HvJ EU 4 september 2025, C-225/22, ECLI:EU:C:2025:649

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

4 september 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Rechtsstaat – Rechterlijke onafhankelijkheid – Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU – Daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden – Nationale regeling en nationale rechtspraak op grond waarvan het nationale rechterlijke instanties verboden is om de legitimiteit van de rechterlijke instanties en grondwettelijke organen in twijfel te trekken of om de legitimiteit van de benoeming van hun rechters vast te stellen of te toetsen – Toetsing door een lagere rechterlijke instantie van de naleving door een hogere rechterlijke instantie van de vereisten die zien op de waarborg van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld – Izba Kontroli Nadzwyczajnej i Spraw Publicznych (kamer voor bijzondere controle en publieke zaken) van de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) – Instantie die geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht is dat vooraf bij wet is ingesteld – Voorrang van het Unierecht – Mogelijkheid om een rechterlijke beslissing non-existent te verklaren”

In zaak C‑225/22,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Apelacyjny w Krakowie (rechter in tweede aanleg Krakau, Polen) bij beslissing van 21 maart 2022, ingekomen bij het Hof op 31 maart 2022, in de procedure

„R” S.A.

tegen

AW „T” sp. z o.o.,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, A. Arabadjiev, M. Condinanzi en R. Frendo, rechters,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 januari 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– „R” S.A., vertegenwoordigd door T. Michalik, radca prawny, en M. Sobczak, adwokat,

– AW „T” sp. z o.o., vertegenwoordigd door M. du Vall, adwokat, en E. Nowińska, radca prawny,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Rzotkiewicz, M. Taborowski en S. Żyrek als gemachtigden,

– de Deense regering, vertegenwoordigd door J. F. Kronborg en V. Pasternak Jørgensen als gemachtigden,

– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en C. S. Schillemans als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herrmann en P. J. O. Van Nuffel als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 april 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 3, en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 267 VWEU, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) alsook van het beginsel van voorrang van het Unierecht.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen „R” S.A. en AW „T” sp. z o.o. over de vernietiging door de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) op buitengewoon beroep van de Prokurator Generalny (procureur-generaal, Polen) van het arrest van de Sąd Apelacyjny w Krakowie (rechter in tweede aanleg Krakau, Polen), die in dit geding een onherroepelijke uitspraak had gedaan en over de terugverwijzing van de betrokken zaak naar laatstgenoemde rechter.

Toepasselijke bepalingen

Grondwet van de Republiek Polen

3 Artikel 179 van de Konstytucja Rzeczypospolitej Polskiej (grondwet van de Republiek Polen) bepaalt: „Rechters worden voor onbepaalde tijd benoemd door de president van de Republiek Polen op voordracht van de Krajowa Rada Sądownictwa [(nationale raad voor de rechtspraak, Polen)].”

Wet inzake de gewone rechterlijke instanties

4 Artikel 42a van de ustawa Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet inzake de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) van 27 juli 2001 (Dz. U. nr. 98, volgnr. 1070), zoals gewijzigd bij ustawa o zmianie ustawy – Prawo o ustroju sądów powszechnych, ustawy o Sądzie Najwyższym oraz niektórych innych ustaw (wet houdende wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechterlijke instanties, de wet inzake de hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken en enkele andere wetten) van 20 december 2019 (Dz. U. van 2020, volgnr. 190), die op 14 februari 2020 in werking is getreden (hierna: „wet inzake de gewone rechterlijke instanties”), bepaalt: „§ 1 Het is niet toegestaan om in het kader van de werkzaamheden van de rechterlijke instanties of van organen daarvan de legitimiteit van de [rechterlijke instanties], de grondwettelijke organen van de staat en de organen voor het toezicht op en de bescherming van het recht ter discussie te stellen. § 2 Een gewone rechterlijke instantie of een ander orgaan van het gezag kan de rechtmatigheid van de benoeming van een rechter of van de uit deze benoeming voortvloeiende bevoegdheid tot uitvoering van taken op het gebied van de rechtsbedeling niet vaststellen of toetsen.”

