HvJ EU 28 november 2024, C-432/22, ECLI:EU:C:2024:987

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

28 november 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Strafbare feiten en toepasselijke sancties op het gebied van illegale drugshandel en de strijd tegen georganiseerde criminaliteit – Mogelijkheid om de toepasselijke straffen te verlagen – Omvang – Kaderbesluit 2004/757/JBZ – Artikelen 4 en 5 – Kaderbesluit 2008/841/JBZ – Artikelen 3 en 4 – Nationale regeling die geen Unierecht ten uitvoer brengt – Artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Daadwerkelijke rechtsbescherming – Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU – Strafprocedure tegen meerdere personen – In het nationale recht geboden mogelijkheid om een schikking over de afhandeling van de zaak te treffen – Goedkeuring door een ad-hoc-kamer – Instemming van de andere verdachten”

In zaak C‑432/22,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Spetsializiran nakazatelen sad (gespecialiseerde strafrechter, Bulgarije) bij beslissing van 28 juni 2022, ingekomen bij het Hof op 28 juni 2022, in de strafzaak tegen

PT,

in tegenwoordigheid van:

Spetsializirana prokuratura,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, N. Jääskinen en N. Piçarra (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: P. Pikamäe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid, M. Wasmeier en I. Zaloguin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 december 2023,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5 van kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel (PB 2004, L 335, blz. 8), artikel 4 van kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (PB 2008, L 300, blz. 42), artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en de artikelen 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak tegen PT en andere personen, die worden vervolgd voor het leiden van en/of deelnemen aan de activiteiten van een georganiseerde criminele groepering.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

VEU

3 Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU luidt als volgt: „De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.”

Kaderbesluit 2004/757

4 Artikel 4 van kaderbesluit 2004/757 heeft als opschrift „Sancties” en bepaalt in lid 1: „Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 2 en 3 bedoelde feiten worden strafbaar gesteld met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties. Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 2 bedoelde feiten worden strafbaar gesteld met een maximumstraf van ten minste 1 tot 3 jaar gevangenis.”

5 Artikel 5 van dit kaderbesluit, met als opschrift „Bijzondere omstandigheden”, luidt: „Onverminderd artikel 4 kan iedere lidstaat de nodige maatregelen nemen om in de in artikel 4 bedoelde gevallen strafvermindering mogelijk te maken indien de dader: a) afziet van verdere criminele activiteiten op het gebied van de handel in drugs en precursoren en b) de administratieve of justitiële autoriteiten informatie verstrekt die zij niet anderszins hadden kunnen krijgen, en hen helpt om: i) de gevolgen van het strafbare feit te voorkomen of te verminderen, ii) de andere daders aan te wijzen of hen voor het gerecht te brengen, iii) bewijs te vergaren of iv) te voorkomen dat nieuwe strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 2 en 3 worden gepleegd.”

Kaderbesluit 2008/841

6 Artikel 3 van kaderbesluit 2008/841, met als opschrift „Sancties”, bepaalt in lid 1, onder a): „Iedere lidstaat zorgt ervoor dat: a) het in artikel 2, onder a), bedoelde feit strafbaar wordt gesteld met een maximale vrijheidsstraf die ten minste tussen de twee en de vijf jaar bedraagt; […]”.

7 Artikel 4 van dit kaderbesluit heeft als opschrift „Bijzondere omstandigheden” en luidt: „Iedere lidstaat kan de nodige maatregelen nemen om de in artikel 3 bedoelde sancties te kunnen verminderen of om de dader te kunnen vrijstellen van sancties indien hij bijvoorbeeld: a) afziet van verdere criminele activiteiten, en b) de administratieve of justitiële autoriteiten informatie verstrekt die deze niet op andere wijze hadden kunnen verkrijgen, en die hen helpt om: i) de gevolgen van het strafbare feit te voorkomen, te beëindigen of te beperken; ii) de andere daders te identificeren of hen voor het gerecht te brengen; iii) bewijs te vergaren; iv) de criminele organisatie illegale middelen of winsten uit criminele activiteiten te ontnemen, of v) te voorkomen dat nieuwe strafbare feiten als bedoeld in artikel 2 worden gepleegd.”

Bulgaars recht

NK

8 Artikel 55, lid 1, van de Nakazatelen kodeks (strafwetboek) luidt in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „NK”) als volgt: „In geval van uitzonderlijke of talrijke verzachtende omstandigheden legt de rechter, indien de lichtste straf waarin de wet voorziet onevenredig blijkt te zijn: 1. een straf op die onder de benedengrens ligt; […]”

9 Artikel 321 NK bepaalt: „[…] (2) Op deelname aan een [georganiseerde criminele groepering] staat een gevangenisstraf van één tot zes jaar. (3) Wanneer de [georganiseerde criminele] groepering gewapend is of gevormd werd met het oog op verrijking of op het plegen van de in […] artikel 354a, leden 1 en 2, bedoelde strafbare feiten […], zijn de sancties als volgt: […] 2. voor de in lid 2 bedoelde strafbare feiten: een gevangenisstraf van drie tot tien jaar. […]”

10 Artikel 354a, lid 1, NK luidt: „Het zonder wettelijke vergunning vervaardigen, bewerken, verwerven of in bezit hebben van verdovende middelen of equivalenten daarvan met het oog op het distribueren daarvan, of het distribueren van verdovende middelen of equivalenten daarvan, wordt voor zeer gevaarlijke verdovende middelen of equivalenten daarvan gestraft met een gevangenisstraf van twee tot acht jaar en een geldboete van vijfduizend tot twintig duizend [Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 2260 tot 10230 EUR)], en voor gevaarlijke verdovende middelen of equivalenten daarvan met een gevangenisstraf van één tot zes jaar en een geldboete van tweeduizend tot tienduizend BGN [(ongeveer 1020 tot 5115 EUR)]. […]”

NPK

11 Artikel 381 van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „NPK”), heeft als opschrift „Schikking over de afhandeling van de zaak in de voorbereidende fase” en bepaalt: „(1) Na afloop van het onderzoek kan op voorstel van de openbaar aanklager of de advocaat een schikking worden getroffen om de zaak af te handelen. […] […] (4) De schikking kan de straf vaststellen onder de in artikel 55 NK vastgelegde voorwaarden, ook wanneer er geen sprake is van uitzonderlijke of talrijke verzachtende omstandigheden. (5) De schikking moet schriftelijk worden opgesteld en blijk geven van overeenstemming over de volgende kwesties: 1. Is er een feit gepleegd, is dit feit gepleegd door de verdachte, kan het hem worden toegerekend, is het een strafbaar feit en wat is de juridische kwalificatie van dit feit? 2. Wat moet de aard en de hoogte van de strafmaat zijn? […] (6) De schikking wordt ondertekend door de openbaar aanklager en de advocaat. De verdachte ondertekent de schikking indien hij deze aanvaardt, nadat hij heeft verklaard dat hij afstand doet van zijn recht op behandeling van zijn zaak volgens de gewone procedure. (7) Wanneer de procedure betrekking heeft op meerdere personen of meerdere strafbare feiten, kan de schikking worden getroffen door enkelen van hen of voor enkele van deze strafbare feiten. […]”

12 Artikel 383 NPK, met als opschrift „Gevolgen van de schikking over de afhandeling van de zaak”, bepaalt in lid 1: „De door het gerecht goedgekeurde schikking heeft de gevolgen van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling.”

13 Artikel 384 NPK, „Schikking over de afhandeling van de zaak in het kader van een gerechtelijke procedure”, luidt als volgt: „(1) Onder de voorwaarden en volgens de procedure van dit hoofdstuk kan de rechter in eerste aanleg een schikking goedkeuren die is bereikt nadat de gerechtelijke procedure is ingeleid, maar voordat de fase van het gerechtelijk onderzoek is afgesloten. […] (3) In die gevallen wordt de schikking over [de afhandeling van de zaak] pas goedgekeurd nadat alle partijen [in de procedure] hun instemming hebben verleend.”

14 Artikel 384a NPK draagt het opschrift „Beslissing over een schikking met sommige verdachten of voor een van de strafbare feiten” en bepaalt: „(1) Wanneer na de opening van de gerechtelijke procedure maar vóór de afronding van de fase van het gerechtelijk onderzoek een schikking is getroffen met een van de verdachten of voor een van de strafbare feiten, schorst de rechtbank de behandeling van de zaak. (2) […] [Een] andere kamer van de rechtbank [beslist] over de getroffen schikking. (3) De in lid 1 bedoelde kamer zet de behandeling van de zaak voort nadat een beslissing over de schikking is genomen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15 Op 25 maart 2020 heeft de Spetsializirana prokuratura (gespecialiseerd openbaar ministerie, Bulgarije) bij de Spetsializiran nakazatelen sad (gespecialiseerde strafrechter, Bulgarije) – de verwijzende rechter – tegen 41 personen, onder wie SD en PT, stafvervolging ingesteld wegens het leiden van en/of deelnemen aan de activiteiten van een georganiseerde criminele groepering met het doel zich te verrijken door de distributie van drugs. PT wordt op grond van artikel 321, lid 2 en lid 3, punt 2, en artikel 354a, lid 1, NK ervan beschuldigd aan deze georganiseerde criminele groepering te hebben deelgenomen en in het bezit te zijn geweest van verdovende middelen met het oog op distributie.

16 Op 19 augustus 2020 is de zaak om procedurele redenen naar de Spetsializirana prokuratura terugverwezen met het oog op het herstel van gebreken in de tenlastelegging.

17 Op 26 augustus 2020 hebben de openbaar aanklager en de advocaat van SD tijdens de voorbereidende fase van de procedure een schikking getroffen waarbij SD schuld erkent met betrekking tot de tegen hem ingebrachte beschuldigingen, waardoor hij een minder zware straf krijgt dan die waarin de wet voorziet. Deze schikking vermeldt de volledige namen en de nationale identificatienummers van de overige 40 verdachten. Deze personen is niet om instemming met die schikking verzocht, en op 1 september 2020 heeft een andere kamer dan die waaraan de zaak initieel was voorgelegd, de schikking goedgekeurd.

18 Op 28 augustus 2020 heeft de Spetsializirana prokuratura een gecorrigeerde versie van de tenlastelegging ingediend en is de gerechtelijke fase van de procedure ingeleid.

19 Op 17 november 2020 is een schikking over de afhandeling van de zaak getroffen door de openbaar aanklager en de advocaat van PT, waarbij de verdachte schuld erkent met betrekking tot de tegen hem ingebrachte beschuldigingen en hem een voorwaardelijke vrijheidsstraf van drie jaar wordt opgelegd, met een proeftijd van vijf jaar. Om rekening te houden met het arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld) (C‑377/18, EU:C:2019:670), is deze schikking later zodanig gewijzigd dat de namen en de nationale identificatienummers van de overige verdachten daarin niet meer worden vermeld. De gecorrigeerde versie staat nog gedateerd op 17 november 2020.

20 Op 18 januari 2021 heeft de verwijzende rechter overeenkomstig artikel 384a NPK de in het vorige punt genoemde schikking over de afhandeling van de zaak doorgezonden aan de president van die rechterlijke instantie met het oog op de aanwijzing van een andere kamer om uitspraak te doen over de schikking. Deze andere kamer heeft op 21 januari 2021 geweigerd de schikking goed te keuren omdat enkele verdachten daarmee niet hadden ingestemd, wat artikel 384, lid 3, NPK evenwel vereist.

21 Op 10 mei 2022 hebben de openbaar aanklager en de advocaat van PT een nieuwe schikking getroffen, met een identieke inhoud, en hebben zij de verwijzende rechter verzocht om over deze schikking uitspraak te doen zonder de overige verdachten om instemming te verzoeken.

22 Op 18 mei 2022 heeft de overeenkomstig artikel 384a NPK aangewezen kamer geweigerd de in het vorige punt bedoelde schikking goed te keuren omdat voor een dergelijke goedkeuring volgens artikel 384, lid 3, NPK de instemming van de overige 39 verdachten vereist was.

23 Na deze weigering hebben de openbaar aanklager, PT en diens advocaat diezelfde dag opnieuw laten weten dat zij wensten een schikking te treffen en dat de verwijzende rechter, aan wie alle bewijs was overgelegd, deze schikking zou goedkeuren zonder de overige verdachten om instemming te verzoeken. De openbaar aanklager heeft niettemin twijfels geuit over de onpartijdigheid van de verwijzende rechter bij voortzetting van de rechtszaak ten aanzien van de overige personen ingeval hij die schikking zou goedkeuren. PT was van mening dat zijn rechten die voortvloeien uit het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) werden geschonden indien het voor hem onmogelijk zou zijn een schikking te treffen.

24 Wat de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft, merkt de verwijzende rechter op dat de bij hem aanhangige zaak gaat over strafbare feiten die binnen de werkingssfeer van de kaderbesluiten 2004/757 en 2008/841 vallen, en dus over „onder het recht van het Unie vallende gebieden” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU. Aangezien deze strafbare feiten volgens hem op grond van met name artikel 4, lid 1, eerste alinea, van kaderbesluit 2004/757 moeten worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen, is de strafprocedure waarin deze bepalingen worden toegepast, onderworpen aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest. Verder is de verwijzende rechter van oordeel dat de in het nationale recht vastgestelde voorwaarden voor het sluiten van een schikking „het recht van de Unie ten uitvoer brengen” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, en dat in casu meer bepaald artikel 5 van kaderbesluit 2004/757 en artikel 4 van kaderbesluit 2008/841 ten uitvoer worden gebracht.

25 Derhalve vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of artikel 384a NPK verenigbaar is met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest, aangezien die bepaling van Bulgaars recht vereist dat, in een strafprocedure tegen meerdere personen, een andere rechtsprekende formatie dan die waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, wordt aangewezen om uitspraak te doen over de schikking die een van de verdachten in de fase van het gerechtelijk onderzoek heeft getroffen. Die rechter merkt op dat artikel 384a NPK tot doel heeft de rechtsprekende formatie waarbij de zaak ten gronde aanhangig is in staat te stellen de procedure tegen de andere verdachten voort te zetten zonder het gevaar te lopen haar objectiviteit en onpartijdigheid te verliezen. Hij is evenwel van oordeel dat het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming wordt geschonden indien de bewijzen die worden verzameld voor de rechtsprekende formatie waarbij de zaak aanvankelijk aanhangig is gemaakt, moeten worden beoordeeld door een andere rechtsprekende formatie.

26 In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 384, lid 3, NPK verenigbaar is met artikel 5 van kaderbesluit 2004/757, artikel 4 van kaderbesluit 2008/841, artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en de artikelen 47 en 52 van het Handvest, aangezien die bepaling van Bulgaars recht vereist dat wanneer een van de verdachten tijdens de gerechtelijke fase van een tegen meerdere personen ingeleide strafprocedure een schikking treft, de andere verdachten met eenparigheid van stemmen moeten instemmen wil deze schikking worden goedgekeurd, maar dit niet vereist is tijdens de voorbereidende fase van die procedure.

27 Volgens die rechter verkrijgt de verdachte door de sluiting en de gerechtelijke goedkeuring van een schikking over de afhandeling van de zaak het eindresultaat dat hij zoekt, namelijk een lichtere sanctie dan die welke hij zou krijgen indien de zaak volgens de gewone procedure zou worden behandeld. In deze context ondermijnt het vereiste van de unanieme instemming van de andere verdachten naar zijn oordeel het eerlijke verloop van de procedure in de zin van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest en beperkt het tevens de toegang tot een „rechtsmiddel” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, hetgeen in strijd is met het in artikel 52 van het Handvest neergelegde beginsel van evenredigheid.

28 In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of hij zich, indien hij de schikking met PT zou goedkeuren, overeenkomstig de beschikking van 28 mei 2020, UL en VM (C‑709/18, EU:C:2020:411), onbevoegd zou moeten verklaren om de tegen de andere verdachten ingebrachte beschuldiging te onderzoeken, teneinde hun recht op een onpartijdig gerecht (artikel 47, tweede alinea, van het Handvest) te waarborgen.

29 Die rechter merkt op dat de antwoorden van het Hof op zijn vragen hem in wezen in staat zullen stellen om uit te maken of hij zelf, zoals PT vraagt, de door PT gesloten schikking mag of zelfs moet goedkeuren, ook al hebben de andere verdachten geen toestemming gegeven.

30 Derhalve heeft de Spetsializiran nakazatelen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is met betrekking tot een strafprocedure waarin feiten ten laste zijn gelegd die binnen de werkingssfeer van het [Unierecht] vallen, een nationale wet die vereist dat een schikking tussen de openbaar aanklager en een verdachte inhoudelijk wordt getoetst door een andere rechterlijke instantie dan die waarbij de zaak aanhangig is en waarvoor alle bewijzen zijn vergaard, verenigbaar met artikel 19, lid 1, [tweede alinea], VEU en artikel 47, [eerste en tweede alinea], van het Handvest indien de reden voor dit vereiste is dat medeverdachten van de betrokkene geen schikking hebben getroffen? 2) Is een nationale wet op grond waarvan een schikking waarbij de strafprocedure wordt beëindigd, uitsluitend wordt goedgekeurd wanneer alle medeverdachten van de betrokkene en hun raadslieden hiermee hebben ingestemd, verenigbaar met artikel 5 van kaderbesluit 2004/757, artikel 4 van kaderbesluit 2008/841, artikel 19, lid 1, [tweede alinea], VEU en artikel 52 [van het Handvest] juncto artikel 47 [ervan]? 3) Vereist artikel 47, [tweede alinea], van het Handvest dat een rechter, na een schikking te hebben onderzocht en goedgekeurd, weigert om de beschuldiging tegen de medeverdachten van de betrokkene te onderzoeken wanneer hij over die schikking heeft geoordeeld zonder uitspraak te doen over de deelneming van die medeverdachten en zonder hen schuldig te bevinden?”

31 Bij brief van 5 augustus 2022 heeft de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) het Hof meegedeeld dat de Spetsializiran nakazatelen sad na een op 27 juli 2022 in werking getreden wetswijziging is ontbonden en dat bepaalde bij die rechterlijke instantie aanhangig gemaakte strafzaken, waaronder het hoofdgeding, met ingang van die datum aan de Sofiyski gradski sad zijn overgedragen.

Bevoegdheid van het Hof

32 Vooraf zij eraan herinnerd dat het Hof, ter toetsing van zijn bevoegdheid of de ontvankelijkheid van het verzoek, een onderzoek dient in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is geadieerd (zie in die zin arresten van 4 juli 2006, Adeneler e.a., C‑212/04, EU:C:2006:443, punt 42, en 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 29).

Toepasselijkheid van het Handvest

33 In artikel 51, lid 1, van het Handvest staat te lezen dat de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten zijn gericht uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Lid 2 van dit artikel verduidelijkt dat deze bepalingen de in de Verdragen omschreven bevoegdheden van de Europese Unie geenszins uitbreiden.

34 Artikel 51, leden 1 en 2, bevestigt de rechtspraak van het Hof volgens welke de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten. Bijgevolg kan het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU het Unierecht enkel binnen de grenzen van zijn bevoegdheden uitleggen (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punten 30 en 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Het begrip „ten uitvoer brengen van het Unierecht” in de zin van artikel 51 van het Handvest veronderstelt dat er een verband bestaat tussen de Unierechtelijke handeling en de betrokken nationale maatregel dat verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betrokken materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere (zie in die zin arresten van 6 maart 2014, Siragusa, C‑206/13, EU:C:2014:126, punt 24, en 29 juli 2024, protectus, C‑185/23, EU:C:2024:657, punt 42).

36 Het Hof is al eens tot de slotsom gekomen dat de grondrechten van de Unie niet konden worden toegepast in verband met een nationale regeling vanwege het feit dat de Unievoorschriften op het betrokken gebied de lidstaten geen verplichting oplegden voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie (zie in die zin arresten van 6 maart 2014, Siragusa, C‑206/13, EU:C:2014:126, punt 26, en 10 juli 2014, Julián Hernández e.a., C‑198/13, EU:C:2014:2055, punt 35).

37 In het licht van deze overwegingen moet worden uitgemaakt of de Bulgaarse wetgeving die de schikking over de afhandeling van de zaak regelt, het Unierecht ten uitvoer brengt in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, zoals de verwijzende rechter naar voren brengt, en of het Hof derhalve bevoegd is om de door die rechter genoemde bepalingen van het Handvest uit te leggen.

38 Wat in de eerste plaats het oordeel van de verwijzende rechter betreft dat die nationale wetgeving artikel 5 juncto artikel 4, lid 1, van kaderbesluit 2004/757 en artikel 4 juncto artikel 3 van kaderbesluit 2008/841 ten uitvoer brengt, moet worden opgemerkt dat deze Unierechtelijke bepalingen voorkomen in handelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 31, lid 1, EU, waarvan de bepalingen zijn overgenomen in artikel 83, lid 1, eerste alinea, VWEU. Artikel 4, lid 1, van kaderbesluit 2004/757 en artikel 3 van kaderbesluit 2008/841 bevatten minimumvoorschriften voor de straffen die staan op strafbare feiten op de criminaliteitsgebieden die binnen de respectieve werkingssferen van die twee kaderbesluiten vallen, te weten illegale drugshandel en georganiseerde criminaliteit.

39 Zoals de advocaat-generaal in de punten 32 en 33 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, impliceert de tenuitvoerbrenging van die artikelen dat de lidstaten wettelijke maatregelen vaststellen die onder het materiële strafrecht vallen, zoals het geval is bij artikel 321 en artikel 354a, lid 1, NK. Op het gebied van strafprocesrecht, waaronder ook de Bulgaarse bepalingen die de schikking over de afhandeling van de zaak regelen – te weten artikel 384, lid 3, en artikel 384a NPK – in wezen vallen, is er daarentegen geen enkele Uniewetgevingshandeling met betrekking tot dit soort schikkingen vastgesteld op grond van artikel 31 EU of artikel 82 VWEU, waarin de bevoegdheid van de Unie op het gebied van strafprocesrecht wordt omschreven.

40 Bijgevolg is de verhouding tussen de in punt 38 van het onderhavige arrest bedoelde bepalingen van materieel strafrecht van de Unie en de Bulgaarse bepalingen van strafprocesrecht die de schikking in het hoofdgeding regelen er een die niet verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van die bepalingen of de indirecte invloed van de eerstgenoemde op de laatstgenoemde bepalingen. Er kan tussen die bepalingen dus geen verband in de zin van de in punt 35 hierboven aangehaalde rechtspraak worden vastgesteld.

41 In de tweede plaats bepalen artikel 5 van kaderbesluit 2004/757 en artikel 4 van kaderbesluit 2008/841 – die beide het opschrift „Bijzondere omstandigheden” dragen – slechts dat de lidstaten de nodige maatregelen kunnen nemen om de in deze kaderbesluiten bedoelde sancties te kunnen verminderen indien de dader bijvoorbeeld afziet van verdere criminele activiteiten in de onder die kaderbesluiten vallende domeinen of de administratieve of justitiële autoriteiten informatie verstrekt die deze niet op andere wijze hadden kunnen verkrijgen en die hen bijvoorbeeld helpt om de andere daders te identificeren of hen voor het gerecht te brengen of om bewijs te vergaren. Deze Unierechtelijke bepalingen vermelden niet op welke wijze en onder welke voorwaarden een schikking over de afhandeling van de zaak kan worden gesloten en verplichten de lidstaten evenmin om op dit gebied wetgeving vast te stellen, hetgeen de in punt 35 van dit arrest vermelde rechtspraak wel vereist wil er tussen die Unierechtelijke bepalingen en de bepalingen van Bulgaars recht die de schikking regelen een verband kunnen worden vastgesteld.

42 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de bepalingen van de NPK over de sluiting en goedkeuring van een schikking, en met name artikel 384, lid 3, en artikel 384a NPK, de bepalingen van kaderbesluiten 2004/757 en 2008/841 niet „ten uitvoer brengen” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.

43 Het Hof is derhalve niet bevoegd om te antwoorden op de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter voor zover deze betrekking hebben op artikel 5 van kaderbesluit 2004/757, artikel 4 van kaderbesluit 2008/841 en artikel 47, eerste en tweede alinea, en artikel 52 van het Handvest.

Toepasselijkheid van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU

44 Volgens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU voorzien de lidstaten voor de justitiabelen in de nodige rechtsmiddelen om een daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren. De lidstaten moeten dus voorzien in een stelsel van beroepsmogelijkheden en procedures dat een daadwerkelijke rechterlijke toetsing op deze gebieden kan verzekeren (arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 34, en 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 De materiële werkingssfeer van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU is „de domeinen die vallen onder toepassing van het Unierecht”, onafhankelijk van de situatie waarin de lidstaten dit recht ten uitvoer brengen (arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 29, en 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU vindt met name toepassing ten aanzien van iedere nationale instantie die kan worden aangezocht om als rechter te oordelen over vraagstukken die de toepassing of de uitlegging van het Unierecht betreffen en dus behoren tot gebieden die onder dat recht vallen (zie in die zin arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 40, en 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 De verwijzende rechter verkeert in die situatie. In casu dient hij uitspraak te doen over kwesties die verband houden met de uitlegging en de toepassing van kaderbesluiten 2004/757 en 2008/841, die in de Bulgaarse rechtsorde zijn omgezet door de bepalingen van de NK, met als gevolg dat die rechter moet voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming die voortvloeien uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.

48 Bijgevolg is het Hof in de onderhavige zaak bevoegd om artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU uit te leggen.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

49 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling die een ad-hoc-kamer, en niet de kamer die de zaak behandelt, de bevoegdheid verleent om uitspraak te doen over een schikking die een verdachte met het openbaar ministerie heeft getroffen tijdens de gerechtelijke fase van een strafprocedure wanneer in die procedure ook medeverdachten worden vervolgd.

50 De rechterlijke organisatie in de lidstaten – met name de invoering, samenstelling, bevoegdheden en werking van de nationale rechterlijke instanties – behoort weliswaar tot hun eigen bevoegdheid, maar de lidstaten moeten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen nakomen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht en in het bijzonder uit artikel 19 VEU (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming, waarnaar artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU verwijst, is een algemeen beginsel van Unierecht dat is neergelegd in met name artikel 47, tweede alinea, van het Handvest. Laatstgenoemde bepaling moet dus naar behoren in aanmerking worden genomen bij de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 Bovendien hebben de in het Handvest neergelegde rechten volgens artikel 52, lid 3, eerste volzin, ervan dezelfde inhoud en reikwijdte als de overeenkomstige rechten die door het EVRM worden gewaarborgd. Volgens de tweede volzin van deze bepaling verhindert dit niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt. Volgens de toelichtingen bij het Handvest (PB 2007, C 303, blz. 17) correspondeert artikel 47, tweede alinea, van het Handvest met artikel 6, lid 1, EVRM. Derhalve dient het Hof erop toe te zien dat de uitlegging die het in de onderhavige zaak geeft, zodanig is dat het daardoor geboden beschermingsniveau niet in strijd komt met het niveau dat wordt geboden door artikel 6, lid 1, EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Hann‑Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 Krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU moet elke lidstaat verzekeren dat de instanties die als „rechterlijke instanties” in de zin van het Unierecht geroepen zijn om te oordelen over de uitlegging of de toepassing van dit recht en die dus deel uitmaken van zijn stelsel van beroepsmogelijkheden op de onder het Unierecht vallende gebieden, voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming en aan het vereiste van onafhankelijkheid (zie in die zin arresten van 21 december 2021, Euro Box Promotion e.a., C‑357/19, C‑379/19, C‑547/19, C‑811/19 en C‑840/19, EU:C:2021:1034, punten 220 en 224, en 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 47).

54 Verder heeft het Hof reeds verduidelijkt dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, welke bepaling de lidstaten een duidelijke en nauwkeurige resultaatsverplichting oplegt waaraan geen enkele voorwaarde is verbonden met betrekking tot de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechterlijke instanties die gehouden zijn het Unierecht uit te leggen en toe te passen, rechtstreekse werking heeft waardoor elke bepaling, rechtspraak of nationale praktijk die in strijd is met die Unierechtelijke bepaling, zoals deze wordt uitgelegd door het Hof, buiten toepassing moeten worden gelaten [arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C‑204/21, EU:C:2023:442, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

55 Dit vereiste van onafhankelijkheid kent twee aspecten. Het eerste, externe, aspect vereist dat de betrokken instantie haar taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in gevaar zou kunnen brengen en van invloed zou kunnen zijn op hun beslissingen. Het tweede, interne, aspect sluit aan bij het begrip „onpartijdigheid” en heeft betrekking op het houden van gelijke afstand ten opzichte van de partijen bij het geding en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding. Voor dit aspect is het nodig dat objectiviteit in acht wordt genomen en dat elk belang bij de oplossing van het geschil, buiten de strikte toepassing van de rechtsregel, ontbreekt (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punten 50 en 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de openbaar aanklager de verwijzende rechter heeft laten weten twijfels te hebben over de onpartijdigheid van de met het hoofdgeding belaste rechtsprekende formatie om de procedure met betrekking tot de andere verdachten voort te zetten, indien de verwijzende rechter de met PT getroffen schikking zou goedkeuren.

57 Zoals de advocaat-generaal in punt 66 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, vormt de aanwijzing van een ad-hoc-kamer om uitspraak te doen over een schikking, wanneer – zoals in casu – meerdere personen worden vervolgd wegens deelname aan dezelfde georganiseerde criminele groepering en één van hen tijdens de gerechtelijke fase van die procedure een schikking treft waarin hij zijn schuld erkent, een rechtsbedelingsmaatregel die de lidstaten mogen nemen om de naleving van de uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU voortvloeiende vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de kamer die zal moeten oordelen over de verdachten die geen schuld hebben erkend, te waarborgen of zelfs te versterken.

58 Zo heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn arrest van 25 november 2021, Mucha tegen Slowakije (CE:ECHR:2021:1125JUD006370319, §§ 62‑64 en 66), schending van 6, lid 1, EVRM vastgesteld, wat de beginselen van onpartijdigheid en van het vermoeden van onschuld betreft, in een situatie waarin één en dezelfde rechtsprekende formatie zich eerst had uitgesproken over schikkingen waarin door acht personen die vervolgd werden voor deelname aan een criminele groepering schuldig werd gepleit, en vervolgens over de gegrondheid van de beschuldiging tegen een andere verdachte die werd vervolgd voor deelname aan dezelfde groepering, aangezien de vonnissen houdende goedkeuring van die schikkingen een specifieke, individuele vermelding bevatten van de aan laatstgenoemde ten laste gelegde feiten en dus afbreuk hadden gedaan aan zijn recht om onschuldig te worden geacht totdat de schuld rechtens is aangetoond. Dat hof heeft dus geoordeeld dat de twijfels over de onpartijdigheid van die rechtsprekende formatie objectief gerechtvaardigd waren.

59 Voorts is de verwijzende rechter van oordeel dat, in een strafprocedure waarin meerdere personen worden vervolgd, een ad-hoc-kamer aanwijzen om uitspraak te doen over een schikking kan indruisen tegen het beginsel van onmiddellijkheid van de strafprocedure.

60 Dit beginsel vereist dat wie de verantwoordelijkheid draagt om te beslissen over de schuld of onschuld van de verdachte, in beginsel de getuigen persoonlijk verhoort en hun geloofwaardigheid beoordeelt, aangezien een van de belangrijke elementen van een eerlijk proces de mogelijkheid is voor de verdachte om ten overstaan van de rechter die uiteindelijk uitspraak doet, te worden geconfronteerd met de getuigen (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Gambino en Hyka, C‑38/18, EU:C:2019:628, punten 42 en 43).

61 In casu druist de aanwijzing van een ad-hoc-kamer om uitspraak te doen over een schikking als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet in tegen het beginsel van onmiddellijkheid van de strafprocedure, zoals de advocaat-generaal in punt 73 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt. Een verdachte die er vrijwillig voor kiest om schuld te bekennen, met volledige kennis van de feiten waarvan hij wordt beschuldigd en van de rechtsgevolgen van zijn keuze, doet immers, zoals blijkt uit artikel 381, lid 6, NPK, afstand „van zijn recht op behandeling van zijn zaak volgens de gewone procedure” en van bepaalde rechten die daaruit voortvloeien.

62 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale bepaling die een ad-hoc-kamer, en niet de kamer die de zaak behandelt, de bevoegdheid verleent om uitspraak te doen over een schikking die een verdachte met het openbaar ministerie heeft getroffen tijdens de gerechtelijke fase van een strafprocedure waarin meerdere verdachten worden vervolgd.

Tweede vraag

Ontvankelijkheid

63 De Europese Commissie betoogt in haar schriftelijke opmerkingen dat de gegeven motivering voor de tweede vraag van het verzoek om een prejudiciële beslissing, voor zover die ziet op de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, „zeer beknopt” is en niet voldoet aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

64 Volgens vaste rechtspraak rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële beslissing wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen [zie in die zin arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punt 61, en 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ambtshalve toetsing van de bewaring), C‑704/20 en C‑39/21, EU:C:2022:858, punt 61].

65 Aangezien het verzoek om een prejudiciële beslissing als basis dient voor de prejudiciële procedure voor het Hof krachtens artikel 267 VWEU, is het onontbeerlijk dat de nationale rechter in dat verzoek het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding uiteenzet en een minimum aan uitleg geeft over de redenen voor de keuze van de bepalingen van het Unierecht waarvan hij om uitlegging verzoekt en over het verband tussen die bepalingen en de nationale regeling die van toepassing is op het bij hem aanhangige geding. Deze cumulatieve vereisten staan uitdrukkelijk vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering [zie in die zin arrest van 4 juni 2020, C.F. (Belastingcontrole), C‑430/19, EU:C:2020:429, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

66 In casu zet de verwijzende rechter de omstandigheden van het hoofdgeding afdoende uiteen en vermeldt hij in detail de toepasselijke nationale bepalingen. Hij geeft tevens aan waarom hij twijfelt aan de verenigbaarheid van met name artikel 384, lid 3, NPK met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU. De verwijzende rechter is namelijk van mening dat het feit dat alle andere verdachten moeten instemmen wil er sprake zijn van goedkeuring van de schikking die één van deze verdachten tijdens de gerechtelijke fase van een tegen meerdere personen ingeleide strafprocedure treft, „ten onrechte” het „rechtsmiddel” beperkt dat die schikking zijns inziens vormt voor die verdachte, aangezien deze door de sluiting en de goedkeuring van de schikking „het eindresultaat [verkrijgt] dat hij zoekt, namelijk een lichtere sanctie dan die welke hij zou krijgen indien de zaak volgens een gewone procedure zou worden behandeld”. Volgens de verwijzende rechter kan daardoor ook afbreuk worden gedaan aan „het eerlijke verloop van de procedure”.

67 Hieruit volgt dat, anders dan de Commissie betoogt, het verzoek om een prejudiciële beslissing, wat de tweede vraag betreft, voldoet aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering en deze vraag dus ontvankelijk is waar zij ziet op de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.

Ten gronde

68 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationaalrechtelijke bepaling op grond waarvan in een strafprocedure die tegen meerdere verdachten wegens deelname aan dezelfde criminele groepering is ingeleid, een schikking die een van de verdachten tijdens de gerechtelijke fase van deze procedure met de openbaar aanklager treft, slechts kan worden goedgekeurd door de rechter indien alle medeverdachten daarmee instemmen.

69 Zoals de verwijzende rechter uiteenzet, is dit vereiste dat wordt gesteld in het hoofdgeding „in het belang van sommige van de andere [verdachten] tegen wie PT zou kunnen getuigen na de goedkeuring van zijn schikking”. Ook heeft die rechter, in antwoord op een verzoek om verduidelijking dat het Hof hem krachtens artikel 101, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering heeft doen toekomen, verklaard dat de rechter die over de medeverdachten uitspraak moet doen, „gebonden” is aan de inhoud van de schikking die door een van de verdachten wordt gesloten.

70 Vanuit dit oogpunt valt de vereiste instemming van de andere verdachten onder het recht op een eerlijk proces en hun rechten van verdediging. De eerbiediging van deze rechten is een van de elementen die integrerend deel uitmaken van het grondbeginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, en van het begrip „eerlijk proces” in artikel 6 EVRM [zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:596, punt 203].

71 Het is in strijd met dit grondbeginsel van het Unierecht om een rechterlijke beslissing te baseren op feiten en stukken waarvan de partijen zelf of een van hen geen kennis hebben kunnen nemen, en waarover zij dus geen standpunt hebben kunnen innemen (zie in die zin arresten van 22 maart 1961, Snupat/Hoge Autoriteit, 42/59 en 49/59, EU:C:1961:5, blz. 158, en 17 november 2022, Harman International Industries, C‑175/21, EU:C:2022:895, punt 63). Voorts eisen de beginselen van een eerlijk proces dat de belangen van de verdediging in passende gevallen worden afgewogen tegen die van voor een verklaring opgeroepen getuigen of slachtoffers (arrest van 29 juli 2019, Gambino en Hyka, C‑38/18, EU:C:2019:628, punt 41).

72 Gelet op het voorgaande kan het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging niet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen bepalingen van nationaal recht als artikel 384, lid 3, NPK, die tot doel hebben deze rechten te waarborgen voor verdachten die hun schuld niet hebben erkend en die in een latere strafprocedure zullen moeten worden berecht, rekening houdend met niet alleen de eventuele informatie over hen in de schikking die is getroffen door de verdachte die zijn schuld heeft erkend, maar ook de verklaringen die laatstgenoemde als getuige mogelijkerwijs aflegt voor de kamer die uitspraak zal moeten doen over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de andere verdachten.

73 Derhalve dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale bepaling op grond waarvan in een strafprocedure die tegen meerdere verdachten wegens deelname aan dezelfde criminele groepering is ingeleid, een schikking die een van de verdachten tijdens de gerechtelijke fase van deze procedure met de openbaar aanklager treft, slechts kan worden goedgekeurd door de rechter indien alle medeverdachten daarmee instemmen.

Derde vraag

74 Zoals uit punt 43 van het onderhavige arrest blijkt, is het Hof niet bevoegd om de derde vraag te beantwoorden, aangezien deze uitsluitend betrekking heeft op de uitlegging van artikel 47 van het Handvest.

Kosten

75 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale bepaling die een ad-hoc-kamer, en niet de kamer die de zaak behandelt, de bevoegdheid verleent om uitspraak te doen over een schikking die een verdachte met het openbaar ministerie heeft getroffen tijdens de gerechtelijke fase van een strafprocedure waarin meerdere verdachten worden vervolgd.

2) Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale bepaling op grond waarvan in een strafprocedure die tegen meerdere verdachten wegens deelname aan dezelfde criminele groepering is ingeleid, een schikking die een van de verdachten tijdens de gerechtelijke fase van deze procedure met de openbaar aanklager treft, slechts kan worden goedgekeurd door de rechter indien alle medeverdachten daarmee instemmen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Bulgaars.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in