HvJ EU 5 juni 2023, C-204/21, ECLI:EU:C:2023:442
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
5 juni 2023 ( *1 )
Inhoud
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
VEU
Handvest
AVG
Pools recht
Grondwet
Gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy
Gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties
Gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties
Overgangsbepalingen in de wijzigingswet
Precontentieuze procedure
Procedure bij het Hof
Beroep
Bevoegdheid van het Hof, rechtsstaat, onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en voorrang van Unierecht
Handhaving van het voorwerp van het geding
Vierde middel
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
Derde middel
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
– Overwegingen vooraf
– Eerste onderdeel van het derde middel
– Tweede onderdeel van het derde middel
Eerste middel
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
– Ontvankelijkheid
– Ten gronde
Tweede middel
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
– Ontvankelijkheid
– Ten gronde
Vijfde middel
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Hof
– Overwegingen vooraf
– Toepasselijkheid van de AVG
– Toepasselijkheid van artikel 7 en artikel 8, lid 1, van het Handvest
– Gestelde schending van artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c) en e), en lid 3, en artikel 9, lid 1, AVG alsook artikel 7 en artikel 8, lid 1, van het Handvest
Kosten
„Niet-nakoming door een lidstaat – Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Rechtsstaat – Daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden – Onafhankelijkheid van rechters – Artikel 267 VWEU –Mogelijkheid om het Hof een prejudiciële vraag voor te leggen – Voorrang van het Unierecht – Bevoegdheden inzake de opheffing van de strafrechtelijke immuniteit van rechters en op het gebied van arbeidsrecht, sociale zekerheid en pensionering van de rechters van de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen) die zijn verleend aan de tuchtkamer van deze instantie – Verbod voor de nationale rechterlijke instanties om de legitimiteit van de rechterlijke instanties en de grondwettelijke organen in twijfel te trekken dan wel om de wettigheid van de benoeming van rechters of hun rechterlijke bevoegdheden te beoordelen – Kwalificatie als ‚tuchtrechtelijk vergrijp’ van het onderzoek dat een rechter verricht om na te gaan of voldaan is aan bepaalde vereisten met betrekking tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld – Exclusieve bevoegdheid van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy om vragen over het gebrek aan onafhankelijkheid van een rechterlijke instantie of een rechter te onderzoeken – Artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten – Recht op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens – Verordening (EU) 2016/679 – Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c) en e), en lid 3, tweede alinea – Artikel 9, lid 1 – Gevoelige gegevens – Nationale regeling op grond waarvan rechters hun lidmaatschap van verenigingen, stichtingen en politieke partijen alsook hun functies binnen deze organisaties moeten opgeven en op grond waarvan deze gegevens online moeten worden bekendgemaakt”
In zaak C‑204/21,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 1 april 2021,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herrmann en P. J. O. van Nuffel als gemachtigden,
verzoekster,
ondersteund door:
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door M. Jacobs, C. Pochet en L. Van den Broeck als gemachtigden,
Koninkrijk Denemarken, aanvankelijk vertegenwoordigd door V. Pasternak Jørgensen, M. Søndahl Wolff en L. Teilgård, vervolgens door J. F. Kronborg, V. Pasternak Jørgensen en M. Søndahl Wolff als gemachtigden,
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, J. Langer, M. A. M. de Ree en C. S. Schillemans als gemachtigden,
Republiek Finland, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,
Koninkrijk Zweden, vertegenwoordigd door H. Eklinder, C. Meyer-Seitz, A. Runeskjöld, M. Salborn Hodgson, R. Shahsavan Eriksson, H. Shev en O. Simonsson als gemachtigden,
interveniënten,
tegen
Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna, J. Sawicka, K. Straś en S. Żyrek als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Arabadjiev, A. Prechal (rapporteur), E. Regan en L. S. Rossi, kamerpresidenten, M. Ilešič, N. Piçarra, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen, I. Ziemele, J. Passer, Z. Csehi en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: A. M. Collins,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 juni 2022,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 december 2022,
het navolgende
Arrest
1 De Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat de Republiek Polen – is tekortgeschoten in de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), gelezen in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), alsmede krachtens artikel 267 VWEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht, door vaststelling en instandhouding van artikel 42a, §§ 1 en 2, en artikel 55, § 4, van de ustawa – Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) van 27 juli 2001 (Dz. U. nr. 98, volgnr. 1070), zoals gewijzigd bij de ustawa o zmianie ustawy – Prawo o ustroju sądów powszechnych, ustawy o Sądzie Najwyższym oraz niektórych innych ustaw [wet tot wijziging van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties, de wet betreffende de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen) en enkele andere wetten] van 20 december 2019 (Dz. U. van 2020, volgnr. 190; hierna: „wijzigingswet”) (hierna tezamen: „gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties”), artikel 26, § 3, en artikel 29, §§ 2 en 3, van de ustawa o Sądzie Najwyższym (wet betreffende de Sąd Najwyższy) van 8 december 2017 (Dz. U. van 2018, volgnr. 5), zoals gewijzigd bij de wijzigingswet (hierna: „gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy”), artikel 5, §§ 1a en 1b, van de ustawa – Prawo o ustroju sądów administracyjnych (wet betreffende de organisatie van de administratieve rechterlijke instanties) van 25 juli 2002 (Dz. U. nr. 153, volgnr. 1269), zoals gewijzigd bij de wijzigingswet (hierna: „gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties”), en artikel 8 van de wijzigingswet, waarin voor alle nationale rechterlijke instanties is bepaald dat het niet is toegestaan om na te gaan of voldaan is aan de Unierechtelijke vereisten van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld; – is tekortgeschoten in de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest, alsmede krachtens artikel 267 VWEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht, door vaststelling en instandhouding van artikel 26, §§ 2 en 4 tot en met 6, en artikel 82, §§ 2 tot en met 5, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy en artikel 10 van de wijzigingswet, waarbij het onderzoek van de middelen en rechtsvragen over het gebrek aan onafhankelijkheid van een rechterlijke instantie of een rechter bij uitsluiting is toegekend aan de Izba Kontroli Nadzwyczajnej i Spraw Publicznych (kamer voor bijzondere controle en publieke zaken) van de Sąd Najwyższy (hierna: „kamer voor bijzondere controle en publieke zaken”); – is tekortgeschoten in de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest en krachtens artikel 267 VWEU, door vaststelling en instandhouding van artikel 107, § 1, punten 2 en 3, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties en artikel 72, § 1, punten 1 tot en met 3, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy, op grond waarvan het onderzoek of voldaan is aan de vereisten van de Unie met betrekking tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, kan worden aangemerkt als een tuchtrechtelijk vergrijp; – in de op haar krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU rustende verplichtingen is tekortgeschoten doordat zij de bevoegdheid om uitspraak te doen in zaken die een rechtstreekse invloed hebben op de status en de ambtsvervulling van rechters en gerechtsassessoren – zoals zaken waarbij toestemming wordt gevraagd om tegen rechters en gerechtsassessoren een strafrechtelijke procedure in te leiden of om hen aan te houden, alsmede arbeidsrechtelijke en socialezekerheidszaken met betrekking tot rechters van de Sąd Najwyższy en zaken over de pensionering van deze rechters – heeft toegekend aan de Izba Dyscyplinarna (tuchtkamer) van de Sąd Najwyższy (hierna: „tuchtkamer”), waarvan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid niet zijn gewaarborgd; – inbreuk heeft gemaakt op het recht op eerbiediging van het privéleven en op het recht op bescherming van persoonsgegevens, welke rechten worden gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest respectievelijk artikel 8, lid 1, van het Handvest alsook artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c) en e), en lid 3, en artikel 9, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1, met rectificatie in PB 2021, L 74, blz. 35; hierna: „AVG”), doordat zij artikel 88a van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties, artikel 45, § 3, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy en artikel 8, § 2, van de gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties heeft vastgesteld en in stand heeft gehouden.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
VEU
2 Artikel 2 VEU luidt: „De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.”
3 Artikel 4 VEU bepaalt: „1. Overeenkomstig artikel 5 behoren bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, toe aan de lidstaten. 2. De Unie eerbiedigt de gelijkheid van de lidstaten voor de Verdragen, alsmede hun nationale identiteit die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur. Zij eerbiedigt de essentiële staatsfuncties, met name de verdediging van de territoriale integriteit van de staat, de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de nationale veiligheid. Met name de nationale veiligheid blijft uitsluitend de verantwoordelijkheid van elke lidstaat. 3. Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien. De lidstaten treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. De lidstaten vergemakkelijken de vervulling van de taak van de Unie en onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen.”
4 Artikel 5, leden 1 en 2, VEU luidt: „1. De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van die bevoegdheden wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. 2. Krachtens het beginsel van bevoegdheidstoedeling handelt de Unie enkel binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, behoren toe aan de lidstaten.”
5 In artikel 19, lid 1, VEU is bepaald: „Het Hof van Justitie van de Europese Unie omvat het Hof van Justitie, het Gerecht en gespecialiseerde rechtbanken. Het verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen. De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.”
Handvest
6 Artikel 7 van het Handvest luidt: „Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.”
7 In artikel 8 van het Handvest is bepaald: „1. Eenieder heeft recht op bescherming van zijn persoonsgegevens. 2. Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. […] […]”
8 Artikel 47 van het Handvest („Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht”) bepaalt: „Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. […] […]”
9 Artikel 52, lid 1, van het Handvest is als volgt verwoord: „Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”
AVG
10 De overwegingen 4, 10, 16, 20, 39 en 51 AVG luiden: „(4) De verwerking van persoonsgegevens moet ten dienste van de mens staan. Het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding, maar moet worden beschouwd in relatie tot de functie ervan in de samenleving en moet conform het evenredigheidsbeginsel tegen andere grondrechten worden afgewogen. Deze verordening eerbiedigt alle grondrechten alsook de vrijheden en beginselen die zijn erkend in het Handvest zoals dat in de Verdragen is verankerd, met name de eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, woning en communicatie, de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, en het recht op culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid. […] (10) Teneinde natuurlijke personen een consistent en hoog beschermingsniveau te bieden en de belemmeringen voor het verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie op te heffen, dient het niveau van bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen op het vlak van verwerking van deze gegevens in alle lidstaten gelijkwaardig te zijn. Er moet gezorgd worden voor een in de gehele Unie coherente en homogene toepassing van de regels inzake bescherming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens. Met het oog op de verwerking van persoonsgegevens voor het vervullen van een wettelijke verplichting, voor het vervullen van een taak van algemeen belang of bij de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend, moet de lidstaten worden toegestaan nationale bepalingen te handhaven of in te voeren ter nadere precisering van de wijze waarop de regels van deze verordening moeten worden toegepast. […] Deze verordening biedt de lidstaten ook ruimte om eigen regels voor de toepassing vast te stellen, onder meer wat de verwerking van bijzondere persoonsgegevenscategorieën (‚gevoelige gegevens’) betreft. In zoverre staat deze verordening niet in de weg aan lidstatelijk recht waarin specifieke situaties op het gebied van gegevensverwerking nader worden omschreven, meer bepaald door nauwkeuriger te bepalen in welke gevallen verwerking van persoonsgegevens rechtmatig geschiedt. […] (16) Deze verordening is niet van toepassing op vraagstukken met betrekking tot de bescherming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden of het vrije verkeer van persoonsgegevens in verband met niet onder het Unierecht vallende activiteiten, zoals activiteiten betreffende nationale veiligheid. Deze verordening is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens die de lidstaten verrichten bij activiteiten in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie. […] (20) Hoewel de onderhavige verordening onder meer van toepassing is op de activiteiten van gerechten en andere rechterlijke autoriteiten, zouden in het Unierecht of het lidstatelijke recht de verwerkingen en verwerkingsprocedures met betrekking tot het verwerken van persoonsgegevens door gerechten en andere rechterlijke autoriteiten nader kunnen worden gespecificeerd. De competentie van de toezichthoudende autoriteiten mag zich niet uitstrekken tot de verwerking van persoonsgegevens door gerechten in het kader van hun gerechtelijke taken, zulks teneinde de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bij de uitoefening van haar rechterlijke taken, waaronder besluitvorming, te waarborgen. Het toezicht op die gegevensverwerkingen moet kunnen worden toevertrouwd aan specifieke instanties binnen de rechterlijke organisatie van de lidstaat, die met name de naleving van de regels van deze verordening moeten garanderen, leden van de rechterlijke macht van hun verplichtingen krachtens deze verordening sterker bewust moeten maken, en klachten met betrekking tot die gegevensverwerkingen moeten behandelen. […] (39) [D]e specifieke doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt, [dienen] expliciet en gerechtvaardigd te zijn en te zijn vastgesteld wanneer de persoonsgegevens worden verzameld. De persoonsgegevens dienen toereikend en ter zake dienend te zijn en beperkt te blijven tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. […] Persoonsgegevens mogen alleen worden verwerkt indien het doel van de verwerking niet redelijkerwijs op een andere wijze kan worden verwezenlijkt. […] […] (51) Persoonsgegevens die door hun aard bijzonder gevoelig zijn wat betreft de grondrechten en fundamentele vrijheden verdienen specifieke bescherming aangezien de context van de verwerking ervan aanzienlijke risico’s voor de grondrechten en fundamentele vrijheden kan meebrengen. […] Dergelijke persoonsgegevens mogen niet worden verwerkt, tenzij de verwerking is toegestaan in in deze verordening vermelde specifieke gevallen, rekening houdend met het feit dat in de wetgeving van de lidstaten specifieke bepalingen inzake gegevensbescherming kunnen worden opgenomen teneinde de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen met het oog op de vervulling van een wettelijke verplichting of met het oog op de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Naast de specifieke voorschriften voor die verwerking dienen de algemene beginselen en andere regels van deze verordening te worden toegepast, met name wat betreft de voorwaarden voor rechtmatige verwerking. Er moet onder meer uitdrukkelijk in afwijkingen van het algemene verbod op de verwerking van die bijzondere categorieën persoonsgegevens worden voorzien ingeval de betrokkene zijn uitdrukkelijke toestemming geeft of in geval van specifieke behoeften, met name wanneer de verwerking wordt verricht in het kader van gerechtvaardigde activiteiten door bepaalde verenigingen of stichtingen die ernaar streven de uitoefening van de fundamentele vrijheden mogelijk te maken.”
11 Artikel 1 AVG („Onderwerp en doelstellingen”) bepaalt in lid 2: „Deze verordening beschermt de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name hun recht op bescherming van persoonsgegevens.”
12 Artikel 2 AVG („Materieel toepassingsgebied”) luidt: „1. Deze verordening is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen. 2. Deze verordening is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens: a) in het kader van activiteiten die buiten de werkingssfeer van het Unierecht vallen; b) door de lidstaten bij de uitvoering van activiteiten die binnen de werkingssfeer van titel V, hoofdstuk 2, VEU vallen; […]”
13 Artikel 4 AVG („Definities”) luidt: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1) ‚persoonsgegevens’: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (‚de betrokkene’); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon; 2) ‚verwerking’: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens; […] 7) ‚verwerkingsverantwoordelijke’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen; […]”
14 Artikel 6 AVG („Rechtmatigheid van de verwerking”) bepaalt in de leden 1 en 3: „1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: […] c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust; […] e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen; […] 3. De rechtsgrond voor de in lid 1, punten c) en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij: a) Unierecht; of b) lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is. Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. […] Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.”
15 Artikel 9 AVG („Verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens”) bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon, of gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid zijn verboden. 2. Lid 1 is niet van toepassing wanneer aan een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: […] g) de verwerking is noodzakelijk om redenen van zwaarwegend algemeen belang, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene; […]”
Pools recht
Grondwet
16 Artikel 45, lid 1, van de Konstytucja Rzeczypospolitej Polskiej (grondwet van de Republiek Polen; hierna: „grondwet”) luidt: „Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, zonder onnodige vertraging, door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie.”
17 Krachtens artikel 179 van de grondwet benoemt de president van de Republiek Polen rechters op voordracht van de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak, Polen; hierna: „KRS”) voor onbepaalde tijd.
18 Artikel 186, lid 1, van de grondwet bepaalt: „De [KRS] ziet toe op de onafhankelijkheid van de rechtspraak en de rechters.”
19 Artikel 187 van de grondwet luidt: „1. De [KRS] wordt als volgt samengesteld: 1) de president van de Sąd Najwyższy, de minister van Justitie, de president van de Naczelny Sąd Administracyjny [(hoogste bestuursrechter, Polen)] en een door de president van de Republiek Polen aangewezen lid, 2) vijftien leden die worden gekozen uit de rechters van de Sąd Najwyższy, de gewone rechterlijke instanties, de administratieve rechterlijke instanties en de militaire rechterlijke instanties, 3) vier leden die door de Sejm [(een van de twee kamers van het parlement van de Republiek Polen)] worden gekozen uit de afgevaardigden en twee leden die door de Senat [(de andere kamer van het parlement van de Republiek Polen)] worden gekozen uit de senatoren. […] 3. De leden van de [KRS] worden gekozen voor een termijn van vier jaar. 4. Het reglement, het werkterrein en de werkwijze van de [KRS] alsook de wijze waarop zijn leden worden gekozen, worden bij wet vastgesteld.”
Gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy
20 Bij de wet betreffende de Sąd Najwyższy zijn binnen de Sąd Najwyższy twee nieuwe kamers ingesteld: de tuchtkamer en de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken.
21 Bij de wijzigingswet, die op 14 februari 2020 in werking is getreden, zijn in de wet betreffende de Sąd Najwyższy onder meer de volgende aanpassingen aangebracht: invoeging van de nieuwe paragrafen 2 tot en met 6 in artikel 26, een nieuw punt 1a in artikel 27, lid 1, een nieuwe paragraaf 3 in artikel 45, de nieuwe paragrafen 2 tot en met 5 in artikel 82 en wijziging van artikel 29 en artikel 72, § 1.
22 Artikel 26, §§ 2 tot en met 6, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy bepaalt: „§ 2. De kamer voor bijzondere controle en publieke zaken is bevoegd om kennis te nemen van verzoeken of verklaringen betreffende de wraking van een rechter of de aanwijzing van de rechterlijke instantie waarbij de procedure moet worden ingeleid, met inbegrip van middelen inzake het gebrek aan onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie of de rechter. De rechter die de zaak behandelt, dient onverwijld een verzoek in bij de president van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken om de zaak te behandelen overeenkomstig de in afzonderlijke bepalingen vastgestelde regels. De indiening van een verzoek aan de president van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken leidt niet tot schorsing van de lopende procedure. § 3. Het in § 2 bedoelde verzoek wordt niet onderzocht indien het betrekking heeft op de vaststelling en de beoordeling van de rechtmatigheid van de benoeming van een rechter of van diens legitimiteit om rechterlijke taken te vervullen. § 4. De kamer voor bijzondere controle en publieke zaken is bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot vaststelling van de onrechtmatigheid van onherroepelijke vonnissen of arresten van de Sąd Najwyższy, de gewone rechterlijke instanties, de militaire rechterlijke instanties en de administratieve rechterlijke instanties, daaronder begrepen de Naczelny Sąd Administracyjny, indien de onrechtmatigheid erin bestaat dat de status van de tot rechter benoemde persoon die in de zaak uitspraak heeft gedaan, in twijfel wordt getrokken. § 5. De bepalingen betreffende de vaststelling van de onrechtmatigheid van een onherroepelijk vonnis zijn van overeenkomstige toepassing op de procedure in de in § 4 bedoelde zaken en de bepalingen inzake de heropening van een bij onherroepelijk vonnis afgesloten gerechtelijke procedure zijn van toepassing op strafzaken. Er hoeft niet te worden aangetoond dat de uitspraak van het vonnis waartegen het beroep is ingesteld, schade heeft veroorzaakt of waarschijnlijk schade zal veroorzaken. § 6. Een beroep tot vaststelling van de onrechtmatigheid van een onherroepelijk vonnis als bedoeld in § 4 kan worden ingesteld bij de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken zonder tussenkomst van de rechterlijke instantie die het bestreden vonnis heeft gewezen, ook wanneer een partij de haar ter beschikking staande rechtsmiddelen, waaronder het buitengewoon beroep bij de Sąd Najwyższy, niet heeft uitgeput.”
23 Artikel 27, § 1, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy luidt: „Onder de bevoegdheid van de tuchtkamer vallen: 1) tuchtprocedures: a) betreffende rechters van de Sąd Najwyższy, b) die door de Sąd Najwyższy worden behandeld met betrekking tot tuchtprocedures die worden gevoerd op grond van de hiernavolgende wetten: […] – wet [betreffende de gewone rechterlijke instanties] […], […] 1a) zaken betreffende de toestemming om een strafrechtelijke procedure in te leiden tegen rechters, gerechtsassessoren, openbaar aanklagers en hun plaatsvervangers of om hen in voorlopige hechtenis te nemen; 2) arbeidsrechtelijke en socialezekerheidszaken met betrekking tot rechters van de Sąd Najwyższy; 3) zaken betreffende de pensionering van rechters van de Sąd Najwyższy.”
24 In artikel 29, §§ 2 en 3, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy is bepaald: „§ 2. In het kader van de werkzaamheden van de Sąd Najwyższy of van zijn organen is het niet toegestaan om de legitimiteit van de rechterlijke instanties […], de grondwettelijke organen van de staat en de organen voor de controle en bescherming van het recht in twijfel te trekken. § 3. De Sąd Najwyższy of een ander orgaan van de rechterlijke macht is niet bevoegd tot het vaststellen of beoordelen van de rechtmatigheid van de benoeming van een rechter of van de uit deze benoeming voortvloeiende bevoegdheid tot uitvoering van taken op het gebied van de rechtsbedeling.”
25 Artikel 45, § 3, van deze wet bepaalt: „De in artikel 88a van de [gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties] bedoelde verklaring wordt door de rechters van de Sąd Najwyższy aan de eerste president van de Sąd Najwyższy voorgelegd, en door de eerste president van de Sąd Najwyższy aan de [KRS].”
26 Artikel 72, § 1, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy luidt: „Een rechter van de Sąd Najwyższy is tuchtrechtelijk aansprakelijk voor professionele tekortkomingen (tuchtrechtelijke vergrijpen), waaronder: 1) kennelijke en grove schendingen van rechtsregels; 2) handelen of nalaten waardoor de werking van een rechterlijke autoriteit kan worden belemmerd of ernstig kan worden ondermijnd; 3) handelen waardoor in twijfel wordt getrokken of de arbeidsverhouding van een rechter bestaat, of een rechter geldig is benoemd, dan wel of een grondwettelijk orgaan van de Republiek Polen legitiem is.”
27 Overeenkomstig artikel 73, § 1, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy is de tuchtkamer de tuchtrechtelijke instantie in eerste en tweede aanleg voor de rechters van de Sąd Najwyższy.
28 In artikel 82 van deze wet is bepaald: „§ 1. Indien de Sąd Najwyższy bij het onderzoek van een cassatieberoep of een ander beroep ernstige twijfels heeft over de uitlegging van de aan de gewezen beslissing ten grondslag liggende wettelijke bepalingen, kan hij de behandeling van de zaak schorsen en een rechtsvraag voorleggen aan een formatie bestaande uit zeven van zijn rechters. § 2. Bij het onderzoek van een zaak waarin een rechtsvraag over de onafhankelijkheid van een rechter of een rechterlijke instantie rijst, schorst de Sąd Najwyższy de behandeling van de zaak en verwijst hij deze vraag naar een uit alle leden van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken bestaande formatie. § 3. Indien de Sąd Najwyższy bij het onderzoek van een verzoek als bedoeld in artikel 26, § 2, ernstige twijfels heeft over de uitlegging van de aan de beslissing ten grondslag liggende wettelijke bepalingen, kan hij de behandeling van de zaak schorsen en een rechtsvraag voorleggen aan een uit alle leden van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken bestaande formatie. § 4. Wanneer de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken een beslissing als bedoeld in § 2 of § 3 neemt, is zij niet gebonden aan de beslissing van een andere rechtsprekende formatie van de Sąd Najwyższy, ook al heeft deze beslissing rechtskracht gekregen. § 5. Een op basis van § 2 of § 3 door alle leden van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken genomen beslissing is bindend voor alle formaties van de Sąd Najwyższy. Elke afwijking van een beslissing die rechtskracht heeft gekregen, vereist dat opnieuw uitspraak wordt gedaan bij beslissing van de Sąd Najwyższy in voltallige zitting, waarbij voor de vaststelling van deze beslissing de aanwezigheid van ten minste twee derde van de rechters van elk van de kamers is vereist. Artikel 88 is niet van toepassing.”
Gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties
29 Bij de wijzigingswet zijn in de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties onder meer de volgende aanpassingen aangebracht: invoeging van de nieuwe artikelen 42a en 88a, toevoeging van een nieuwe paragraaf 4 aan artikel 55, invoeging van de nieuwe punten 2 en 3 in artikel 107 en invoeging van een nieuwe paragraaf 2a in artikel 110.
30 Artikel 42a van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties luidt: „§ 1. In het kader van de werkzaamheden van de rechterlijke instanties of van hun organen is het niet toegestaan om de legitimiteit van de rechterlijke instanties […], de grondwettelijke organen van de staat of organen voor de controle en bescherming van het recht in twijfel te trekken. § 2. Een gewone rechterlijke instantie of een ander orgaan van de rechterlijke macht is niet bevoegd tot het vaststellen of beoordelen van de rechtmatigheid van de benoeming van een rechter of van de uit deze benoeming voortvloeiende bevoegdheid tot uitvoering van taken op het gebied van de rechtsbedeling.”
31 In artikel 55 van deze wet is bepaald: „§ 1. Een rechter van een gewone rechterlijke instantie is een persoon die door de [president van de Republiek Polen] in die functie is benoemd en voor hem de ambtseed heeft afgelegd. § 2. Rechters van de gewone rechterlijke instanties worden benoemd als: 1) rechter van een sąd rejonowy [(rechter in eerste aanleg)]; 2) rechter van een sąd okręgowy [(rechter in eerste of tweede aanleg, naargelang van het geval)]; 3) rechter van een sąd apelacyjny [(rechter in tweede aanleg)]; § 3. Wanneer de [president van de Republiek Polen] een rechter benoemt, wijst hij diens rechtsgebied (standplaats) aan. In de gevallen en volgens de regels als bedoeld in artikel 75 kan de standplaats worden gewijzigd, waarbij het rechtsgebied hetzelfde blijft. § 4. Een rechter kan uitspraak doen over alle zaken in zijn rechtsgebied alsmede in andere rechtsgebieden in de bij de wet omschreven gevallen (bevoegdheid van de rechter). De bepalingen betreffende de toewijzing van zaken en de aanwijzing en wijziging van rechtsprekende formaties beperken de bevoegdheid van een rechter niet en kunnen niet worden aangevoerd om vast te stellen dat een rechtsprekende formatie in strijd is met de wet, dat een rechterlijke instantie niet passend is samengesteld of dat een onbevoegde of onbekwame persoon aan de beslissing heeft deelgenomen.”
32 Artikel 80 van die wet luidt: „§ 1. Een rechter kan niet worden gedetineerd of strafrechtelijk worden vervolgd zonder toestemming van de tuchtrechtelijke instantie. Dit heeft geen betrekking op detentie in geval van een door de rechter gepleegd strafbaar feit dat op heterdaad wordt ontdekt, indien deze detentie noodzakelijk is voor het goede verloop van de procedure. Tot de vaststelling van het besluit waarbij toestemming wordt verleend om een rechter strafrechtelijk te vervolgen, mogen alleen noodmaatregelen worden genomen. […] § 2c. De tuchtrechtelijke instantie neemt een besluit waarbij toestemming wordt verleend om een rechter strafrechtelijk te vervolgen indien er voldoende gegronde redenen zijn om aan te nemen dat die rechter het strafbare feit heeft gepleegd. Het besluit bevat de beslissing waarbij toestemming wordt verleend om de rechter strafrechtelijk te vervolgen, alsmede de redenen voor vervolging. § 2d. De tuchtrechtelijke instantie onderzoekt het verzoek om toestemming voor strafrechtelijke vervolging van een rechter binnen veertien dagen na de datum waarop zij dat verzoek heeft ontvangen. […]”
33 Artikel 88a van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties bepaalt: „§ 1. Een rechter is verplicht een schriftelijke verklaring in te dienen over: 1) zijn lidmaatschap van een vereniging, onder vermelding van de naam en de statutaire zetel van de vereniging, de door hem uitgeoefende functies en de duur van zijn lidmaatschap; 2) de functie die hij heeft uitgeoefend binnen een orgaan van een stichting zonder winstoogmerk, onder vermelding van de naam en de statutaire zetel van de stichting en de periode gedurende welke de functie werd uitgeoefend; 3) zijn lidmaatschap van een politieke partij vóór zijn benoeming tot rechter en zijn lidmaatschap van een politieke partij tijdens zijn ambtstermijn vóór 29 december 1989, onder vermelding van de naam van de partij, de uitgeoefende functies en de duur van zijn lidmaatschap. § 2. De in § 1 bedoelde verklaringen worden door de rechters voorgelegd aan de president van de bevoegde sąd apelacyjny en door de presidenten van de sąd apelacyjny aan de minister van Justitie. § 3. De in § 1 bedoelde verklaringen worden ingediend binnen dertig dagen na de datum waarop de rechter zijn ambt aanvaardt en binnen dertig dagen na de datum waarop de in § 1 bedoelde omstandigheden zich voordoen of ophouden te bestaan. § 4. De gegevens in de in § 1 bedoelde verklaringen zijn openbaar en worden uiterlijk dertig dagen na de datum waarop de verklaring bij de bevoegde instantie is ingediend, beschikbaar gesteld in de Biuletyn Informacji Publicznej [(bulletin voor publieke informatie)] als bedoeld in de ustawa o dostępie do informacji publicznej [(wet betreffende de toegang tot openbare informatie)] van 6 september 2001.”
34 Artikel 107, § 1, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties luidt: „Een rechter is tuchtrechtelijk aansprakelijk voor professionele tekortkomingen (tuchtrechtelijke vergrijpen), waaronder: 1) kennelijke en grove schendingen van rechtsregels; 2) handelen of nalaten waardoor de werking van een rechterlijke autoriteit kan worden belemmerd of ernstig kan worden ondermijnd; 3) handelen waardoor in twijfel wordt getrokken of de arbeidsverhouding van een rechter bestaat, of een rechter geldig is benoemd, dan wel of een grondwettelijk orgaan van de Republiek Polen legitiem is; […]”
35 Artikel 110, § 2a, van deze wet bepaalt: „[…] Over de in artikel 80 […] bedoelde zaken wordt in eerste aanleg beslist door de enkelvoudige kamer van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy, en in tweede aanleg door de meervoudige kamer bestaande uit drie rechters van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy.”
36 Artikel 129, §§ 1 tot en met 3, van die wet luidt: „§ 1. De tuchtrechtelijke instantie kan een rechter tegen wie een tuchtprocedure of een procedure wegens onbekwaamheid is ingeleid, schorsen, zulks ook wanneer een beslissing wordt genomen waarbij toestemming wordt verleend om een strafrechtelijke procedure tegen de betrokken rechter in te leiden. § 2. Indien de tuchtrechtelijke instantie een beslissing neemt waarbij toestemming wordt verleend om een strafrechtelijke procedure in te leiden tegen een rechter wegens een opzettelijk strafbaar feit dat door het openbaar ministerie kan worden vervolgd, schorst zij deze rechter ambtshalve. § 3. Bij schorsing van een rechter vermindert de tuchtrechtelijke instantie zijn bezoldiging voor de duur van die schorsing met 25 % tot 50 %. Deze bepaling geldt niet voor personen tegen wie een procedure wegens onbekwaamheid is ingeleid.”
Gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties
37 Bij de wijzigingswet zijn in de wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties onder meer in artikel 5 de nieuwe paragrafen 1a en 1b ingevoegd, is in artikel 8 een nieuwe paragraaf 2 ingevoegd en zijn artikel 29, § 1, en artikel 49, § 1, van deze wet gewijzigd.
38 In artikel 5, §§ 1a en 1b, van de gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties is het volgende bepaald: „§ 1a. In het kader van de werkzaamheden van een administratieve rechterlijke instantie of van haar organen is het niet toegestaan om de legitimiteit van de rechterlijke instanties, de grondwettelijke organen van de staat en de organen voor de controle en bescherming van het recht in twijfel te trekken. § 1b. Een administratieve rechterlijke instantie of een ander orgaan van de rechterlijke macht is niet bevoegd tot het vaststellen of beoordelen van de rechtmatigheid van de benoeming van een rechter of van de uit deze benoeming voortvloeiende bevoegdheid tot uitvoering van taken op het gebied van de rechtsbedeling.”
39 Artikel 8, § 2, van de gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties bepaalt: „De in artikel 88a van de [gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties] bedoelde verklaring wordt door de rechters van een wojewódzki sąd administracyjny [(bestuursrechter in eerste aanleg)] ingediend bij de president van de bevoegde wojewódzki sąd administracyjny, door de president van een wojewódzki sąd administracyjny en de rechters van de Naczelny Sąd Administracyjny bij de president van de Naczelny Sąd Administracyjny, en door de president van de Naczelny Sąd Administracyjny bij de [KRS]”.
40 Krachtens artikel 29, § 1, van de gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties zijn de tuchtrechtelijke vergrijpen als bedoeld in artikel 107, § 1, punten 2 en 3, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties ook van toepassing op rechters van administratieve rechterlijke instanties.
41 Krachtens artikel 49, § 1, van de gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties zijn tuchtrechtelijke vergrijpen als bedoeld in artikel 72, § 1, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy ook van toepassing op rechters van de Naczelny Sąd Administracyjny.
Overgangsbepalingen in de wijzigingswet
42 Volgens artikel 8 van de wijzigingswet is artikel 55, § 4, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties ook van toepassing op zaken die zijn ingeleid of afgesloten vóór de datum van inwerkingtreding van de wijzigingswet.
43 Artikel 10 van de wijzigingswet luidt: „1. De bepalingen van de [wet betreffende de Sąd Najwyższy], in de versie die voortvloeit uit de onderhavige wet, zijn eveneens van toepassing op zaken die zijn voorgelegd aan de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken en die vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn ingeleid en niet zijn afgesloten met een onherroepelijk vonnis, daaronder begrepen een besluit. 2. De rechterlijke instantie waarbij een zaak als bedoeld in lid 1 aanhangig is gemaakt, verwijst deze onverwijld, en uiterlijk zeven dagen na de inwerkingtreding van deze wet, naar de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, die de eerder verrichte handelingen kan intrekken voor zover deze het verdere onderzoek van de zaak overeenkomstig de wet in de weg staan. 3. Handelingen die door de rechterlijke instanties en de partijen of deelnemers aan de procedure in zaken als bedoeld in lid 1 na de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn verricht en die in strijd zijn met lid 2, hebben geen procedurele gevolgen.”
Precontentieuze procedure
44 De Commissie heeft de Republiek Polen op 29 april 2020 een aanmaningsbrief doen toekomen omdat zij van mening was dat deze lidstaat met de vaststelling van de wijzigingswet om verschillende redenen was tekortgeschoten in de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, het beginsel van voorrang van het Unierecht, artikel 267 VWEU, artikel 7 en artikel 8, lid 1, van het Handvest alsook artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c) en e), en lid 3, en artikel 9 AVG. Bij brief van 29 juni 2020 heeft de Republiek Polen hierop geantwoord en elke schending van het Unierecht betwist.
45 Op 30 oktober 2020 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij bleef bij haar standpunt dat de bij de wijzigingswet ingevoerde regeling in strijd was met de in het vorige punt vermelde Unierechtelijke bepalingen. Derhalve heeft zij de Republiek Polen verzocht de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst ervan te voldoen aan dit met redenen omkleed advies.
46 Gelet op de toename van het aantal bij de tuchtkamer aanhangige zaken over verzoeken om toestemming voor het instellen van strafvervolging tegen rechters heeft de Commissie bij brief van 1 november 2020 een aantal vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten, die deze op 13 november 2020 hebben beantwoord.
47 Op 3 december 2020 heeft de Commissie de Republiek Polen een aanvullende aanmaningsbrief doen toekomen waarin zij aanvoerde dat deze lidstaat in de krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU op hem rustende verplichtingen was tekortgeschoten doordat hij bij artikel 27, § 1, punten 1a, 2 en 3, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy de bevoegdheid om kennis te nemen van zaken die een rechtstreekse invloed hebben op de status en ambtsvervulling van rechters en gerechtsassessoren, had toegekend aan de tuchtkamer, waarvan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid volgens de Commissie niet zijn gewaarborgd.
48 Bij brief van 30 december 2020 heeft de Republiek Polen geantwoord op het met redenen omkleed advies van de Commissie van 30 oktober 2020. Daarin heeft zij het bestaan van de vermeende niet-nakomingen betwist.
49 Bij brief van 4 januari 2021 heeft die lidstaat geantwoord op de aanvullende aanmaningsbrief van 3 december 2020. Daarbij stelde zij dat ook de middelen die de Commissie in die brief had aangevoerd, ongegrond waren.
50 Op 27 januari 2021 heeft de Commissie de Republiek Polen een aanvullend met redenen omkleed advies doen toekomen dat dezelfde grieven bevatte als haar aanvullende aanmaningsbrief. Zij heeft de Republiek Polen dan ook verzocht de nodige maatregelen te nemen om aan dat aanvullende met redenen omkleed advies te voldoen binnen een termijn van één maand na de ontvangst ervan.
51 Bij brief van 26 februari 2021 heeft de Republiek Polen geantwoord op het aanvullende met redenen omkleed advies. Daarbij betoogde zij dat de door de Commissie geformuleerde grieven ongegrond waren.
52 Daarop heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Procedure bij het Hof
53 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 1 april 2021, heeft de Commissie een verzoek om voorlopige maatregelen krachtens artikel 279 VWEU ingediend.
54 Bij beschikking van 14 juli 2021, Commissie/Polen (C‑204/21 R, EU:C:2021:593), heeft de vicepresident van het Hof dit verzoek toegewezen tot de uitspraak van het onderhavige arrest en heeft hij de Republiek Polen in wezen gelast om ten eerste de toepassing op te schorten van de nationale bepalingen als bedoeld in het eerste tot en met het vierde streepje van het petitum van het verzoekschrift van de Commissie, zoals weergegeven in punt 1 van het onderhavige arrest, en om ten tweede de gevolgen op te schorten van de beslissingen van de tuchtkamer waarbij toestemming is verleend om een strafrechtelijke procedure tegen een rechter in te leiden of om hem aan te houden.
55 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 augustus 2021, heeft de Republiek Polen verzocht om die beschikking in te trekken. Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van de vicepresident van het Hof van 6 oktober 2021, Polen/Commissie (C‑204/21 R, EU:C:2021:834).
56 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 september 2021, heeft de Commissie een nieuw verzoek om voorlopige maatregelen ingediend dat ertoe strekte de Republiek Polen te veroordelen tot betaling van een dwangsom per dag. Bij beschikking van 27 oktober 2021, Commissie/Polen (C‑204/21 R, EU:C:2021:878), heeft de vicepresident van het Hof dit verzoek toegewezen en de Republiek Polen veroordeeld om de Commissie een dwangsom van 1000000 EUR per dag te betalen, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van die beschikking tot de dag waarop die lidstaat zou voldoen aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens de in punt 54 van het onderhavige arrest genoemde beschikking van de vicepresident van het Hof, of bij gebreke daarvan tot de datum van uitspraak van het onderhavige arrest. Bij beschikking van de vicepresident van het Hof van 21 april 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C‑204/21 R-RAP, EU:C:2023:334), is die dwangsom verlaagd tot 500000 EUR per dag met ingang van de datum van ondertekening van die beschikking.
57 Bij beschikkingen van 30 september 2021 heeft de president van het Hof het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden in de procedure toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.
Beroep
58 In haar beroep voert de Commissie vijf middelen aan. De eerste drie middelen berusten op schendingen van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU junctis artikel 47 van het Handvest en artikel 267 VWEU. Met het eerste en het tweede middel voert zij bovendien aan dat het beginsel van voorrang van het Unierecht is geschonden. Het vierde middel is gebaseerd op schending van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU. Het vijfde middel betreft schending van artikel 7 en artikel 8, lid 1, van het Handvest alsook van artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c) en e), en lid 3, en artikel 9, lid 1, AVG.
59 De Republiek Polen betwist alle gestelde schendingen en betoogt dat het beroep van de Commissie moet worden verworpen.
Bevoegdheid van het Hof, rechtsstaat, onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en voorrang van Unierecht
60 In dupliek beroept de Republiek Polen zich op het arrest van 14 juli 2021 (zaak P 7/20) van de Trybunał Konstytucyjny (grondwettelijk hof, Polen), waarin die rechter ten eerste op grond van artikel 4, leden 1 en 2, en artikel 5, lid 1, VEU en met name op grond van het beginsel van bevoegdheidstoedeling van de Unie en de verplichting van de Unie om de nationale identiteit van de lidstaten te eerbiedigen heeft geoordeeld dat artikel 4, lid 3, tweede volzin, VEU, gelezen in samenhang met artikel 279 VWEU, zoals uitgelegd door het Hof in de beschikking van 8 april 2020, Commissie/Polen (C‑791/19 R, EU:C:2020:277), onverenigbaar is met een aantal bepalingen van de grondwet. Ten tweede heeft de Trybunał Konstytucyjny geoordeeld dat het Hof zijn bevoegdheid heeft overschreden doordat het bij die beschikking voorlopige maatregelen heeft vastgesteld met betrekking tot de organisatie en de rechtsmacht van de Poolse rechterlijke instanties alsook de bij die instanties te volgen procedure, en aldus verplichtingen heeft opgelegd aan de Republiek Polen. Derhalve vallen die voorlopige maatregelen niet onder de in artikel 91, leden 1 tot en met 3, van de grondwet neergelegde beginselen op grond waarvan het Unierecht voorrang heeft en rechtstreeks van toepassing is. In hetzelfde arrest van 14 juli 2021 heeft de Trybunał Konstytucyjny ook verklaard het „laatste woord” te hebben in principiële zaken die tot de Poolse grondwettelijke orde behoren, wanneer zijn beslissingen en die van het Hof in strijd met elkaar zijn.
61 Daarmee beoogt de Republiek Polen, zoals blijkt uit haar dupliek, in wezen zowel op te komen tegen de door de Commissie in haar beroep gedane beweringen dat Polen zijn verplichtingen niet is nagekomen – met name de stelling dat Polen artikel 19, lid 1, VEU junctis artikel 47 van het Handvest en het beginsel van voorrang van het Unierecht heeft geschonden – als tegen de bevoegdheid van het Hof om uitspraak te doen over dat beroep. Volgens die lidstaat blijkt uit de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van de Trybunał Konstytucyjny van 14 juli 2021, dat het Hof zijn eigen bevoegdheden en die van de Unie zou overschrijden indien de door de Commissie aangevoerde middelen werden aanvaard. Deze aanvaarding zou ten eerste afbreuk doen aan de exclusieve bevoegdheid van de Republiek Polen op het gebied van de rechterlijke organisatie, wat indruist tegen het beginsel van bevoegdheidstoedeling van de Unie, en ten tweede aan de nationale identiteit die besloten ligt in de politieke en constitutionele basisstructuren van die lidstaat, wat in strijd is met artikel 4, lid 2, VEU.
62 In dit verband zij er echter om te beginnen aan herinnerd dat de toetsing van de naleving door de lidstaten van de vereisten van artikel 2 en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU volledig behoort tot de bevoegdheid van het Hof, met name wanneer de Commissie overeenkomstig artikel 258 VWEU een beroep wegens niet-nakoming heeft ingesteld bij het Hof, zoals in casu het geval is (zie in die zin arrest van 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad, C‑156/21, EU:C:2022:97, punt 161 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 Wat de reikwijdte van deze bepalingen betreft, blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de rechterlijke organisatie in de lidstaten – met name de invoering, samenstelling, bevoegdheden en werking van de nationale rechterlijke instanties alsook de regels over de benoemingsprocedure voor rechters of over de status van rechters en de uitoefening van hun ambt – weliswaar tot hun eigen bevoegdheid behoort, maar dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen moeten nakomen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht en in het bijzonder uit de artikelen 2 en 19 VEU [zie in die zin arresten van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:596, punten 56, 60‑62 en 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
64 Volgens de bewoordingen van artikel 2 VEU berust de Unie op waarden die de lidstaten gemeen hebben en overeenkomstig artikel 49 VEU vormt de eerbiediging van die waarden een toetredingsvoorwaarde voor elke Europese staat die verzoekt om lidmaatschap van de Unie (arrest van 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad, C‑156/21, EU:C:2022:97, punt 124 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Overigens zij eraan herinnerd dat de Republiek Polen, om tot de Unie te kunnen toetreden, moest voldoen aan de door de Europese Raad van Kopenhagen van 21 en 22 juni 1993 vastgestelde criteria waaraan kandidaat-lidstaten moesten voldoen. Deze criteria houden onder meer in dat kandidaat-lidstaten dienen te beschikken „over stabiele instellingen die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen” (arrest van 29 maart 2022, Getin Noble Bank,C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 104).
66 Zoals het Hof herhaaldelijk heeft benadrukt, omvat de Unie dus staten die geheel uit vrije wil de in artikel 2 VEU bedoelde waarden hebben onderschreven, die deze waarden eerbiedigen en die zich ertoe verbinden deze waarden te bevorderen. Het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten en in het bijzonder hun rechterlijke instanties is gebaseerd op de fundamentele premisse dat de lidstaten deze gemeenschappelijke waarden delen [zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:596, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
67 Derhalve verwoordt artikel 2 VEU niet gewoon een politieke koers of intentie, maar bevat het waarden die tot de wezenlijke identiteit van de Unie als gemeenschappelijke rechtsorde behoren en die zijn geconcretiseerd in beginselen die juridisch bindende verplichtingen voor de lidstaten bevatten (arrest van 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad, C‑156/21, EU:C:2022:97, punt 232).
68 Uit het voorgaande volgt met name dat de eerbiediging door een lidstaat van de in artikel 2 VEU vermelde waarden een voorwaarde is voor het genot van alle rechten die voortvloeien uit de toepassing van de Verdragen op die lidstaat. De eerbiediging van die waarden kan immers niet worden gereduceerd tot een verplichting die een kandidaat-lidstaat enkel moet nakomen om tot de Unie toe te treden en die hij na zijn toetreding naast zich neer kan leggen (arrest van 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad, C‑156/21, EU:C:2022:97, punt 126 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69 Artikel 19 VEU concretiseert het in artikel 2 VEU neergelegde beginsel van de rechtsstaat (arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses,C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 32). Wat meer bepaald artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU betreft, zij eraan herinnerd dat het volgens deze bepaling aan de lidstaten staat om te voorzien in een stelsel van rechtsmiddelen en procedures om de justitiabelen daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te garanderen. Het beginsel van daadwerkelijke bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen en waarnaar die bepaling verwijst, is een algemeen Unierechtelijk beginsel dat voortvloeit uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Het is neergelegd in de artikelen 6 en 13 EVRM en wordt thans ook tot uitdrukking gebracht in artikel 47 van het Handvest [arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:596, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
70 Om te waarborgen dat instanties waaraan kan worden verzocht om te oordelen over vragen die verband houden met de toepassing en de uitlegging van het Unierecht, in staat zijn daadwerkelijke rechtsbescherming te bieden, is de instandhouding van de onafhankelijkheid van die instanties primordiaal, zoals wordt bevestigd door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest [arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:596, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
71 Tevens heeft het Hof in zijn rechtspraak benadrukt dat de waarborgen voor toegang tot een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht – met name de waarborgen die zowel voor dat begrip als voor de samenstelling van een dergelijk gerecht bepalend zijn – de hoeksteen van het recht op een eerlijk proces vormen [arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 126 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
72 Derhalve kan niet op goede gronden worden betoogd dat de vereisten die als voorwaarden voor zowel toetreding tot als deelname aan de Unie voortvloeien uit de eerbiediging van de in artikel 2 en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU erkende waarden en beginselen – zoals de rechtsstaat, daadwerkelijke rechtsbescherming en onafhankelijkheid van de rechterlijke macht – de nationale identiteit van een lidstaat in de zin van artikel 4, lid 2, VEU kunnen aantasten. Laatstgenoemde bepaling, die moet worden gelezen in het licht van de bepalingen die zijn vervat in artikel 2 en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en die dezelfde juridische waarde hebben, kunnen er bijgevolg niet toe leiden dat de lidstaten de uit deze bepalingen voortvloeiende vereisten niet hoeven na te leven.
73 Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat de Unie volgens artikel 4, lid 2, VEU de nationale identiteit van de lidstaten die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren weliswaar eerbiedigt, zodat de lidstaten enige beoordelingsvrijheid hebben om de toepassing van de beginselen van de rechtsstaat te waarborgen, maar dat dit geenszins betekent dat deze resultaatsverplichting per lidstaat kan verschillen. Dat de lidstaten elk hun eigen nationale identiteit hebben die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren – welke identiteit door de Unie wordt geëerbiedigd – neemt immers niet weg dat de lidstaten een opvatting van het begrip „rechtsstaat” aanhangen die door hen wordt gedeeld, als een waarde die hun eigen grondwettelijke tradities met elkaar gemeen hebben, en dat zij zich ertoe hebben verbonden om die opvatting te blijven eerbiedigen (arrest van 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad, C‑156/21, EU:C:2022:97, punten 233 en 234).
74 Hieruit volgt dat de lidstaten bij de keuze van hun grondwettelijk model moeten voldoen aan het vereiste van rechterlijke onafhankelijkheid, dat voortvloeit uit artikel 2 en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU [zie in die zin arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof),C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Zij dienen er dus met name voor te zorgen dat zij, wat de waarde van de rechtsstaat betreft, elke teruggang in hun wettelijke regeling van de rechterlijke organisatie voorkomen, door geen regels vast te stellen die de onafhankelijkheid van de rechters zouden ondermijnen (zie in die zin arrest van 21 december 2021, Euro Box Promotion e.a.,C‑357/19, C‑379/19, C‑547/19, C‑811/19 en C‑840/19, EU:C:2021:1034, punt 162).
75 Voorts heeft het Hof in het arrest van 15 juli 1964, Costa (6/64, EU:C:1964:66, blz. 1218‑1219), vastgesteld dat de instelling bij het EEG-Verdrag van een eigen rechtsorde, die de lidstaten op basis van wederkerigheid hebben aanvaard, tot gevolg heeft dat zij niet tegen deze rechtsorde kunnen ingaan met een later, eenzijdig afgekondigd wettelijk voorschrift, en evenmin het EEG-Verdragsrecht opzij kunnen zetten met enig nationaal voorschrift, zonder dat dit recht zijn gemeenschapsrechtelijk karakter verliest en zonder dat de rechtsgrond van de Gemeenschap zelf wordt aangetast. Het Hof heeft daarin tevens benadrukt dat de verwezenlijking van de doelstellingen van het EEG-Verdrag in gevaar zou worden gebracht en een bij dit Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit in het leven zou worden geroepen indien de werking van het gemeenschapsrecht van staat tot staat zou verschillen op grond van latere nationale wetten [arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
76 Deze essentiële kenmerken van de rechtsorde van de Unie en het belang van de vereiste naleving ervan zijn overigens bevestigd door de onvoorwaardelijke bekrachtiging van de Verdragen tot wijziging van het EEG-Verdrag, met name het Verdrag van Lissabon, zoals in het bijzonder blijkt uit verklaring nr. 17 betreffende de voorrang, die gehecht is aan de Slotakte van de intergouvernementele conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen, dat op 13 december 2007 is ondertekend (PB 2012, C 326, blz. 346). Hetzelfde geldt voor de rechtspraak die het Hof na de inwerkingtreding van dat Verdrag heeft ontwikkeld [zie in die zin arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punten 49 en 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
77 Uit deze vaste rechtspraak volgt dat de omstandigheid dat een lidstaat zich beroept op bepalingen van nationaal recht, ook al zijn deze van constitutionele aard, krachtens het beginsel van voorrang van het Unierecht niet kan afdoen aan de eenheid en de werking van het Unierecht. Volgens vaste rechtspraak zijn de gevolgen van het beginsel van voorrang van het Unierecht immers bindend voor alle organen van een lidstaat, zonder dat de nationale bepalingen – waaronder grondwettelijke bepalingen – daaraan in de weg kunnen staan [arresten van 17 december 1970, Internationale Handelsgesellschaft,11/70, EU:C:1970:114, punt 3, en 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. De nakoming van die verplichting is met name noodzakelijk om de gelijkheid van de lidstaten voor de Verdragen te waarborgen en vormt een uitdrukking van het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking [zie in die zin arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
78 Het Hof heeft voor recht verklaard dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest – welke bepaling de lidstaten een duidelijke en nauwkeurige resultaatsverplichting oplegt waaraan geen enkele voorwaarde is verbonden met betrekking tot de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechterlijke instanties die gehouden zijn het Unierecht uit te leggen en toe te passen en met betrekking tot het vereiste dat die instanties vooraf bij wet zijn ingesteld – rechtstreekse werking heeft waardoor elke bepaling, rechtspraak of nationale praktijk die in strijd is met die Unierechtelijke bepalingen, zoals deze worden uitgelegd door het Hof, buiten toepassing moeten worden gelaten [zie in die zin arresten van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punten 158 en 159 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad, C‑156/21, EU:C:2022:97, punt 162 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punten 58 en 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
79 In dit verband zij er ten slotte aan herinnerd dat het Hof, dat bij uitsluiting bevoegd is om het Unierecht bindend uit te leggen, bij de uitoefening van deze bevoegdheid de draagwijdte van het beginsel van voorrang van het Unierecht dient te verduidelijken in het licht van de relevante Unierechtelijke bepalingen, zodat deze draagwijdte niet kan afhangen van de uitlegging van nationale bepalingen of van de uitlegging die een nationale rechter aan Unierechtelijke bepalingen geeft en die niet strookt met die van het Hof [arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. De betrokken nationale rechter is dan ook verplicht om zijn eigen rechtspraak te wijzigen wanneer deze onverenigbaar is met het Unierecht zoals dit door het Hof is uitgelegd (zie in die zin arresten van 19 april 2016, DI,C‑441/14, EU:C:2016:278, punten 33 en 34, en 6 november 2018, Max-Planck-Gesellschaft zur Förderung der Wissenschaften,C‑684/16, EU:C:2018:874, punt 60).
80 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat – anders dan de Republiek Polen stelt – noch de in artikel 4, leden 1 en 2, en artikel 5, lid 1, VEU neergelegde beginselen, noch de in punt 60 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak van een nationaal grondwettelijk hof eraan in de weg kunnen staan dat de nationale bepalingen die de Commissie in het kader van haar beroep ter discussie stelt, door het Hof kunnen worden getoetst, met name in het licht van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU junctis artikel 47 van het Handvest en het beginsel van voorrang van het Unierecht.
Handhaving van het voorwerp van het geding
81 Ter terechtzitting heeft de Republiek Polen gewezen op de recente vaststelling van de ustawa o zmianie ustawy o Sądzie Najwyższym oraz niektórych innych ustaw (wet tot wijziging van de wet betreffende de Sąd Najwyższy en enkele andere wetten) van 9 juni 2022 (Dz. U., volgnr. 1259), die op 15 juli van dat jaar in werking is getreden en met name strekt tot opheffing van de tuchtkamer waarop het vierde middel van de Commissie betrekking heeft. In deze wet zijn ook de bewoordingen van de nationale bepalingen waarop het eerste en het derde middel berusten, gewijzigd en verduidelijkt. De Republiek Polen betoogt dan ook dat de procedure niet hoeft te worden voortgezet wat het eerste, het derde en het vierde middel betreft.
82 In dit verband kan er evenwel mee worden volstaan in herinnering te brengen dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een inbreuk moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie waarin de betrokken lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en dat het Hof geen rekening kan houden met daarna opgetreden wijzigingen [arrest van 24 juni 2019, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de Sąd Najwyższy), C‑619/18, EU:C:2019:531, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
83 In de onderhavige zaak staat vast dat alle nationale bepalingen waartegen de Commissie met haar beroep opkomt, nog altijd van kracht waren toen de termijnen waren verstreken die de Commissie in het met redenen omkleed advies en het aanvullende met redenen omkleed advies had gesteld. Derhalve moet het Hof uitspraak doen over alle middelen die in dit beroep zijn aangevoerd.
Vierde middel
Argumenten van partijen
84 Met haar vierde middel, dat als eerste moet worden onderzocht, betoogt de Commissie dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU is geschonden doordat de Republiek Polen is tekortgeschoten in haar verplichting om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de tuchtkamer te waarborgen, terwijl deze kamer als „rechterlijke instantie” onder het Poolse gerechtelijk apparaat valt op de „onder het Unierecht vallende gebieden” in de zin van die bepaling en aan die kamer een exclusieve bevoegdheid is toegekend om uitspraak te doen in bepaalde zaken over de status en de ambtsvervulling van rechters, wat de onafhankelijkheid van die rechters kan aantasten.
85 In haar verzoekschrift beroept de Commissie zich in dit verband op het arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy) (C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982; hierna: „arrest A. K. e.a.”), alsmede op het arrest van 5 december 2019 (III PO 7/18) en op de beschikkingen van 15 januari 2020 (III PO 8/18 en III PO 9/18) van de Izba Pracy i Ubezpieczeń Społecznych (kamer voor arbeidsrechtelijke en socialezekerheidszaken) van de Sąd Najwyższy, die de verwijzende rechter was in de hoofdgedingen die hebben geleid tot het arrest A. K. e.a. Uit deze rechterlijke beslissingen volgt dat een algehele beoordeling van met name de context en de omstandigheden waarin de tuchtkamer is opgericht, haar samenstelling, de wijze van benoeming van haar leden en de rol van de KRS in zijn nieuwe samenstelling, alsmede van bepaalde kenmerken van die kamer en de haar toegekende specifieke bevoegdheden, bij de justitiabelen legitieme twijfel kan oproepen over de vraag of die kamer onafhankelijk en onpartijdig is.
86 Met artikel 27, § 1, punten 1a, 2 en 3, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy, waarbij aan de tuchtkamer bevoegdheden worden toegekend om ten eerste toestemming te verlenen voor het instellen van strafvervolging tegen rechters en gerechtsassessoren, alsmede voor hun eventuele aanhouding en detentie, en in die gevallen te beslissen over hun schorsing en de verlaging van hun bezoldiging, en om ten tweede kennis te nemen van zaken op het gebied van arbeids- en socialezekerheidsrecht en pensionering van rechters van de Sąd Najwyższy, kan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van die rechters, met name ten aanzien van ongerechtvaardigde druk van buitenaf, en dus het recht van de justitiabelen op een doeltreffende voorziening in rechte op de onder het Unierecht vallende gebieden, niet worden gewaarborgd.
87 In haar repliek voegt de Commissie daaraan toe dat de gegrondheid van het vierde middel inmiddels is bevestigd door de overwegingen uit het arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters) (C‑791/19, EU:C:2021:596). Bovendien heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn arrest van 22 juli 2021, Reczkowicz tegen Polen (CE:ECHR:2021:0722JUD004344719), geoordeeld dat de tuchtkamer geen gerecht is dat bij wet is ingesteld in de zin van artikel 6 EVRM.
88 Als verweer betoogt de Republiek Polen dat zowel de procedure voor benoeming van de leden van de tuchtkamer als de overige waarborgen die deze leden na hun benoeming genieten, de onafhankelijkheid van die kamer kunnen waarborgen.
89 Ten eerste zijn de voorwaarden waaraan kandidaten voor het ambt van rechter bij de Sąd Najwyższy moeten voldoen, immers uitputtend omschreven in het nationale recht en impliceert de procedure voor hun benoeming dat de KRS na de bekendmaking van een openbare oproep tot kandidaatstelling een selectie maakt op basis waarvan de KRS een voorstel tot benoeming van de geselecteerde kandidaten doet. Na deze procedure gaat de Poolse president over tot benoeming. Hij is daarbij niet verplicht om het voorstel van de KRS te volgen. De nieuwe wijze waarop de KRS wordt samengesteld, waarvan de grondwettigheid door de Trybunał Konstytucyjny is bevestigd, verschilt nauwelijks van die van de nationale raden voor de rechtspraak in sommige andere lidstaten. De betrokkenheid van de wetgevende macht bij de benoeming van de leden van de KRS draagt er bovendien toe bij dat de democratische legitimiteit van de KRS wordt versterkt, en door de nieuwe samenstelling is de representativiteit van de Poolse magistratuur verbeterd.
90 Ten tweede gelden voor de leden van de tuchtkamer na hun benoeming waarborgen die onder meer verband houden met de onbepaalde duur van hun mandaat, hun onafzetbaarheid, hun immuniteit, hun verplichting om apolitiek te blijven, het feit dat zij bepaalde andere functies niet tegelijkertijd mogen bekleden en een bijzonder hoge bezoldiging.
Beoordeling door het Hof
91 Zoals in de punten 69 tot en met 71 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, staat het volgens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aan de lidstaten om te voorzien in een stelsel van rechtsmiddelen en procedures dat ervoor zorgt dat de justitiabelen daadwerkelijke rechtsbescherming genieten op de onder het Unierecht vallende gebieden, door te waarborgen dat de instanties die als rechterlijke instantie uitspraak moeten doen over de toepassing of de uitlegging van dat recht, voldoen aan de vereisten op grond waarvan die daadwerkelijke rechtsbescherming kan worden geboden, waaronder het vereiste dat die instanties onafhankelijk en onpartijdig zijn.
92 Vast staat dat zowel de Sąd Najwyższy – en met name de tuchtkamer die daarvan deel uitmaakt – als de Poolse gewone of administratieve rechterlijke instanties als „rechterlijke instanties” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, kan worden verzocht om te oordelen over vragen die verband houden met de toepassing en de uitlegging van het Unierecht, zodat die rechterlijke instanties moeten voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming [zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:59, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
93 Volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn voor de krachtens het Unierecht vereiste waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid regels nodig, onder meer met betrekking tot de samenstelling van de betrokken rechterlijke instanties alsook de benoeming, de ambtstermijn en de gronden voor verschoning, wraking en afzetting van hun leden. Die regels moeten het mogelijk maken om bij de justitiabelen elke gewettigde twijfel weg te nemen dat die rechterlijke instanties zich zouden laten beïnvloeden door externe factoren en niet onpartijdig zouden zijn ten aanzien van de met elkaar strijdende belangen [arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:59, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
94 In dit verband is het van belang dat rechters worden behoed voor inmenging of druk van buitenaf die hun onafhankelijkheid in gevaar zou kunnen brengen. De regels inzake de status van rechters en de vervulling van hun ambt moeten het in het bijzonder mogelijk maken om niet alleen elke rechtstreekse beïnvloeding – in de vorm van instructies – maar ook meer indirecte vormen van beïnvloeding die de beslissingen van de betrokken rechters zouden kunnen sturen, uit te sluiten en aldus te voorkomen dat deze rechters niet de indruk wekken onafhankelijk en onpartijdig te zijn, wat afbreuk zou kunnen doen aan het vertrouwen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving en een rechtsstaat bij de justitiabelen moet wekken [arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters),C‑791/19, EU:C:2021:59, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
95 Wat meer bepaald de regels inzake de tuchtregeling voor rechters betreft, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat het vereiste van onafhankelijkheid – dat voortvloeit uit het Unierecht en met name uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU – gebiedt dat die regeling de noodzakelijke waarborgen biedt om elk gevaar uit te sluiten dat zij wordt gebruikt als middel om politieke controle uit te oefenen op de inhoud van rechterlijke beslissingen. Voorschriften waarbij zowel de gedragingen die tuchtrechtelijke vergrijpen opleveren als de concreet daarop toepasselijke sancties worden omschreven, waarbij wordt voorzien in de tussenkomst van een onafhankelijke instantie volgens een procedure waarmee de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest neergelegde rechten – waaronder de rechten van de verdediging – volledig worden gewaarborgd, en waarbij wordt voorzien in de mogelijkheid om in rechte op te komen tegen de beslissingen van de tuchtinstanties, vormen in zoverre een geheel van essentiële waarborgen voor het behoud van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht [arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:59, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
96 In beginsel moet dit mutatis mutandis ook gelden voor andere regels die betrekking hebben op de status van rechters en de vervulling van hun ambt, zoals regels over de opheffing van hun strafrechtelijke immuniteit wanneer het betreffende nationale recht – zoals in casu – in deze immuniteit voorziet (zie in die zin arrest van 18 mei 2021, Asociaţia Forumul Judecătorilor din România e.a.,C‑83/19, C‑127/19, C‑195/19, C‑291/19, C‑355/19 en C‑397/19, EU:C:2021:393, punt 213).
97 Zoals de advocaat-generaal in punt 206 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, kan de toepassing van dergelijke regels namelijk ernstige gevolgen hebben voor hun leven en loopbaan. Dit geldt zeker voor regels als die welke de tuchtkamer uit hoofde van artikel 27, § 1, punten 1a, 2 en 3, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy mag toepassen. Wanneer dergelijke regels worden toegepast, kan dat er namelijk toe leiden dat tegen de betrokken rechters strafvervolging mag worden ingesteld, dat die rechters mogen worden aangehouden en in voorlopige hechtenis mogen worden genomen, dat zij worden geschorst en dat hun bezoldiging wordt verlaagd.
98 Hetzelfde geldt voor beslissingen die zien op wezenlijke aspecten van de voor die rechters geldende arbeidsrechtelijke of socialezekerheidsregelingen – zoals hun rechten op het gebied van bezoldigingen, verlof of sociale bescherming – en op hun eventuele vervroegde pensionering, met name om medische redenen.
99 De rechtsorde van de betrokken lidstaat moet dan ook waarborgen bevatten waarmee elk risico kan worden voorkomen dat dergelijke regels of beslissingen worden gebruikt als middel om politieke controle uit te oefenen op de inhoud van rechterlijke beslissingen of als instrument om rechters onder druk te zetten en te intimideren, waardoor de indruk kan worden gewekt dat de rechters niet onafhankelijk en onpartijdig zijn, wat afbreuk zou kunnen doen aan het vertrouwen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving en een rechtsstaat bij de justitiabelen moet inboezemen (zie in die zin arrest van 18 mei 2021, Asociaţia Forumul Judecătorilor din România e.a.,C‑83/19, C‑127/19, C‑195/19, C‑291/19, C‑355/19 en C‑397/19, EU:C:2021:393, punt 216).
100 Daartoe is het dus van belang dat – zoals in punt 95 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht met betrekking tot de regels die van toepassing zijn op de tuchtregeling voor rechters – beslissingen waarbij toestemming wordt verleend om strafvervolging tegen de betrokken rechters in te stellen, hen aan te houden en in detentie te plaatsen, hen te schorsen of hun bezoldiging te verlagen, of beslissingen over wezenlijke aspecten van de voor die rechters geldende arbeidsrechtelijke, socialezekerheids- of pensioenregelingen, worden vastgesteld of getoetst door een instantie die zelf voldoet aan de garanties voor daadwerkelijke rechtsbescherming, waaronder de garantie van onafhankelijkheid [zie naar analogie arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters),C‑791/19, EU:C:2021:59, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
101 In dit verband zij met name benadrukt dat de enkele omstandigheid dat rechters het risico lopen dat een instantie waarvan de onafhankelijkheid niet is gewaarborgd, kan worden verzocht om toestemming te verlenen voor hun strafrechtelijke vervolging, en dat deze toestemming wordt verkregen, hun eigen onafhankelijkheid in gevaar kan brengen [zie naar analogie arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling van rechters), C‑791/19, EU:C:2021:59, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Hetzelfde geldt voor het risico dat een dergelijke instantie beslist over hun eventuele schorsing en over een verlaging van hun bezoldiging of over hun vervroegde pensionering, dan wel over andere wezenlijke aspecten van hun arbeidsrechtelijke en socialezekerheidsregeling.
102 In casu zij eraan herinnerd dat het Hof, gelet op alle genoemde elementen en de overwegingen in de punten 89 tot en met 110 van het arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters) (C‑791/19, EU:C:2021:596), die in aanmerking moeten worden genomen, in punt 112 van dat arrest heeft geoordeeld dat de bijzondere context en de objectieve omstandigheden waarin de tuchtkamer is ingesteld, de kenmerkende eigenschappen ervan en de manier waarop de leden ervan zijn benoemd, gezamenlijk bezien bij de justitiabelen gewettigde twijfel kunnen doen rijzen over de vraag of die instantie niet gevoelig is voor externe factoren, met name voor directe of indirecte invloed van de Poolse wetgevende en uitvoerende macht, en of die instantie onpartijdig is ten aanzien van de met elkaar strijdende belangen, en er bijgevolg toe kunnen leiden dat die instantie niet de indruk wekt onafhankelijk en onpartijdig te zijn, wat afbreuk kan doen aan het vertrouwen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving en een rechtsstaat bij de justitiabelen moet inboezemen.
103 Het vierde middel moet dan ook worden aanvaard.
Derde middel
Argumenten van partijen
104 Het derde middel, dat als tweede moet worden onderzocht, bestaat uit twee onderdelen.
105 Met het eerste onderdeel van dit middel betoogt de Commissie dat artikel 72, § 1, punten 2 en 3, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy en artikel 107, § 1, punten 2 en 3, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties onverenigbaar zijn met het Unierecht. Volgens die bepalingen vormt ten eerste handelen of nalaten waardoor de werking van een rechterlijke autoriteit kan worden belemmerd of ernstig kan worden ondermijnd, en ten tweede handelen waardoor in twijfel wordt getrokken of de arbeidsverhouding van een rechter bestaat, of een rechter geldig is benoemd, dan wel of een grondwettelijk orgaan van de Republiek Polen legitiem is, een tuchtrechtelijk vergrijp voor de rechters van de Sąd Najwyższy en de rechters van de gewone rechterlijke instanties. In dit verband verduidelijkt de Commissie dat de bepalingen van artikel 107, § 1, punten 2 en 3, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties ook van toepassing zijn op rechters van administratieve rechterlijke instanties, zoals blijkt uit artikel 29, § 1, en artikel 49, § 1, van de gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties.
106 Volgens de Commissie schenden deze nationale bepalingen in de eerste plaats artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest, omdat zij ertoe strekken alle betrokken rechters op straffe van disciplinaire sancties – die tot ontslag kunnen gaan – te beletten beoordelingen te verrichten die zij volgens de rechtspraak van het Hof wel dienen te verrichten en die betrekking hebben op de vraag of in gevallen waarin het gaat om rechten die natuurlijke personen aan het Unierecht ontlenen, het recht van een justitiabele om zijn zaak voor te leggen aan een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, kan worden gewaarborgd of op dat recht geen inbreuk is gemaakt.
107 Een tuchtrechtelijk vergrijp dient altijd duidelijk en nauwkeurig te worden omschreven. De bewoordingen „waardoor de werking van een rechterlijke autoriteit kan worden belemmerd of ernstig kan worden ondermijnd” – die worden gebezigd in artikel 72, § 1, punt 2, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy en artikel 107, § 1, punt 2, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties – voldoen echter niet aan dit vereiste.
108 Volgens die bewoordingen kan er bijvoorbeeld sprake zijn van een in die nationale bepalingen bedoeld vergrijp wanneer een rechter de behandeling van een wrakingsverzoek niet verwijst naar de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken – zoals artikel 26, § 2, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy voorschrijft – maar zelf onderzoekt of de betrokken rechter onafhankelijk is en op grond van de rechtspraak van het Hof tot de slotsom komt dat dit niet het geval is.
109 Hetzelfde geldt wanneer een nationale rechterlijke instantie die zijn uit het arrest A. K. e.a. voortvloeiende verplichtingen nakomt, op een andere rechterlijke instantie die over een zaak moet beslissen de criteria toepast die het Hof in de punten 132 tot en met 154 van dat arrest heeft geformuleerd en op basis van deze criteria besluit om de nationale bepaling op grond waarvan laatstgenoemde rechterlijke instantie bevoegd is buiten toepassing te laten omdat deze instantie niet onafhankelijk is, alsmede om die zaak te verwijzen naar een derde rechterlijke instantie waarvan de onafhankelijkheid wel gewaarborgd is. Een dergelijke rechterlijke handeling zou immers kunnen worden beschouwd als handelen of nalaten waardoor de werking van een rechterlijke autoriteit kan worden belemmerd of ernstig kan worden ondermijnd in de zin van de litigieuze nationale bepalingen.
110 Bij de handelingen als bedoeld in artikel 72, § 1, punt 3, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy en artikel 107, § 1, punt 3, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties, zou met name niet alleen de geldigheid van de benoeming van een rechter op zich in twijfel kunnen worden getrokken, maar zou het meer in het algemeen kunnen gaan om elke negatieve beoordeling van de regelmatigheid van de procedure tot benoeming van die rechter die wordt verricht om na te gaan of voldaan is aan het Unierechtelijke vereiste dat het gerecht vooraf bij wet is ingesteld. Zo kan worden aangenomen dat er sprake is van een vergrijp wanneer een rechterlijke instantie die in hoger beroep uitspraak doet, vaststelt dat de rechterlijke instantie in eerste aanleg wegens de wijze waarop de rechters binnen die instantie zijn benoemd geen vooraf bij wet ingesteld gerecht is, en de beslissing van die rechterlijke instantie om die reden vernietigt.
111 In dit verband blijkt met name uit de punten 133 en 134 van het arrest A. K. e.a. dat een rechterlijke instantie zich er in het kader van het in punt 109 van het onderhavige arrest beschreven onderzoek dat elke nationale rechterlijke instantie dient te verrichten, met name van moet kunnen vergewissen dat de materiële voorwaarden en de procedureregels voor de benoeming van de rechters binnen de rechterlijke instantie waarvan de onafhankelijkheid in twijfel wordt getrokken, van dien aard zijn dat daardoor bij de justitiabelen geen gewettigde twijfel kan rijzen over de vraag of de betrokken rechters, nadat zij eenmaal zijn benoemd, zich niet zullen laten beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig zullen zijn ten aanzien van de in het geding zijnde belangen. Op grond van de litigieuze nationale bepalingen zou echter alleen al het verrichten van een dergelijke toetsing tuchtrechtelijk kunnen worden bestraft.
112 Uit de toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de wijzigingswet, blijkt voorts dat de nieuwe tuchtrechtelijke vergrijpen daarin hoofdzakelijk zijn opgenomen om te voorkomen dat de rechterlijke macht en de grondwettelijke organen van de staat door hun eigen instanties ter discussie worden gesteld.
113 Bovendien hebben die nieuwe vergrijpen betrekking op de inhoud van rechterlijke beslissingen, terwijl het vereiste van onafhankelijkheid van rechters zich ertegen verzet dat de op hen toegepaste tuchtregeling kan worden gebruikt als middel om politieke controle uit te oefenen op de inhoud van die beslissingen.
114 In de tweede plaats voert de Commissie aan dat de in punt 105 van dit arrest bedoelde nationale bepalingen ook in strijd zijn met artikel 267 VWEU. Alleen al het feit dat een nationale rechter een lopende procedure schorst en het Hof prejudiciële vragen stelt over de uitlegging van de Unierechtelijke vereisten inzake het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming – bijvoorbeeld omdat hij betwijfelt of de bevoegdheid die is toegekend aan een nationale rechterlijke instantie of een grondwettelijk orgaan als de KRS, of de voorwaarden waaronder een rechter is benoemd, in overeenstemming zijn met die vereisten – kan volgens de bewoordingen van die nationale bepalingen namelijk als tuchtrechtelijk vergrijp worden aangemerkt.
115 Met het tweede onderdeel van haar derde middel betoogt de Commissie dat de invoering, in artikel 72, § 1, punt 1, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy, van een tuchtrechtelijk vergrijp dat wordt gekenmerkt door „kennelijke en grove” schendingen van rechtsregels, aan dezelfde kritiek onderhevig is als die welke zij in het kader van haar beroep wegens niet-nakoming in de zaak Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters) (C‑791/19, EU:C:2021:596), heeft geuit op artikel 107, § 1, punt 1, van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties, dat in dezelfde bewoordingen is vervat. Een vergrijp dat zo vaag is geformuleerd, en dan ook nog eens in de context van verscherpte tuchtmaatregelen tegen rechters en toenemende druk van de uitvoerende macht op de werkzaamheden van de tuchtinstanties die de Commissie in haar beroep heeft beschreven, zou immers het risico meebrengen dat artikel 72, § 1, punt 1, wordt gebruikt als middel om politieke controle uit te oefenen en dat de rechtsprekende werkzaamheden van rechters van de Sąd Najwyższy worden lamgelegd.
116 In haar repliek betoogt de Commissie dat de gegrondheid van het derde middel inmiddels volledig is bevestigd door de overwegingen uit het arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters) (C‑791/19, EU:C:2021:596).
117 Ten slotte heeft de Commissie ter terechtzitting benadrukt dat uit de context waarin de wijzigingswet was vastgesteld – met spoed en nauwelijks een maand na de uitspraak van het arrest A. K. e.a., waarin de onafhankelijkheid van de tuchtkamer en van de KRS was beoordeeld – is gebleken dat de nationale bepalingen waartegen de Commissie met zowel haar eerste als haar derde middel opkomt, er daadwerkelijk toe strekten te beletten dat Poolse rechters de overwegingen uit het arrest A. K. e.a. en uit het inmiddels gewezen arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming) (C‑487/19, EU:C:2021:798), zouden toepassen.
118 Uit die arresten blijkt immers met name dat de procedure voor de benoeming van rechters mogelijkerwijs moet worden getoetst en dat mogelijkerwijs moet worden onderzocht of de KRS in dit kader een onafhankelijk orgaan vormt, teneinde na te gaan of de betrokken rechters of de rechterlijke instantie waartoe zij behoren, onafhankelijk zijn en vooraf bij wet zijn ingesteld. De litigieuze nationale bepalingen staan die toetsing en dat onderzoek echter in de weg, omdat op grond van deze bepalingen tuchtrechtelijke sancties kunnen worden opgelegd wanneer in twijfel wordt getrokken of een rechter geldig is benoemd, dan wel of een grondwettelijk orgaan legitiem is.
119 De Republiek Polen verweert zich door te stellen dat de Commissie de op haar rustende bewijsplicht niet nakomt, alsmede dat zij slechts vermoedens uit over de litigieuze nationale bepalingen en deze uitlegt op een wijze die niet strookt met de bewoordingen en het doel van die bepalingen, zonder dat de Commissie verwijst naar enige praktijk van de Poolse administratieve of rechterlijke instanties die steun biedt aan haar uitlegging.
120 Ten eerste kunnen de juiste toepassing van het Unierecht door een nationale rechterlijke instantie – met name wat betreft de onafhankelijkheid van rechters en het vereiste dat het gerecht vooraf bij wet is ingesteld – en de indiening van een verzoek om een prejudiciële beslissing bij het Hof, geen handelen of nalaten vormen waardoor de werking van de rechterlijke macht kan worden belemmerd of ernstig kan worden ondermijnd. Met het tuchtrechtelijk vergrijp in kwestie wordt juist beoogd te waarborgen dat rechters niet tekortschieten in hun verplichtingen en zich niet gedragen op een wijze die indruist tegen de waardigheid van hun ambt.
121 Ten tweede kunnen tuchtrechtelijke vergrijpen die verband houden met het in twijfel trekken van het ambt of de arbeidsverhouding van een rechter, niet voortvloeien uit het feit dat een rechter onderzoekt of een justitiabele recht heeft op daadwerkelijke rechtsbescherming, noch – in geval van een eventuele schending van dit recht – uit de omstandigheid dat die rechter daaraan de bij wet bepaalde gevolgen verbindt, zoals de wraking van een rechter, de verwijzing van de zaak naar een andere rechterlijke instantie die alle waarborgen voor onafhankelijkheid biedt, of de vernietiging van een rechterlijke beslissing. Dergelijke vergrijpen kunnen evenmin voortvloeien uit de omstandigheid dat een rechter het Hof prejudiciële vragen stelt over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, zoals overigens blijkt uit het feit dat Poolse rechters onlangs een aantal prejudiciële verwijzingen bij het Hof hebben ingediend en dat er naar aanleiding daarvan geen tuchtprocedures tegen hen zijn ingeleid.
122 Volgens de litigieuze nationale bepalingen is er in werkelijkheid enkel sprake van een tuchtrechtelijk vergrijp wanneer de benoeming van een rechter of de gevolgen van deze benoeming ter discussie worden gesteld in het kader van procedures waarin de grondwet niet voorziet, hetgeen overigens strookt met de vereisten van onafzetbaarheid van rechters en van stabiliteit van hun arbeidsverhouding.
123 Ten derde is het tuchtrechtelijk vergrijp wegens „kennelijke en grove” schendingen van de rechtsregels enkel in artikel 72, § 1, punt 1, van de gewijzigde wet betreffende de Sąd Najwyższy ingevoerd om de gevallen waarin rechters van de Sąd Najwyższy tuchtrechtelijk aansprakelijk zijn, in overeenstemming te brengen met de gevallen waarin rechters van de gewone rechterlijke instanties volgens artikel 107, § 1, punt 1, van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties aansprakelijk zijn, zodat beide bepalingen dezelfde draagwijdte hebben. Artikel 107, § 1, punt 1, van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties wordt in de vaste rechtspraak van de Sąd Najwyższy evenwel zeer restrictief uitgelegd, waardoor een dergelijk vergrijp niet kan voortvloeien uit de inhoud van rechterlijke beslissingen waarin de wet wordt uitgelegd. Meer bepaald kan het feit dat een nationale rechterlijke instantie haar Unierechtelijke verplichtingen nakomt, waaronder het waarborgen dat een partij het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest geniet, of de omstandigheid dat die rechterlijke instantie het Hof om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van Unierechtelijke bepalingen verzoekt, per definitie geen kennelijke en grove schending van rechtsregels in de zin van dat artikel 72, § 1, punt 1, vormen.
124 Ten slotte is de Republiek Polen van mening dat het derde en het tweede middel tegenstrijdig zijn, aangezien niet tegelijkertijd kan worden gesteld dat rechters van nationale rechterlijke instanties volgens het nationale recht, op straffe van tuchtrechtelijke sancties, niet mogen nagaan of er inbreuk is gemaakt op het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming, én dat de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken bij uitsluiting bevoegd is om uitspraak te doen over de middelen die op dergelijke inbreuken berusten.
Beoordeling door het Hof
– Overwegingen vooraf
125 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de vaststelling van de tuchtregeling voor rechters weliswaar tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort, maar dat elke lidstaat bij de uitoefening van deze bevoegdheid het Unierecht moet eerbiedigen. De Republiek Polen moet er dus voor zorgen dat met haar tuchtregeling voor nationale rechters de onafhankelijkheid kan worden gewaarborgd van rechterlijke instanties die – net zoals gewone rechterlijke instanties, administratieve rechterlijke instanties en de Sąd Najwyższy – uitspraak moeten doen over vragen die verband houden met de toepassing en de uitlegging van het Unierecht, teneinde de justitiabelen de door artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU vereiste daadwerkelijke rechtsbescherming te bieden [zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:596, punt 136 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. In overeenstemming met het voor de werking van een rechtsstaat kenmerkende beginsel van de scheiding der machten moet die onafhankelijkheid met name worden gewaarborgd ten aanzien van de wetgevende en de uitvoerende macht [arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 22 november 2022, C-37/20, ECLI:EU:C:2022:912
- HvJ EU 20 oktober 2022, C-306/21, ECLI:EU:C:2022:813
- HvJ EU 1 augustus 2022, C-184/20, ECLI:EU:C:2022:601
- HvJ EU 29 maart 2022, C-132/20, ECLI:EU:C:2022:235
- HvJ EU 22 maart 2022, C-508/19, ECLI:EU:C:2022:201
- HvJ EU 8 maart 2022, C-213/19, ECLI:EU:C:2022:167
- HvJ EU 22 februari 2022, C-430/21, ECLI:EU:C:2022:99
- HvJ EU 16 februari 2022, C-156/21, ECLI:EU:C:2022:97
- HvJ EU 21 december 2021, C-357/19, ECLI:EU:C:2021:1034
- HvJ EU 16 november 2021, C-748/19, ECLI:EU:C:2021:931
- HvJ EU 6 oktober 2021, C-487/19, ECLI:EU:C:2021:798
- HvJ EU 6 oktober 2021, C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799
- HvJ EU 15 juli 2021, C-791/19, ECLI:EU:C:2021:596
- HvJ EU 22 juni 2021, C-439/19, ECLI:EU:C:2021:504
- HvJ EU 18 mei 2021, C-83/19, ECLI:EU:C:2021:393
- HvJ EU 20 april 2021, C-896/19, ECLI:EU:C:2021:311
- HvJ EU 2 maart 2021, C-824/18, ECLI:EU:C:2021:153
- HvJ EU 24 november 2020, C-510/19, ECLI:EU:C:2020:953
- HvJ EU 18 juni 2020, C-78/18, ECLI:EU:C:2020:476
- HvJ EU 19 november 2019, C-585/18, ECLI:EU:C:2019:982