HvJ EU 14 september 2023, C-246/22, ECLI:EU:C:2023:673

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

14 september 2023 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Vervoer – Gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten – Richtlijn 92/106/EEG – Internationaal goederenvervoer over de weg – Verordening (EG) nr. 1072/2009 – Vervoer van lege containers vóór het laden of ná het lossen van goederen in het kader van gecombineerd vervoer – Niet-toepasselijkheid van de cabotagebepalingen”

In zaak C‑246/22,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Amtsgericht Köln (rechter in eerste aanleg Keulen, Duitsland) bij beslissing van 25 maart 2022, ingekomen bij het Hof op 8 april 2022, in de procedure

BW,

in tegenwoordigheid van:

Staatsanwaltschaft Köln,

Bundesamt für Güterverkehr,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún (rapporteur), kamerpresident, F. Biltgen en N. Wahl, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– het Bundesamt für Güterverkehr, vertegenwoordigd door M. Schleifenbaum, Rechtsanwalt,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Messina, G. von Rintelen en G. Wilms als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 april 2023,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten (PB 1992, L 368, blz. 38) en van verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (PB 2009, L 300, blz. 72).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen BW, bestuurder van een vervoersonderneming (hierna: „belanghebbende”), en het Bundesamt für Güterverkehr (federale dienst voor goederenvervoer, Duitsland; hierna: „BAG”) over de oplegging van een bestuurlijke geldboete wegens schending van de cabotagebepalingen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 92/106

3 De derde en de zesde overweging van richtlijn 92/106 luiden: „Overwegende dat het, gezien de toenemende problemen in verband met de verstopte wegen, het milieu en de verkeersveiligheid, in het algemeen belang is het gecombineerd vervoer als alternatief voor het wegvervoer verder te ontwikkelen; […] Overwegende dat deze liberalisering betrekking moet hebben op qua afstand beperkte wegtrajecten om met de techniek van het gecombineerd vervoer een werkelijke ontlasting van de wegen te bereiken”.

4 Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt: „Deze richtlijn is van toepassing op het gecombineerd vervoer, onverminderd het bepaalde in verordening (EEG) nr. 881/92 [van de Raad van 26 maart 1992 betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een lidstaat of over het grondgebied van een of meer lidstaten (PB 1992, L 95, blz. 1)]. In deze richtlijn wordt verstaan onder ‚gecombineerd vervoer’: het goederenvervoer tussen lidstaten waarbij de vrachtwagen, de aanhangwagen, de oplegger met of zonder trekker, de wissellaadbak of de container van 20 voet en meer gebruikmaken van de weg voor het eerste of het laatste gedeelte in het traject, en voor het andere gedeelte van het spoor of de binnenwateren, of van een zeetraject wanneer dat traject meer bedraagt dan 100 km hemelsbreed gemeten, en het begin- of het eindvervoer over de weg verrichten: – hetzij tussen de laadplaats van de goederen en het dichtstbij gelegen geschikte station van inlading, voor wat het beginvervoer betreft, en tussen het dichtstbij gelegen geschikte station van uitlading en de losplaats van de goederen, voor wat het eindvervoer betreft; – hetzij binnen een afstand van ten hoogste 150 km hemelsbreed gemeten, vanaf de rivier- of zeehaven van in- of van uitlading.”

5 Artikel 3 van die richtlijn bepaalt: „In geval van gecombineerd beroepsgoederenvervoer moet een vervoerdocument dat ten minste voldoet aan de voorschriften van artikel 6 van verordening nr. 11 van de Raad van 27 juni 1960 ter uitvoering van artikel 79, lid 3, van het [EEG-Verdrag] betreffende de opheffing van discriminaties inzake vrachtprijzen en vervoervoorwaarden [(PB 1960, 52, blz. 1121)], worden aangevuld met de vermelding van de spoorwegstations van in- of uitlading voor wat het traject per spoor betreft, of van de rivierhavens van in- of uitlading voor wat het traject over de binnenwateren, of van de zeehavens van in- of uitlading voor wat het traject over zee betreft. […]”

6 Artikel 4 van richtlijn 92/106 luidt als volgt: „In een lidstaat gevestigde ondernemers van wegvervoer die met betrekking tot het goederenvervoer tussen de lidstaten aan de voorwaarden voor toelating tot het beroep en voor toegang tot de vervoersmarkt voldoen, mogen in het kader van gecombineerd vervoer tussen lidstaten al dan niet grensoverschrijdend begin- en/of eindvervoer verrichten dat een integrerend bestanddeel uitmaakt van het gecombineerd vervoer.”

Verordening nr. 1072/2009

7 De overwegingen 4, 5, 13, 15 en 16 van verordening nr. 1072/2009 luiden als volgt: „(4) De totstandbrenging van een gemeenschappelijk vervoersbeleid impliceert dat ten aanzien van degene die de vervoersdiensten verricht, elke beperking op grond van nationaliteit of vestiging in een andere lidstaat dan die waarin de dienst moet worden verricht, wordt opgeheven. (5) Met het oog op een vlotte en flexibele verwezenlijking hiervan dient te worden voorzien in een tijdelijke cabotageregeling, zolang de harmonisering van de markt voor vervoer over de weg nog niet is voltooid. […] (13) De vervoerders die houder zijn van de communautaire vergunning als omschreven in deze verordening, dan wel de vervoerders die gemachtigd zijn om bepaalde categorieën internationaal vervoer te verzorgen, moeten worden gemachtigd om op tijdelijke basis nationale vervoersdiensten te verlenen overeenkomstig deze verordening [in een lidstaat] waar zij geen kantoor of andere vestiging hebben. […] […] (15) Onverminderd de [VWEU]-bepalingen betreffende het recht van vestiging bestaat cabotagevervoer in het verlenen van diensten door vervoerders binnen een lidstaat waar deze niet zijn gevestigd, en mag het niet worden verboden zolang het niet op zodanige wijze wordt verricht dat het een permanente of ononderbroken activiteit binnen die lidstaat wordt. Om bij te dragen tot de handhaving van dit voorschrift, moeten de frequentie van het cabotagevervoer en de periode waarbinnen het kan worden verricht, duidelijker worden omschreven. In het verleden waren dergelijke nationale vervoersdiensten toegestaan indien zij van tijdelijke aard waren. In de praktijk bleek het moeilijk om na te gaan welke diensten zijn toegestaan. Er is derhalve behoefte aan duidelijke en gemakkelijk toepasbare regels. (16) Deze verordening laat onverlet de bepalingen inzake het aan- of uitrijden van goederen over de weg in het kader van gecombineerd vervoer als vastgelegd in richtlijn [92/106]. Binnenlandse ritten over de weg binnen een lidstaat van ontvangst die geen deel uitmaken van gecombineerd vervoer zoals vastgelegd in richtlijn [92/106] vallen onder de definitie van cabotage, om welke reden de vereisten van deze verordening op dergelijke ritten van toepassing dienen te zijn.”

8 Artikel 1 („Toepassingsgebied”) van deze verordening bepaalt: „1. Deze verordening is van toepassing op het internationale goederenvervoer over de weg voor rekening van derden voor trajecten op het grondgebied van de [Europese] Gemeenschap. […] 4. Deze verordening is van toepassing op binnenlands vervoer van goederen over de weg dat tijdelijk wordt verricht door een niet-ingezeten vervoerder, zoals bepaald in hoofdstuk III. 5. De volgende soorten vervoer en lege ritten in het kader van dergelijk vervoer vereisen geen communautaire vergunning en zijn vrijgesteld van andere vervoersvergunningen: […]”

9 Artikel 2 („Definities”) van die verordening bepaalt: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: […] 2. ‚internationaal vervoer’: a) de verplaatsingen van een geladen voertuig waarvan het punt van vertrek en het punt van aankomst zich in twee verschillende lidstaten bevinden, met of zonder doorvoer via een of meer lidstaten of derde landen; b) de verplaatsingen van een geladen voertuig vanuit een lidstaat naar een derde land en omgekeerd, met of zonder doorvoer via een of meer lidstaten of derde landen; c) de verplaatsingen van een geladen voertuig tussen derde landen met doorvoer via een of meer lidstaten, of d) de lege ritten in verband met het onder a), b) en c) bedoelde vervoer; 3. ‚lidstaat van ontvangst’: een lidstaat waarin een vervoerder actief is, niet zijnde zijn lidstaat van vestiging; 4. ‚niet-ingezeten vervoerder’: een wegvervoeronderneming die actief is in een lidstaat van ontvangst; […] 6. ‚cabotage’: nationaal vervoer voor rekening van derden dat tijdelijk wordt verricht in een lidstaat van ontvangst, overeenkomstig deze verordening; […]”

10 Hoofdstuk III van verordening nr. 1072/2009 draagt als opschrift „Cabotage” en omvat artikel 8, waarvan de leden 1 en 2 bepalen: „1. Vervoerders voor rekening van derden die houder zijn van een communautaire vergunning mogen, mits de bestuurder, indien deze onderdaan is van een derde land, houder is van een bestuurdersattest, onder de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden cabotagevervoer verrichten. 2. Zodra de in het kader van het inkomende internationale vervoer vervoerde goederen zijn geleverd, wordt de in lid 1 bedoelde vervoerders toestemming verleend om, aansluitend op internationaal vervoer vanuit een andere lidstaat of vanuit een derde land naar de lidstaat van ontvangst, met hetzelfde voertuig of, in het geval van een samenstel van voertuigen, het trekkende voertuig van datzelfde voertuig, tot drie cabotageritten uit te voeren. De laatste lossing in het kader van een cabotagerit, alvorens de lidstaat van ontvangst te verlaten, vindt plaats binnen zeven dagen na de laatste lossing die in het kader van het inkomende internationale vervoer in de lidstaat van ontvangst heeft plaatsgevonden. […]”

11 Blijkens artikel 18 van verordening nr. 1072/2009 is bij deze verordening met name verordening nr. 881/92 ingetrokken en vervangen.

Duits recht

12 § 13 van de Verordnung über den grenzüberschreitenden Güterkraftverkehr und den Kabotageverkehr (besluit betreffende het internationale goederenvervoer over de weg en het cabotagevervoer) van 28 december 2011 (BGBl. 2012 I, blz. 42), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „GüKGrKabotageV”), bepaalt: „Onder internationaal gecombineerd vervoer voor rekening van derden wordt verstaan, het goederenvervoer waarbij 1. het trekkende voertuig, de aanhangwagen, de oplegger, de wissellaadbak of de container van zes meter of meer voor een gedeelte van het traject gebruikmaken van de weg, en voor het andere gedeelte van het spoor of de binnenwateren, of van een zeetraject (wanneer dat traject meer bedraagt dan 100 km hemelsbreed gemeten); 2. het gehele traject deels in het binnenland en deels in het buitenland is gelegen, en 3. het vervoer over de weg in het binnenland uitsluitend wordt verricht tussen de laad- of losplaats en a) het dichtstbij gelegen geschikte station of b) een rivier- of zeehaven binnen een afstand van ten hoogste 150 km hemelsbreed gemeten (in- of uitlading).”

13 § 15, lid 1, GüKGrKabotageV bepaalt: „Een ondernemer wiens onderneming is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte [van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3)], mag in het kader van gecombineerd vervoer in de zin van § 13 begin- en/of eindvervoer op het nationale grondgebied verrichten indien hij voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het beroep en voor toegang tot de markt voor goederenvervoer over de weg tussen lidstaten.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

14 Op 22 januari en 6 februari 2020 heeft het BAG bij Contargo Rhein-Neckar GmbH controles ter plaatse verricht, waarbij het bezwaren heeft geformuleerd met betrekking tot 60 transporten die tussen 6 en 27 mei 2019 voor rekening van deze onderneming waren uitgevoerd door TIM-Trans Impex SRL, een in Roemenië gevestigde vennootschap.

15 Het BAG verwijt belanghebbende, die de bestuurder van TIM-Trans Impex is, ten minste 57 keer lege containers te hebben vervoerd, welke transporten niet vielen onder de preferentiële behandeling van het gecombineerd vervoer krachtens § 13 en volgende van de GüKGrKabotageV en die dus geen cabotageritten waren. Belanghebbende heeft als bestuurder de in artikel 8 van verordening nr. 1072/2009 bedoelde beperking van drie cabotageritten in zeven dagen overschreden.

16 Tijdens een hoorzitting heeft belanghebbende aangevoerd dat het vervoer van lege containers deel uitmaakte van het vervoer van geladen containers, dat onder de preferentiële behandeling van het gecombineerd vervoer krachtens richtlijn 92/106 valt. Zij verklaarde dat haar bedrijfsactiviteit erin bestond volle containers, die eerder in lege toestand op een containerterminal waren opgehaald, te vervoeren naar een haven om per zeeschip te worden verscheept, en geloste containers leeg te vervoeren naar een containerterminal. Het is dan ook gerechtvaardigd om het vervoer van lege containers niet op zichzelf, maar als een integrerend bestanddeel van één enkele vervoersovereenkomst te beschouwen, en derhalve op dit vervoer de preferentiële behandeling van het gecombineerd vervoer toe te passen.

17 Bij besluit van 30 oktober 2020 heeft het BAG belanghebbende een bestuurlijke boete van 8625 EUR opgelegd wegens schending van de cabotagebepalingen. Volgens het BAG valt het vervoer van een lege container vóór het laden of ná het lossen onder de cabotagebeperkingen uit hoofde van artikel 8 van verordening nr. 1072/2009.

18 Het Amtsgericht Köln (rechter in eerste aanleg Keulen, Duitsland), de verwijzende rechter, waarbij belanghebbende beroep heeft ingesteld tegen dat besluit, is van oordeel dat de beslechting van het hoofdgeding afhangt van het antwoord op de vraag of het vervoer van een dergelijke lege container deel uitmaakt van het vervoer van de geladen container in het kader van gecombineerd vervoer, dan wel als een juridisch onderscheiden vervoer moet worden beschouwd. Volgens de verwijzende rechter bevatten verordening nr. 1072/2009 en richtlijn 92/106 geen bepalingen die in dit verband een duidelijk antwoord geven.

19 Wat verordening nr. 1072/2009 betreft, kan uit overweging 16 ervan niet worden opgemaakt of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde transporten deel uitmaken van een gecombineerd vervoer.

20 Wat richtlijn 92/106 betreft, pleit de derde overweging ervan voor een ruime uitlegging van het begrip „gecombineerd vervoer”. De zeer gedetailleerde voorschriften van artikel 1 van deze richtlijn pleiten daarentegen voor een andere uitlegging, volgens welke niet in alle gevallen mag worden aangenomen dat het vervoer van lege containers vóór het laden of ná het lossen deel uitmaakt van een gecombineerd vervoer. Dit vervoer van lege containers kan namelijk niet alleen in uitzonderlijke gevallen, maar ook in het algemeen over beduidend langere afstanden dan 100 of 150 km en ook tussen lidstaten worden verricht. Volgens de verwijzende rechter staat niet vast dat dit voldoet aan het doel dat de preferentiële behandeling van het gecombineerd vervoer rechtvaardigt, namelijk de toenemende problemen in verband met het milieu en de verstopte wegen in de Unie aanpakken. Artikel 3 van die richtlijn verzet zich ook tegen een ruime uitlegging, aangezien deze bepaling niet voorziet in de verplichting om in het vervoersdocument gegevens te verstrekken over het vervoerstraject van de lege container over de weg.

21 Daarop heeft het Amtsgericht Köln de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Maakt het vervoer van lege containers naar [de laadplaats] of vanaf [de losplaats] onlosmakelijk deel uit van het vervoer van containers met lading, zodat het vervoer van lege containers mede onder de preferentiële behandeling van het vervoer van volle containers valt voor zover deze in het kader van het gecombineerd vervoer zijn vrijgesteld van de cabotagebepalingen?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

22 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 1 van richtlijn 92/106 aldus moet worden uitgelegd dat het vervoer over de weg van lege containers tussen een containerterminal en een laad- of losplaats van goederen onder het begrip „gecombineerd vervoer” in de zin van dit artikel valt, zodat het in aanmerking komt voor de liberaliseringsregeling voor begin- en/of eindvervoer dat een integrerend bestanddeel uitmaakt van een gecombineerd vervoer in de zin van artikel 4 van deze richtlijn en dat is vrijgesteld van de toepassing van de cabotagebepalingen van verordening nr. 1072/2009.

23 Voor de beantwoording van deze vraag moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat uit artikel 1, tweede alinea, van richtlijn 92/106, gelezen in het licht van de zesde overweging van deze richtlijn, volgt dat „gecombineerd vervoer” wordt gedefinieerd als goederenvervoer tussen lidstaten waarbij de vrachtwagen, de aanhangwagen, de oplegger met of zonder trekker, de wissellaadbak of de container van 20 voet en meer gebruikmaken van de weg voor het eerste of het laatste gedeelte in het traject, en voor het andere gedeelte van het spoor of de binnenwateren, of van een zeetraject wanneer dat traject meer bedraagt dan 100 km hemelsbreed gemeten, en het begin- of het eindvervoer over de weg verrichten om ervoor te zorgen dat het om een qua afstand beperkt wegtraject gaat.

24 Voorts mogen in een lidstaat gevestigde wegvervoerders krachtens artikel 4 van deze richtlijn in het kader van gecombineerd vervoer tussen lidstaten al dan niet grensoverschrijdend begin- en/of eindvervoer verrichten dat een integrerend bestanddeel uitmaakt van het gecombineerd vervoer.

25 In de tweede plaats wordt cabotage in artikel 2, punten 3 en 6, van verordening nr. 1072/2009 omschreven als nationaal vervoer voor rekening van derden dat tijdelijk wordt verricht in een lidstaat van ontvangst, overeenkomstig deze verordening, waarbij de lidstaat van ontvangst een lidstaat is waarin een vervoerder actief is, niet zijnde zijn lidstaat van vestiging.

26 Aangezien verordening nr. 1072/2009 volgens overweging 5 ervan beoogt te voorzien in een tijdelijke cabotageregeling, zijn de lidstaten niet verplicht de nationale markten volledig open te stellen voor niet-ingezeten wegvervoerders (arrest van 12 april 2018, Commissie/Denemarken, C‑541/16, EU:C:2018:251, punt 52), namelijk in een andere lidstaat gevestigde vervoerders.

27 Artikel 4 van richtlijn 92/106 brengt dus een liberalisering van het wegvervoer tot stand die verder gaat dan die welke uit de cabotageregeling van verordening nr. 1072/2009 volgt.

28 Artikel 8 van deze verordening bevat namelijk cabotagebeperkingen. Wat meer in het bijzonder de voorwaarden betreft waaronder in een andere lidstaat gevestigde vervoerders cabotagevervoer in de lidstaat van ontvangst mogen verrichten, volgt uit artikel 8, lid 2, van die verordening dat cabotagevervoer moet aansluiten op internationaal goederenvervoer over de weg vanuit een lidstaat of vanuit een derde land naar de lidstaat van ontvangst. In de lidstaat van ontvangst mag de betrokken vervoerder maximaal drie cabotageritten uitvoeren binnen zeven dagen na de laatste lossing in het kader van het internationale vervoer.

29 Voorts wordt in de overwegingen 13 en 15 van verordening nr. 1072/2009 beklemtoond dat cabotage tijdelijk is en wordt daarin met name uiteengezet dat cabotageritten niet op zodanige wijze mogen worden uitgevoerd dat cabotage een permanente of ononderbroken activiteit binnen de lidstaat van ontvangst wordt (arrest van 12 april 2018, Commissie/Denemarken, C‑541/16, EU:C:2018:251, punt 52; zie in die zin ook arrest van 8 juli 2021, Staatsanwaltschaft Köln en Bundesamt für Güterverkehr, C‑937/19, EU:C:2021:555, punt 51).

30 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de bedrijfsactiviteit van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vervoersonderneming erin bestaat een lege container op een containerterminal op te halen en te vervoeren naar de laadplaats van de betrokken goederen, en die container, zodra hij is geladen, naar een zeehaven te vervoeren om het gedeelte van het gecombineerd vervoer af te leggen dat niet over de weg gaat, en aldus een beginvervoer over de weg te verrichten in de zin van artikel 1 van richtlijn 92/106. Op soortgelijke wijze haalt die onderneming in geval van een eindvervoer in de zin van dit artikel een volle container op in een zeehaven, vervoert zij die container naar de losplaats van de goederen en brengt zij hem, zodra hij is gelost, leeg terug naar een containerterminal.

31 De verwijzende rechter heeft er twijfels over of dergelijk transport van lege containers deel uitmaakt van een gecombineerd vervoer en derhalve in aanmerking komt voor de bij richtlijn 92/106 ingevoerde liberaliseringsregeling, dan wel of het daarentegen een zelfstandig transport vormt dat onder de cabotagebeperkingen van verordening nr. 1072/2009 valt.

32 In dit verband moet met betrekking tot de verhouding tussen deze twee Unierechtelijke handelingen ten eerste worden opgemerkt dat richtlijn 92/106 volgens artikel 1, eerste alinea, ervan van toepassing is op het gecombineerd vervoer, onverminderd het bepaalde in verordening nr. 881/92. Laatstgenoemde verordening is ingetrokken en vervangen bij verordening nr. 1072/2009.

33 Ten tweede laat verordening nr. 1072/2009 volgens overweging 16 ervan de bepalingen inzake het aan- of uitrijden van goederen over de weg in het kader van gecombineerd vervoer als vastgelegd in richtlijn 92/106 onverlet. In die overweging 16 wordt gepreciseerd dat binnenlandse ritten over de weg binnen een lidstaat van ontvangst die geen deel uitmaken van gecombineerd vervoer zoals vastgelegd in richtlijn 92/106, onder de definitie van cabotage vallen, om welke reden de vereisten van die verordening op dergelijke ritten van toepassing dienen te zijn.

34 Om vast te stellen of een rit die binnen een lidstaat wordt uitgevoerd door een in een andere lidstaat gevestigde vervoersonderneming, onder het begrip „cabotage” valt, moet derhalve worden nagegaan of die rit deel uitmaakt van gecombineerd vervoer zoals vastgelegd in richtlijn 92/106.

35 Vastgesteld moet worden dat deze richtlijn niet preciseert of het vervoer van lege containers dat onmiddellijk voorafgaat aan of aansluit op goederenvervoer dat onder gecombineerd vervoer valt, deel uitmaakt van gecombineerd vervoer.

36 Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient evenwel bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arrest van 28 oktober 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Uitlevering en ne bis in idem), C‑435/22 PPU, EU:C:2022:852, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

37 Uit de bewoordingen van artikel 1 van richtlijn 92/106 blijkt weliswaar dat het in dit artikel bedoelde gecombineerd vervoer „goederenvervoer” is, doch dit sluit niet uit dat een deel van dat vervoer wordt verricht met een lege container, voor zover deze lege rit rechtstreeks verband houdt met het goederenvervoer. Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen in wezen aangeeft, vormt het vervoer van lege containers tussen een containerterminal en de laad- of losplaats van de goederen namelijk een bijkomende maar onontbeerlijke verplaatsing om het hoofdvervoer, te weten het goederenvervoer, te verrichten, waarvan het een integrerend bestanddeel is.