5 Artikel 107, § 1, van de wet inzake de gewone rechterlijke instanties luidt als volgt: „Een rechter is tuchtrechtelijk aansprakelijk voor professionele tekortkomingen (tuchtrechtelijke vergrijpen), waaronder: 1) kennelijke en grove schendingen van rechtsregels; 2) handelen of nalaten waardoor de werking van een rechterlijke autoriteit kan worden belemmerd of ernstig kan worden ondermijnd; 3) handelen waardoor in twijfel wordt getrokken of de arbeidsverhouding van een rechter bestaat, of een rechter geldig is benoemd, dan wel of een grondwettelijk orgaan van de Republiek Polen legitiem is; [...]”

Wet inzake de Sąd Najwyższy

6 Bij de ustawa o Sądzie Najwyższym (wet inzake de Sąd Najwyższy) van 8 december 2017 (Dz. U. van 2018, volgnr. 5) is binnen de Sąd Najwyższy onder meer de Izba Kontroli Nadzwyczajnej i Spraw Publicznych (kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, Polen; hierna: „kamer voor bijzondere controle en publieke zaken”) ingesteld.

7 Artikel 26 van de wet inzake de Sąd Najwyższy, zoals gewijzigd bij de wet van 20 december 2019 tot wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechterlijke instanties, de wet inzake de Sąd Najwyższy en bepaalde andere wetten, waarnaar in punt 4 van dit arrest wordt verwezen, bepaalt: „§ 1 De [kamer voor bijzondere controle en publieke zaken] is bevoegd voor buitengewone klachten, voor verkiezingsgeschillen en betwistingen van de geldigheid van een nationaal of grondwettelijk referendum, voor de vaststelling van de geldigheid van verkiezingen en referenda, voor andere publiekrechtelijke aangelegenheden, waaronder geschillen inzake de bescherming van de mededinging, de regulering van de energiesector, telecommunicatie en spoorvervoer, en voor beroepsprocedures tegen besluiten van de Przewodniczący Krajowej Rady Radiofonii i Telewizji [(voorzitter van de nationale omroepraad, Polen)], alsmede voor klachten over de buitensporig lange duur van procedures die aanhangig zijn bij gewone en militaire rechterlijke instanties of bij de Sąd Najwyższy. § 2 De [kamer voor bijzondere controle en publieke zaken] is bevoegd om kennis te nemen van verzoeken of verklaringen betreffende de wraking van een rechter of de aanwijzing van de rechterlijke instantie waarvoor de procedure moet worden gevoerd, die klachten bevatten inzake het gebrek aan onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie of van de rechter. De rechter bij wie de zaak aanhangig is, zendt onverwijld een verzoek aan de president van de [kamer voor bijzondere controle en publieke zaken] om de zaak te behandelen overeenkomstig de in specifieke bepalingen vastgestelde regels. De indiening van een verzoek bij de president van de [kamer voor bijzondere controle en publieke zaken] schorst de lopende procedure niet. § 3 Het in § 2 bedoelde verzoek wordt niet onderzocht indien het betrekking heeft op de vaststelling en de beoordeling van de rechtmatigheid van de benoeming van een rechter of van diens recht om rechterlijke functies uit te oefenen. [...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8 Bij verzoekschrift van 9 augustus 2004 heeft de vennootschap AW „T” gevorderd om B.O., en de vennootschappen „R” S.A. en „K” S.A. te verbieden om onder meer tijdschriften met kruiswoordraadsels in de handel te brengen, op grond dat het in de handel brengen van deze tijdschriften in strijd zou zijn met de bepalingen van de ustawa – Prawo o własności przemysłowej (wet op het industriële-eigendomsrecht) van 30 juni 2000 (Dz. U. 2003, volgnr. 1117) en de ustawa o zwalczaniu nieuczciwej konkurencji (wet ter bestrijding van oneerlijke mededinging) van 16 april 1993 (Dz. U. 2003, volgnr. 1503).

