HvJ EU 2 september 2021, C-502/20, ECLI:EU:C:2021:678

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

2 september 2021 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Vrijheid van vestiging – Vrij verrichten van diensten – Erkenning van beroepskwalificaties – Richtlijn 2005/36/EG – Artikel 5, lid 2 – In een lidstaat gevestigde auto-expert die zich naar het grondgebied van de ontvangende lidstaat begeeft om er tijdelijk en incidenteel zijn beroep uit te oefenen – Weigering van de beroepsorganisatie van de ontvangende lidstaat, waar hij eerder was gevestigd, om hem in te schrijven in het register van tijdelijke en incidentele dienstverrichtingen – Begrip ‚tijdelijke en incidentele dienstverrichting’”

In zaak C‑502/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de cour d’appel de Mons (hof van beroep Bergen, België) bij beslissing van 22 september 2020, ingekomen bij het Hof op 5 oktober 2020, in de procedure

TP

tegen

Instituut van de auto-experts,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: N. Piçarra, president, M. Vilaras (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend rechter van de Negende kamer, en K. Jürimäe, rechter,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– TP, vertegenwoordigd door V. Grévy, avocat,

– het Instituut van de auto-experts, vertegenwoordigd door P. Botteman en R. Molders-Pierre, avocats,

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door L. Van den Broeck, M. Jacobs en C. Pochet als gemachtigden,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en T. Machovičová als gemachtigden,

– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en M. H. S. Gijzen als gemachtigden,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door É. Gippini Fournier en L. Armati als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 49 VWEU en van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB 2005, L 255, blz. 22, met rectificatie in PB 2008, L 93, blz. 28), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 (PB 2013, L 354, blz. 132) (hierna: „richtlijn 2005/36”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen TP en het Instituut van de auto-experts (hierna: „IAE”) over de uitoefening van het beroep van auto-expert door TP in België.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Overweging 11 van richtlijn 2005/36 bepaalt met name dat deze richtlijn niet bedoeld is als inmenging in het legitieme belang van de lidstaten om te verhinderen dat bepaalde onderdanen zich onttrekken aan de toepassing van het nationale recht inzake de beroepsuitoefening.

4 Artikel 3, lid 1, van die richtlijn bepaalt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: a) ‚gereglementeerd beroep’: een beroepswerkzaamheid of een geheel van beroepswerkzaamheden waartoe de toegang of waarvan de uitoefening of één van de wijzen van uitoefening krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties; met name het voeren van een beroepstitel die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen beperkt is tot personen die een specifieke beroepskwalificatie bezitten, geldt als een wijze van uitoefening Wanneer de eerste zin niet van toepassing is, wordt het in lid 2 bedoelde beroep met een gereglementeerd beroep gelijkgesteld; b) ‚beroepskwalificaties’: kwalificaties die worden gestaafd door een opleidingstitel, een bekwaamheidsattest zoals bedoeld in artikel 11, onder a), i), en/of beroepservaring; [...]”

5 Titel II van die richtlijn, met als opschrift „Vrije dienstverrichting”, bevat de artikelen 5 tot en met 9. Artikel 5, met als opschrift „Beginsel van het vrij verrichten van diensten”, bepaalt: „1. Onverminderd specifieke bepalingen van het [Unierecht] en de artikelen 6 en 7 van deze richtlijn, kunnen de lidstaten niet om redenen van beroepskwalificatie beperkingen stellen aan het vrij verrichten van diensten in een andere lidstaat: a) indien de dienstverrichter op wettige wijze is gevestigd in een lidstaat (hierna ‚lidstaat van vestiging’ genoemd) om er hetzelfde beroep uit te oefenen, en b) wanneer de dienstverrichter zich naar een andere lidstaat begeeft, indien hij dat beroep tijdens de laatste tien jaar die voorafgaan aan de dienstverrichting gedurende ten minste een jaar heeft uitgeoefend in een of meer lidstaten wanneer het beroep niet gereglementeerd is in de lidstaat van vestiging. Deze voorwaarde, namelijk een jaar beroepsuitoefening, is niet van toepassing wanneer het beroep of het onderwijs en de opleiding die toegang verleent tot het beroep gereglementeerd is. 2. De bepalingen van deze titel zijn uitsluitend van toepassing wanneer de dienstverrichter zich naar het grondgebied van de ontvangende lidstaat begeeft om er tijdelijk en incidenteel het in lid 1 bedoelde beroep uit te oefenen. Het tijdelijke en incidentele karakter van de dienstverrichting wordt per geval beoordeeld, met name in het licht van de duur, frequentie, regelmaat en continuïteit van de verrichting. 3. Als de dienstverrichter zich naar een andere lidstaat begeeft, valt hij onder de professionele, wettelijke of administratieve beroepsregels die rechtstreeks verband houden met beroepskwalificaties, zoals de definitie van het beroep, het gebruik van titels en de ernstige wanprestatie bij de uitoefening van het beroep die rechtstreeks en specifiek verband houdt met de bescherming en de veiligheid van consumenten, alsook de tuchtrechtelijke bepalingen, die in de ontvangende lidstaat van toepassing zijn op de personen die er hetzelfde beroep uitoefenen.”

