HvJ EU 21 december 2021, C-357/19, ECLI:EU:C:2021:1034
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
21 december 2021 ( *1 )
[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 15 maart 2022]
„Prejudiciële verwijzing – Beschikking 2006/928/EG – Mechanisme voor samenwerking en toetsing van de vooruitgang in Roemenië ten aanzien van specifieke ijkpunten op het gebied van de hervorming van het justitiële stelsel en de bestrijding van corruptie – Aard en rechtsgevolgen – Bindend voor Roemenië – Rechtsstaat – Rechterlijke onafhankelijkheid – Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Bestrijding van corruptie – Bescherming van de financiële belangen van de Unie – Artikel 325, lid 1, VWEU – ‚PIF’-Overeenkomst – Strafzaken – Arresten van de Curte Constituțională (grondwettelijk hof, Roemenië) betreffende de rechtmatigheid van de verkrijging van bepaald bewijsmateriaal en de samenstelling van de rechtsprekende formaties op het gebied van ernstige corruptie – Verplichting voor de nationale rechters om volledig uitvoering te geven aan de beslissingen van de Curte Constituțională – Tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van rechters in geval van niet-eerbiediging van die beslissingen – Bevoegdheid om beslissingen van de Curte Constituțională die strijdig zijn met het Unierecht, buiten toepassing te laten – Beginsel van voorrang van het Unierecht”
In de gevoegde zaken C‑357/19, C‑379/19, C‑547/19, C‑811/19 en C‑840/19,
betreffende vijf verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië) bij beslissingen van 6 mei 2019 (C‑357/19), 13 mei 2019 (C‑547/19), 31 oktober 2019 (C‑811/19) en 19 november 2019 (C‑840/19), ingekomen bij het Hof op respectievelijk 6 mei, 15 juli, 4 november en 19 november 2019, en door de Tribunal Bihor (rechter in eerste aanleg Bihor, Roemenië) bij beslissing van 14 mei 2019, ingekomen bij het Hof op 14 mei 2019 (C‑379/19),
in de strafzaken tegen
PM (C‑357/19),
RO (C‑357/19),
SP (C‑357/19),
TQ (C‑357/19),
KI (C‑379/19),
LJ (C‑379/19),
JH (C‑379/19),
IG (C‑379/19),
FQ (C‑811/19),
GP (C‑811/19),
HO (C‑811/19),
IN (C‑811/19),
NC (C‑840/19),
in tegenwoordigheid van:
Ministerul Public – Parchetul de pe lângă Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie – Direcţia Naţională Anticorupţie (C‑357/19, C‑811/19 en C‑840/19),
QN (C‑357/19),
UR (C‑357/19),
VS (C‑357/19),
WT (C‑357/19),
Autoritatea Naţională pentru Turism (C‑357/19),
Agenţia Naţională de Administrare Fiscală (C‑357/19),
SC Euro Box Promotion SRL (C‑357/19),
Direcţia Naţională Anticorupţie – Serviciul Teritorial Oradea (C‑379/19),
JM (C‑811/19),
alsmede in de procedure
CY,
Asociaţia „Forumul Judecătorilor din România”
tegen
Inspecţia Judiciară,
Consiliul Superior al Magistraturii,
Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie (C‑547/19),
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Arabadjiev, A. Prechal, K. Jürimäe en S. Rodin, kamerpresidenten, M. Ilešič, T. von Danwitz (rapporteur), M. Safjan, F. Biltgen en N. Piçarra, rechters,
advocaat-generaal: M. Bobek,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– PM, vertegenwoordigd door V. Rădulescu en V. Tobă, avocați,
– RO, vertegenwoordigd door M. O. Ţopa en R. Chiriţă, avocați,
– TQ, vertegenwoordigd door M. Mareş, avocat,
– KI en LJ, vertegenwoordigd door R. Chiriță, F. Mircea en O. Chiriță, avocați,
– CY, vertegenwoordigd door P. Rusu, avocat, en C. Bogdan,
– Asociația „Forumul Judecătorilor din România”, vertegenwoordigd door D. Călin en L. Zaharia,
– FQ, vertegenwoordigd door A. Georgescu, avocat,
– NC, vertegenwoordigd door D. Lupaşcu en G. Thuan Dit Dieudonné, avocats,
– Ministerul Public – Parchetul de pe lângă Înalta Curte de Casaţie şi Justiţie – Direcţia Naţională Anticorupţie, vertegenwoordigd door C. Nistor en D. Ana als gemachtigden,
– Direcția Națională Anticorupție – Serviciul Teritorial Oradea, vertegenwoordigd door D. Ana als gemachtigde,
– Inspecția Judiciară, vertegenwoordigd door L. Netejoru als gemachtigde,
– Consiliul Superior al Magistraturii, vertegenwoordigd door L. Savonea als gemachtigde,
– de Roemeense regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door C.‑R. Canţăr, S.‑A. Purza, E. Gane, R. I. Haţieganu en L. Liţu, vervolgens door S.‑A. Purza, E. Gane, R. I. Haţieganu en L. Liţu als gemachtigden,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
– de Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Baquero Cruz, I. Rogalski, P. Van Nuffel, M. Wasmeier en H. Krämer, vervolgens door J. Baquero Cruz, I. Rogalski, P. Van Nuffel en M. Wasmeier als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 maart 2021,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen in wezen de uitlegging van artikel 2 en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 325, lid 1, VWEU, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), artikel 1, lid 1, en artikel 2, lid 1, van de Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, ondertekend te Brussel op 26 juli 1995 en gehecht aan de akte van de Raad van 26 juli 1995 (PB 1995, C 316, blz. 48; hierna: „PIF-Overeenkomst”), beschikking 2006/928/EG van de Commissie van 13 december 2006 tot vaststelling van een mechanisme voor samenwerking en toetsing van de vooruitgang in Roemenië ten aanzien van specifieke ijkpunten op het gebied van de hervorming van het justitiële stelsel en de bestrijding van corruptie (PB 2006, L 354, blz. 56), en het beginsel van voorrang van het Unierecht.
2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van: – strafzaken tegen PM, RO, TQ en SP (C‑357/19), KI, LJ, JH en IG (C‑379/19), FQ, GP, HO en IN (C‑811/19), en NC (C‑840/19) wegens strafbare feiten ter zake van met name corruptie en fiscale fraude in verband met de belasting over de toegevoegde waarde (btw); – een geding tussen enerzijds CY en de Asociaţie „Forumul Judecătorilor din România” (hierna: „Roemeens rechtersforum”) en anderzijds de Inspecţie Judiciară (gerechtelijke inspectie, Roemenië), de Consiliu Superior al Magistraturii (hoge raad voor de magistratuur, Roemenië) en de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië) betreffende een tuchtsanctie die aan CY is opgelegd (C‑547/19).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
PIF-Overeenkomst
3 Artikel 1, lid 1, van de PIF-Overeenkomst luidt als volgt: „Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad, verstaan: a) wat de uitgaven betreft, elke opzettelijke handeling of elk opzettelijk nalaten waarbij: – valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat middelen afkomstig van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen of van de door of voor de Europese Gemeenschappen beheerde begrotingen, wederrechtelijk worden ontvangen of achtergehouden; – met hetzelfde gevolg, in strijd met een specifieke verplichting informatie wordt achtergehouden; – deze middelen worden misbruikt door ze voor andere doelen aan te wenden dan die waarvoor zij oorspronkelijk zijn toegekend; b) wat de ontvangsten betreft, elke opzettelijke handeling of elk opzettelijk nalaten waarbij: – valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat de middelen van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen of van de door of voor de Europese Gemeenschappen beheerde begrotingen wederrechtelijk worden verminderd; [...]”
4 Artikel 2, lid 1, van deze overeenkomst bepaalt: „Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen opdat op de in lid 1 bedoelde gedragingen, alsmede medeplichtigheid aan, uitlokking van of poging tot de in artikel 1, lid 1, bedoelde gedragingen, doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties worden gesteld, met inbegrip, ten minste bij ernstige fraude, van vrijheidsstraffen die aanleiding kunnen geven tot uitlevering; als ernstige fraude wordt aangemerkt iedere fraude waarmee een door elke lidstaat te bepalen minimumbedrag is gemoeid. Dit minimumbedrag mag niet hoger zijn dan 50000 [EUR].”
5 Bij akte van 27 september 1996 heeft de Raad het Protocol bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB 1996, C 313, blz. 1) vastgesteld. Onder dit protocol vallen overeenkomstig de artikelen 2 en 3 ervan passieve en actieve corruptie.
Toetredingsverdrag
6 Het Verdrag tussen de lidstaten van de Europese Unie en de Republiek Bulgarije en Roemenië betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (PB 2005, L 157, blz. 11; hierna: „toetredingsverdrag”), dat in werking is getreden op 1 januari 2007, bepaalt in artikel 2, leden 2 en 3: „2. De voorwaarden voor de toelating en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van de Verdragen waarop de Unie is gegrondvest, welke van toepassing zullen zijn vanaf de datum van toetreding tot de datum van inwerkingtreding van het verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa, zijn neergelegd in de bij dit verdrag gevoegde akte. De bepalingen van deze akte maken een integrerend deel van dit verdrag uit. 3. [...] Handelingen die op grond van dit verdrag of de in lid 2 bedoelde Akte zijn vastgesteld vóór de inwerkingtreding van het in artikel 1, lid 3, bedoelde Protocol, blijven van toepassing en de rechtsgevolgen ervan blijven gehandhaafd totdat deze handelingen worden gewijzigd of ingetrokken.”
Toetredingsakte
7 De Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 2005, L 157, blz. 203; hierna: „toetredingsakte”), die in werking is getreden op 1 januari 2007, bepaalt in artikel 2: „Onmiddellijk na de toetreding zijn de oorspronkelijke Verdragen en de door de instellingen en de Europese Centrale Bank vóór de toetreding genomen besluiten verbindend voor Bulgarije en Roemenië en in deze staten toepasselijk onder de voorwaarden waarin door die Verdragen en deze Akte wordt voorzien.”
8 Artikel 37 van deze akte luidt als volgt: „Bij niet-naleving door Bulgarije of Roemenië van in het kader van de toetredingsonderhandelingen aangegane verbintenissen, waardoor de werking van de interne markt ernstig wordt verstoord, met inbegrip van verbintenissen inzake sectoraal beleid betreffende economische activiteiten met grensoverschrijdende gevolgen, of bij onmiddellijke dreiging van een dergelijke verstoring, kan de Commissie tot aan het einde van een periode van ten hoogste drie jaar na de toetreding op een met redenen omkleed verzoek van een lidstaat, dan wel op eigen initiatief, passende maatregelen treffen. Deze maatregelen moeten evenredig zijn, en er moet voorrang worden gegeven aan maatregelen die de werking van de interne markt het minst verstoren en, in voorkomend geval, aan de toepassing van de bestaande sectorale vrijwaringsmechanismen. Deze vrijwaringsmaatregelen mogen echter niet worden gebruikt als middel tot willekeurige discriminatie, noch als verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten. Op een vrijwaringsclausule kan zelfs vóór de toetreding een beroep gedaan worden op basis van de bevindingen van het toezicht, en de aangenomen maatregelen worden vanaf de eerste dag van toetreding van kracht, tenzij hierin een latere datum is bepaald. De maatregelen worden niet langer gehandhaafd dan strikt noodzakelijk is, en zij worden in elk geval ingetrokken wanneer de betrokken verplichting is nagekomen. Zij kunnen evenwel tot na de in de eerste alinea bedoelde periode worden toegepast indien de betrokken verplichtingen niet zijn nagekomen. In antwoord op de vooruitgang die door de betrokken nieuwe lidstaat bij het nakomen van zijn verplichtingen is geboekt, kan de Commissie in voorkomend geval de maatregelen aanpassen. De Commissie stelt de Raad tijdig in kennis alvorens zij vrijwaringsmaatregelen intrekt, en zij houdt terdege rekening met de desbetreffende opmerkingen van de Raad.”
9 Artikel 38 van de toetredingsakte bepaalt: „Indien er zich in Bulgarije of Roemenië ernstige tekortkomingen of directe risico’s op dergelijke tekortkomingen voordoen bij de omzetting, de stand van de uitvoering of de toepassing van de kaderbesluiten of andere ter zake doende verbintenissen, samenwerkingsinstrumenten en besluiten betreffende wederzijdse erkenning in strafzaken uit hoofde van titel VI van het [VEU] en richtlijnen en verordeningen inzake wederzijdse erkenning in burgerlijke zaken uit hoofde van titel IV van het [EG], kan de Commissie tot aan het einde van een periode van ten hoogste drie jaar na de toetreding op een met redenen omkleed verzoek van een lidstaat, dan wel op eigen initiatief, en na overleg met de lidstaten, passende maatregelen treffen, waarbij zij de voorwaarden en praktische regels voor de toepassing ervan aangeeft. Deze maatregelen kunnen de vorm aannemen van een tijdelijke schorsing van de toepassing van de betrokken bepalingen en besluiten in de betrekkingen tussen Bulgarije en Roemenië en een andere lidstaat of andere lidstaten, zonder afbreuk te doen aan de verdere nauwe justitiële samenwerking. Op een vrijwaringsclausule kan zelfs vóór de toetreding een beroep gedaan worden op basis van de bevindingen van het toezicht, en de aangenomen maatregelen worden vanaf de eerste dag van toetreding van kracht, tenzij hierin een latere datum is bepaald. De maatregelen worden niet langer gehandhaafd dan strikt noodzakelijk is, en zij worden in elk geval ingetrokken wanneer de betrokken tekortkomingen zijn verholpen. Zij kunnen evenwel tot na de in de eerste alinea bedoelde periode worden toegepast zolang de betrokken tekortkomingen blijven bestaan. In antwoord op de vooruitgang die door de betrokken nieuwe lidstaat bij het verhelpen van de aangegeven tekortkomingen is geboekt, kan de Commissie in voorkomend geval de maatregelen aanpassen na overleg met de lidstaten. De Commissie stelt de Raad tijdig in kennis alvorens zij vrijwaringsmaatregelen intrekt, en zij houdt terdege rekening met de desbetreffende opmerkingen van de Raad.”
10 Artikel 39, leden 1 tot en met 3, van de toetredingsakte bepaalt: „1. Indien uit de voortdurende monitoring door de Commissie van de door Bulgarije en Roemenië in het kader van de toetredingsonderhandelingen aangegane verbintenissen en met name de monitoringverslagen van de Commissie, duidelijk blijkt dat de stand van voorbereiding voor de aanneming en uitvoering van het acquis in Bulgarije en Roemenië zodanig is dat er een ernstig gevaar bestaat dat één van beide staten op een aantal belangrijke gebieden klaarblijkelijk niet gereed is om voor de datum van toetreding van 1 januari 2007 te voldoen aan de voorwaarden voor lidmaatschap, kan de Raad, met eenparigheid van stemmen op basis van een aanbeveling van de Commissie, besluiten dat de datum van toetreding van dat land met één jaar wordt uitgesteld tot 1 januari 2008. 2. Onverminderd lid 1 kan de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op basis van een aanbeveling van de Commissie, het in lid 1 bedoelde besluit nemen ten aanzien van Roemenië indien ernstige tekortkomingen werden geconstateerd met betrekking tot de naleving door Roemenië van één of meer van de in bijlage IX, punt I, opgesomde verplichtingen en vereisten. 3. Onverminderd lid 1 en artikel 37, kan de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op basis van een aanbeveling van de Commissie en na een in het najaar 2005 uit te voeren gedetailleerde beoordeling van de vooruitgang van Roemenië op mededingingsgebied, het in lid 1 bedoelde besluit nemen ten aanzien van Roemenië indien er ernstige tekortkomingen werden geconstateerd met betrekking tot de naleving door Roemenië van de in het kader van de Europaovereenkomst aangegane verplichtingen of van één of meer van de verplichtingen en vereisten in bijlage IX, punt II.”
11 Bijlage IX bij de toetredingsakte, met het opschrift „Bijzondere toezeggingen en eisen die Roemenië heeft gedaan respectievelijk geaccepteerd bij de afsluiting van de toetredingsonderhandelingen op 14 december 2004 (als bedoeld in artikel 39 van het protocol)”, bevat onder punt I de volgende passage: „Met betrekking tot artikel 39, lid 2 [...] 4) De corruptiebestrijding dient aanzienlijk te worden geïntensiveerd, met name de bestrijding van corruptie op hoog niveau, door te zorgen voor een stringente handhaving van de anticorruptiewetgeving en door het waarborgen van de daadwerkelijke onafhankelijkheid van het nationale anticorruptiebureau van de openbare aanklager (NAPO) en door, met ingang van november 2005, jaarlijks een overtuigend overzicht voor te leggen van de activiteiten van het NAPO bij de bestrijding van corruptie op hoog niveau. Het NAPO dient te kunnen beschikken over voldoende personeel, financiële middelen en opleidingsmogelijkheden, alsmede over de apparatuur die het nodig heeft om zijn essentiële taken te kunnen uitvoeren. 5) [...] [D]e toezegging om vóór eind 2005 de langdurige strafrechtelijke procedure te herzien, teneinde te waarborgen dat corruptiegevallen snel en op transparante wijze worden afgehandeld, dient deel uit te maken van [de nationale strategie ter bestrijding van de corruptie], om te zorgen voor adequate sancties die een ontmoedigende werking hebben. [...] [...]”
Beschikking 2006/928
12 Beschikking 2006/928 is in het kader van de op 1 januari 2007 geplande toetreding van Roemenië tot de Europese Unie vastgesteld op grond van met name de artikelen 37 en 38 van de toetredingsakte. De overwegingen 1 tot en met 6 en 9 van die beschikking luiden als volgt: „(1) De Europese Unie is gegrondvest op het beginsel van de rechtsstaat, dat door alle lidstaten wordt onderschreven. (2) De ruimte van vrijheid, veiligheid en [recht] en de interne markt, die tot stand zijn gebracht bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, zijn gebaseerd op het wederzijdse vertrouwen dat de bestuurlijke en gerechtelijke besluiten en praktijken van alle lidstaten de rechtsstaat volledig respecteren. (3) Dit houdt in dat alle lidstaten moeten beschikken over een onpartijdig, onafhankelijk en effectief justitieel en bestuurlijk stelsel, dat onder andere volledig is uitgerust voor de bestrijding van corruptie. (4) Op 1 januari 2007 wordt Roemenië lid van de Europese Unie. De Commissie is zich bewust van de aanzienlijke inspanningen om de voorbereidingen van Roemenië op het lidmaatschap af te ronden, maar heeft in haar verslag van 26 september 2006 ook vraagstukken geïdentificeerd die nog moeten worden aangepakt, met name de verantwoordingsplicht en efficiëntie van het justitiële stelsel en de wetshandhavingsinstanties, die verdere vooruitgang moeten boeken om te kunnen garanderen dat zij over de capaciteit beschikken voor de tenuitvoerlegging en toepassing van de maatregelen die zijn vastgesteld op het gebied van de interne markt en de ruimte van vrijheid, veiligheid en [recht]. (5) Overeenkomstig artikel 37 van de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden kan de Commissie passende maatregelen treffen, indien het risico bestaat dat Roemenië de verbintenissen die het is aangegaan niet kan nakomen en daardoor de werking van de interne markt dreigt te worden verstoord. Artikel 38 van de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden machtigt de Commissie passende maatregelen te treffen, indien in Roemenië sprake is van een risico dat zich ernstige tekortkomingen zullen voordoen bij de omzetting, de stand van de uitvoering of de toepassing van besluiten die zijn genomen op grond van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie en besluiten die zijn genomen op grond van titel IV van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. (6) De resterende vraagstukken op het gebied van de verantwoordingsplicht en efficiëntie van het justitiële stelsel en de wetshandhavingsinstanties rechtvaardigen de vaststelling van een mechanisme voor samenwerking en toetsing van de vooruitgang in Roemenië ten aanzien van specifieke ijkpunten op het gebied van de hervorming van het justitiële stelsel en de bestrijding van corruptie. [...] (9) Deze beschikking dient te worden gewijzigd, indien uit de evaluaties van de Commissie blijkt dat de ijkpunten moeten worden aangepast. Deze beschikking dient te worden ingetrokken wanneer aan alle ijkpunten is voldaan.”
13 Artikel 1 van beschikking 2006/928 bepaalt: „Roemenië dient vóór 31 maart van elk jaar, en voor het eerst vóór 31 maart 2007, verslag uit te brengen aan de Commissie over de vooruitgang ten aanzien van elk van de in de bijlage genoemde ijkpunten. De Commissie kan te allen tijde technische bijstand bieden door middel van verschillende activiteiten of informatie verzamelen dan wel uitwisselen over de ijkpunten. Voorts kan de Commissie te allen tijde deskundigen naar Roemenië sturen voor dit doel. De Roemeense autoriteiten dienen in dit verband de nodige steun te bieden.”
14 Artikel 2 van die beschikking luidt als volgt: „De Commissie doet het Europees Parlement en de Raad haar opmerkingen en bevindingen over het verslag van Roemenië voor het eerst toekomen in juni 2007. De Commissie zal vervolgens opnieuw verslag uitbrengen zodra dit nodig is en ten minste elk halfjaar.”
15 Artikel 4 van die beschikking bepaalt: „Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.”
16 De bijlage bij die beschikking luidt als volgt: „De in artikel 1 bedoelde ijkpunten die door Roemenië moeten worden aangepakt, zijn: 1) Zorgen voor een transparanter en efficiënter verloop van de justitiële procedures door verbetering van de capaciteit en verantwoordingsplicht van de Hoge Raad voor de Magistratuur. Verslag uitbrengen over het effect van de nieuwe wetboeken van burgerlijke rechtsvordering en strafvordering. 2) Opzetten (volgens de planning) van een ,integriteitsagentschap’ dat de taak heeft vermogens, onverenigbaarheden en mogelijke belangenconflicten te verifiëren en verplichte besluiten uit te vaardigen op basis waarvan afschrikwekkende sancties kunnen worden ingesteld. 3) Op basis van de reeds geboekte vooruitgang doorgaan met het uitvoeren van professioneel, onpartijdig onderzoek naar beschuldigingen van corruptie op hoog niveau. 4) Verdere maatregelen nemen ter voorkoming en bestrijding van corruptie, met name bij de plaatselijke overheden.”
Roemeens recht
Roemeense grondwet
17 Titel III van de Constituție României (Roemeense grondwet), met het opschrift „Overheidsinstanties”, bevat onder meer hoofdstuk VI, dat de „rechterlijke macht” betreft. Artikel 126 is daarin opgenomen en bepaalt: „(1) Recht wordt gesproken door de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie en door de andere bij wet ingestelde rechterlijke instanties. [...] (3) De Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie verzekert de uniforme uitlegging en toepassing van de wet door de andere gerechten, overeenkomstig zijn bevoegdheid. (4) De samenstelling van de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie en de regels betreffende de werking ervan worden vastgesteld bij organieke wet. [...] (6) Rechterlijke toetsing door middel van bestuursrechtelijke procedures wordt gewaarborgd voor bestuurshandelingen van overheidsinstanties, met uitzondering van handelingen inzake de betrekkingen met het parlement en handelingen van de militaire leiding. De bestuursrechtelijke gerechten zijn bevoegd om kennis te nemen van beroepen van personen die zijn benadeeld, naargelang het geval, door ongrondwettig verklaarde besluiten of door de bepalingen daarvan.”
18 Titel V van de Roemeense grondwet, die betrekking heeft op de Curte Constituțională (grondwettelijk hof, Roemenië) (hierna: „grondwettelijk hof”), omvat de artikelen 142 tot en met 147. Artikel 142, met het opschrift „Inrichting”, bepaalt in de leden 1 tot en met 3: „(1) Het grondwettelijk hof is de hoeder van de suprematie van de grondwet. (2) Het grondwettelijk hof is samengesteld uit negen rechters, die worden benoemd voor een ambtstermijn van 9 jaar die niet kan worden verlengd of vernieuwd. (3) Drie rechters worden benoemd door de Cameră a Deputaţilor [(kamer van afgevaardigden)], drie door de Senat [(senaat)] en drie door de Preşedinte al României [(Roemeense president)].”
19 Artikel 143 van de Roemeense grondwet luidt als volgt: „De rechters van het grondwettelijk hof moeten beschikken over voortreffelijke juridische kwalificaties, beroepsbekwaamheid op hoog niveau en minstens 18 jaar ervaring met juridische werkzaamheden of in het hoger juridisch onderwijs.”
20 Artikel 144 van de Roemeense grondwet bepaalt: „Het ambt van rechter bij het grondwettelijk Hof is onverenigbaar met elk ander ambt in de publieke of private sector, met uitzondering van onderwijskundige functies in het hoger juridisch onderwijs.”
21 Volgens artikel 145 van de Roemeense grondwet geldt het volgende: „De rechters van het grondwettelijk hof zijn onafhankelijk in de uitoefening van hun ambt en kunnen tijdens hun ambtstermijn niet worden afgezet.”
22 Artikel 146 van de Roemeense grondwet bepaalt: „Het grondwettelijk hof heeft de volgende taken: [...] d) beslissen over excepties van ongrondwettigheid van wetten en besluiten die worden opgeworpen bij de rechterlijke instanties of de scheidsgerechten; de exceptie van ongrondwettigheid kan rechtstreeks worden opgeworpen door de Avocat al Poporului [(volksadvocaat)]; e) beslechten van grondwettelijke geschillen tussen overheidsinstanties op verzoek van de Roemeense president, de voorzitter van een van de kamers van het Roemeense parlement, de prim-ministru [(eerste minister)] of de voorzitter van de [hoge raad voor de magistratuur]; [...]”
23 Artikel 147 van de Roemeense grondwet bepaalt in lid 4: „De beslissingen van het grondwettelijk hof worden bekendgemaakt in Monitorul Oficial al României [(Roemeens staatsblad)]. Zij zijn algemeen bindend vanaf de datum van bekendmaking en hebben enkel rechtsgevolgen voor de toekomst.”
24 Artikel 148, leden 2 tot en met 4, van de Roemeense grondwet bepaalt: „(2) Na de toetreding hebben de bepalingen van de oprichtingsverdragen van de Europese Unie en de overige bindende communautaire voorschriften voorrang op andersluidende nationale bepalingen, overeenkomstig de bepalingen van de toetredingsakte. (3) Het bepaalde in de leden 1 en 2 is van overeenkomstige toepassing op de toetreding tot de akten tot herziening van de oprichtingsverdragen van de Europese Unie. (4) Het parlement, de president van Roemenië, de regering en de rechterlijke macht waarborgen de nakoming van de verplichtingen die uit de toetredingsakte en uit het bepaalde in lid 2 voortvloeien.”
Wetboek van strafrecht
25 Artikel 154, lid 1, van de Cod penal (wetboek van strafrecht) bepaalt: „Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid gelden de volgende verjaringstermijnen: a) 15 jaar, wanneer het strafbare feit wordt bestraft met een levenslange gevangenisstraf of met een gevangenisstraf van meer dan 20 jaar; b) 10 jaar, wanneer het strafbare feit wordt bestraft met een gevangenisstraf van niet minder dan 10 jaar en niet meer dan 20 jaar; c) 8 jaar, wanneer het strafbare feit wordt bestraft met een gevangenisstraf van niet minder dan 5 jaar en niet meer dan 10 jaar; d) 5 jaar, wanneer het strafbare feit wordt bestraft met een gevangenisstraf van niet minder dan 1 jaar en niet meer dan 5 jaar; e) 3 jaar, wanneer het strafbare feit wordt bestraft met een gevangenisstraf van minder dan 1 jaar of een geldboete.”
26 Artikel 155, lid 4, van dat wetboek bepaalt: „Bij een nieuwe overschrijding van de in artikel 154 vastgestelde verjaringstermijnen worden deze geacht te zijn verstreken, ongeacht het aantal keer dat de verjaring is gestuit.”
Wetboek van strafvordering
27 Artikel 40, lid 1, van de Cod de procedură penală (wetboek van strafvordering) bepaalt: „De Înaltă Curte de Casație și Justiție neemt in eerste aanleg kennis van zaken betreffende hoogverraad en van strafbare feiten die zijn begaan door senatoren, afgevaardigden en Roemeense leden van het Europees Parlement, leden van de regering, rechters van het grondwettelijk hof, leden van de hoge raad voor de magistratuur, rechters van de Înaltă Curte de Casație și Justiție en officieren van justitie van de Parchet de pe lângă Înalta Curte de Casație și Justiție (parket bij de Înaltă Curte de Casație și Justiție).”
28 Artikel 142, lid 1, van dat wetboek, in de versie die van kracht was vóór 14 maart 2016, luidde als volgt: „De aanklager oefent de technische surveillance uit of kan bevelen dat deze surveillance wordt uitgeoefend door organen voor strafrechtelijk onderzoek, door gespecialiseerde politieambtenaren of door andere gespecialiseerde overheidsorganen.”
29 Artikel 281, lid 1, van dat wetboek bepaalt: „Schendingen van de bepalingen betreffende: [...] b) de materiële en personele bevoegdheid van rechterlijke instanties, wanneer de beslissing is gegeven door een lagere rechterlijke instantie dan die welke bevoegd is op grond van de wet; [...] leiden steeds tot nietigheid.”
30 Artikel 342 van het wetboek van strafvordering bepaalt: „In de procedure bij de preliminaire kamer wordt, na verwijzing naar een gerecht, nagegaan of het gerecht bevoegd is en of de verwijzing naar dat gerecht rechtmatig is, alsook of de bewijsvergaring en de handelingen van de met strafvervolging belaste organen op rechtmatige wijze hebben plaatsgevonden.”
31 Artikel 426, lid 1, van dat wetboek luidt als volgt: „Tegen definitieve beslissingen in strafprocedures kan een buitengewoon beroep tot vernietiging worden ingesteld in de volgende gevallen: [...] d) wanneer het gerecht in tweede aanleg niet overeenkomstig de wet is samengesteld of wanneer er sprake is van een onverenigbaarheid; [...]”
32 Artikel 428, lid 1, van dat wetboek bepaalt: „Om de in artikel 426, onder a) en c) tot en met h), vastgestelde redenen kan een buitengewoon beroep tot vernietiging worden ingesteld binnen dertig dagen vanaf de datum van betekening van de door het gerecht in tweede aanleg gewezen beslissing.”
Wet nr. 47/1992
33 Artikel 3 van Legea nr. 47/1992 privind organizarea și funcționarea Curții Constituționale (wet nr. 47/1992 betreffende de organisatie en de werking van het grondwettelijk hof), van 18 mei 1992 (opnieuw gepubliceerd in Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 807 van 3 december 2010), bepaalt: „1. De bevoegdheden van het grondwettelijk hof zijn vastgelegd in de grondwet en in de onderhavige wet. 2. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden mag alleen het grondwettelijk hof over zijn jurisdictie beslissen. 3. De overeenkomstig lid 2 vastgestelde jurisdictie van het grondwettelijk hof kan door geen enkele overheidsinstantie worden betwist.”
34 Artikel 34, lid 1, van die wet luidt als volgt: „Het grondwettelijk hof doet uitspraak over juridische geschillen van grondwettelijke aard tussen overheidsinstanties, op verzoek van de president van Roemenië, de voorzitter van een van beide kamers, de eerste minister of de voorzitter van de hoge raad van de magistratuur.”
Wet nr. 78/2000
35 Artikel 5 van Legea nr. 78/2000 pentru prevenirea, descoperirea și sancționarea faptelor de corupție (wet nr. 78/2000 ter voorkoming, opsporing en bestrijding van corruptie), van 18 mei 2000 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 219 van 18 mei 2000), bepaalt in lid 1: „Voor de toepassing van deze wet zijn de in de artikelen 289 tot en met 292 van het wetboek van strafrecht genoemde misdrijven corruptiemisdrijven, ook wanneer deze zijn begaan door de in artikel 308 van het wetboek van strafrecht bedoelde personen.”
36 De in artikel 5, lid 1, van wet nr. 78/2000 genoemde artikelen hebben betrekking op respectievelijk passieve corruptie (artikel 289), actieve corruptie (artikel 290), ongeoorloofde beïnvloeding (artikel 291) en actieve ongeoorloofde beïnvloeding (artikel 292).
37 Artikel 29, lid 1, van die wet bepaalt: „Voor de behandeling in eerste aanleg van de in deze wet bedoelde misdrijven worden gespecialiseerde kamers gevormd.”
Wet nr. 303/2004
38 Artikel 99 van Legea nr. 303/2004 privind statutul judecătorilor şi procurorilor (wet nr. 303/2004 betreffende de status van rechters en openbaar aanklagers), van 28 juni 2004 (opnieuw gepubliceerd in Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 826 van 13 september 2005), zoals gewijzigd bij Legea nr. 24/2012 (wet nr. 24/2012), van 17 januari 2012 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 51 van 23 januari 2012) (hierna: „wet nr. 303/2004”), bepaalt: „Als tuchtrechtelijk vergrijp moet worden aangemerkt: [...] o) de niet-naleving van de bepalingen betreffende de willekeurige toewijzing van zaken; [...] ș) de niet-eerbiediging van beslissingen van het grondwettelijk hof; [...]”
39 Artikel 100 van die wet bepaalt in lid 1: „De tuchtsancties die naar evenredigheid van de ernst van de overtredingen kunnen worden opgelegd aan de rechters en de openbaar aanklagers, zijn: [...] e) uitsluiting van de rechterlijke macht.”
40 Artikel 101 van die wet bepaalt: „De bij artikel 100 bepaalde tuchtsancties worden opgelegd door de afdelingen van de hoge raad voor de magistratuur, onder de in zijn organieke wet vastgestelde voorwaarden.”
Wet nr. 304/2004
41 Legea nr. 304/2004 privind organizarea judiciară (wet nr. 304/2004 betreffende de rechterlijke organisatie), van 28 juni 2004 (opnieuw gepubliceerd in Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 827 van 13 september 2005), is met name gewijzigd bij: – Legea nr. 202/2010 privind unele măsuri pentru accelerarea soluționării proceselor (wet nr. 202/2010 houdende maatregelen ter versnelling van de geschillenbeslechting), van 25 oktober 2010 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 714 van 26 oktober 2010); – Legea nr. 255/2013 pentru punerea în aplicare a Legii nr. 135/2010 privind Codul de procedură penală şi pentru modificarea şi completarea unor acte normative care cuprind dispoziţii procesual penale (wet nr. 255/2013 ter uitvoering van wet nr. 135/2010 inzake het wetboek van strafvordering en tot wijziging en aanvulling van bepaalde normatieve handelingen die bepalingen inzake strafprocedures bevatten), van 19 juli 2013 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 515 van 14 augustus 2013); – Legea nr. 207/2018 pentru modificarea și completarea Legii nr. 304/2004 privind organizarea judiciară (wet nr. 207/2018 tot wijziging en aanvulling van wet nr. 304/2004 betreffende de rechterlijke organisatie), van 20 juli 2018 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 636 van 20 juli 2018).
42 Artikel 19, lid 3, van wet nr. 304/2004, zoals laatstelijk gewijzigd bij wet nr. 207/2018 (hierna: „gewijzigde wet nr. 304/2004”), bepaalt: „Aan het begin van elk jaar kan het gerechtsbestuur van de Înaltă Curte de Casație și Justiție op voorstel van de president of vicepresident goedkeuring verlenen voor de vorming van gespecialiseerde kamers binnen de sectoren van de Înaltă Curte de Casație și Justiție, rekening houdend met het aantal en de aard van de zaken, de omvang van de werkzaamheden van elke sector alsmede de specialisatie van de rechters en de noodzaak om gebruik te maken van hun beroepservaring.”
43 Artikel 24, lid 1, van die wet bepaalt: „De kamers van vijf rechters nemen kennis van de hoger beroepen tegen de beslissingen in eerste aanleg van de sector straf van de Înaltă Curte de Casație și Justiție, doen uitspraak over de cassatieberoepen tegen de beslissingen in hoger beroep van de kamers van vijf rechters na hun voorafgaande toelating, behandelen de beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen die tijdens de procedure in eerste aanleg zijn gegeven door de sector straf van de Înaltă Curte de Casație și Justiție, doen uitspraak over tuchtrechtelijke zaken overeenkomstig de wet en over andere zaken in het kader van de hun bij wet verleende bevoegdheden.”
44 Artikel 29, lid 1, van die wet luidt als volgt: „Het gerechtsbestuur van de Înaltă Curte de Casație și Justiție heeft de volgende bevoegdheden: a) het goedkeuren van het reglement inzake de organisatie en de administratieve werking alsmede van de lijsten van het aantal ambten en de personeelsformaties van de Înaltă Curte de Casație și Justiție; [...] f) het uitoefenen van de andere bevoegdheden zoals bepaald in het reglement inzake de organisatie en de administratieve werking van de Înaltă Curte de Casație și Justiție.”
45 Artikel 31, lid 1, van die wet luidt als volgt: „In strafzaken worden de kamers als volgt samengesteld: a) in zaken waarin de Înaltă Curte de Casație și Justiție in eerste aanleg bevoegd is, bestaat de kamer uit drie rechters; [...]”
46 Artikel 32 van de gewijzigde wet nr. 304/2004 bepaalt: „(1) Aan het begin van elk jaar keurt het gerechtsbestuur van de Înaltă Curte de Casație și Justiție op voorstel van de president of vicepresidenten het aantal kamers van vijf rechters en de samenstelling daarvan goed. [...] (4) De rechters die deel uitmaken van die kamers worden in openbare zitting en bij loting geselecteerd door de president van de Înaltă Curte de Casație și Justiție en bij diens ontstentenis door een van de twee vicepresidenten. De leden van de rechtsprekende formaties mogen slechts in uitzonderlijke gevallen, op grond van de bij het reglement inzake de organisatie en de administratieve werking van de Înaltă Curte de Casație și Justiție vastgestelde objectieve criteria, worden vervangen. (5) Kamers van vijf rechters worden voorgezeten door de president van de Înaltă Curte de Casație și Justiție, door een van de twee vicepresidenten of door kamerpresidenten indien zij overeenkomstig lid 4 zijn aangewezen als lid van de betrokken kamer. (6) Indien geen enkele van de voornoemde personen lid is van de kamer van vijf rechters, wordt de kamer bij toerbeurt voorgezeten door de rechters, in volgorde van hun anciënniteit binnen de magistratuur. (7) Zaken die binnen de bevoegdheid van de kamers van vijf rechters vallen, worden willekeurig toegewezen met behulp van een geautomatiseerd systeem.”
47 Na wijziging bij wet nr. 202/2010 luidde artikel 32 van wet nr. 304/2004 als volgt: „(1) Aan het begin van elk jaar worden in strafzaken twee kamers van vijf rechters gevormd die uitsluitend bestaan uit leden van de sector straf van de Înaltă Curte de Casație și Justiție. [...] (4) Het gerechtsbestuur van de Înaltă Curte de Casație și Justiție keurt de samenstelling van de kamers van vijf rechters goed. De rechters die deel uitmaken van die kamers worden geselecteerd door de president van de Înaltă Curte de Casație și Justiție en bij diens ontstentenis door de vicepresident. De leden van de rechtsprekende formaties mogen slechts worden vervangen in uitzonderlijke gevallen, op grond van de bij het reglement inzake de organisatie en de administratieve werking van de Înaltă Curte de Casație și Justiție vastgestelde objectieve criteria. (5) De kamer van vijf rechters wordt voorgezeten door de president of de vicepresident van de Înaltă Curte de Casație și Justiție. Bij hun ontstentenis kan de kamer worden voorgezeten door een kamerpresident die daartoe is aangewezen door de president of bij diens ontstentenis door de vicepresident van de Înaltă Curte de Casație și Justiție. (6) Zaken die binnen de bevoegdheid van de in de leden 1 en 2 bedoelde kamers vallen, worden willekeurig toegewezen met behulp van een geautomatiseerd systeem.”
48 Na wijziging bij wet nr. 255/2013 waren de leden 1 en 6 van artikel 32 van wet nr. 304/2004 nagenoeg gelijkluidend geformuleerd als in de in het vorige punt genoemde versie. De leden 4 et 5 van dit artikel bepaalden: „(4) Het gerechtsbestuur van de Înaltă Curte de Casație și Justiție keurt, op voorstel van de president van de sector straf, het aantal en de samenstelling van de kamers van vijf rechters goed. De rechters die deel uitmaken van die rechtsprekende formaties worden in openbare zitting en bij loting geselecteerd door de president van de Înaltă Curte de Casație și Justiție en bij diens ontstentenis door de vicepresident. De leden van de rechtsprekende formaties mogen slechts worden vervangen in uitzonderlijke gevallen, op grond van de bij het reglement inzake de organisatie en de administratieve werking van de Înaltă Curte de Casație și Justiție vastgestelde objectieve criteria. (5) De kamer van vijf rechters wordt voorgezeten door de president of de vicepresident van de Înaltă Curte de Casație și Justiție, indien hij deel uitmaakt van de kamer overeenkomstig lid 4, door de president van de sector straf of de deken, naargelang het geval.”
49 Artikel 33 van de gewijzigde wet nr. 304/2004 luidt als volgt: „(1) De president of bij diens ontstentenis een van de vicepresidenten van de Înaltă Curte de Casație și Justiție zit de verenigde kamers voor evenals de kamer die bevoegd is om kennis te nemen van de beroepen in het belang van de wet, de kamer die bevoegd is om uitspraak te doen over rechtsvragen, de kamer van vijf rechters en elke kamer binnen de sectoren, voor zover hij deelneemt aan de procedure. [...] (3) De kamerpresidenten kunnen elke kamer van de sector voorzitten, terwijl de andere rechters bij toerbeurt voorzitten.”
50 Na wijziging bij wet nr. 202/2010, bepaalde artikel 33, lid 1, van wet nr. 304/2004: „De president of bij diens ontstentenis de vicepresident van de Înaltă Curte de Casație și Justiție zit de verenigde kamers voor evenals de kamer van vijf rechters en elke kamer binnen de sectoren voor zover hij deelneemt aan de procedure.”
51 Dit artikel 33, lid 1, van wet nr. 304/2004, bepaalde na wijziging bij wet nr. 255/2013: „De president of bij diens ontstentenis een van de vicepresidenten van de Înaltă Curte de Casație și Justiție zit de verenigde kamers voor evenals de kamer die bevoegd is om kennis te nemen van de beroepen in het belang van de wet, de kamer die bevoegd is om uitspraak te doen over rechtsvragen, de kamer van vijf rechters en elke kamer binnen de sectoren, voor zover hij deelneemt aan de procedure.”
Reglement inzake de organisatie en de administratieve werking van de Înaltă Curte de Casație și Justiție
52 Artikel 28 van Regulamentul privind organizarea şi funcţionarea administrativă a Înaltei Curţi de Casaţie şi Justiţie (reglement inzake de organisatie en de administratieve werking van de Înaltă Curte de Casație și Justiție), van 21 september 2004 (hierna: „reglement inzake de organisatie en de administratieve werking”), zoals gewijzigd bij Hotărârea nr. 3/2014 pentru modificarea şi completarea Regulamentului privind organizarea şi funcţionarea administrativă a Înaltei Curţi de Casaţie şi Justiţie (besluit nr. 3/2014 tot wijziging en aanvulling van het reglement inzake de organisatie en de administratieve werking), van 28 januari 2014 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 75 van 30 januari 2014), bepaalde: „1. Binnen het kader van de Înaltă Curte de Casație și Justiție functioneren kamers van vijf rechters met bij wet vastgestelde rechtsprekende bevoegdheid. [...] 4. Kamers van vijf rechters worden naargelang het geval voorgezeten door de president, een vicepresident, de president van de sector straf of de deken.”
53 Artikel 29, lid 1, van dit reglement bepaalde: „Voor de vorming van kamers van vijf rechters in strafzaken wijst de president van de Înaltă Curte de Casație și Justiție, of bij diens ontstentenis een van de vicepresidenten, elk jaar, bij loting en in openbare zitting, voor iedere kamer vier of – naargelang het geval – vijf rechters van de sector straf van de Înaltă Curte de Casație și Justiție aan.”
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Gemeenschappelijke aspecten van de hoofdgedingen
54 Ten grondslag aan de hoofdgedingen ligt de ingrijpende hervorming op het gebied van justitie en de bestrijding van corruptie in Roemenië. Deze hervorming wordt sinds 2007 door de Unie gemonitord middels het mechanisme voor samenwerking en toetsing (hierna: „MST”) dat ten tijde van de toetreding van Roemenië tot de Europese Unie is ingevoerd bij beschikking 2006/928.
55 Deze gedingen betreffen strafzaken in het kader waarvan de verwijzende rechters wensen te vernemen of zij op grond van het Unierecht bepaalde arresten die het grondwettelijk hof in de periode van 2016 tot 2019 heeft gewezen, buiten toepassing kunnen laten, meer bepaald de arresten nr. 51/2016 van 16 februari 2016 (zaak C‑379/19), nr. 302/2017 van 4 mei 2017 (zaak C‑379/19), nr. 685/2018 van 7 november 2018 (zaken C‑357/19, C‑547/19 en C‑840/19), nr. 26/2019 van 16 januari 2019 (zaak C‑379/19), en nr. 417/2019 van 3 juli 2019 (zaken C‑811/19 en C‑840/19).
56 De verwijzende rechters wijzen erop dat de beslissingen van het grondwettelijk hof naar nationaal recht algemeen bindend zijn en dat de niet-naleving ervan door de rechters overeenkomstig artikel 99, onder ș), van wet nr. 303/2004 een tuchtrechtelijk vergrijp vormt. Zoals uit de Roemeense grondwet blijkt, maakt het grondwettelijk hof echter geen deel uit van de Roemeense rechterlijke macht en moet het worden beschouwd als een politiek-rechterlijk orgaan. Bovendien heeft het grondwettelijk hof met de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde arresten de bevoegdheden overschreden waarover het krachtens de grondwet beschikt en inbreuk gemaakt op die van de gewone rechterlijke instanties alsmede afbreuk gedaan aan de onafhankelijkheid van deze laatste. Voorts leiden de arresten nr. 685/2018 en nr. 417/2019 tot een stelselmatig risico van straffeloosheid op het gebied van de bestrijding van corruptie.
57 In dit verband beroepen de verwijzende rechters zich met name op de verslagen van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de voortgang van Roemenië met betrekking tot het mechanisme voor samenwerking en toetsing van 27 januari 2016 [COM(2016) 41 final], 13 november 2018 [COM(2018) 851 final; hierna: „MST-verslag van november 2018”], en 22 oktober 2019 [COM(2019) 499 final].
58 Tot slot wijzen deze rechters ook op arrest nr. 104/2018 van het grondwettelijk hof waaruit blijkt dat het Unierecht geen voorrang heeft op de Roemeense grondwettelijke orde en dat beschikking 2006/928 niet als beoordelingsmaatstaf kan worden gebruikt in het kader van de grondwettigheidstoetsing op grond van artikel 148 van de Roemeense grondwet.
Zaak C‑357/19
59 Bij arrest van 28 maart 2017 heeft een strafkamer van drie rechters van de Înaltă Curte de Casație și Justiție onder andere PM, die ten tijde van de ten laste gelegde feiten minister was, RO, TQ en SP veroordeeld wegens strafbare feiten ter zake van corruptie en ambtsmisbruik in verband met het beheer van Europese fondsen alsmede belastingontduiking op het gebied van de btw. Deze feiten werden gepleegd tussen 2010 en 2012. De beroepen die tegen dat arrest zijn ingesteld door de betrokken partijen alsmede door Ministerul Public – Parchetul de pe lângă Înalta Curte de Casație și Justiție – Direcția Națională Anticorupție (openbaar ministerie – parket bij de Înaltă Curte de Casație și Justiție – nationaal directoraat voor corruptiebestrijding, Roemenië) (hierna:„nationaal directoraat voor corruptiebestrijding”) zijn verworpen bij arrest van 5 juni 2018 van de Înaltă Curte de Casație și Justiție, dat is gewezen door een kamer van vijf rechters. Deze kamer van vijf rechters bestond uit de president van de sector straf en vier andere rechters, die bij loting waren geselecteerd overeenkomstig de praktijk die de Înaltă Curte de Casație și Justiție in de betrokken periode toepaste en die was gebaseerd op het reglement inzake de organisatie en de administratieve werking van diezelfde rechterlijke instantie. Het arrest van 5 juni 2018 is definitief geworden.
60 Bij arrest nr. 685/2018 van 7 november 2018 heeft het grondwettelijk hof, dat overeenkomstig artikel 146, onder e), van de Roemeense grondwet door de eerste minister was aangezocht, allereerst vastgesteld dat tussen het parlement en de Înaltă Curte de Casație și Justiție een grondwettelijk geschil bestond dat voortvloeide uit de besluiten van het gerechtsbestuur van deze rechterlijke instantie op grond waarvan, overeenkomstig die praktijk en in strijd met artikel 32 van de gewijzigde wet nr. 304/2004, slechts vier van de vijf leden van de kamers van vijf rechters die in hoger beroep uitspraak doen, bij loting werden aangewezen in plaats van alle leden. Vervolgens heeft dit hof geoordeeld dat een uitspraak in hoger beroep van een aldus onwettig samengestelde kamer absoluut nietig is. Tot slot heeft het grondwettelijk hof erop gewezen dat dit arrest op grond van artikel 147, lid 4, van de Roemeense grondwet vanaf de datum van bekendmaking van toepassing is op aanhangige zaken, op reeds afgesloten zaken voor zover de termijnen voor de instelling van een buitengewoon rechtsmiddel door de justitiabelen nog niet zijn verstreken, en op toekomstige zaken.
61 Naar aanleiding van de bekendmaking van arrest nr. 685/2018 van het grondwettelijk hof hebben PM, RO, TQ en SP alsmede het nationaal directoraat voor corruptiebestrijding op grond van artikel 426, lid 1, van het wetboek van strafvordering buitengewone beroepen ingesteld bij de Înaltă Curte de Casație și Justiție, waarbij zij verzoeken om vernietiging van het arrest van 5 juni 2018 en om een nieuwe behandeling van de hoger beroepen. Ter ondersteuning van hun beroepen hebben zij aangevoerd dat arrest nr. 685/2018 bindend is en rechtsgevolgen heeft voor de uitspraak van de Înaltă Curte de Casație și Justiție van 5 juni 2018, aangezien de kamer van vijf rechters die uitspraak had gedaan over deze hoger beroepen niet was samengesteld overeenkomstig de wet, zoals het grondwettelijk hof die heeft uitgelegd. De verwijzende rechter heeft die buitengewone beroepen ontvankelijk verklaard, met name op grond zij waren ingesteld binnen de wettelijke termijn van dertig dagen vanaf de datum van betekening van dat arrest, en heeft beslist om de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen op te schorten in afwachting van de uitkomst van die beroepen.
62 De verwijzende rechter wenst met name te vernemen of artikel 19, lid 1, VEU, artikel 325, lid 1, VWEU alsmede artikel 1, lid 1, onder a) en b), en artikel 2, lid 1, van de PIF-Overeenkomst zich verzetten tegen de toepassing van arrest nr. 685/2018 op het hoofdgeding, wat ertoe zou leiden dat de vóór dat arrest definitief geworden rechterlijke uitspraken worden vernietigd en dat er een nieuwe procedure in hoger beroep in ernstige fraude- en corruptiezaken moet worden ingeleid.
63 Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof staat het aan de nationale rechterlijke instanties om, met inachtneming van de door het Handvest gewaarborgde grondrechten en de algemene rechtsbeginselen, volledig uitvoering te geven aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 325, lid 1, VWEU en om bepalingen van nationaal recht die in de weg staan aan de toepassing van doeltreffende en afschrikkende sancties op het gebied van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie wordt geschaad, buiten toepassing te laten. Gelet op deze rechtspraak rijst de vraag of de verplichting van de lidstaten die voortvloeit uit artikel 325, lid 1, VWEU alsmede uit artikel 1, lid 1, onder a) en b), en artikel 2, lid 1, van de PIF-Overeenkomst ook betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van reeds opgelegde strafsancties. Verder rijst de vraag of de in artikel 325, lid 1, VWEU gebruikte formulering „en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad” niet alleen corruptie in eigenlijke zin omvat, maar ook een poging tot fraude in de context van een frauduleus gegunde openbare aanbesteding die zou worden gefinancierd uit Europese fondsen, maar die volledig ten laste is gekomen van de nationale begroting doordat de beheersautoriteit van die fondsen financiering heeft geweigerd. In dit verband was er in casu sprake van een risico op aantasting van de financiële belangen van de Unie, dat zich echter niet heeft voorgedaan.
64 Voorts benadrukt de verwijzende rechter dat elke lidstaat er op grond van de artikelen 2 en 19 VEU voor moet zorgen dat de rechterlijke instanties die deel uitmaken van zijn stelsel van rechtsmiddelen op de onder het Unierecht vallende gebieden, voldoen aan de vereisten van onafhankelijkheid teneinde te waarborgen dat de justitiabelen daadwerkelijke rechtsbescherming genieten. De waarborg van onafhankelijkheid veronderstelt volgens de rechtspraak van het Hof dat de rechters hun rechtsprekende taken volledig autonoom kunnen uitoefenen, zonder enig hiërarchisch verband, teneinde beschermd te zijn tegen tussenkomsten of druk van buitenaf die hun onafhankelijkheid en oordeelsvorming in gevaar kunnen brengen.
65 Bovendien vraagt de verwijzende rechter zich, gelet op met name het belang van het legaliteitsbeginsel, dat vereist dat de wet voorzienbaar is, nauwkeurig is geformuleerd en geen terugwerkende kracht heeft, af of het in artikel 47, lid 2, van het Handvest gebruikte begrip „gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld” zich verzet tegen de uitlegging die het grondwettelijk hof heeft gegeven met betrekking tot de onwettige samenstelling van de kamers van vijf rechters. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof die voortvloeit uit de arresten van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson (C‑617/10, EU:C:2013:105), en 5 december 2017, M.A.S. en M.B. (C‑42/17, EU:C:2017:936), zijn de nationale rechterlijke instanties immers gehouden om toe te zien op de eerbiediging van de grondrechten van de personen die ervan worden verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd, wanneer zij moeten besluiten om bepalingen van materieel strafrecht buiten toepassing te laten. Daarbij kunnen zij nationale maatstaven voor de bescherming van de grondrechten toepassen, op voorwaarde dat dit geen afbreuk doet aan het door het Handvest geboden beschermingsniveau, zoals uitgelegd door het Hof, of aan de voorrang, de eenheid en de doeltreffendheid van het Unierecht.
66 In casu is de verwijzende rechter van oordeel dat het Unierecht zich met name verzet tegen de toepassing van arrest nr. 685/2018, aangezien dit arrest leidt tot de vernietiging van de definitieve beslissingen van de Înaltă Curte de Casație și Justiție die zijn gewezen door kamers van vijf rechters, en de straffen die zijn opgelegd in een groot aantal zaken van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, hun doeltreffende en afschrikkende karakter ontneemt. Hierdoor wordt een schijn van straffeloosheid gewekt en ontstaat er zelfs een stelselmatig risico van straffeloosheid doordat de verjaring intreedt, aangezien de procedures ten gevolge van het feit dat de betrokken zaken opnieuw moeten worden behandeld, complex zijn en het lang duurt alvorens de definitieve beslissing wordt gegeven. Bovendien verzetten de beginselen van rechterlijke onafhankelijkheid en van rechtszekerheid zich ertegen dat arrest nr. 685/2018 bindende rechtsgevolgen kan hebben voor de strafrechtelijke beslissingen die al definitief waren geworden op het tijdstip waarop dat arrest is gewezen, wanneer er geen zwaarwegende redenen bestaan om de eerbiediging van het recht op een eerlijk proces in die zaken in twijfel te trekken, hetgeen wordt bevestigd door het MST-verslag van november 2018.
67 Ten slotte merkt de verwijzende rechter op dat er, gelet op de in punt 58 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak van het grondwettelijk hof, een aanzienlijk risico bestaat dat de antwoorden van het Hof op deze vragen geen effect zullen sorteren in het nationale recht.
68 In die omstandigheden heeft de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten artikel 19, lid 1, VEU, artikel 325, lid 1, VWEU, artikel 1, lid 1, onder a) en b), en artikel 2, lid 1, van de [PIF-Overeenkomst] en het rechtszekerheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een beslissing van een orgaan dat geen deel uitmaakt van de rechterlijke macht, [het grondwettelijk hof], waarbij uitspraak wordt gedaan over de wettigheid van de samenstelling van rechtsprekende formaties en aldus de voorwaarden worden geschapen voor het instellen van buitengewoon beroep tegen in een bepaalde periode uitgesproken definitieve rechterlijke beslissingen? 2) Moet artikel 47, tweede alinea, van [het Handvest] aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de – in het nationale recht bindende – vaststelling, door een orgaan buiten de rechterlijke macht, van het gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een rechtsprekende formatie waarvan een bepaalde rechter, die een functie in het gerechtsbestuur bekleedt, niet willekeurig is aangewezen, maar op basis van een bij de partijen bekende transparante regel die door hen niet wordt betwist en die van toepassing is op alle door die formatie behandelde zaken? 3) Moet de voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter op grond daarvan een volgens het nationale recht bindende beslissing van het grondwettelijk hof, uitgesproken in een zaak betreffende een grondwettelijk geschil, buiten toepassing mag laten?”
Zaak C‑379/19
69 Op 22 augustus 2016 heeft de Direcţie Naţională Anticorupţie – Serviciul Teritorial Oradea (nationaal directoraat voor corruptiebestrijding, afdeling Oradea, Roemenië) bij de Tribunal Bihor (rechter in eerste aanleg Bihor, Roemenië) strafvervolging ingesteld tegen KI, LJ, JH en IG, die werden beschuldigd van ongeoorloofde beïnvloeding, actieve corruptie, passieve corruptie alsmede medeplichtigheid aan actieve ongeoorloofde beïnvloeding en aan actieve corruptie.
70 In het kader van die procedure hebben KI en LJ op grond van artikel 342 van het wetboek van strafvordering verzocht om de processen-verbaal van telefoontaps die de Serviciu Român de Informații (Roemeense inlichtingendienst) (hierna: „SRI”) had opgesteld, als bewijs van de procedure uit te sluiten. Ter ondersteuning van dit verzoek hebben betrokkenen zich beroepen op arrest nr. 51/2016, waarbij het grondwettelijk hof artikel 142, lid 1, van het wetboek van strafvordering ongrondwettig heeft verklaard, voor zover dat het mogelijk maakte om in het kader van een strafprocedure surveillancemaatregelen te laten uitvoeren door „andere gespecialiseerde overheidsorganen” en met name door de SRI.
71 Bij beschikking van 27 januari 2017 heeft de onderzoeksrechter bij de Tribunal Bihor de verzoeken van KI en LJ afgewezen, met name op grond van de overweging dat het bewijs op rechtmatige wijze was vergaard aangezien arrest nr. 51/2016 uitsluitend gevolgen had voor de toekomst, en heeft hij de procedure tegen KI, LJ, JH en IG ingeleid. Het tegen deze beschikking ingestelde hoger beroep is verworpen door de Curte de Apel Oradea (rechter in tweede aanleg Oradea, Roemenië), die eveneens van oordeel was dat arrest nr. 51/2016 niet op de in casu bevolen technische surveillancemaatregelen van toepassing was, daar dit arrest, dat in Monitorul Oficial al României van 14 maart 2016 was gepubliceerd, overeenkomstig artikel 147, lid 4, van de Roemeense grondwet uitsluitend gevolgen had voor de toekomst.
72 Tijdens de strafprocedure bij de verwijzende rechter hebben IG, KI, LJ en JH in wezen een vordering ingediend tot absolute nietigverklaring van de processen-verbaal van telefoontaps in de gevallen waarin de SRI bij de uitvoering van de surveillancebevelen betrokken was. Behalve arrest nr. 51/2016 hebben betrokkenen zich in dit verband beroepen op de arresten nr. 302/2017 en nr. 26/2019, waarbij het grondwettelijk hof artikel 281, lid 1, onder b), van het wetboek van strafvordering ongrondwettig heeft verklaard, voor zover in die bepaling schending van de bepalingen inzake de bevoegdheid ratione materiae en ratione personae van het strafvervolgingsorgaan niet met absolute nietigheid werd bestraft (arrest nr. 302/2017), en heeft vastgesteld dat er sprake was van een juridisch conflict van constitutionele aard tussen met name het parlement en het parket bij de Înaltă Curte de Casație și Justiție, dat het gevolg was van het feit dat twee samenwerkingsprotocollen die in de periode van 2009 tot 2016 tussen het nationaal directoraat voor corruptiebestrijding en de SRI waren gesloten in strijd met de grondwettelijke bevoegdheid van het nationaal directoraat voor corruptiebestrijding, hadden geleid tot schending van het procesrecht inzake strafvervolging (arrest nr. 26/2019).
73 Na verificatie door de verwijzende rechter bij het nationaal directoraat voor corruptiebestrijding is gebleken dat negen bevelen tot technische surveillance waren uitgevoerd met de technische steun van de SRI en twee, na de publicatie van arrest nr. 51/2016, zonder medewerking van deze dienst.
74 De verwijzende rechter wijst erop dat dat hij gehouden is om zich met voorrang uit te spreken over het verzoek om uitsluiting van de bewijzen en vraagt zich met name af of hij de arresten nr. 51/2016, nr. 302/2017 en nr. 26/2019 moet toepassen. Wegens het effect dat deze drie arresten samen sorteren, hoeft de rechter immers enkel vast te stellen dat de SRI betrokken was bij de uitvoering van surveillancemaatregelen opdat de maatregelen inzake bewijsverkrijging absoluut nietig zijn en de desbetreffende bewijzen worden uitgesloten.
75 De verwijzende rechter wijst er echter op dat, volgens de nog steeds van kracht zijnde nationale regels, de ontvankelijkheid van een verzoek om uitsluiting van bewijzen afhankelijk is van de voorwaarde dat dit verzoek wordt ingediend vóór de sluiting van het vooronderzoek. Bovendien hebben de arresten van het grondwettelijk hof volgens de grondwettelijke regels enkel gevolgen voor de toekomst. Het grondwettelijk hof heeft bijgevolg in zijn rechtspraak verklaard dat zijn arresten moeten worden toegepast op aanhangige zaken, zodat de rechterlijke instanties verplicht zijn om alle betrokken procedurele handelingen of bewijzen nietig te verklaren, zonder dat het mogelijk is om een beoordeling per geval te verrichten, zelfs wanneer die handelingen, zoals in casu, zijn uitgevoerd op grond van regels waarvoor op het moment van toepassing een vermoeden van grondwettigheid gold.
76 Roemenië moet corruptie bestrijden en de Commissie heeft in het MST-verslag van november 2018 vastgesteld dat die lidstaat moest doorgaan met de uitvoering van de nationale strategie ter bestrijding van corruptie met inachtneming van de door de regering in augustus 2016 gestelde termijnen. Verder moet het grondwettelijk hof zich er overeenkomstig artikel 146 van de Roemeense grondwet toe beperken de wet te toetsen aan de Roemeense grondwet. Het mag niet zover gaan dat het de wet gaat uitleggen en toepassen en rechtsregels met terugwerkende kracht gaat vaststellen. Bovendien lijkt het streven van het grondwettelijk hof om door middel van zijn arresten rechtstreeks te waarborgen dat de procedurele rechten van de partijen in het kader van een strafprocedure worden geëerbiedigd, overdreven gezien de mechanismen die de Roemeense Staat hiertoe tot zijn beschikking heeft, zoals het op 1 augustus 2018 in werking getreden Protocol nr. 16 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”). Voorts heeft het Hof in de rechtspraak die het heeft ontwikkeld in het arrest van 26 februari 2013, Melloni (C‑399/11, EU:C:2013:107), verklaard dat het Unierecht te allen tijde voorrang heeft boven nationale grondrechten, ook indien die gunstiger zijn.
77 Volgens de verwijzende rechter heeft het hoofdgeding een voldoende nauwe band met het Unierecht, aangezien het betrekking heeft op de uitoefening van zijn rechterlijke bevoegdheid, overeenkomstig de beginselen van de rechtsstaat en van rechterlijke onafhankelijkheid, en daarin vragen worden opgeworpen die betrekking hebben op de aard en de gevolgen van het MST alsmede op de voorrang van het Unierecht boven de rechtspraak van het grondwettelijk hof. Deze laatste instantie heeft de uit de Roemeense grondwet en het Unierecht voortvloeiende bevoegdheid van de Roemeense rechters om recht te spreken beperkt door in het in punt 58 van het onderhavige arrest aangehaalde arrest nr. 104/2018 te oordelen dat beschikking 2006/928 niet als beoordelingsmaatstaf kan worden gebruikt in het kader van de grondwettigheidstoetsing op grond van artikel 148 van de Roemeense grondwet.
78 Het is daarom noodzakelijk dat het Hof verduidelijkt of het MST bindend is en, zo ja, of dit niet alleen geldt voor de maatregelen die uitdrukkelijk zijn aanbevolen in de in het kader van dit mechanisme opgestelde verslagen, maar ook voor alle vaststellingen die in die verslagen zijn gedaan, met name die welke betrekking hebben op nationale maatregelen die indruisen tegen de aanbevelingen van de Europese Commissie voor democratie door recht (Commissie van Venetië) en van de Groep van Staten tegen Corruptie (Greco). Gelet op de beginselen van de rechtsstaat en van rechterlijke onafhankelijkheid rijst bovendien de vraag of de nationale rechter bij de uitoefening van zijn rechterlijke bevoegdheid de gevolgen van de arresten van het grondwettelijk hof terzijde kan stellen indien dit hof de grenzen van zijn bevoegdheden overschrijdt, zonder dat hij het risico loopt dat hem uitdrukkelijk bij wet vastgestelde tuchtsancties worden opgelegd.
79 Daarop heeft de Tribunal Bihor de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Zijn het bij beschikking [2006/928] ingestelde [MST] en de vereisten die zijn geformuleerd in de in het kader van dat mechanisme opgestelde verslagen bindend voor Roemenië? 2) Dient artikel 2 [VEU], gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU, aldus te worden uitgelegd dat de verplichting voor Roemenië om zich te houden aan de vereisten in de verslagen die worden opgesteld in het kader van het bij beschikking [2006/928] ingestelde [MST] valt onder de verplichting van de lidstaat om de beginselen van de rechtsstaat te eerbiedigen, met inbegrip van de verplichting van een grondwettelijk hof – een politiek-rechterlijke instantie – om zich ervan te onthouden de wet uit te leggen en de concrete toepassing daarvan door de rechterlijke instanties voor te schrijven, waartoe slechts die rechterlijke instanties bevoegd zijn, of nieuwe wettelijke normen vast te stellen, waartoe uitsluitend de wetgever bevoegd is? Vereist het Unierecht dat de gevolgen van een dergelijke uitspraak van een grondwettelijk hof buiten toepassing worden gelaten? Verzet het Unierecht zich tegen een regel van nationaal recht inzake de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van magistraten die de uitspraak van het grondwettelijk hof, in het kader van deze vraag, buiten toepassing laten? 3) Staat het beginsel van rechterlijke onafhankelijkheid, dat is neergelegd in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en in artikel 47 van het [Handvest], zoals uitgelegd in de rechtspraak van het [Hof] [arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses (C‑64/16, EU:C:2018:117)], eraan in de weg dat arresten van het [grondwettelijk hof] (arresten nr. 51/2016, nr. 302/2017 en nr. 26/2019) in de plaats treden van de bevoegdheden van magistraten, hetgeen leidt tot onvoorspelbaarheid van het strafproces (toepassing met terugwerkende kracht) en tot de onmogelijkheid om de wet met betrekking tot het concrete geval uit te leggen en toe te passen? Verzet het Unierecht zich tegen een regel van nationaal recht inzake de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van magistraten die de uitspraak van het grondwettelijk hof, in het kader van deze vraag, buiten toepassing laten?”
80 Bij brief van 27 juni 2019, ingekomen bij het Hof op 10 juli 2019, heeft de Tribunal Bihor het Hof in kennis gesteld van het feit dat de Curte de Apel Oradea bij beschikking van 18 juni 2019 de schorsing van de behandeling van de zaak op verzoek van het nationaal directoraat voor corruptiebestrijding had vernietigd en had bevolen om de procedure voort te zetten met betrekking tot andere kwesties dan die welke in het kader van de prejudiciële verwijzing zijn voorgelegd. In antwoord op een vraag van het Hof heeft de Tribunal Bihor bij brief van 26 juli 2019, ingekomen bij het Hof op 7 augustus 2019, aangegeven de prejudiciële vragen te willen handhaven. De aldaar gevoerde procedure werd immers voortgezet zonder dat gebruik kon worden gemaakt van het bewijsmateriaal dat was verkregen door middel van de in de prejudiciële vragen bedoelde surveillancebevelen. Bovendien heeft de Tribunal Bihor erop gewezen dat de gerechtelijke inspectie ten aanzien van hem een tuchtonderzoek had geopend wegens de niet-naleving van de in de prejudiciële vragen bedoelde beslissingen van het grondwettelijk hof.
Zaak C‑547/19
81 De gerechtelijke inspectie heeft tegen CY, rechter bij de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië), een tuchtprocedure ingeleid bij de tuchtrechtafdeling voor rechters van de hoge raad voor de magistratuur, op grond dat die het in artikel 99, onder o), van wet nr. 303/2004 bedoelde tuchtrechtelijke vergrijp heeft begaan.
82 Bij beschikking van 28 maart 2018 heeft de tuchtrechtafdeling voor rechters van de hoge raad voor de magistratuur het door het Forum van Roemeense rechters ingediende verzoek tot interventie aan de zijde van CY niet-ontvankelijk verklaard. Het Forum en CY hebben tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld bij de Înaltă Curte de Casație și Justiție.
83 Bij uitspraak van 2 april 2018 heeft de tuchtrechtafdeling voor rechters van de hoge raad voor de magistratuur CY een tuchtmaatregel opgelegd waardoor deze is uitgesloten van de rechterlijke macht op grond van artikel 100, onder e), van wet nr. 303/2004. CY heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Înaltă Curte de Casație și Justiție.
84 Deze twee zaken zijn willekeurig toegewezen aan een kamer van vijf rechters van deze rechterlijke instantie en vervolgens gevoegd vanwege hun samenhang. De samenstelling van deze kamer was op 30 oktober 2017 door loting bepaald.
85 Op 8 november 2018 heeft het gerechtsbestuur van de Înaltă Curte de Casație și Justiție naar aanleiding van het in punt 60 van het onderhavige arrest bedoelde arrest nr. 685/2018 een besluit vastgesteld betreffende de loting van de leden van de kamers van vijf rechters. In december 2018 heeft de hoge raad voor de magistratuur twee besluiten vastgesteld waarbij regels werden ingevoerd om te verzekeren dat aan de vereisten van dit arrest werd voldaan. Om die besluiten na te leven, heeft bij de Înaltă Curte de Casație și Justiție opnieuw een loting plaatsgevonden voor de selectie van kamers voor 2018, ook voor al toegewezen zaken waarin vóór het einde van dat jaar geen maatregel was bevolen, waaronder de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gevoegde zaken.
86 Bij de nieuwe rechtsprekende formatie heeft CY onder andere een exceptie van onwettigheid opgeworpen betreffende de samenstelling van deze formatie, waarbij zij met name de verenigbaarheid van arrest nr. 685/2018 en de daaropvolgende besluiten van de hoge raad voor de magistratuur met artikel 2 VEU betwist. In dit verband heeft CY opgemerkt dat het grondwettelijk hof en de hoge raad voor de magistratuur buiten hun bevoegdheid zijn getreden en heeft zij verklaard dat het beginsel van continuïteit van de rechtsprekende formatie niet zou zijn geschonden en de zaak correct zou zijn toegewezen aan een van de kamers van vijf rechters indien deze twee autoriteiten niet hadden ingegrepen in de werkzaamheden van de Înaltă Curte de Casație și Justiție.
87 Om uitspraak te kunnen doen over de door CY opgeworpen exceptie van onwettigheid wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of het ingrijpen van het grondwettelijk hof in de rechtsgang, zoals dat voortvloeit uit arrest nr. 685/2018, verenigbaar is met het in artikel 2 VEU genoemde beginsel van de rechtsstaat en met de onafhankelijkheid van de rechtspraak zoals gewaarborgd door artikel 19 VEU en artikel 47 van het Handvest.
88 In dit verband wijst de verwijzende rechter in de eerste plaats op de politieke dimensie van de benoeming van de leden van het grondwettelijk hof alsmede op de bijzondere positie van dit hof binnen de structuur van overheidsinstanties.
89 In de tweede plaats is de procedure tot vaststelling van een grondwettelijk geschil tussen de overheidsinstanties, zoals bedoeld in artikel 146, onder e), van de Roemeense grondwet, op zichzelf al problematisch, aangezien volgens die bepaling politieke organen bevoegd zijn om deze procedure in te leiden. Bovendien is de grens tussen de onrechtmatigheid van een handeling en een grondwettelijk geschil erg smal en kan een beperkte groep rechtssubjecten daardoor rechtsmiddelen instellen parallel aan de procedures bij de gewone rechter. Deze omstandigheid, in samenhang met de politieke dimensie van de benoeming van de leden van het grondwettelijk hof, geeft deze laatste instantie de mogelijkheid om in de rechtsgang in te grijpen voor politieke doeleinden of in het belang van politiek invloedrijke personen.
90 In de derde plaats beschouwt de verwijzende rechter de vaststelling door het grondwettelijk hof in arrest nr. 685/2018 dat er sprake is van een grondwettelijk geschil tussen de rechtsprekende en de wetgevende macht, als problematisch. In dat arrest heeft het grondwettelijk hof zijn eigen uitlegging van onduidelijke infraconstitutionele bepalingen, te weten de artikelen 32 en 33 van de gewijzigde wet nr. 304/2004, geplaatst tegenover de uitlegging die de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie in de uitoefening van zijn bevoegdheid heeft gegeven en deze laatste instantie verweten stelselmatig te zijn voorbijgegaan aan de wil van de wetgever, teneinde een dergelijk grondwettelijk rechtsconflict te kunnen vaststellen.
91 Volgens de verwijzende rechter rijst derhalve de vraag of de artikelen 2 en 19 VEU alsmede artikel 47 van het Handvest zich ertegen verzetten dat de rechtspraak van de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie, in een situatie zoals die in het hoofdgeding, kan worden gecontroleerd en bestraft door het grondwettelijk hof. De verwijzende rechter is van oordeel dat een arbitrair ingrijpen van deze laatste instantie, in de vorm van een toetsing van de rechtmatigheid van de werkzaamheden van de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie, die in de plaats komt van de wettelijke gerechtelijke procedures, zoals het bestuursrechtelijk beroep of de procedurele excepties in het kader van rechtszaken, negatieve gevolgen kan hebben voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en zelfs voor de grondslagen van de in artikel 2 VEU bedoelde rechtsstaat, aangezien het grondwettelijk hof geen onderdeel uitmaakt van het rechterlijk systeem en geen rechtsprekende bevoegdheid heeft.
92 In die omstandigheden heeft de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten artikel 2 en artikel 19, lid 1, [VEU] en artikel 47 van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een grondwettelijk hof (dat volgens het nationale recht geen rechterlijke instantie is) zich uitspreekt over de wijze waarop de hoogste rechterlijke instantie infraconstitutionele wetgeving heeft uitgelegd en toegepast bij de samenstelling van rechtsprekende formaties?”
Zaak C‑811/19
93 Bij vonnis van 8 februari 2018 dat in eerste aanleg is gewezen door een kamer van drie rechters, heeft de sector straf van de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie FQ, GP, HO, IN en JM veroordeeld tot gevangenisstraffen van 2 tot 8 jaar voor strafbare feiten ter zake van corruptie en witwassen alsmede voor met corruptie gelijkgestelde misdrijven die zij tussen 2009 en 2013 hadden gepleegd in verband met overheidsopdrachten die waren geplaatst in het kader van een project dat hoofdzakelijk werd gefinancierd met niet-terugbetaalbare subsidies van de Unie. Vier van de betrokkenen, waaronder een persoon die achtereenvolgens burgemeester, senator en minister is geweest, alsmede het nationaal directoraat voor corruptiebestrijding hebben tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
94 In hoger beroep hebben de appellanten de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie verzocht om het vonnis van 8 februari 2018 te vernietigen op grond dat de kamer die deze uitspraak had gewezen, in strijd met de wettelijke voorschriften, niet was gespecialiseerd in corruptiemisdrijven.
95 De appellanten hebben zich in dat verband beroepen op arrest nr. 417/2019, dat is gewezen op 3 juli 2019 op verzoek van de voorzitter van de kamer van afgevaardigden, tegen wie zelf op dat moment bij een kamer van vijf rechters van de Înaltă Curte de Casaţie şi Justiţie als rechter in hoger beroep een strafprocedure liep wegens misdrijven in de zin van wet nr. 78/2000. In dat arrest had het grondwettelijk hof allereerst vastgesteld dat er sprake was van een juridisch conflict van constitutionele aard tussen het parlement en de Înaltă Curte de Casație și Justiție, omdat deze laatste instantie in strijd met artikel 29, lid 1, van wet nr. 78/2000 geen gespecialiseerde kamers had gevormd voor de behandeling in eerste aanleg van corruptiemisdrijven. Vervolgens had dit hof verklaard dat de behandeling van een zaak door een niet-gespecialiseerde kamer leidde tot de absolute nietigheid van de uitspraak. Tot slot had het grondwettelijk hof bevolen om alle zaken die vóór 23 januari 2019 in eerste aanleg door de Înaltă Curte de Casație și Justiție waren beslecht en nog niet onherroepelijk waren geworden, in eerste aanleg opnieuw te laten beoordelen door overeenkomstig die bepaling samengestelde gespecialiseerde kamers. In dat arrest heeft het grondwettelijk hof immers geoordeeld dat het gerechtsbestuur van de Înaltă Curte de Casație și Justiție bij beslissing van 23 januari 2019 weliswaar had verklaard dat alle rechtsprekende formaties van drie rechters van die instantie moesten worden geacht te zijn gespecialiseerd in corruptiezaken, maar deze beslissing de ongrondwettigheid alleen kon voorkomen vanaf de datum van de vaststelling ervan en niet voor het verleden.
96 Ter ondersteuning van zijn verzoek om een prejudiciële beslissing merkt de verwijzende rechter op dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde strafbare feiten, zoals de corruptiemisdrijven die verband houden met aanbestedingsprocedures die hoofdzakelijk zijn gefinancierd met Europese subsidies alsmede het witwassen van geld, de financiële belangen van de Unie schaden of kunnen schaden.
97 Volgens deze rechter rijst in de eerste plaats de vraag of artikel 19, lid 1, VEU, artikel 325, lid 1, VWEU, artikel 4 van richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB 2017, L 198, blz. 29), en artikel 58 van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB 2015, L 141, blz. 73), aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing door een nationale rechter van een beslissing van een orgaan dat geen deel uitmaakt van het rechterlijk systeem, zoals arrest nr. 417/2019 van het grondwettelijk hof, dat zich heeft uitgesproken over de gegrondheid van een gewoon rechtsmiddel door de terugverwijzing van zaken te gelasten, met als gevolg dat door de nieuwe behandeling in eerste aanleg de strafvervolging in gevaar komt. De lidstaten zijn immers gehouden om doeltreffende en afschrikkende maatregelen te nemen teneinde onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, te bestrijden.
98 In dit verband dient ook te worden vastgesteld of de in artikel 325, lid 1, VWEU opgenomen zinsnede „alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad” mede betrekking heeft op corruptiemisdrijven als zodanig, met name gelet op het feit dat artikel 4 van richtlijn 2017/1371 een definitie geeft van „passieve corruptie” en „actieve corruptie”. Deze verduidelijking is nodig aangezien een van de betrokkenen in het hoofdgeding in zijn hoedanigheid van senator en minister invloed heeft uitgeoefend op overheidsfunctionarissen, hen heeft aangezet om hun bevoegdheden te overschrijden en een aanzienlijk percentage van de waarde van de grotendeels met subsidies van de Unie gefinancierde overheidsopdrachten heeft ontvangen.
99 Volgens de verwijzende rechter rijst, net als in zaak C‑357/19, Eurobox Promotion e.a., ook de vraag of het in artikel 2 VEU neergelegde beginsel van de rechtsstaat, uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest, zich ertegen verzet dat de rechtsgang wordt beïnvloed door een ingreep zoals die in arrest nr. 417/2019. In dit arrest heeft het grondwettelijk hof, dat niet over rechtsprekende bevoegdheden beschikt, dwingende maatregelen vastgesteld waardoor zaken opnieuw moeten worden beoordeeld, omdat de rechtsprekende kamers van de sector straf van de Înaltă Curte de Casație și Justiție niet gespecialiseerd zouden zijn op het gebied van corruptiemisdrijven, terwijl alle rechters van die sector straf juist vanwege hun hoedanigheid van rechter bij die instantie aan die voorwaarde van specialisatie voldoen.
100 In de tweede plaats moet, gelet op de rechtspraak van het Hof alsmede op het belang van het legaliteitsbeginsel, de betekenis van het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gehanteerde begrip „gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld” worden verduidelijkt teneinde vast te stellen of deze bepaling zich verzet tegen de door het grondwettelijk hof gegeven uitlegging met betrekking tot de onwettige samenstelling van de rechterlijke instantie.
101 In de derde plaats wenst de verwijzende rechter te vernemen of de nationale rechter verplicht is om arrest nr. 417/2019 buiten toepassing te laten om de volle werking van het Unierecht te verzekeren. Meer in het algemeen dient ook te worden onderzocht of de gevolgen van de beslissingen van het grondwettelijk hof die afbreuk doen aan het beginsel van rechterlijke onafhankelijkheid in zaken waarop alleen het nationaal recht van toepassing is, moeten worden genegeerd. Die vragen rijzen met name omdat de Roemeense tuchtregeling voorziet in een tuchtsanctie voor rechters wanneer zij de gevolgen van de beslissingen van het grondwettelijk hof terzijde stellen.
102 De verwijzende rechter is van oordeel dat arrest nr. 417/2019, dat leidt tot de vernietiging van de arresten die vóór 23 januari 2019 in eerste aanleg zijn gewezen door de kamers van drie rechters van de sector straf van de Înaltă Curte de Casație și Justiție, in strijd is met het beginsel van doeltreffendheid van strafsancties in geval van ernstige onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Unie schaden. Dat arrest wekt immers een schijn van straffeloosheid en leidt voorts, vanwege de nationale verjaringsregels op het gebied van strafvervolging, tot een stelselmatig risico dat ernstige misdrijven onbestraft blijven, aangezien de betrokken zaken opnieuw moeten worden behandeld en de procedures complex zijn, zodat een definitieve beslissing lang op zich laat wachten. In het hoofdgeding was de gerechtelijke procedure zodanig complex dat zij in eerste aanleg alleen al ongeveer 4 jaar heeft geduurd. Bovendien is de verwijzende rechter van oordeel dat het in het Unierecht neergelegde beginsel van rechterlijke onafhankelijkheid zich ertegen verzet dat bij een beslissing van een rechterlijke instantie die geen deel uitmaakt van de rechterlijke macht, proceduremaatregelen worden ingevoerd die vereisen dat bepaalde zaken opnieuw in eerste aanleg worden beoordeeld, waardoor de strafvervolging in gevaar komt, terwijl er geen gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de eerbiediging van het recht van de betrokkenen op een eerlijk proces. In het onderhavige geval kan het feit dat de kamers van de sector straf van de Înaltă Curte de Casație și Justiție zijn samengesteld uit rechters die bij hun benoeming binnen die instantie in strafzaken waren gespecialiseerd, niet worden beschouwd als een inbreuk op het recht op een eerlijk proces en op het recht op toegang tot de rechter.
103 In die omstandigheden heeft de Înaltă Curte de Casație și Justiție de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten artikel 19, lid 1, VEU, artikel 325, lid 1, VWEU, artikel 58 van richtlijn [2015/849] [en] artikel 4 van richtlijn [2017/1371] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een beslissing van een orgaan dat geen deel uitmaakt van de rechterlijke macht, [het grondwettelijk hof], waarbij wordt geoordeeld over een procedurele exceptie inzake de onwettige samenstelling van de rechtsprekende formatie in het licht van het beginsel van specialisatie van rechters van de Înaltă Curte de Casație și Justiție (dat niet in de Roemeense grondwet is opgenomen), en waarbij een rechterlijke instantie wordt gedwongen om zaken in hoger (devolutief) beroep voor een nieuwe beslissing naar de in eerste aanleg bevoegde rechter van die instantie terug te verwijzen? 2) Moeten artikel 2 VEU en artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een orgaan dat geen deel uitmaakt van de rechterlijke macht vaststelt dat de rechtsprekende formatie van een kamer van de Înaltă Curte de Casație și Justiție (welke formatie is samengesteld uit rechters in functie die bij hun bevordering naar de sector straf van die instantie onder andere beschikten over de voor bevordering vereiste specialisatie) onwettig is samengesteld? 3) Moet het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter een beslissing van het grondwettelijk hof buiten toepassing kan laten waarin uitlegging wordt gegeven aan een rechtsregel die van lagere rang is dan de grondwet, betrekking heeft op de organisatie van de Înaltă Curte de Casație și Justiție, is opgenomen in de nationale wet betreffende de voorkoming, opsporing en bestrijding van corruptie, en gedurende 16 jaar consequent op dezelfde wijze is uitgelegd door een rechterlijke instantie? 4) Omvat het beginsel van vrije toegang tot de rechter overeenkomstig artikel 47 van het [Handvest] de specialisatie van rechters en de vorming van gespecialiseerde kamers bij een hooggerechtshof?”
Zaak C‑840/19
104 Bij vonnis van 26 mei 2017, gewezen door een kamer van drie rechters, heeft de sector straf van de Înaltă Curte de Casație și Justiție NC veroordeeld tot onder andere 4 jaar gevangenisstraf omdat hij zich in zijn functies van parlementslid en minister schuldig had gemaakt aan ongeoorloofde beïnvloeding in de zin van artikel 291, lid 1, van het Roemeense wetboek van strafrecht, gelezen in samenhang met artikel 6 en artikel 7, onder a), van wet nr. 78/2000, in het kader van de gunning van een grotendeels met Europese subsidies gefinancierde overheidsopdracht. Het nationaal directoraat voor corruptiebestrijding en NC hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de sector straf van de Înaltă Curte de Casație și Justiție, die bij arrest van 28 juni 2018, gewezen door een kamer van vijf rechters, de veroordeling heeft gehandhaafd en het hoger beroep heeft verworpen. Dit arrest is onherroepelijk geworden.
105 Na bekendmaking van het in punt 60 van het onderhavige arrest aangehaalde arrest nr. 685/2018, heeft zowel NC als het nationaal directoraat voor corruptiebestrijding een buitengewoon beroep tot vernietiging ingesteld. Daarbij hebben zij allebei in wezen aangevoerd dat de samenstelling van de kamer van vijf rechters van de Înaltă Curte de Casație și Justiție die uitspraak had gedaan op de hoger beroepen tegen het vonnis van 26 mei 2017, onwettig was, aangezien slechts vier van de vijf leden van die kamer bij loting waren aangewezen.
106 Bij arresten van 25 februari en 20 mei 2019, gewezen door een kamer van vijf rechters, heeft de Înaltă Curte de Casație și Justiție in het licht van arrest nr. 685/2018 de buitengewone beroepen toegewezen, de veroordeling van NC vernietigd en de door NC en het nationaal directoraat voor corruptiebestrijding ingestelde hoger beroepen terugverwezen voor een nieuwe behandeling.
107 Terwijl het hoger beroep nog in behandeling was bij de kamer van vijf rechters van de Înaltă Curte de Casație și Justiție, heeft het grondwettelijk hof zijn in punt 95 van het onderhavige arrest aangehaalde arrest nr. 417/2019 gewezen.
108 De verwijzende rechter stelt vragen over de verenigbaarheid van dat arrest met artikel 2 en artikel 19, lid 1, VEU, artikel 325, lid 1, VWEU, artikel 47 van het Handvest en artikel 4 van richtlijn 2017/1371. Met betrekking tot met name artikel 325 VWEU voert de verwijzende rechter in wezen dezelfde gronden aan als in zaak C‑811/19. Hij voegt daaraan toe dat de gerechtelijke procedures in het hoofdgeding ongeveer 4 jaar hebben geduurd en dat de zaak zich als gevolg van de toepassing van arrest nr. 685/2018 bevindt in de fase van de nieuwe behandeling van het hoger beroep. De toepassing van arrest nr. 417/2019 heeft voorts tot gevolg dat de zaak in eerste aanleg opnieuw ten gronde wordt behandeld, waardoor hetzelfde proces twee keer in eerste aanleg en drie keer in hoger beroep wordt gevoerd.
109 De verwijzende rechter wijst erop dat bij arrest nr. 417/2019 dwingende procedureregels zijn ingevoerd die vereisen dat zaken opnieuw worden beoordeeld, omdat er voor de in wet nr. 78/2000 genoemde misdrijven in eerste aanleg geen gespecialiseerde kamers waren gevormd. Vanwege dit arrest bestaat er dus een risico van straffeloosheid in een groot aantal zaken waarin het gaat om ernstige misdrijven. In die omstandigheden wordt inbreuk gemaakt op het in artikel 325 VWEU bedoelde doeltreffendheidsvereiste en op het fundamentele recht van de betrokkene om binnen een redelijke termijn te worden berecht.
110 Voorts is de verwijzende rechter van oordeel dat, net als in de zaken C‑357/19, C‑547/19 en C‑811/19, aan het Hof een vraag moet worden gesteld over de verenigbaarheid van het ingrijpen van het grondwettelijk hof met het beginsel van de rechtsstaat. Gelet op het belang van de naleving van de arresten van dat hof, geeft de verwijzende rechter aan dat zijn vragen geen betrekking hebben op de rechtspraak van het grondwettelijk hof in het algemeen, maar alleen op arrest nr. 417/2019. In dat arrest heeft het grondwettelijk hof een andere uitlegging gegeven aan de uiteenlopende bepalingen in respectievelijk wet nr. 78/2000 en de gewijzigde wet nr. 304/2004 inzake de vorming van gespecialiseerde kamers dan de Înaltă Curte de Casație și Justiție, en ingegrepen in de bevoegdheden van die laatste instantie door te gelasten dat bepaalde zaken opnieuw worden behandeld.
111 In die omstandigheden heeft de Înaltă Curte de Casație și Justiție de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten artikel 19, lid 1, VEU, artikel 325, lid 1, VWEU en artikel 4 van richtlijn [2017/1371], die is vastgesteld op grond van artikel 83, lid 2, VWEU, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een beslissing van een orgaan dat geen deel uitmaakt van de rechterlijke macht, het [grondwettelijk hof], waarbij wordt bepaald dat de in de loop van een vastgestelde periode afgedane corruptiezaken die zich in de fase van hoger beroep bevinden voor een nieuwe behandeling dienen te worden terugverwezen op grond van het feit dat bij de Înaltă Curte de Casație și Justiție geen ter zake gespecialiseerde kamers zijn gevormd, ook al is de specialisatie van de rechters in die kamers wel in die beslissing erkend? 2) Moeten artikel 2 VEU en artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een orgaan buiten de rechterlijke macht vaststelt dat de rechterlijke kamers van een afdeling van de hoogste rechterlijke instantie (kamers die zijn samengesteld uit rechters in functie, die op het moment van hun bevordering beschikten over de voor bevordering naar de hoogste rechterlijke instantie vereiste specialisatie) onwettig zijn samengesteld? 3) Moet het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter een volgens het nationaal recht bindende beslissing van de constitutionele rechter, uitgesproken in een zaak betreffende een grondwettelijk geschil, buiten toepassing mag laten?”
Procedure bij het Hof
Voeging
112 Bij beslissingen van de president van het Hof van 26 februari 2020 zijn de zaken C‑357/19 en C‑547/19 enerzijds en de zaken C‑811/19 en C‑840/19 anderzijds gevoegd voor de mondelinge behandeling en voor het arrest. Bij beslissing van de president van het Hof van 21 mei 2021 zijn deze zaken en zaak C‑379/19 wegens hun samenhang gevoegd voor het arrest.
Verzoeken om de zaken volgens de versnelde procedure en bij voorrang te behandelen
113 De verwijzende rechters in de zaken C‑357/19, C‑379/19, C‑811/19 en C‑840/19 hebben het Hof verzocht om de prejudiciële verwijzingen in die zaken te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
114 Ter ondersteuning van hun verzoeken hebben de verwijzende rechters in wezen aangevoerd dat de situatie van de betrokkenen in de hoofdgedingen een antwoord op korte termijn vereiste. Meer in het bijzonder wat de zaken C‑357/19, C‑811/19 en C‑840/19 betreft, hebben zij ook naar voren gebracht dat het verstrijken van de tijd de eventuele tenuitvoerlegging van de straf in gevaar kon brengen.
115 In dit verband moet erop worden gewezen dat artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat op verzoek van de verwijzende rechter, of bij wijze van uitzondering ambtshalve, de president van het Hof, wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen korte termijnen vereist, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, kan beslissen een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure die afwijkt van de bepalingen van dit reglement.
116 In dit verband zij eraan herinnerd dat een dergelijke versnelde procedure een procedureel instrument is om het hoofd te bieden aan een buitengewone noodsituatie. Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Hof ook dat de versnelde procedure niet mag worden toegepast wanneer de gevoelige en ingewikkelde aard van de juridische kwesties die in een zaak aan de orde zijn, zich moeilijk leent voor de toepassing van een dergelijke procedure, met name wanneer het niet wenselijk is om de schriftelijke behandeling voor het Hof te verkorten [arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:596, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
117 In casu heeft de president van het Hof in de zaken C‑357/19 en C‑379/19 bij beslissingen van respectievelijk 23 mei en 17 juni 2019, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslist dat de verzoeken om een versnelde procedure moesten worden afgewezen. Ten eerste kon het argument dat die verzoeken strafzaken betroffen en derhalve een snel antwoord vereisten om duidelijkheid te verschaffen over de rechtspositie van de betrokkenen in de hoofdgedingen, immers op zichzelf geen voldoende rechtvaardiging vormen om deze zaken te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, aangezien dergelijke omstandigheden niet leiden tot een buitengewone noodsituatie zoals bedoeld in punt 116 van het onderhavige arrest (zie naar analogie beschikking van de president van het Hof van 20 september 2018, Minister for Justice and Equality, C‑508/18 en C‑509/18, niet gepubliceerd, EU:C:2018:766, punt 11 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
118 Ten tweede kunnen de gestelde vragen, die betrekking hebben op fundamentele bepalingen van Unierecht, weliswaar a priori van cruciaal belang zijn voor de goede werking van het rechtsstelsel van de Unie, waarvoor de onafhankelijkheid van nationale rechterlijke instanties essentieel is, maar leent de gevoelige en ingewikkelde aard van die vragen zich moeilijk voor de toepassing van de versnelde procedure [zie naar analogie arresten van 18 mei 2021, Asociaţia Forumul Judecătorilor din România e.a., C‑83/19, C‑127/19, C‑195/19, C‑291/19, C‑355/19 en C‑397/19, EU:C:2021:393, punt 105, en 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:596, punt 34].
119 Gelet op de aard van de gestelde vragen heeft de president van het Hof bij beslissing van 18 september 2019 niettemin vastgesteld dat de zaken C‑357/19 en C‑379/19 overeenkomstig artikel 53, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bij voorrang moesten worden behandeld.
120 Wat de zaken C‑811/19 en C‑840/19 betreft, moet worden opgemerkt dat uit die zaken, bezien samen met de zaken C‑357/19 en C‑379/19, blijkt dat de Roemeense rechterlijke instanties in onzekerheid verkeren over de uitlegging en de toepassing van het Unierecht in een groot aantal strafzaken waarin de verjaringstermijn dreigt te verstrijken en er derhalve een risico van straffeloosheid bestaat. In die omstandigheden en gelet op het gevorderde stadium van de zaken C‑357/19, C‑379/19 en C‑547/19, waarin vergelijkbare vragen over de uitlegging van het Unierecht zijn gesteld, heeft de president van het Hof bij beslissing van 28 november 2019 beslist om de zaken C‑811/19 en C‑840/19 volgens de versnelde procedure te behandelen.
Verzoek om heropening van de mondelinge behandeling
121 De gezondheidscrisis die door het coronavirus is veroorzaakt, heeft ertoe geleid dat de gemeenschappelijke pleitzitting in deze zaken drie keer is uitgesteld en uiteindelijk bij beslissing van 3 september 2020 is geannuleerd. Overeenkomstig artikel 61, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering heeft de Grote kamer van het Hof beslist om de vragen die met het oog op de pleitzitting waren medegedeeld aan de partijen en aan de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden die schriftelijke opmerkingen hadden ingediend, te vervangen door schriftelijk te beantwoorden vragen. CY, PM, RO, KI, LJ, NC, FQ, het Roemeens rechtersforum, het nationaal directoraat voor corruptiebestrijding, de afdeling Oradea van het nationaal directoraat voor corruptiebestrijding, de Roemeense regering alsmede de Commissie hebben hun antwoorden op die vragen binnen de gestelde termijn bij het Hof ingediend.
122 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 april 2021, heeft PM verzocht om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten. Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft PM, onder verwijzing naar de artikelen 19, 20, 31 en 32 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie alsmede naar de artikelen 64, 65, 80 en 81 van het Reglement voor de procesvoering, in wezen betoogd dat door het niet houden van een pleitzitting afbreuk wordt gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces en aan het beginsel van tegenspraak.
123 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht om te worden gehoord geen absolute verplichting oplegt om in alle procedures een openbare terechtzitting te houden, met name wanneer de zaak geen feitelijke of juridische vraagstukken oproept die niet naar behoren kunnen worden opgelost op basis van het dossier en de schriftelijke opmerkingen van de partijen (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, Sacko,C‑348/16, EU:C:2017:591, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 23 november 2021, C-564/19, ECLI:EU:C:2021:949
- HvJ EU 6 oktober 2021, C-487/19, ECLI:EU:C:2021:798
- HvJ EU 6 oktober 2021, C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799
- HvJ EU 2 september 2021, C-741/19, ECLI:EU:C:2021:655
- HvJ EU 2 september 2021, C-350/20, ECLI:EU:C:2021:659
- HvJ EU 15 juli 2021, C-791/19, ECLI:EU:C:2021:596
- HvJ EU 18 mei 2021, C-83/19, ECLI:EU:C:2021:393
- HvJ EU 20 april 2021, C-896/19, ECLI:EU:C:2021:311
- HvJ EU 2 maart 2021, C-824/18, ECLI:EU:C:2021:153
- HvJ EU 1 oktober 2020, C-603/19, ECLI:EU:C:2020:774
- HvJ EU 26 maart 2020, C-558/18, ECLI:EU:C:2020:234
- HvJ EU 19 november 2019, C-585/18, ECLI:EU:C:2019:982
- HvJ EU 5 november 2019, C-192/18, ECLI:EU:C:2019:924
- HvJ EU 29 juli 2019, C-476/17, ECLI:EU:C:2019:624
- HvJ EU 17 januari 2019, C-310/16, ECLI:EU:C:2019:30
- HvJ EU 4 december 2018, C-378/17, ECLI:EU:C:2018:979
- HvJ EU 5 juni 2018, C-612/15, ECLI:EU:C:2018:392
- HvJ EU 2 mei 2018, C-574/15, ECLI:EU:C:2018:295
- HvJ EU 6 maart 2018, C-284/16, ECLI:EU:C:2018:158
- HvJ EU 27 februari 2018, C-64/16, ECLI:EU:C:2018:117
Aangehaald in
- HvJ EU 22 februari 2022, C-430/21, ECLI:EU:C:2022:99
- HvJ EU 5 juni 2023, C-204/21, ECLI:EU:C:2023:442
- HvJ EU 8 maart 2022, C-205/20, ECLI:EU:C:2022:168
- HvJ EU 24 juli 2023, C-107/23, ECLI:EU:C:2023:606
- HvJ EU 16 februari 2022, C-156/21, ECLI:EU:C:2022:97
- HvJ EU 11 juli 2024, C-554/21, ECLI:EU:C:2024:594
- HvJ EU 24 maart 2022, C-245/20, ECLI:EU:C:2022:216
- HvJ EU 13 oktober 2022, C-1/21, ECLI:EU:C:2022:788
- HvJ EU 16 februari 2022, C-157/21, ECLI:EU:C:2022:98
- HvJ EU 29 april 2025, C-181/23, ECLI:EU:C:2025:283
- HvJ EU 7 september 2023, C-216/21, ECLI:EU:C:2023:628
- HvJ EU 28 november 2024, C-432/22, ECLI:EU:C:2024:987
- HvJ EU 8 mei 2024, C-53/23, ECLI:EU:C:2024:388
- HvJ EU 19 juni 2025, C-671/23, ECLI:EU:C:2025:457
- HvJ EU 13 juli 2023, C-73/22, ECLI:EU:C:2023:570
- HvJ EU 11 mei 2023, C-817/21, ECLI:EU:C:2023:391
- HvJ EU 30 april 2025, C-313/23, ECLI:EU:C:2025:303
- HvJ EU 21 november 2024, C-370/23, ECLI:EU:C:2024:972
- HvJ EU 5 september 2024, C-603/22, ECLI:EU:C:2024:685
- HvJ EU 17 mei 2023, C-176/22, ECLI:EU:C:2023:416