan vallen.
Tweede tot en met vijfde vraag in zaak C‑471/23 en tweede en derde vraag in zaak C‑477/23
54 Met zijn tweede tot en met vijfde vraag in zaak C‑471/23 en zijn tweede en derde vraag in zaak C‑477/23, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, punten 36 en 37, van verordening nr. 1303/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet, ten eerste, tegen een nationale regeling volgens welke een besluit tot toepassing van een financiële correctie wegens een inbreuk op de regels inzake overheidsopdrachten kan worden gericht tot een andere marktdeelnemer dan die welke deze inbreuk heeft gepleegd en, ten tweede, tegen het feit dat de aansprakelijkheid voor deze financiële correctie hoofdelijk is, dat deze aansprakelijkheid contractueel kan worden verdeeld tussen deze marktdeelnemer en die welke de inbreuk heeft gepleegd, of dat die aansprakelijkheid wordt gedragen door de marktdeelnemer die de inbreuk heeft gepleegd.
55 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat volgens artikel 2, punt 36, van verordening nr. 1303/2013 een onregelmatigheid in de zin van deze bepaling wordt gedefinieerd als elke inbreuk op het Unierecht of op het nationale recht betreffende de toepassing daarvan, als gevolg van een handeling of nalatigheid van een bij de uitvoering van de ESI-fondsen betrokken economisch subject waarbij de begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld.
56 Voorts bepaalt artikel 143, lid 1, van deze verordening met name dat de lidstaten in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het onderzoeken van onregelmatigheden, voor het toepassen van de vereiste financiële correcties en voor het doen van terugvorderingen. Zoals lid 2 van dit artikel voorschrijft, passen de lidstaten daartoe de financiële correcties toe die noodzakelijk zijn in verband met individuele of systemische onregelmatigheden die bij concrete acties of operationele programma’s zijn geconstateerd.
57 Geen enkele bepaling van die verordening bevat echter regels inzake de definitie van de adressaten van een handeling tot toepassing van een financiële correctie.
58 In dat verband zij in herinnering gebracht dat de verplichting om een door een onregelmatigheid ten onrechte verkregen voordeel terug te betalen geen sanctie vormt, maar louter het gevolg is van de vaststelling dat niet is voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het uit de Unieregeling voortvloeiende voordeel, zodat het ontvangen voordeel niet verschuldigd was (arrest van 1 oktober 2020, Elme Messer Metalurgs, C‑743/18, EU:C:2020:767, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59 Hieruit volgt dat de terugbetaling van een door een onregelmatigheid in de zin van artikel 2, punt 36, van verordening nr. 1303/2013 ten onrechte verkregen voordeel niet noodzakelijkerwijs hoeft te worden gevorderd van de instantie die een dergelijke onregelmatigheid heeft begaan.
60 In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat in zaak C‑471/23 de gemeente Veliko Tarnovo de beheerovereenkomst met de managementautoriteit van het operationele programma „Regio’s in groei” 2014‑2020 heeft ondertekend en de adressaat was van het besluit van 11 mei 2022 tot toepassing van een financiële correctie, niettegenstaande het feit dat de gemeentelijke instantie de onregelmatigheid in kwestie zou hebben begaan. In zaak C‑477/23 hebben alle betrokken gemeenten – waaronder Belovo, die de onregelmatigheid in kwestie zou hebben begaan, en Pazardzhik, als „hoofdgemeente” – de betrokken beheerovereenkomst over de financiële bijstand ondertekend, en was laatstgenoemde gemeente de adressaat van het besluit van 21 maart 2022 tot toepassing van een financiële correctie.
61 Vastgesteld moet evenwel worden dat – zoals blijkt uit punt 59 van het onderhavige arrest – publiekrechtelijke instellingen, zoals de gemeenten die in de hoofdgedingen aan de orde zijn, de adressaat kunnen zijn van een handeling tot vaststelling van een financiële correctie, niettegenstaande het feit dat zij geen onregelmatigheid hebben begaan in de zin van artikel 2, punt 36, van verordening nr. 1303/2013.
62 Met betrekking tot de aansprakelijkheid voor financiële correcties als gevolg van inbreuken op de regels inzake overheidsopdrachten in het kader van het gebruik van de ESI-fondsen, moet eraan worden herinnerd dat geschillen over de terugvordering van ten onrechte uit hoofde van het Unierecht betaalde bedragen bij het ontbreken van Unievoorschriften door de nationale rechter overeenkomstig het nationale recht worden beslecht, binnen de door het Unierecht getrokken grenzen (arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms, C‑443/21, EU:C:2022:899, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 Bij gebreke van een regeling inzake deze aansprakelijkheid in verordening nr. 1303/2013 wordt die aansprakelijkheid dus bepaald door het nationale recht en door de contractuele verplichtingen van de deelnemers aan een bepaalde concrete actie.
64 Bijgevolg kan – afhankelijk van de inhoud van deze contractuele verplichtingen – elke betrokken marktdeelnemer jegens de bevoegde nationale autoriteit weliswaar hoofdelijk aansprakelijk zijn voor eenzelfde concrete actie, maar kan een dergelijke financiële aansprakelijkheid eveneens worden verdeeld over de betrokken marktdeelnemers of alleen worden gedragen door de marktdeelnemer die de onregelmatigheid in kwestie heeft begaan.
65 Het Hof heeft echter eveneens reeds geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn alsook dat hun toepassing voorzienbaar is voor de justitiabelen, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben. Dit beginsel vereist met name dat een regeling de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen, en dat deze laatsten ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen [arrest van 4 oktober 2024, Litouwen e.a./Parlement en Raad (Mobiliteitspakket), C‑541/20–C‑555/20, EU:C:2024:818, punt 158 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
66 Bovendien is het rechtszekerheidsbeginsel in het bijzonder een dwingend vereiste in het geval van een regeling die financiële consequenties kan hebben (zie in die zin arrest van 29 april 2021, Banco de Portugal e.a., C‑504/19, EU:C:2021:335, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissingen dat in zaak C‑471/23 de gemeente Veliko Tarnovo voor eigen rekening alle risico’s draagt, met inbegrip van met name de financiële correcties ten laste van de subsidie van de begroting van het project in kwestie, terwijl de gemeentelijke instantie geen dergelijke financiële aansprakelijkheid lijkt te dragen jegens de managementautoriteit van het operationele programma „Regio’s in groei” 2014‑2020. In zaak C‑477/23 daarentegen nemen de betrokken gemeenten samen deel aan met name de financiële uitvoering van het project in kwestie en is de gemeente Pazardzhik als „hoofdgemeente” bevoegd om de bedoelde gelden op haar bankrekening te ontvangen en te verdelen onder de partnergemeenten.
68 In dit verband staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan, ten eerste, welke marktdeelnemers de financiële aansprakelijkheid jegens de betrokken managementautoriteiten dragen overeenkomstig het nationale recht en de voorwaarden van de overeenkomsten in kwestie en, ten tweede, of deze financieel aansprakelijke marktdeelnemers konden weten dat zij in geval van een onregelmatigheid bij de uitvoering van het betrokken project jegens die managementautoriteiten als enige, hoofdelijk of anderszins, voor de financiële correctie aansprakelijk zouden zijn.
69 Uit een en ander volgt dat op de tweede tot en met de vijfde vraag in zaak C‑471/23 alsmede op de tweede en de derde vraag in zaak C‑477/23 moet worden geantwoord dat artikel 2, punten 36 en 37, van verordening nr. 1303/2013 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling volgens welke een besluit tot toepassing van een financiële correctie wegens een inbreuk op de regels inzake overheidsopdrachten kan worden gericht tot een andere marktdeelnemer dan die welke deze inbreuk heeft gepleegd, noch tegen het feit dat de aansprakelijkheid voor deze financiële correctie hoofdelijk is, dat deze aansprakelijkheid contractueel kan worden verdeeld tussen deze marktdeelnemer en die welke de inbreuk heeft gepleegd, of dat die aansprakelijkheid wordt gedragen door de marktdeelnemer die de inbreuk heeft gepleegd, mits de financieel aansprakelijke marktdeelnemers konden weten dat zij in geval van een onregelmatigheid bij de uitvoering van het project in kwestie aldus jegens de betrokken managementautoriteit voor die financiële correctie aansprakelijk zouden zijn.
Zesde vraag in zaak C‑471/23 en vierde vraag in zaak C‑477/23
70 Met zijn zesde vraag in zaak C‑471/23 en zijn vierde vraag in zaak C‑477/23, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 41 en 47 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale praktijk volgens welke een marktdeelnemer die een onregelmatigheid in de zin van artikel 2, punt 36, van verordening nr. 1303/2013 heeft begaan die aanleiding heeft gegeven tot een financiële correctie, niet het recht heeft om deel te nemen aan de procedure tot vaststelling van die financiële correctie en aan de gerechtelijke procedure tot nietigverklaring ervan, op grond dat deze marktdeelnemer zich krachtens een partnerschapsovereenkomst tot de civiele rechter kan wenden.
71 Vooraf zij opgemerkt dat – zoals blijkt uit overweging 65 van deze verordening – de lidstaten passende maatregelen moeten nemen om een goede opzet en werking van hun beheers- en controlesystemen te waarborgen en zo te garanderen dat er legaal en regelmatig gebruik wordt gemaakt van de ESI-fondsen, alsook dat de lidstaten overeenkomstig artikel 143, lid 1, van die verordening in eerste instantie verantwoordelijk zijn om met name onregelmatigheden te onderzoeken en de nodige financiële correcties toe te passen.
72 Bij de vaststelling van dergelijke maatregelen ter uitvoering van het Unierecht dienen de lidstaten de algemene beginselen van dat recht en de bepalingen van het Handvest in acht te nemen [arrest van 30 januari 2024, Agentsia Patna infrastruktura (Europese financiering van wegeninfrastructuur), C‑471/22, EU:C:2024:99, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
73 Aangezien de verwijzende rechter in dit verband met name verwijst naar artikel 41 van het Handvest, betreffende het recht op behoorlijk bestuur, moet worden beklemtoond dat dit artikel is gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie en niet tot de organen of entiteiten van de lidstaten, zodat een particulier zich jegens de nationale autoriteiten niet op dat artikel kan beroepen. Wanneer een lidstaat het Unierecht ten uitvoer brengt, zijn de vereisten die voortvloeien uit het beginsel van behoorlijk bestuur als algemeen beginsel van Unierecht, in het bijzonder het recht van eenieder op onpartijdige behandeling van zijn zaken binnen een redelijke termijn, evenwel van toepassing in het kader van de door de bevoegde nationale autoriteit gevoerde procedure [arrest van 30 januari 2024, Agentsia Patna infrastruktura (Europese financiering van wegeninfrastructuur), C‑471/22, EU:C:2024:99, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
74 Voor zover deze rechter ook verwijst naar het recht om deel te nemen aan de procedure, moet worden verduidelijkt dat een dergelijk recht, doordat het de uitoefening van het recht om te worden gehoord mogelijk maakt, een integrerend deel uitmaakt van de rechten van verdediging, waarvan de eerbiediging een algemeen beginsel van Unierecht is. Het recht om te worden gehoord waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen kan schaden, ook wanneer de toepasselijke regeling niet in een dergelijke formaliteit voorziet. De regel dat aan de adressaat van een bezwarend besluit de gelegenheid moet worden gegeven om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat dit besluit wordt genomen, heeft tot doel de bevoegde autoriteit in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen [arrest van 30 januari 2024, Agentsia Patna infrastruktura (Europese financiering van wegeninfrastructuur), C‑471/22, EU:C:2024:99, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
75 Deze regel is van toepassing op een administratieve procedure tot vaststelling van een financiële correctie, die door de nationale autoriteiten wordt gevoerd wegens een onregelmatigheid in de zin van artikel 2, punt 36, van verordening nr. 1303/2013.
76 Voorts bestaat het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op effectieve rechterlijke bescherming uit diverse onderdelen, waaronder de rechten van verdediging, het beginsel van wapengelijkheid, het recht op toegang tot de rechter en het recht om zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen [arrest van 30 januari 2024, Agentsia Patna infrastruktura (Europese financiering van wegeninfrastructuur), C‑471/22, EU:C:2024:99, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
77 Zoals in punt 67 van het onderhavige arrest is opgemerkt en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, had in casu in zaak C‑471/23 de gemeentelijke instantie die de onregelmatigheid zou hebben begaan geen contractuele verhouding met de managementautoriteit van het operationele programma „Regio’s in groei” 2014‑2020 en blijkt zij jegens die autoriteit niet financieel aansprakelijk te zijn voor de uitvoering van het project in kwestie. Wat zaak C‑477/23 betreft, geeft deze rechter niet aan welke van de betrokken gemeenten een dergelijke financiële aansprakelijkheid draagt.
78 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, mocht die rechter tot de conclusie komen dat de marktdeelnemer die de onregelmatigheid heeft begaan, jegens de betrokken managementautoriteit niet financieel aansprakelijk is voor de uitvoering van het project in kwestie, de algemene Unierechtelijke beginselen van behoorlijk bestuur en van eerbiediging van de rechten van verdediging alsmede artikel 47 van het Handvest zich er dan niet tegen verzetten dat deze marktdeelnemer niet het recht heeft om deel te nemen aan de procedure tot vaststelling van de financiële correctie, noch aan de gerechtelijke procedure tot nietigverklaring ervan.
79 In een dergelijk geval, waarin een besluit tot toepassing van een financiële correctie niet rechtstreeks de belangen van die marktdeelnemer aantast maar die van de marktdeelnemer die jegens de betrokken managementautoriteit financieel aansprakelijk is voor de uitvoering van dat project, moet aan deze laatste marktdeelnemer het recht worden toegekend om deel te nemen aan de procedure tot vaststelling van die financiële correctie en aan de gerechtelijke procedure tot nietigverklaring ervan.
80 Mocht de verwijzende rechter daarentegen constateren dat de marktdeelnemer die de onregelmatigheid heeft begaan, jegens de betrokken managementautoriteit financieel aansprakelijk is voor de uitvoering van het project in kwestie en dat zijn belangen dus rechtstreeks worden aangetast door het besluit tot toepassing van een financiële correctie wegens de vaststelling van die onregelmatigheid, dan verzetten de algemene Unierechtelijke beginselen van behoorlijk bestuur en van eerbiediging van de rechten van verdediging alsmede artikel 47 van het Handvest zich ertegen dat deze marktdeelnemer zijn standpunt niet kenbaar kan maken in de procedure tot vaststelling van die financiële correctie en geen toegang tot de rechter kan hebben om die correctie te betwisten.
81 In dit verband blijkt de door deze rechter genoemde omstandigheid dat die marktdeelnemer civielrechtelijk aansprakelijk is voor het regres en op grond van de partnerschapsovereenkomst met de hoofdpartner over rechten kan beschikken in een afzonderlijke civielrechtelijke procedure tegen de eerstverantwoordelijke begunstigde, niet relevant, aangezien het feit dat diezelfde marktdeelnemer zich tot de civiele rechter kan wenden hem niet in staat stelt om op te komen tegen de vaststelling zelf van een dergelijk voor hem bezwarend besluit tot toepassing van een financiële correctie.
82 Uit een en ander volgt dat op de zesde vraag in zaak C‑471/23 en de vierde vraag in zaak C‑477/23 moet worden geantwoord dat de algemene Unierechtelijke beginselen van behoorlijk bestuur en van eerbiediging van de rechten van verdediging alsmede artikel 47 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale praktijk volgens welke een marktdeelnemer die een onregelmatigheid in de zin van artikel 2, punt 36, van verordening nr. 1303/2013 heeft begaan die aanleiding heeft gegeven tot een financiële correctie, niet het recht heeft om deel te nemen aan de procedure tot vaststelling van die financiële correctie en aan de gerechtelijke procedure tot nietigverklaring ervan, op grond dat deze marktdeelnemer zich krachtens een partnerschapsovereenkomst tot de civiele rechter kan wenden, voor zover die marktdeelnemer jegens de betrokken managementautoriteit financieel aansprakelijk is voor de uitvoering van het project in kwestie.
Kosten
83 Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 2, punt 10, van verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 moet aldus worden uitgelegd dat een instantie die belast is met het opzetten, of met het opzetten en uitvoeren, van de betrokken concrete acties, maar die geen staatssteun als bedoeld in artikel 2, punt 10, onder a), van die verordening ontvangt, alsmede een instantie die een beheerovereenkomst voor de toekenning van financiële bijstand niet als „hoofdpartner” heeft ondertekend, onder het begrip „begunstigde” in de zin van deze bepaling kan vallen.
2) Artikel 2, punten 36 en 37, van verordening nr. 1303/2013, zoals gewijzigd bij verordening 2018/1046, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling volgens welke een besluit tot toepassing van een financiële correctie wegens een inbreuk op de regels inzake overheidsopdrachten kan worden gericht tot een andere marktdeelnemer dan die welke deze inbreuk heeft gepleegd, noch tegen het feit dat de aansprakelijkheid voor deze financiële correctie hoofdelijk is, dat deze aansprakelijkheid contractueel kan worden verdeeld tussen deze marktdeelnemer en die welke de inbreuk heeft gepleegd, of dat die aansprakelijkheid wordt gedragen door de marktdeelnemer die de inbreuk heeft gepleegd, mits de financieel aansprakelijke marktdeelnemers konden weten dat zij in geval van een onregelmatigheid bij de uitvoering van het project in kwestie aldus jegens de betrokken managementautoriteit voor die financiële correctie aansprakelijk zouden zijn.
3) De algemene Unierechtelijke beginselen van behoorlijk bestuur en van eerbiediging van de rechten van verdediging alsmede artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale praktijk volgens welke een marktdeelnemer die een onregelmatigheid in de zin van artikel 2, punt 36, van verordening nr. 1303/2013, zoals gewijzigd bij verordening 2018/1046, heeft begaan die aanleiding heeft gegeven tot een financiële correctie, niet het recht heeft om deel te nemen aan de procedure tot vaststelling van die financiële correctie en aan de gerechtelijke procedure tot nietigverklaring ervan, op grond dat deze marktdeelnemer zich krachtens een partnerschapsovereenkomst tot de civiele rechter kan wenden, voor zover die marktdeelnemer jegens de betrokken managementautoriteit financieel aansprakelijk is voor de uitvoering van het project in kwestie.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-541/20, ECLI:EU:C:2024:818
- HvJ EU 30 januari 2024, C-471/22, ECLI:EU:C:2024:99
- HvJ EU 17 november 2022, C-443/21, ECLI:EU:C:2022:899
- HvJ EU 29 april 2021, C-504/19, ECLI:EU:C:2021:335
- HvJ EU 1 oktober 2020, C-743/18, ECLI:EU:C:2020:767
- HvJ EU 24 juli 2003, C-280/00, ECLI:EU:C:2003:415