6 Artikel 6, met als opschrift „Vrijstellingen”, bepaalt in de eerste alinea, onder a): „Overeenkomstig artikel 5, lid 1, stelt de ontvangende lidstaat een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter met name vrij van de eisen die worden gesteld aan op zijn grondgebied gevestigde beroepsbeoefenaren met betrekking tot: a) een vergunning, de inschrijving of de aansluiting bij een beroepsorganisatie. Om overeenkomstig artikel 5, lid 3, toepassing van op hun grondgebied geldende tuchtrechtelijke bepalingen mogelijk te maken, kunnen de lidstaten voorzien in automatische tijdelijke inschrijving of aansluiting pro forma bij een beroepsorganisatie, voor zover dit de dienstverrichting op geen enkele wijze vertraagt of bemoeilijkt en voor de dienstverrichter geen extra kosten meebrengt. [...]”

7 Volgens artikel 7, lid 1, van richtlijn 2005/36 kunnen de lidstaten verlangen dat wanneer dienstverrichter zich voor het eerst van de ene naar een andere lidstaat begeeft om er diensten te verrichten, hij de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat daarvan vooraf door middel van een schriftelijke verklaring in kennis stelt. Deze verklaring wordt eenmaal per jaar verlengd indien de dienstverrichter voornemens is om gedurende dat jaar in die lidstaat tijdelijke of incidentele diensten te verrichten.

Belgisch recht

Wet van 15 mei 2007

8 In België worden de positie, de rechten en de verplichtingen van auto-experts geregeld door de wet van 15 mei 2007 tot erkenning en bescherming van het beroep van auto-expert en tot oprichting van een Instituut van de auto-experts (Belgisch Staatsblad, 2 juni 2007, blz. 28087), zoals gewijzigd bij de wet van 6 oktober 2011 (Belgisch Staatsblad, 10 november 2011, blz. 67853) (hierna: „wet van 15 mei 2007”).

9 Volgens artikel 5, § 1, 2°, onder b), van de wet van 15 mei 2007 wordt de hoedanigheid van lid van het IAE toegekend aan iedere natuurlijke persoon die zich in België als auto-expert wil vestigen en erom verzoekt, voor zover hij een bekwaamheidsattest of opleidingstitel voorlegt die is afgeleverd door een lidstaat van de Europese Unie. Artikel 5, § 1, 6°, van deze wet voegt hieraan toe dat de betrokkene ingeschreven moet zijn op de lijst van het IAE.

10 Artikel 6 van die wet bepaalt: „In geval, in het kader van het vrij verrichten van diensten, de onderdanen van de lidstaten van de [...] Unie [...] zich voor het eerst naar België begeven om er tijdelijk en incidenteel het beroep van auto-expert uit te oefenen, stellen deze vooraf door middel van een schriftelijke verklaring, overeenkomstig artikel 9, § 1, van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een [...] algemeen kader voor de erkenning van [EU]-beroepskwalificaties, de bevoegde kamer van de raad van het [IAE] hiervan in kennis. [...]”

Wet van 12 februari 2008

11 Richtlijn 2005/36 is in Belgisch recht omgezet bij de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties (Belgisch Staatsblad, 2 april 2008, blz. 17886; hierna: „wet van 12 februari 2008”).

12 Titel II van deze wet, met als opschrift „Vrije dienstverrichting”, bevat de artikelen 6 tot en met 11. Artikel 6 van deze wet bepaalt: „De bepalingen van deze titel zijn uitsluitend van toepassing wanneer de dienstverrichter zich naar het grondgebied van België begeeft om er tijdelijk en incidenteel het in artikel 7, § 1, bedoelde beroep uit te oefenen. Het tijdelijke en incidentele karakter van de dienstverrichting wordt per geval beoordeeld, met name in het licht van de duur, frequentie, regelmaat en continuïteit van de verrichting.”

13 Artikel 9 van diezelfde wet legt de regeling inzake voorafgaande verklaring overeenkomstig artikel 7 van richtlijn 2005/36 vast.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14 TP heeft gedurende vele jaren in België het beroep van auto-expert uitgeoefend. Sinds 28 januari 2014 woont hij op het grondgebied van het Groothertogdom Luxemburg, waar hij datzelfde beroep uitoefent.

15 De verwijzende rechter geeft aan dat uit de door TP overgelegde gegevens blijkt dat hij sinds die datum weliswaar enkele opdrachten in België heeft uitgevoerd, maar dat het grootste deel van zijn beroepsactiviteiten thans buiten het Belgisch grondgebied plaatsvindt, zodat de beroepsactiviteit die hij in België uitoefent als „bijkomstig” kan worden aangemerkt.

16 In september 2015 heeft het IAE TP verzocht om zich in te schrijven op de lijst van vaste leden van het IAE om zijn situatie in België te regulariseren.

17 TP heeft geweigerd om een verzoek daartoe in te dienen. Aangezien hij naar eigen zeggen enkele deskundigenonderzoeken in België uitvoert, heeft hij verzocht om inschrijving op de in artikel 9 van de wet van 12 februari 2008 bedoelde lijst van auto-experts die tijdelijk en incidenteel hun beroep in België uitoefenen.

18 Volgens het IAE is de uitoefening van het beroep van auto-expert door TP in België zonder lid te zijn van het IAE, onregelmatig en oneerlijk. Het IAE heeft TP dan ook gedagvaard voor de tribunal de commerce du Hainaut (rechtbank van koophandel Henegouwen, België) teneinde hem te verbieden de titel van auto-expert te voeren en dit beroep in België uit te oefenen.

19 TP heeft dezelfde rechter middels een tegenvordering verzocht om krachtens artikel 6 van de wet van 15 mei 2007 zijn inschrijving te bevelen op de lijst van auto-experts die tijdelijk en incidenteel hun beroep uitoefenen.

20 Bij vonnis van 29 november 2017 heeft de tribunal de commerce du Hainaut de vordering van het IAE ingewilligd en de tegenvordering van TP afgewezen. Op 15 februari 2018 heeft TP tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

21 Bij arrest van 3 december 2019 heeft de verwijzende rechter het hoger beroep van TP ontvankelijk verklaard en op basis van de door hem overgelegde documenten geoordeeld dat hij over een vestiging in Luxemburg beschikt in de zin van de artikelen 16 tot en met 19 van richtlijn 2005/36.

22 De verwijzende rechter geeft niettemin te kennen dat hij twijfels heeft of de door het IAE verdedigde uitlegging van de in artikel 6 van de wet van 15 mei 2007 voorkomende woorden „tijdelijk en incidenteel”, volgens welke de eerdere uitoefening van een langdurige en regelmatige werkzaamheid in een lidstaat in de weg staat aan de erkenning van het tijdelijke en incidentele karakter van dezelfde werkzaamheid in die lidstaat nadat de betrokkene zich in een andere lidstaat heeft gevestigd, in overeenstemming is met het Unierecht. TP zet een activiteit voort die hij gedurende meer dan 25 jaar in België heeft uitgeoefend.

23 Voorts is de verwijzende rechter van oordeel dat het tijdelijke karakter van een dienstverrichting niet enkel beoordeeld moet worden in het licht van de duur van deze verrichting, maar ook in het licht van de frequentie, de regelmaat en de continuïteit ervan. Hij leidt daaruit af dat een zekere herhaling in beginsel niet in de weg staat aan de erkenning van het tijdelijke karakter van een activiteit. Bovendien sluit het tijdelijke karakter van een dienstverrichting niet uit dat de betrokkene zich in de lidstaat waarin hij diensten verricht, van een zekere infrastructuur kan voorzien, zoals een kantoor.

24 Daarop heeft de cour d’appel de Mons (hof van beroep Bergen, België) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Artikel 5, § 1, 2°, onder b), en artikel 6 van de wet van 15 mei 2007 [...], gelezen in samenhang met de bepalingen van de wet van 12 februari 2008 [...], in het bijzonder de artikelen 6, 8 en 9 daarvan, kunnen aldus worden uitgelegd dat een dienstverrichter die zijn plaats van vestiging naar een andere lidstaat overbrengt, zich daarna in zijn land van herkomst, te weten België, niet in het IAE-register van tijdelijke en incidentele dienstverrichtingen kan inschrijven om aldaar een tijdelijke en incidentele activiteit uit te oefenen. Is een dergelijke uitlegging verenigbaar met de in het Unierecht erkende vrijheid van vestiging? 2) Zijn artikel 5, § 1, 2°, onder b), en artikel 6 van de wet van 15 mei 2007 [...], gelezen in samenhang met de bepalingen van de wet van 12 februari 2008 [...], in het bijzonder de artikelen 6, 8 en 9 daarvan, aldus uitgelegd dat er voor een in een lidstaat van herkomst gevestigde dienstverrichter geen sprake meer kan zijn van een ‚tijdelijke en incidentele activiteit’ in een andere lidstaat wanneer hij aldaar diensten verricht of een bepaalde infrastructuur heeft en deze diensten in zekere mate herhaaldelijk zijn, zonder dat zij evenwel regelmatig zijn, verenigbaar met die bepalingen van [richtlijn 2005/36]?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

25 Vooraf zij eraan herinnerd dat hoewel de verwijzende rechter, gelet op de letterlijke inhoud van zijn prejudiciële vragen, het Hof verzoekt om uitspraak te doen over de verenigbaarheid van een nationale bepaling met het Unierecht, niets het Hof belet om de verwijzende rechter een bruikbaar antwoord te geven door hem alle uitleggingselementen van Unierecht te verstrekken die hem in staat zullen stellen zelf uitspraak te doen over de verenigbaarheid van het nationale recht met het Unierecht (zie in die zin arrest van 30 april 2020, CTT – Correios de Portugal, C‑661/18, EU:C:2020:335, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26 Wat het hoofdgeding betreft, blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat TP rechtmatig is gevestigd in Luxemburg en daar het beroep van auto-expert uitoefent. Bovendien verwijst de verwijzende rechter naar „opdrachten” die TP in verschillende lidstaten heeft verricht, met name op het grondgebied van het Koninkrijk België, hetgeen zijn fysieke verplaatsing naar deze lidstaat impliceert om er zijn beroep uit te oefenen.

27 Hieruit volgt enerzijds dat een dergelijke dienstverrichting valt onder artikel 5 van richtlijn 2005/36, waarvan lid 1, onder a), het beginsel formuleert dat de lidstaten niet om redenen van beroepskwalificatie beperkingen kunnen stellen aan het vrij verrichten van diensten indien de dienstverrichter rechtmatig is gevestigd in een andere lidstaat om er hetzelfde beroep uit te oefenen. In dit verband verduidelijkt lid 2 van dit artikel dat de bepalingen van titel II van richtlijn 2005/36 uitsluitend toepassing vinden wanneer de dienstverrichter zich naar het grondgebied van de ontvangende lidstaat in de zin van deze bepaling begeeft om er tijdelijk en incidenteel zijn beroep uit te oefenen.

28 Anderzijds en aangezien de omstandigheden van het hoofdgeding onder titel II van richtlijn 2005/36 vallen, die artikel 5 ervan omvat, vindt – in tegenstelling tot wat de Nederlandse regering in haar bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen heeft betoogd – artikel 16 van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006, L 376, blz. 36) geen toepassing. Volgens de bewoordingen van artikel 17, punt 6, van die richtlijn is artikel 16 ervan niet van toepassing op aangelegenheden die onder titel II van richtlijn 2005/36 vallen en evenmin op de vereisten die zijn gesteld in de lidstaat waar de dienst wordt verricht en waarbij een activiteit aan een bepaald beroep wordt voorbehouden (arrest van 17 december 2015, X-Steuerberatungsgesellschaft, C‑342/14, EU:C:2015:827, punt 36).

29 Gelet op deze preciseringen moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, in wezen wenst te vernemen of artikel 5, lid 2, van richtlijn 2005/36 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van de ontvangende lidstaat in de zin van die bepaling die, zoals uitgelegd door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat, een in een andere lidstaat gevestigde beroepsbeoefenaar niet toestaat om tijdelijk en incidenteel zijn beroep uit te oefenen op het grondgebied van de ontvangende lidstaat, op grond dat deze beroepsbeoefenaar in het verleden over een vestiging in die lidstaat beschikte, de diensten die hij verricht een zekere herhaling vertonen of hij zich in die lidstaat heeft voorzien van infrastructuur, zoals een kantoor.

30 Ter beantwoording van die vragen is het noodzakelijk om artikel 5, lid 2, van richtlijn 2005/36, en meer in het bijzonder het in die bepaling opgenomen begrip „tijdelijke en incidentele uitoefening” van een beroep in de ontvangende lidstaat, uit te leggen in het licht van de rechtspraak van het Hof inzake de in artikel 56 VWEU neergelegde vrije dienstverrichting.

31 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de respectievelijke werkingssferen van de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van vestiging. Daartoe is het van belang vast te stellen of de marktdeelnemer al dan niet gevestigd is in de lidstaat waarin hij de betrokken dienst aanbiedt. Indien hij is gevestigd in de lidstaat waarin hij deze dienst aanbiedt, valt hij binnen de werkingssfeer van de vrijheid van vestiging zoals omschreven in artikel 49 VWEU. Is de marktdeelnemer daarentegen niet in de lidstaat van bestemming gevestigd, dan is hij een grensoverschrijdend dienstverrichter voor wie de vrijheid van dienstverrichting geldt (arrest van 22 november 2018, Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank, C‑625/17, EU:C:2018:939, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Het begrip „vestiging” in de zin van de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging impliceert de daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd door middel van een vaste vestiging in de ontvangende lidstaat. Dit veronderstelt bijgevolg dat de betrokken vennootschap werkelijk gevestigd is in de lidstaat van ontvangst en daar daadwerkelijk een economische activiteit uitoefent (arrest van 22 november 2018, Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank, C‑625/17, EU:C:2018:939, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Bovendien moet worden opgemerkt dat een persoon in meer dan één lidstaat kan zijn gevestigd in de zin van de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging, met name door de oprichting van een tweede werkadres (arrest van 30 november 1995, Gebhard, C‑55/94, EU:C:1995:411, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Wanneer een dienstverrichter zich daarentegen verplaatst naar een andere lidstaat dan die waarin hij is gevestigd, is in het hoofdstuk van het VWEU betreffende diensten, en met name artikel 57, derde alinea, VWEU, bepaald dat deze dienstverrichter zijn activiteit daar tijdelijk uitoefent (arrest van 22 november 2018, Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank, C‑625/17, EU:C:2018:939, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Volgens de rechtspraak van het Hof kan het begrip „dienst” in de zin van het VWEU diensten van zeer verschillende aard omvatten, met inbegrip van diensten die een in een lidstaat gevestigde marktdeelnemer op min of meer frequente of regelmatige wijze, zelfs gedurende langere tijd, verstrekt aan personen die in een of meerdere andere lidstaten zijn gevestigd. Geen enkele bepaling van het VWEU maakt het immers mogelijk om op abstracte wijze de duur of de frequentie te bepalen vanaf welke de verrichting van een dienst of van een bepaald soort dienst niet meer kan worden beschouwd als dienstverrichting in de zin van het VWEU (zie in die zin arresten van 11 december 2003, Schnitzer, C‑215/01, EU:C:2003:662, punten 30 en 31, en 10 mei 2012, Duomo Gpa e.a., C‑357/10–C‑359/10, EU:C:2012:283, punt 32).

36 Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat het tijdelijke karakter van de dienstverrichting niet uitsluit dat de dienstverrichter zich in de ontvangende lidstaat voorziet van een zekere infrastructuur (daaronder begrepen een kantoor of kabinet), wanneer die infrastructuur noodzakelijk is om de betrokken dienst te kunnen verrichten (arrest van 30 november 1995, Gebhard, C‑55/94, EU:C:1995:411, punt 27).

37 De gestelde vragen moeten in het licht van deze overwegingen worden beantwoord.

38 In de eerste plaats mogen de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat, in een situatie waarin een in een andere lidstaat gevestigde beroepsbeoefenaar zich naar het grondgebied van die lidstaat begeeft – waar hij in het verleden over een vestiging beschikte – om er voortaan zijn beroep slechts tijdelijk en incidenteel uit te oefenen, zoals in overweging 11 van richtlijn 2005/36 wordt bevestigd, controleren of de verklaringen van die beroepsbeoefenaar juist zijn teneinde zich ervan te vergewissen dat hij zich niet op onrechtmatige wijze tracht te onttrekken aan de toepassing van het nationale recht inzake de beroepsuitoefening.

39 Bovendien blijkt noch uit de artikelen 56 en 57 VWEU, noch uit artikel 5, lid 2, van richtlijn 2005/36, noch uit de in punten 31 tot en met 36 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof, dat in een dergelijke situatie het enkele feit dat een beroepsbeoefenaar in het verleden over een vestiging in de ontvangende lidstaat beschikte, eraan in de weg kan staan dat hij in de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting zijn beroep in laatstgenoemde lidstaat uitoefent doordat hij zich vanuit de lidstaat waarin hij thans is gevestigd, daarheen begeeft.

40 In de tweede plaats volgt uit de in punt 35 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof dat het feit dat de diensten die een in een andere lidstaat gevestigde beroepsbeoefenaar in de ontvangende lidstaat verricht, een zekere herhaling vertonen, er niet aan in de weg staat dat zij in de ontvangende lidstaat worden aangemerkt als „tijdelijk en incidenteel” in de zin van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2005/36.

41 In de derde plaats volgt uit de in punt 36 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak dat het feit dat een beroepsbeoefenaar zich in deze situatie in de ontvangende lidstaat voorziet van een zekere infrastructuur, zoals een kantoor, als zodanig evenmin in de weg staat aan een dergelijke kwalificatie van de diensten die hij in de ontvangende lidstaat verricht.

42 Ten slotte moet in herinnering worden gebracht dat krachtens artikel 6, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2005/36 de in artikel 5 van die richtlijn bedoelde dienstverrichters die in een andere lidstaat zijn gevestigd, vrijgesteld zijn van de eisen die worden gesteld aan de op het grondgebied van de ontvangende lidstaat gevestigde beroepsbeoefenaars met betrekking tot, met name, vergunning, inschrijving of aansluiting bij een beroepsorganisatie, en dat deze lidstaat slechts kan voorzien in een automatische tijdelijke inschrijving of aansluiting pro forma bij een beroepsorganisatie, om de toepassing van de tuchtrechtelijke bepalingen mogelijk te maken overeenkomstig artikel 5, lid 3, van die richtlijn en voor zover dit de dienstverrichting op geen enkele wijze vertraagt of bemoeilijkt.

43 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 5, lid 2, van richtlijn 2005/36 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van de ontvangende lidstaat in de zin van deze bepaling die, zoals geïnterpreteerd door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat, een in een andere lidstaat gevestigde beroepsbeoefenaar niet toestaat om zijn beroep tijdelijk en incidenteel uit te oefenen op het grondgebied van de ontvangende lidstaat, op grond dat deze beroepsbeoefenaar in het verleden over een vestiging in die lidstaat beschikte, de diensten die hij verricht een zekere herhaling vertonen of hij zich in die lidstaat heeft voorzien van een bepaalde infrastructuur, zoals een kantoor.

Kosten

44 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 5, lid 2, van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van de ontvangende lidstaat in de zin van deze bepaling die, zoals geïnterpreteerd door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat, een in een andere lidstaat gevestigde beroepsbeoefenaar niet toestaat om zijn beroep tijdelijk en incidenteel uit te oefenen op het grondgebied van de ontvangende lidstaat, op grond dat deze beroepsbeoefenaar in het verleden over een vestiging in die lidstaat beschikte, de diensten die hij verricht een zekere herhaling vertonen of hij zich in die lidstaat heeft voorzien van een bepaalde infrastructuur, zoals een kantoor.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in