9 Bij beslissing van 25 oktober 2005 heeft de Sąd Okręgowy w Krakowie (rechter in eerste aanleg Krakau, Polen) het in de handel brengen van 28 door een handelsmerk beschermde tijdschriften verboden en heeft hij de vordering van AW „T” voor het overige verworpen.

10 Bij arrest van 9 november 2006 (hierna: „arrest van 2006”) heeft de Sąd Apelacyjny w Krakowie, naar aanleiding van het door B.O. en „R” ingestelde beroep, deze beslissing gewijzigd door het in het vorige punt bedoelde verbod op het in de handel brengen te herformuleren.

11 Alleen B.O. heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld bij de Sąd Najwyższy. Op 21 februari 2008 heeft deze rechter het gedeelte van dat arrest ten aanzien van B.O. vernietigd waarbij deze beslissing werd gewijzigd en heeft hij de betrokken zaak voor heronderzoek terugverwezen naar de rechter in hoger beroep. Op 27 mei 2010 heeft de Sąd Apelacyjny w Krakowie ten aanzien van B.O. een definitieve uitspraak gedaan.

12 Op 27 januari 2020 heeft de procureur-generaal bij de Sąd Najwyższy tegen het arrest van 2006 een buitengewoon beroep ten gunste van „R” ingesteld. De procureur-generaal was van mening dat de Sąd Apelacyjny w Krakowie in dat arrest het verbod van reformatio in pejus heeft geschonden, aangezien hij, door de in punt 9 van dit arrest genoemde beslissing van de Sąd Okręgowy w Krakowie van 25 oktober 2005 te wijzigen, het met name aan „R” opgelegde verbod heeft uitgebreid. Bij het arrest van 2006 werd immers het in de handel brengen van bepaalde reeksen tijdschriften met kruiswoordraadsels verboden, terwijl deze beslissing slechts een verbod inhield op het in de handel brengen van specifieke tijdschriften aangeduid met titels en publicatiegegevens en voorzien van de betrokken handelsmerken.

13 Bij arrest van 20 oktober 2021 (hierna: „arrest van 20 oktober 2021”) heeft de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, samengesteld uit vijf rechters en twee juryleden, dit buitengewoon beroep toegewezen. Bij dat arrest heeft deze kamer het arrest van 2006, dat gezag van gewijsde had, ten aanzien van „R” vernietigd en de betrokken zaak voor heronderzoek terugverwezen naar de Sąd Apelacyjny w Krakowie, de verwijzende rechter.

14 In het kader van dat nieuwe onderzoek heeft AW „T” de verwijzende rechter verzocht haar een afschrift van het arrest van 2006 te doen toekomen, voorzien van een vermelding ter bevestiging dat dit arrest onherroepelijk was, en aangevoerd dat het arrest van 20 oktober 2021 als non-existent moest worden beschouwd.

15 Ter ondersteuning van deze vordering heeft AW „T” in de eerste plaats verwezen naar het arrest van het EHRM van 8 november 2021, Dolińska-Ficek en Ozimek tegen Polen (CE:ECHR:2021:1108JUD004986819), waaruit zou blijken dat de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken niet de hoedanigheid heeft van een „bij wet ingesteld gerecht”.

16 In de tweede plaats heeft AW „T” het arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming) (C‑487/19, EU:C:2021:798) ingeroepen, waaruit zij afleidt dat een beslissing van een onregelmatig samengestelde rechterlijke instantie niet bindend is voor andere rechterlijke instanties en moet worden afgewezen zonder dat zij hoeft te worden vernietigd.

17 In de derde plaats heeft zij twijfels geuit ten aanzien van de mogelijkheid om veertien jaar na de vaststelling van die beslissing een buitengewoon beroep in te stellen tegen een in gezag van gewijsde gegane beslissing, met name wanneer dat beroep bedoeld was om de uitsluitend economische belangen van een staatsbedrijf te beschermen.

18 In dit verband legt de verwijzende rechter uit dat de vijf rechters van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken die het arrest van 20 oktober 2021 hebben gewezen, alle zijn benoemd op dezelfde dag, namelijk op 10 oktober 2018, en volgens dezelfde procedure. Tijdens die procedure heeft de Krajowa Rada Sądownictwa een beslissing gegeven waarbij hij de president van de Republiek Polen heeft aanbevolen de betrokken personen te benoemen tot rechter bij de Sąd Najwyższy. Vervolgens is tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen), die de tenuitvoerlegging van deze beslissing bij wijze van voorlopige maatregel heeft geschorst. De president van de Republiek Polen heeft deze personen evenwel benoemd tot rechter bij de Sąd Najwyższy voordat de Naczelny Sąd Administracyjny zich over dat beroep had uitgesproken.

19 De verwijzende rechter zet in deze context uiteen dat de rechtsprekende formatie van de Sąd Najwyższy die het arrest van 20 oktober 2021 heeft gewezen, met name bestond uit de rechters E.S., T.D., P.K., A.R. en M.S., en dat deze rechtsprekende formatie, vanwege onregelmatigheden in de procedure die tot de benoeming van deze rechters tot rechters in de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken heeft geleid, geen bij wet ingesteld gerecht in de zin van het Unierecht is. Derhalve hoeven de gevolgen van de beslissingen van een dergelijk orgaan niet te worden onderzocht.

20 In dit verband merkt de verwijzende rechter in de eerste plaats op dat de Trybunał Konstytucyjny (grondwettelijk hof, Polen) met zijn beslissingen heeft willen voorkomen dat de nationale rechterlijke instanties de mogelijkheid zouden krijgen om het begrip van een „bij wet ingesteld gerecht” zoals dat in het Unierecht bestaat, uit te leggen in het kader van de toetsing door die rechterlijke instanties van de regelmatigheid van de benoeming van rechters. In de tweede plaats is het die rechterlijke instantie volgens de nationale regeling, in het bijzonder artikel 42a van de wet inzake de gewone rechterlijke instanties, ook verboden om vast te stellen of te beoordelen of de benoeming van een rechter of de uit de hoedanigheid van rechter voortvloeiende bevoegdheid om rechterlijke functies uit te oefenen, rechtmatig is. Volgens artikel 107, lid 1, van deze wet, vormt het feit dat een rechter met name de geldigheid van de benoeming van een andere rechter of het mandaat van een grondwettelijk orgaan van de Republiek Polen in twijfel trekt, voorts een tuchtrechtelijk vergrijp. Bovendien impliceert deze schending de verplichting om de zwaarst mogelijke tuchtmaatregel op te leggen, namelijk de overplaatsing naar een andere werkplek of de ontheffing van de betrokken rechter uit zijn ambt.

21 Bijgevolg moet, alvorens het verzoek van AW „T” tot vaststelling van het gezag van gewijsde van het arrest van 2006 te onderzoeken, worden nagegaan of een nationale rechter gebonden is aan de beslissingen van de Trybunał Konstytucyjny en aan de in het vorige punt genoemde bepalingen van de wet inzake de gewone rechterlijke instanties, die hem verbieden te beoordelen of deze rechter, gelet op de wijze van benoeming van de rechters van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken als bedoeld in punt 19 van het onderhavige arrest, kan worden beschouwd als een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht dat de justitiabelen effectieve rechterlijke bescherming verzekert.

22 De verwijzende rechter zet ook uiteen dat er thans in het Poolse rechtsstelsel rechterlijke instanties bestaan die niet voldoen aan de vereisten van een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht in de zin van het Unierecht, die toch beslissingen geven. De vraag rijst dus of het feit dat de rechterlijke instantie die definitief uitspraak heeft gedaan in een geding, geen rechterlijke instantie in de zin van het Unierecht is, afbreuk doet aan het recht op effectieve rechterlijke bescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden. Deze vraag is des te belangrijker wanneer het gaat om rechters in laatste aanleg van een lidstaat, met name wanneer hun rechterlijke activiteit tot gevolg heeft dat in afgesloten gerechtelijke procedures gegeven beslissingen die gezag van gewijsde hebben, opnieuw ter discussie worden gesteld. In dit verband moet ook worden opgemerkt dat het naar Pools recht, na een hervorming uit 2017, mogelijk is om een buitengewoon beroep in te stellen tegen beslissingen die al bijna 25 jaar geleden in kracht van gewijsde zijn gegaan.

23 In deze context merkt de verwijzende rechter met name op dat het volgens de rechtspraak van het Hof en die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens lijkt te zijn toegestaan dat rechters in laatste aanleg de samenstelling van rechterlijke instanties toetsen. In deze rechtspraak is echter nog niets bepaald over een situatie als die waarover de verwijzende rechter uitspraak moet doen, te weten de mogelijkheid voor een lagere rechter om de samenstelling te toetsen van een hogere rechterlijke instantie die een zaak naar hem heeft terugverwezen voor heronderzoek, wanneer die lagere rechter krachtens de toepasselijke nationale wetgeving gebonden is aan het oordeel van die hogere rechter.

24 Daarop heeft de Sąd Apelacyjny w Krakowie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 3, [VEU], gelezen in samenhang met artikel 47 van het [Handvest] en artikel 267 [VWEU], en het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat dit beginsel aan een nationale rechter de bevoegdheid geeft om een beslissing van zijn nationale grondwettelijke hof die naar nationaal recht, daaronder begrepen het grondwettelijke recht, van kracht is, buiten toepassing te laten voor zover deze beslissing in de weg staat aan een door deze nationale rechter te verrichten onderzoek van de vraag of een nationaal rechterlijk orgaan, gelet op de wijze waarop de daarin zitting hebbende rechters zijn benoemd, een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht in de zin van het Unierecht is? 2) Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 3, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest en artikel 267 VWEU, aldus worden uitgelegd dat deze zich verzetten tegen een door een lidstaat vastgestelde nationale regeling die: a) nationale rechters verbiedt de rechtmatigheid van de benoeming van een rechter te beoordelen en bijgevolg te onderzoeken of het rechterlijke orgaan waarin deze rechter zitting heeft een gerecht in de zin van het Unierecht is, en b) voorziet in de tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de onderzoekende rechter voor de rechtsprekende activiteiten die hij in verband met zijn onderzoek verricht? 3) Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 3, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest en artikel 267 VWEU, aldus worden uitgelegd dat een gewone rechterlijke instantie die voldoet aan de Unierechtelijke vereisten inzake rechterlijke instanties, niet gebonden is aan een beslissing van een rechterlijke instantie van laatste aanleg – waarvan de rechtsprekende formatie onder meer bestaat uit leden die tot rechter zijn benoemd onder kennelijke schending van het nationale recht inzake de procedure tot benoeming van de rechters van de Sąd Najwyższy, zodat deze [laatstgenoemde] rechterlijke instantie niet voldoet aan het vereiste van een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht dat in staat is om de justitiabelen daadwerkelijke rechtsbescherming te verzekeren – die is gegeven naar aanleiding van de instelling van een buitengewoon rechtsmiddel (buitengewoon beroep) en waarbij een onherroepelijke rechterlijke beslissing is vernietigd en de betreffende zaak ter verdere afdoening naar de gewone rechter is terugverwezen? 4) Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 3, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest en artikel 267 VWEU, aldus worden uitgelegd dat ‚niet gebonden zijn’ betekent dat a) een beslissing van een rechterlijke instantie van laatste aanleg, die is ingesteld zoals beschreven in punt 3, geen beslissing in juridische zin (een non-existente beslissing) in de zin van het Unierecht is en de beoordeling dienaangaande kan worden verricht door een gewone rechterlijke instantie die voldoet aan de Unierechtelijke vereisten inzake rechterlijke instanties, b) dan wel dat een beslissing van een rechterlijke instantie van laatste aanleg, die is ingesteld zoals beschreven in punt 3, een bestaande beslissing is maar dat de betrokken gewone rechterlijke instantie bij de herhaalde behandeling van de zaak mag en moet weigeren om de bepalingen van nationaal recht inzake de gevolgen van een dergelijke beslissing toe te passen voor zover dat nodig is om de justitiabelen daadwerkelijke rechtsbescherming te verzekeren?”

Verzoek om toepassing van de versnelde prejudiciële procedure

25 De verwijzende rechter heeft het Hof verzocht om de onderhavige zaak te behandelen volgens de versnelde prejudiciële procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Ter ondersteuning van dit verzoek heeft hij in wezen aangevoerd dat, ten eerste, de prejudiciële vragen zo snel mogelijk moeten worden beantwoord om het hoofdgeding, dat deel uitmaakt van een lange procedure, snel te beslechten. Ten tweede benadrukt hij het wezenlijke belang van dit antwoord voor de bescherming van het Poolse gerechtelijke systeem en de rechtsbescherming van de justitiabelen, met name gelet op de structurele aard van de in het verzoek om een prejudiciële beslissing beschreven schendingen. Ten derde beroept hij zich op het fundamentele belang van deze vragen, gelet op een situatie waarin de destabilisering van de rechtspleging en het ondermijnen van de rechtszekerheid van de justitiabelen in Polen aanhoudt.

26 Volgens artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan de president van het Hof op verzoek van de verwijzende rechter, of bij wijze van uitzondering ambtshalve, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslissen om een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen een korte termijn vereist.

27 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat een dergelijke versnelde procedure een procedureel instrument is om het hoofd te bieden aan een buitengewone noodsituatie. Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de versnelde procedure niet mag worden toegepast wanneer de gevoelige en ingewikkelde aard van de juridische kwesties die aan de orde zijn in een zaak, zich moeilijk leent tot de toepassing van een dergelijke procedure, met name wanneer het niet wenselijk is om de schriftelijke behandeling voor het Hof te verkorten (arrest van 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 In het onderhavige geval heeft de president van het Hof bij beslissing van 11 mei 2022, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, het verzoek tot toepassing van de versnelde prejudiciële procedure afgewezen. Wat het eerste argument van de verwijzende rechter betreft, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het feit dat een nationale rechter wegens de duur van een geding moet zorgen voor een snelle beslechting van de bij hem aanhangige zaak, de toepassing van de versnelde prejudiciële procedure inderdaad niet kan rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, TOTO en Vianini Lavori, C‑581/20, EU:C:2021:808, punt 29). Wat het tweede en het derde argument van de verwijzende rechter betreft, moet ten eerste worden vastgesteld dat het structurele karakter van de in de gestelde vragen beschreven schendingen niet verder gaat dan het structurele karakter dat aan de orde was in tal van andere zaken die de afgelopen jaren bij het Hof aanhangig zijn gemaakt door Poolse rechterlijke instanties en waarin verzoeken om een versnelde prejudiciële procedure eveneens zijn afgewezen. Ten tweede impliceert de omstandigheid dat deze vragen van bijzonder belang zijn in een situatie waarin de destabilisering van de rechtspleging in Polen aanhoudt, op zich niet dat zij binnen korte termijnen moeten worden behandeld in de zin van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.

Bevoegdheid van het Hof

29 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Hof volgens vaste rechtspraak, ter toetsing van zijn bevoegdheid of de ontvankelijkheid van het verzoek, een onderzoek dient in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is geadieerd [arrest van 22 maart 2022, Prokurator Generalny (Tuchtkamer van de Sąd Najwyższy–Benoeming), C‑508/19, EU:C:2022:201, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

30 In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU het Unierecht enkel binnen de grenzen van zijn bevoegdheden kan uitleggen [arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

31 Wat de handelingen van de lidstaten betreft, wordt het toepassingsgebied van het Handvest omschreven in artikel 51, lid 1, daarvan, waarin is vastgesteld dat de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten zijn gericht „wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen”. Die bepaling bevestigt de vaste rechtspraak volgens welke de in de rechtsorde van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten [arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

32 In casu heeft de verwijzende rechter, wat artikel 47 van het Handvest betreft, geen enkele aanwijzing gegeven dat het hoofdgeding betrekking heeft op de uitlegging of de toepassing van een Unierechtelijke regel die op nationaal niveau ten uitvoer wordt gelegd.

33 Bijgevolg is artikel 47 van het Handvest, overeenkomstig artikel 51, lid 1, daarvan, als zodanig niet van toepassing in deze zaak.

34 Artikel 47 van het Handvest dient evenwel in aanmerking te worden genomen bij de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, omdat laatstgenoemd artikel alle lidstaten verplicht te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om op de onder het Unierecht vallende gebieden daadwerkelijke rechtsbescherming in de zin van met name artikel 47 van het Handvest te verzekeren (arrest van 3 juli 2025, Lita en Jeszek, C‑646/23 en C‑661/23, EU:C:2025:519, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 In de tweede plaats dient in herinnering te worden gebracht dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU bepaalt dat de lidstaten voor de justitiabelen voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren. De lidstaten moeten dus voorzien in een stelsel van beroepsmogelijkheden en procedures dat een daadwerkelijke rechterlijke toetsing op deze gebieden kan verzekeren (arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU is, wat de materiële werkingssfeer betreft, van toepassing op „de onder het recht van de Unie vallende gebieden”, onafhankelijk van de situatie waarin de lidstaten dit recht ten uitvoer brengen (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37 Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU geldt met name ten aanzien van iedere nationale instantie die kan worden aangezocht om als rechter te oordelen over vraagstukken die de uitlegging of de toepassing van het Unierecht betreffen en dus behoren tot gebieden die onder dat recht vallen (arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 Dat is het geval voor de verwijzende rechter die moet oordelen over vraagstukken die verband houden met de toepassing of de uitlegging van het Unierecht, en als „rechterlijke instantie” in de zin van het Unierecht deel uitmaakt van het Poolse stelsel van beroepsmogelijkheden op de „onder het recht van de Unie vallende gebieden” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, zodat hij moet voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming (zie naar analogie arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 Bijgevolg is het Hof in de onderhavige zaak bevoegd om artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, uit te leggen.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Opmerkingen vooraf

40 De vier vragen hebben niet alleen betrekking op de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, maar ook op de uitlegging van artikel 2, artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 3, VEU en, uitsluitend wat de eerste vraag betreft, op de uitlegging van het beginsel van voorrang van het Unierecht, gelezen in samenhang met artikel 267 VWEU.

41 Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat de vragen van de verwijzende rechter in wezen betrekking hebben op het uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU voortvloeiende recht om te worden gehoord door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, en op het beginsel van voorrang van het Unierecht.

42 In die omstandigheden moeten de gestelde vragen uitsluitend worden onderzocht aan de hand van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, en van het beginsel van voorrang van het Unierecht.

Eerste tot en met derde vraag

43 Met zijn eerste tot en met derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, en het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat en tegen rechtspraak van het grondwettelijk hof van die lidstaat op grond waarvan een nationale rechter verplicht is zich te houden aan een beslissing van een rechtsprekende formatie van een hogere rechterlijke instantie, wanneer deze nationale rechter op basis van een beslissing van het Hof vaststelt dat een of meer rechters die deel uitmaken van die rechtsprekende formatie, niet voldoen aan de vereisten van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en voorafgaande instelling bij wet in de zin van die bepaling, en hij bovendien op grond van het nationale recht wordt belet om de regelmatigheid van de samenstelling van die rechtsprekende formatie na te gaan op basis van dezelfde gegevens als die welke in die beslissing van het Hof in aanmerking waren genomen.

44 Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat de rechterlijke organisatie in de lidstaten – met name de invoering, samenstelling, bevoegdheden en werking van de nationale rechterlijke instanties – weliswaar tot hun eigen bevoegdheid behoort, maar dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen moeten nakomen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht en in het bijzonder uit artikel 19 VEU (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 In zoverre is het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming, waarnaar artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU verwijst, een algemeen beginsel van Unierecht dat is neergelegd in met name artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), waarmee artikel 47, tweede alinea, van het Handvest overeenstemt (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 Voorts beoogt artikel 52, lid 3, van het Handvest, voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, te zorgen voor de nodige samenhang tussen de in het Handvest vervatte en de daarmee corresponderende, door het EVRM gewaarborgde rechten, zonder de autonomie van het Unierecht aan te tasten. Volgens de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) correspondeert artikel 47, tweede alinea, van het Handvest met artikel 6, lid 1, EVRM. Derhalve dient het Hof erop toe te zien dat de uitlegging die het in de onderhavige zaak geeft, zodanig is dat het daardoor geboden beschermingsniveau niet in strijd komt met het niveau dat wordt geboden door artikel 6, lid 1, EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 Na deze precisering zij eraan herinnerd dat elke lidstaat krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, moet verzekeren dat de instanties die als „rechterlijke instantie” in de zin van het Unierecht geroepen zijn om te oordelen over de toepassing of de uitlegging van dit recht en die dus deel uitmaken van zijn stelsel van beroepsmogelijkheden op de onder het Unierecht vallende gebieden, voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming en aan het vereiste van onafhankelijkheid (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 In casu bevindt de verwijzende rechter zich ten eerste in een situatie waarin tegen dat arrest, bijna veertien jaar nadat hij in het hoofdgeding definitief uitspraak had gedaan, door de procureur-generaal bij de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken een buitengewoon beroep is ingesteld en die kamer dat arrest heeft vernietigd en deze zaak heeft terugverwezen naar de verwijzende rechter voor heronderzoek. Blijkens het dossier heeft het arrest van 20 oktober 2021 naar nationaal recht voor de verwijzende rechter bindende werking. Ten tweede staat vast dat de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, als nationale instantie die ook uitspraak kan doen over vragen die verband houden met de toepassing of de uitlegging van het Unierecht, onderworpen is aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming die voortvloeien uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest.

49 In dit verband moet worden opgemerkt dat het Hof in het arrest van 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van een rechter) (C‑718/21, EU:C:2023:1015), heeft geoordeeld dat de rechtsprekende formatie van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken die het Hof om een prejudiciële beslissing had verzocht in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, vanwege de wijze waarop de rechters waaruit deze formatie bestond zijn benoemd, niet de hoedanigheid had van onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, en dat deze rechtsprekende formatie bijgevolg geen „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU is [zie in die zin arrest van 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van een rechter), C‑718/21, EU:C:2023:1015, punten 46‑58, en beschikking van 29 mei 2024, Rzecznik Praw Obywatelskich (Pools buitengewoon beroep), C‑720/21, EU:C:2024:489, punt 24]. Het Hof is tot deze slotsom gekomen in het licht van zijn eigen rechtspraak over de uitlegging van die bepalingen en van de vaststellingen en beoordelingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 8 november 2021, Dolińska-Ficek en Ozimek tegen Polen (CE:ECHR:2021:1108JUD004986819), met betrekking tot artikel 6, lid 1, EVRM, in samenhang met die van de Naczelny Sąd Administracyjny in een arrest van 21 september 2021.

50 Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de combinatie van zowel de systemische als de met de omstandigheden verband houdende elementen die het in de punten 47 tot en met 57 en 62 tot en met 76 van het arrest van 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van een rechter) (C‑718/21, EU:C:2023:1015), had genoemd, bij de justitiabelen legitieme twijfel kon doen rijzen over de vraag of die rechters en de rechtsprekende formatie waarin zij zetelen, ongevoelig zijn voor externe factoren, in het bijzonder voor directe of indirecte invloeden van de nationale wetgevende en uitvoerende macht, en of zij onpartijdig zijn ten opzichte van de tegenstrijdige belangen. