HvJ EU 14 november 2024, C-197/23, ECLI:EU:C:2024:956

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

14 november 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU – Rechtsmiddelen – Daadwerkelijke rechtsbescherming – Onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld – Nationale regels inzake het willekeurig toewijzen van zaken aan de rechters van een gerecht en het wijzigen van de samenstelling van de rechtsprekende formaties – Bepaling op grond waarvan in hoger beroep niet kan worden aangevoerd dat deze regels zijn geschonden”

In zaak C‑197/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 28 april 2022, ingekomen bij het Hof op 24 maart 2023, in de procedure

S. S.A.

tegen

C. sp. z o.o.,

in tegenwoordigheid van:

Prokurator Prokuratury Regionalnej w Warszawie,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, S. Rodin en O. Spineanu-Matei (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 maart 2024,

gelet op de opmerkingen van:

– C. sp. z o.o., vertegenwoordigd door M. Mioduszewski, Z. Ochońska-Borowska en J. Sroczyński, radcowie prawni,

– de Prokurator Prokuratury Regionalnej w Warszawie, vertegenwoordigd door M. Dejak,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en S. Żyrek als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herrmann, P. Stancanelli en P. J. O. Van Nuffel als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 juni 2024,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, artikel 6, leden 1 en 3, en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen S. S.A. en C. sp. z o.o. betreffende de rechtmatigheid van premies die door C. zijn ontvangen in het kader van de uitvoering van een commerciële raamovereenkomst.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Artikel 2 VEU bepaalt: „De waarden waarop de [Europese] Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.”

4 Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU luidt: „De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.”

5 In artikel 47 van het Handvest is bepaald: „Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. […] […]”

Pools recht

Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

6 Artikel 47, lid 1, van de ustawa Kodeks postępowania cywilnego (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz. U. nr. 43, volgnr. 296), in de geconsolideerde versie ervan (Dz. U. 2019, volgnr. 1460) (hierna: „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”), bepaalt: „In eerste aanleg neemt de rechterlijke instantie kennis van zaken in enkelvoudige rechtsprekende formatie, tenzij in een specifieke bepaling anders is bepaald.”

7 Artikel 379, punt 4, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering luidt als volgt: „Een procedure is nietig […] indien de samenstelling van de rechterlijke instantie in strijd was met de wet of indien bij de behandeling van de zaak een rechter betrokken was die van rechtswege was uitgesloten.”

8 Artikel 386, lid 2, van dit wetboek bepaalt: „Wanneer de procedure nietig wordt verklaard, vernietigt de rechter in tweede aanleg het bestreden vonnis, vernietigt hij de procedure voor zover deze nietig is, en verwijst hij de zaak terug naar de rechter in eerste aanleg.”

Wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties

9 De ustawa Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) van 27 juli 2001 (Dz. U. nr. 98, volgnr. 1070), in de geconsolideerde versie ervan (Dz. U. 2019, volgnr. 52), zoals gewijzigd bij de ustawa o zmianie ustawy – Prawo o ustroju sądów powszechnych, ustawy o Sądzie Najwyższym oraz niektórych innych ustaw (wet tot wijziging van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties, de wet inzake de hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken en enkele andere wetten) van 20 december 2019 (Dz. U. 2020, volgnr. 190) (hierna respectievelijk: „wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties” en „wet van 20 december 2019”), bepaalt in artikel 45: „1. Een rechter of gerechtsassessor kan in zijn functie worden vervangen door een rechter of gerechtsassessor van dezelfde rechtbank of door een rechter die overeenkomstig artikel 77, lid 1 of lid 8, is gedetacheerd. 2. De in lid 1 bedoelde vervanging kan het gevolg zijn van een maatregel die de voorzitter van de kamer of de voorzitter van de rechtbank op verzoek van de rechter of gerechtsassessor of ambtshalve heeft genomen om ervoor te zorgen dat de procedure naar behoren verloopt.”

10 Artikel 47a van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties luidt: „1. Zaken worden op willekeurige basis toegewezen aan rechters en gerechtsassessoren volgens de specifieke categorieën van zaken, met uitzondering van de toewijzing van zaken aan een dienstdoende rechter. 2. Zaken binnen de specifieke categorieën worden gelijk verdeeld, tenzij het aandeel is verlaagd vanwege de uitgeoefende functie, deelname in de toewijzing van zaken uit een andere categorie of om andere redenen die in de wet zijn vastgelegd.”

11 Artikel 47b van deze wet is in de volgende bewoordingen gesteld: „1. De samenstelling van een rechterlijke instantie kan slechts worden gewijzigd wanneer het onmogelijk is om de betreffende zaak te behandelen in de samenstelling die de rechterlijke instantie tot dan toe heeft gehad of wanneer de behandeling van een zaak in die samenstelling langdurig wordt belemmerd. Artikel 47a is van overeenkomstige toepassing. 2. Indien in een zaak maatregelen moeten worden genomen, in het bijzonder wanneer dit door afzonderlijke bepalingen wordt voorgeschreven of door het goede verloop van de procedure wordt gerechtvaardigd, en wanneer de rechtsprekende formatie waaraan de zaak is toegewezen, dit niet kan doen, worden de maatregelen genomen door de formatie die is aangewezen overeenkomstig het vervangingsschema en, indien het vervangingsschema niet in maatregelen voorziet, door de formatie die is aangewezen overeenkomstig artikel 47a. 3. Beslissingen in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen worden genomen door de voorzitter van de rechtbank of door een door hem gemachtigde rechter.”

12 De wet van 20 december 2019 heeft aan artikel 55 van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties een lid 4 toegevoegd, dat als volgt luidt: „Een rechter kan uitspraak doen over alle zaken in zijn rechtsgebied alsmede in andere rechtsgebieden in de bij de wet omschreven gevallen (bevoegdheid van de rechter). De bepalingen betreffende de toewijzing van zaken en de aanwijzing en wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formaties beperken de bevoegdheid van een rechter niet en kunnen niet worden aangevoerd om vast te stellen dat een rechtsprekende formatie in strijd is met de wet, dat een rechterlijke instantie niet op de juiste wijze is samengesteld of dat een persoon aan de beslissing heeft deelgenomen die daartoe niet gerechtigd of bevoegd was.”

13 Overeenkomstig artikel 8 van de wet van 20 december 2019 is artikel 55, lid 4, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties ook van toepassing op zaken die zijn ingeleid of afgesloten voordat de wet van 20 december 2019 in werking is getreden.

Reglement inzake de organisatie van de gewone rechterlijke instanties

14 De Rozporządzenie Ministra Sprawiedliwości z Regulamin urzędowania sądów powszechnych (besluit van de minister van Justitie houdende het reglement inzake de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) van 23 december 2015 (Dz. U. 2015, volgnr. 2316) (hierna: „reglement inzake de organisatie van de gewone rechterlijke instanties”) was van toepassing in het hoofdgeding en bepaalde in artikel 43, lid 1: „De zaken worden willekeurig aan de rechters-rapporteur (rechters en gerechtsassessoren) toegewezen volgens de vastgestelde activiteitenverdeling, door middel van een IT-instrument op basis van een willekeurige nummergenerator, afzonderlijk voor elk register, elke lijst of elk ander registratieapparaat, tenzij de bepalingen van dit reglement voorzien in andere toewijzingsregels. […]”

15 Artikel 52b van het reglement inzake de organisatie van de gewone rechterlijke instanties bepaalde: „1. Het vervangingsschema toont de plaatsvervangers (rechters, gerechtsassessoren en juryleden) voor elke werkdag. 2. Het dienstschema geeft de dienstdoende rechters en gerechtsassessoren voor elke dag aan. 3. De vervangings- en dienstschema’s bepalen het aantal plaatsvervangende en dienstdoende [rechters en gerechtsassessoren] per tijdvak, per kamer of per soort zaken die worden toegewezen aan plaatsvervangende en dienstdoende [rechters en gerechtsassessoren], alsmede de volgorde van de plaatsvervangingen en de zaken die worden toegewezen aan dienstdoende [rechters en gerechtsassessoren] indien er meer dan één [rechter en gerechtsassessor] plaatsvervanger en dienstdoende is. […]”

16 Artikel 52c van de het reglement inzake de organisatie van de gewone rechterlijke instanties luidde als volgt: „1. In geval van afwezigheid van de rechter-rapporteur ter zitting annuleert de voorzitter van de kamer de zitting indien het mogelijk is de betrokkenen daarvan in kennis te stellen, tenzij het goede verloop van de procedure duidelijk vereist dat de zitting wordt gehouden. 2. De zaak waarvan de zitting niet is geannuleerd, wordt behandeld door de plaatsvervangende rechter zoals bepaald in het vervangingsschema voor de betrokken dag. Indien de plaatsvervanger zich niet voldoende heeft kunnen voorbereiden of indien het onderzoek van de zaak door deze plaatsvervanger een heropening van een wezenlijk deel van de procedure vereist, gelast de voorzitter van de kamer dat de zitting wordt geannuleerd. […] […]”

Wet ter bestrijding van oneerlijke mededinging

17 De ustawa o zwalczeniu nieuczciwej konkurencji (wet ter bestrijding van oneerlijke mededinging) van 16 april 1993 (geconsolideerde tekst, Dz. U. 2022, volgnr. 1233) bepaalt in artikel 15, lid 1, punt 4: „Er sprake van oneerlijke mededinging als de toegang tot de markt voor andere ondernemers wordt belemmerd, in het bijzonder door […] voor het aanvaarden van goederen voor verkoop andere vergoedingen dan een handelsmarge in rekening te brengen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

18 Op 27 april 2018 heeft S. een handelsvordering ingesteld bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen). Zij treedt op als cessionaris van een vordering tegen C., een onderneming die actief is in de detailhandel, en vordert veroordeling van C. tot betaling van een bedrag van 4572648 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 1045000 EUR), welk bedrag overeenkomt met premies in contanten over de in een bepaald boekjaar behaalde omzet (nabetalingsmarges) die C. onrechtmatig zou hebben ontvangen in het kader van een met de cedent gesloten raamovereenkomst voor de levering van goederen voor wederverkoop. Volgens S. was het in rekening brengen van deze premies in strijd met artikel 15, lid 1, punt 4, van de wet ter bestrijding van oneerlijke mededinging omdat er voor het aanvaarden van de goederen voor verkoop „andere vergoedingen dan een handelsmarge” in rekening werden gebracht in de zin van die bepaling.

19 Deze zaak werd toegewezen aan de 16e handelskamer van de Sąd Okręgowy w Warszawie en op basis van het systeem voor de willekeurige toewijzing van zaken werd rechter E. T., vicevoorzitter van die kamer, aangewezen om als alleensprekende rechter uitspraak te doen.

20 Op 25 maart 2019, de dag waarop de zitting in die zaak was gepland, was rechter E. T. afwezig wegens een op haar verzoek verleend verlof. Daarom heeft de voorzitter van de 16e handelskamer van de genoemde rechterlijke instantie J. K., die die dag de dienstdoende rechter was, aangewezen om de zitting te houden, wat inhield dat de zaak aan haar werd toegewezen.

21 Bij vonnis van 16 september 2019, dat door J. K. als alleensprekende rechter van de Sąd Okręgowy w Warszawie is gewezen, werd de vordering van S. afgewezen.

22 S. heeft op 27 oktober 2019 hoger beroep ingesteld bij de Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter.

23 In dat hoger beroep heeft S. aangevoerd dat de procedure voor de rechter in eerste aanleg nietig is op grond van artikel 379, punt 4, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering omdat de samenstelling van de rechtsprekende formatie in strijd was met de wet. Betoogd is namelijk dat het beginsel van onveranderlijkheid van de samenstelling van de rechtsprekende formatie was geschonden doordat een andere rechter dan degene aan wie de zaak oorspronkelijk was toegewezen zitting had gehouden en uitspraak had gedaan.

24 Na verschillende onderzoeksmaatregelen te hebben genomen en verificatiewerkzaamheden te hebben uitgevoerd om de rechtmatigheid van de procedure voor de rechter in eerste aanleg te toetsen, is de verwijzende rechter tot het oordeel gekomen dat de vervanging van rechter E. T. door rechter J. K. plaats heeft gevonden in omstandigheden die in strijd waren met het in het nationale recht neergelegde beginsel van onveranderlijkheid van de samenstelling van de rechtsprekende formatie. De verwijzende rechter is namelijk van oordeel dat de reden voor de vervanging van rechter E. T. zich niet verdraagt met artikel 47b van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties. Hij wijst er ook op dat niet alle noodzakelijke formaliteiten voor die vervanging waren vervuld en verdenkt de rechter in eerste aanleg ervan bepaalde documenten te hebben gewijzigd in een poging om die onregelmatigheden achteraf te verhelpen.

25 De verwijzende rechter weet niet om welke reden die door hem onterecht bevonden vervanging plaats heeft gevonden en merkt op dat een dergelijke handelwijze kan leiden tot de overdracht van een relatief groot aantal zaken van de ene rechter naar de andere.

26 Hij wijst er ook op dat het „theoretisch” niet uitgesloten is dat in gevoelige zaken de samenstelling van een uit één rechter bestaande rechtsprekende formatie doelbewust wordt gewijzigd door het hanteren van een handelwijze waarbij de rechter aan wie de zaak aanvankelijk willekeurig was toegewezen, een zitting vastlegt op een datum waarop hij op zijn verzoek met verlof zal zijn, zodat zijn afwezigheid op de datum van de zitting kan worden gebruikt om hem te vervangen door de rechter die op die datum op het schema van vervangende of dienstdoende rechters staat en van wie de naam van tevoren bekend kan zijn.

27 Ten slotte verwijst de verwijzende rechter naar uitspraken van de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen) volgens welke de omstandigheid dat een rechterlijke formatie is samengesteld in strijd met de nationaalrechtelijke bepalingen inzake de toewijzing van zaken en de aanwijzing van rechtsprekende formaties en de wijziging van hun samenstelling, een grond kan vormen voor het toepassen van de in artikel 379, punt 4, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering neergelegde sanctie van nietigheid van de procedure.

28 Hij merkt evenwel op dat elke toetsing in hoger beroep op dit punt onmogelijk is sinds de invoering van artikel 55, lid 4, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties.

29 Daarop heeft de Sąd Apelacyjny w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten artikel 2, artikel 6, leden 1 en 3, en artikel 19, lid 1, tweede alinea, [VEU], gelezen in samenhang met artikel 47 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat een in eerste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie van een [lidstaat] geen onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht is dat daadwerkelijke rechtsbescherming verzekert wanneer deze rechterlijke instantie aldus is samengesteld dat daarin een alleensprekende rechter van deze rechterlijke instantie zitting heeft die voor de behandeling van de betreffende zaak is aangewezen onder kennelijke schending van de bepalingen van nationaal recht inzake de toewijzing van zaken en de aanwijzing en wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formaties? 2) Moeten artikel 2, artikel 6, leden 1 en 3, en artikel 19, lid 1, tweede alinea, [VEU], gelezen in samenhang met artikel 47 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing van bepalingen van nationaal recht zoals artikel 55, lid 4, tweede volzin, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties, […] voor zover deze aan een rechterlijke instantie in tweede aanleg verbieden om […] vast te stellen dat een procedure voor [de rechterlijke instantie] in eerste aanleg […] nietig is omdat de samenstelling van deze rechterlijke instantie in strijd was met de wet, de rechterlijke instantie niet op de juiste wijze was samengesteld of een persoon aan de beslissing heeft deelgenomen die daartoe niet gerechtigd of bevoegd was, als juridische sanctie met het oog op het verzekeren van daadwerkelijke rechtsbescherming in het geval van de aanwijzing van een rechter voor de behandeling van een zaak onder kennelijke schending van de bepalingen van nationaal recht inzake de toewijzing van zaken en de aanwijzing en wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formaties?”

Bevoegdheid van het Hof en ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

30 De officier van justitie van het openbaar ministerie Warschau (hierna: „officier van justitie”) betoogt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is omdat uit de verwijzingsbeslissing niet blijkt dat het hoofdgeding verband houdt met het Unierecht. De officier van justitie en verweerster in het hoofdgeding zijn van mening dat de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van nationaalrechtelijke bepalingen die zien op de organisatie van de rechterlijke macht in een lidstaat en specifiek op de toewijzing van zaken en de wijziging van de samenstelling van een rechtsprekende formatie. In het bijzonder moet er worden nagegaan of de niet-inachtneming van die bepalingen kan leiden tot nietigheid van de betreffende procedure krachtens artikel 379, punt 4, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Volgens de officier van justitie behoren zulke vragen, net zoals elke vraag betreffende de organisatie en werking van overheidsorganen, tot de exclusieve bevoegdheid van de staat. Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU verplicht de lidstaten om een doel te bereiken, namelijk het tot stand brengen van een geheel van regels om daadwerkelijke rechtsbescherming te waarborgen, maar uit deze bepaling kunnen geen normen worden afgeleid met betrekking tot een specifieke organisatie van de rechterlijke macht, aldus die officier van justitie.

31 Voor zover de officier van justitie en verweerster in het hoofdgeding met die argumenten in werkelijkheid de bevoegdheid van het Hof om te antwoorden op het verzoek om een prejudiciële beslissing in vraag willen stellen, moet eraan herinnerd worden dat de organisatie van de rechterlijke macht in de lidstaten weliswaar tot de bevoegdheid van die staten behoort, maar dat dit niet wegneemt dat zij bij de uitoefening van die bevoegdheid de verplichtingen in acht moeten nemen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht (arrest van 7 september 2023, Asociaţia Forumul Judecătorilor din România, C‑216/21, EU:C:2023:628, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Wat de werkingssfeer van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat deze bepaling ziet op de „onder het recht van de Unie vallende gebieden”, onafhankelijk van de situatie waarin de lidstaten dit recht ten uitvoer brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest (arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU geldt met name ten aanzien van iedere nationale instantie die kan worden aangezocht om als rechter te oordelen over vraagstukken die de toepassing of de uitlegging van het Unierecht betreffen en dus behoren tot gebieden die onder dat recht vallen (arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Er is geen twijfel mogelijk dat dit het geval is in deze zaak, aangezien – zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 29 van haar conclusie – zowel de rechterlijke instantie in eerste aanleg, waarvan de rechtmatigheid van haar samenstelling wordt betwist voor de verwijzende rechter, als de verwijzende rechter, voor wie het naar nationaal recht onmogelijk is om die rechtmatigheid te toetsen, kan worden verzocht om te oordelen over vraagstukken die de toepassing of de uitlegging van het Unierecht betreffen. Bijgevolg moeten die rechterlijke instantie en rechter zich houden aan de vereisten die voortvloeien uit het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming.

35 Daarnaast voeren de officier van justitie en de Europese Commissie ook aan dat uit de verwijzingsbeslissing niet blijkt dat er in het hoofdgeding sprake is van tenuitvoerbrenging van het Unierecht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, zodat artikel 47 van het Handvest niet van toepassing is.

36 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU het Unierecht enkel binnen de grenzen van zijn bevoegdheden kan uitleggen [arrest van 19 november 2019, A.K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

37 Wat de handelingen van de lidstaten betreft, wordt het toepassingsgebied van het Handvest omschreven in artikel 51, lid 1, daarvan, waarin is vastgesteld dat de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten zijn gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Die bepaling bevestigt de vaste rechtspraak volgens welke de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten [arrest van 19 november 2019, A.K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

38 In casu moet er wat specifiek artikel 47 van het Handvest betreft worden vastgesteld dat het geschil dat ten grondslag ligt aan het hoofdgeding geen verband houdt met bepalingen van Unierecht. De tegen verweerster in het hoofdgeding gerichte vordering is immers uitsluitend gebaseerd op een bepaling van nationaal recht. Bovendien heeft de verwijzende rechter geen informatie aangedragen waaruit blijkt dat het hoofdgeding betrekking heeft op de uitlegging of de toepassing van een Unierechtelijke regel die op nationaal niveau ten uitvoer is gebracht.

39 Bijgevolg is artikel 47 van het Handvest als zodanig niet van toepassing op het hoofdgeding.

40 Artikel 47 van het Handvest dient, ook al is het niet van toepassing op het hoofdgeding, evenwel in aanmerking te worden genomen bij de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU omdat die bepaling alle lidstaten verplicht te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om op de onder het Unierecht vallende gebieden een daadwerkelijke rechtsbescherming in de zin van met name artikel 47 van het Handvest te verzekeren (zie in die zin arrest van 20 april 2021, Repubblika, C‑896/19, EU:C:2021:311, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Verder is de officier van justitie van oordeel dat een prejudiciële beslissing niet noodzakelijk is om de verwijzende rechter in staat te stellen uitspraak te doen in het hoofdgeding. Deze rechter overschrijdt volgens hem immers zijn bevoegdheden door de rechtmatigheid van de samenstelling van de rechterlijke instantie in eerste aanleg te toetsen. Op haar beurt betoogt verweerster in het hoofdgeding dat de gestelde vragen zo algemeen zijn dat een antwoord van het Hof het niet mogelijk zou maken om in het hoofdgeding de twijfels weg te nemen over het juridische vraagstuk met betrekking tot de verhouding tussen de regels inzake de toewijzing van een zaak aan een rechter en de nietigheid van de procedure in eerste aanleg.

42 Er moet evenwel worden opgemerkt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing juist ziet op de vraag of het Unierecht zich verzet tegen het feit dat het voor de verwijzende rechter onmogelijk is om de rechtmatigheid van de samenstelling van de rechterlijke instantie in eerste aanleg te toetsen. Deze vraag vereist dus een uitlegging van dit recht en met name van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, zodat de beoordeling van het betoog dat de verwijzende rechter zijn bevoegdheden overschrijdt, samenvalt met die van de prejudiciële vragen.

43 Voorts moet in herinnering worden gebracht dat er volgens vaste rechtspraak een vermoeden van relevantie geldt voor de vragen over de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste juridische en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat de juistheid ervan te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen over een vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 6 juni 2024, INGSTEEL, C‑547/22, EU:C:2024:478, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 In het onderhavige geval merkt de verwijzende rechter op dat de onregelmatigheden waar het in het hoofdgeding om gaat het risico met zich brengen dat de toewijzing van zaken in gevoelige zaken wordt gemanipuleerd, alsook dat een bepaling van nationaal recht het voor hem onmogelijk maakt om gevolgen te verbinden aan dergelijke onregelmatigheden. In deze omstandigheden is volgens hem de vraag aan de orde of hij die bepaling buiten toepassing moet laten ingevolge de verplichting die krachtens het beginsel van voorrang van het Unierecht op hem rust om nationaalrechtelijke normen die in strijd zijn met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU buiten toepassing te laten.

45 Met deze overwegingen maakt de verwijzende rechter rechtens genoegzaam duidelijk dat de gevraagde prejudiciële beslissing in de zin van artikel 267 VWEU „noodzakelijk” is „voor het wijzen van zijn vonnis” in de bij hem aanhangig gemaakte zaak.

46 Ten slotte moet er, zoals de officier van justitie aanvoert, worden vastgesteld dat de verwijzende rechter in strijd met wat voorgeschreven is in artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, niet onderbouwt waarom hij het Hof om uitlegging van artikel 2 en artikel 6, leden 1 en 3, VEU vraagt.

47 Wat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU betreft, moet er echter op worden gewezen dat de verwijzingsbeslissing voldoende informatie bevat om de redenen voor het verzoek om uitlegging van deze bepaling te begrijpen en dat de prejudiciële vragen gelet op punt 34 van dit arrest ontvankelijk zijn voor zover zij betrekking hebben op die bepaling. Volgens dit artikel, dat het in artikel 2 VEU verankerde rechtsstaatbeginsel concretiseert, staat het aan de nationale rechterlijke instanties en het Hof om te waarborgen dat het recht van de Unie in alle lidstaten ten volle wordt toegepast en dat de justitiabelen de rechtsbescherming genieten die zij aan dat recht ontlenen [arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof),C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Zoals de advocaat-generaal in punt 41 van haar conclusie heeft aangegeven, moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU dus worden uitgelegd in het licht van artikel 2 VEU.

48 Gelet op al het voorgaande moet worden geoordeeld dat het Hof bevoegd is om zich uit te spreken over het verzoek om een prejudiciële beslissing en dat dit verzoek ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

49 Om te beginnen moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat verweerster in het hoofdgeding en de officier van justitie de weergave van het nationale recht zoals die is opgenomen in de verwijzingsbeslissing, betwisten en deze onvolledig en partijdig vinden.

50 Daarnaast vermeldt de verwijzende rechter, wat de rechtspraak van de Sąd Najwyższy betreft, arresten waarin de schending van het beginsel van onveranderlijkheid van de samenstelling van rechtsprekende formaties overeenkomstig artikel 379, punt 4, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering heeft geleid tot nietigheid van de procedure omdat de zaak was behandeld door een rechtsprekende formatie waarvan de samenstelling in strijd was met de wet, maar verwijst de officier van justitie naar oudere arresten waaruit het tegenovergestelde blijkt. Hij voert ook aan dat het nationale recht het door de verwijzende rechter gebruikte begrip „kennelijke schending” van de bepalingen betreffende de toewijzing van zaken en de wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie niet kent, welk begrip door die rechter wordt onderscheiden van het begrip „schending” zonder meer.

51 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat het vaste rechtspraak is dat de verwijzende rechter als enige bevoegd is om het nationale recht uit te leggen en toe te passen. Bijgevolg moet het Hof in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties acht slaan op de in de verwijzingsbeslissing omschreven juridische context waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst (arrest van 27 januari 2021, Dexia Nederland, C‑229/19 en C‑289/19, EU:C:2021:68, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 Hieruit volgt dat het Hof zich moet baseren op de beoordeling van de verwijzende rechter, volgens welke, ten eerste, de omstandigheid dat de rechter van de rechterlijke instantie in eerste aanleg aan wie de zaak in het hoofdgeding was toegewezen, op de voor een mondelinge behandeling vastgestelde dag afwezig was wegens een op haar verzoek verleend verlof, in de omstandigheden van deze zaak geen reden vormde om haar te vervangen op grond van artikel 47b, lid 1, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties en, ten tweede, de toepassing van artikel 379, lid 4, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering in beginsel moet leiden tot nietigheid van de procedure in eerste aanleg vanwege die onregelmatigheid, maar vaststaat dat artikel 55, lid 4, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties dit onmogelijk maakt.

53 In de tweede plaats voeren verweerster in het hoofdgeding en de officier van justitie in wezen aan dat de nationaalrechtelijke regels betreffende de toewijzing van zaken en de wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie bepalingen van administratieve aard zijn die bedoeld zijn om de werklast tussen de leden van een rechterlijke instantie eerlijk te verdelen. Volgens hen kunnen deze regels naar hun aard niet tot gevolg hebben dat er invloed van buitenaf wordt uitgeoefend.

54 Er moet evenwel worden opgemerkt dat het vereiste van rechterlijke onafhankelijkheid dat voortvloeit uit het Unierecht niet alleen betrekking heeft op de ongepaste invloed die door de wetgevende en de uitvoerende macht kan worden uitgeoefend, maar ook op de ongepaste invloed waarvan er binnen de betrokken rechterlijke instantie sprake kan zijn (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 54).

55 De verwijzende rechter heeft vastgesteld dat er een ernstig risico bestaat dat schendingen van de nationale regels inzake de hertoewijzing van zaken bedoeld zijn om een bepaalde rechter in te staat te stellen uitspraak te doen in een specifieke zaak of in een bepaald soort zaken. In deze omstandigheden zijn de aldus door de verwijzende rechter geuite twijfels, zoals de advocaat-generaal in punt 48 van haar conclusie heeft opgemerkt, voldoende om te oordelen dat de vragen over de toepassing van deze regels moeten worden beoordeeld in het licht van de uit het Unierecht voortvloeiende vereisten met betrekking tot een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht.

56 Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, vraagt de verwijzende rechter zich in wezen af of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling die het voor de rechter in tweede aanleg onder alle omstandigheden onmogelijk maakt om na te gaan of de gedane hertoewijzing van een zaak aan de rechtsprekende formatie die de zaak in eerste aanleg heeft behandeld, niet in strijd was met de nationale regels inzake de hertoewijzing van zaken binnen rechterlijke instanties.

57 Er zij aan herinnerd dat elke lidstaat krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, moet verzekeren dat de instanties die als „rechterlijke instantie” in de zin van het Unierecht geroepen zijn om te oordelen over de toepassing of de uitlegging van dit recht en die dus deel uitmaken van zijn stelsel van beroepsmogelijkheden op de onder het Unierecht vallende gebieden, voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming en aan het vereiste van onafhankelijkheid (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58 Om te waarborgen dat een dergelijke rechterlijke instantie in staat is om daadwerkelijke rechtsbescherming te bieden moet in de eerste plaats de onafhankelijkheid van die instantie in stand worden gehouden, zoals wordt bevestigd door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, dat de toegang tot een „onafhankelijk” gerecht vermeldt als een van de vereisten voor het fundamentele recht op een doeltreffende voorziening in rechte (zie in die zin arrest van 16 november 2021, Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a., C‑748/19–C‑754/19, EU:C:2021:931, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59 Dit vereiste van onafhankelijkheid van rechterlijke instanties, dat onlosmakelijk verbonden is met de taak van de rechter, behoort tot de kern van het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming en het grondrecht op een eerlijk proces, dat van het grootste belang is als waarborg voor de bescherming van alle door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten en tevens voor het behoud van de in artikel 2 VEU verankerde waarden die de lidstaten gemeen hebben en met name die van de rechtsstaat (arrest van 16 november 2021, Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a., C‑748/19–C‑754/19, EU:C:2021:931, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60 Het genoemde vereiste van onafhankelijkheid heeft twee aspecten. Het eerste, externe, aspect vereist dat de betrokken instantie haar taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in gevaar zou kunnen brengen en van invloed zou kunnen zijn op hun beslissingen. Het tweede, interne, aspect sluit aan bij het begrip „onpartijdigheid” en heeft betrekking op het houden van gelijke afstand ten opzichte van de partijen bij het geding en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding. Voor dit aspect is het nodig dat objectiviteit in acht wordt genomen en dat elk belang bij de oplossing van het geschil, buiten de strikte toepassing van de rechtsregel, ontbreekt (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punten 50 en 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61 Zoals in punt 54 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, is het „externe” aspect weliswaar voornamelijk bedoeld om de onafhankelijkheid van rechterlijke instanties ten opzichte van de wetgevende en de uitvoerende macht te bewaren overeenkomstig het beginsel van de scheiding der machten dat kenmerkend is voor de werking van een rechtsstaat, maar beoogt het ook om rechters te beschermen tegen ongepaste beïnvloeding van binnen de betrokken rechterlijke instantie.

62 Er moet ook worden onderstreept dat de uitoefening van de rechtsprekende taak niet alleen vrij moet zijn van elke rechtstreekse beïnvloeding, in de vorm van instructies, maar ook van meer indirecte vormen van beïnvloeding die rechterlijke beslissingen zouden kunnen sturen (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63 In de tweede plaats vereist artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU ook het bestaan van een gerecht „dat vooraf bij wet is ingesteld”, gelet op het onlosmakelijke verband tussen de toegang tot een dergelijk gerecht en de waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64 Bovendien weerspiegelt de – ook in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest opgenomen – verwijzing naar een „gerecht dat bij wet is ingesteld”, met name het beginsel van de rechtsstaat en heeft deze verwijzing niet alleen betrekking op de rechtsgrondslag voor het bestaan zelf van de betreffende rechterlijke instantie, maar ook op de samenstelling van de rechtsprekende formatie in elke zaak en op alle overige nationaalrechtelijke bepalingen waarvan de niet-inachtneming meebrengt dat de deelname van een of meerdere rechters aan de behandeling van de zaak onrechtmatig is (zie in die zin arrest van 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65 Verder is de mogelijkheid om te verifiëren of die waarborgen worden nageleefd noodzakelijk voor het vertrouwen van de rechtzoekenden in de rechterlijke instanties van een democratische samenleving. Zo heeft het Hof geoordeeld dat de toetsing die ziet op de naleving van het vereiste dat elke rechterlijke instantie, gelet op haar samenstelling, een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht is, een wezenlijk vormvoorschrift vormt waarvan de eerbiediging de openbare orde raakt [zie in die zin arresten van 1 juli 2008, Chronopost en La Poste/UFEX e.a., C‑341/06 P en C‑342/06 P, EU:C:2008:375, punt 46, en 8 mei 2024, Asociația Forumul Judecătorilor din România (Verenigingen van magistraten), C‑53/23, EU:C:2024:388, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Die toetsing moet bij de behandeling van een zaak ambtshalve worden verricht wanneer er op dit punt ernstige twijfel rijst (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Heroverweging Simpson/Raad en HG/Commissie, C‑542/18 RX-II en C‑543/18 RX-II, EU:C:2020:232, punten 57 en 58).

66 Er kan immers geen sprake zijn van daadwerkelijke rechtsbescherming indien er, als er ernstige twijfel bestaat, geen rechterlijke toetsing – op verzoek van een partij of ambtshalve – mogelijk is of de regels op grond waarvan een rechterlijke instantie kan worden aangemerkt als een „onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld” wel zijn nageleefd, en geen mogelijke sancties kunnen volgen als dat niet het geval is. Anders zouden die regels kunnen worden geschonden zonder dat dit enig gevolg heeft. In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het inherent is aan het begrip „rechtsstaat” dat er effectieve rechterlijke toetsing bestaat om de naleving van het recht te waarborgen (zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, Bank Refah Kargaran/Raad, C‑134/19 P, EU:C:2020:793, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67 Bijgevolg volgt uit artikel 19, lid 2, VEU, gelezen in het licht van artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest, dat als een lidstaat voorziet in wettelijke bepalingen inzake de samenstelling van de rechtsprekende formatie in elke zaak en de hertoewijzing van zaken, de naleving van deze bepalingen moet kunnen worden getoetst door een rechter.

68 Het is derhalve onverenigbaar met de vereisten die voortvloeien uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU dat een nationale wettelijke regeling het voor de rechter in tweede aanleg onmogelijk maakt om – teneinde vast te kunnen stellen of de rechtsprekende formatie die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan een onafhankelijk en onpartijdig gerecht is dat vooraf bij wet is ingesteld – na te gaan of de nationale regels die zien op de hertoewijzing van zaken binnen rechterlijke instanties of op de wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie zijn nageleefd, doordat die regeling er onder alle omstandigheden aan in de weg staat dat de rechter in tweede aanleg in een voorkomend geval de nietigheid van de procedure in eerste aanleg vaststelt wanneer deze procedure is afgesloten met een uitspraak die is gewezen door een rechtsprekende formatie waaraan de zaak in strijd met die regels is hertoegewezen of waarvan de samenstelling in strijd met die regels is gewijzigd.

69 Ook moet worden opgemerkt dat het Hof nadat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing was ingediend – bij de behandeling van een beroep wegens niet-nakoming tegen de Republiek Polen in de specifieke context waarin deze lidstaat in alle haast diverse procedurele bepalingen had aangenomen als reactie op een reeks prejudiciële verwijzingen van verschillende Poolse rechterlijke instanties met betrekking tot de verenigbaarheid met het Unierecht van verschillende wetswijzigingen die gevolgen hadden voor de rechterlijke organisatie in Polen – in de punten 226 en 227 van het arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C‑204/21, EU:C:2023:442), heeft geoordeeld dat de nationaalrechtelijke regel die het op algemene wijze onmogelijk maakt om een dergelijke toetsing te verrichten, namelijk artikel 55, lid 4, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties, in strijd is met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest. Zoals de advocaat-generaal in punt 84 van haar conclusie heeft opgemerkt, moet de verwijzende rechter deze regel dus buiten toepassing laten in het hoofdgeding.

70 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling die het voor de rechter in tweede aanleg onder alle omstandigheden onmogelijk maakt om na te gaan of de gedane hertoewijzing van een zaak aan de rechtsprekende formatie die de zaak in eerste aanleg heeft behandeld, niet in strijd was met de nationale regels inzake de hertoewijzing van zaken binnen rechterlijke instanties.

Kosten

71 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 2 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich verzet tegen een nationale bepaling die het voor de rechter in tweede aanleg onder alle omstandigheden onmogelijk maakt om na te gaan of de gedane hertoewijzing van een zaak aan de rechtsprekende formatie die de zaak in eerste aanleg heeft behandeld, niet in strijd was met de nationale regels inzake de hertoewijzing van zaken binnen rechterlijke instanties.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Pools.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in