38 Deze conclusie vindt steun in de doelstellingen van richtlijn 92/106. Dienaangaande komt uit de derde overweging van deze richtlijn naar voren dat het, gezien de toenemende problemen in verband met de verstopte wegen, het milieu en de verkeersveiligheid, in het algemeen belang is het gecombineerd vervoer als alternatief voor het wegvervoer verder te ontwikkelen.

39 Wanneer echter het begin- of eindtraject van een gecombineerd vervoer in de zin van deze richtlijn binnen een lidstaat wordt verzorgd door een in een andere lidstaat gevestigde vervoerder, kan alleen de uitlegging volgens welke het vervoer van een lege container dat aan het vervoer van de goederen zelf voorafgaat of daarop volgt, deel uitmaakt van dat gecombineerd vervoer, bijdragen tot het doel om het gebruik van gecombineerd vervoer te bevorderen. Zoals de advocaat-generaal in de punten 41 en 42 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, zou namelijk iedere andere uitlegging de verplichting inhouden om voor het vervoer van die lege container tussen de laad- of losplaats en de containerterminal gebruik te maken van een nationale vervoerder, hetgeen extra financiële en administratieve lasten zou meebrengen en dat gecombineerde vervoer dus minder concurrerend zou maken.

40 Voor de in punt 37 van het onderhavige arrest genoemde conclusie is ook steun te vinden in verordening nr. 1072/2009, die, net als richtlijn 92/106, deel uitmaakt van het gemeenschappelijk vervoersbeleid. Deze twee Unierechtelijke handelingen vertonen bovendien onderlinge verbanden, zoals blijkt uit de in de punten 32 en 33 van het onderhavige arrest genoemde bepalingen.

41 Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1072/2009 bepaalt immers dat deze verordening van toepassing is „op het internationale goederenvervoer”, en volgens de definitie in artikel 2, punt 2, onder d), van die verordening wordt onder „internationaal vervoer” ook lege ritten in verband met bepaalde verplaatsingen van een geladen voertuig verstaan. Op soortgelijke wijze stelt artikel 1, lid 5, van verordening nr. 1072/2009 een aantal soorten goederenvervoer en „lege ritten in het kader van dergelijk vervoer” vrij van de verplichting van een communautaire vergunning en andere vervoersvergunningen. Deze bepalingen getuigen derhalve van de wil van de Uniewetgever te erkennen dat voor bepaalde lege ritten kan worden aangenomen dat zij onder de bepalingen voor het goederenvervoer vallen voor zover die lege ritten worden uitgevoerd in het kader van een vervoer met lading.

42 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 1 van richtlijn 92/106 aldus moet worden uitgelegd dat het vervoer over de weg van lege containers tussen een containerterminal en een laad- of losplaats van goederen onder het begrip „gecombineerd vervoer” in de zin van dit artikel valt, zodat het in aanmerking komt voor de liberaliseringsregeling voor begin- en/of eindvervoer dat een integrerend bestanddeel uitmaakt van een gecombineerd vervoer in de zin van artikel 4 van deze richtlijn en dat is vrijgesteld van de toepassing van de cabotagebepalingen van verordening nr. 1072/2009.

Kosten

43 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 1 van richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen lidstaten

moet aldus worden uitgelegd dat

het vervoer over de weg van lege containers tussen een containerterminal en een laad- of losplaats van goederen onder het begrip „gecombineerd vervoer” in de zin van dit artikel valt, zodat het in aanmerking komt voor de liberaliseringsregeling voor begin- en/of eindvervoer dat een integrerend bestanddeel uitmaakt van een gecombineerd vervoer in de zin van artikel 4 van deze richtlijn en dat is vrijgesteld van de toepassing van de cabotagebepalingen van verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in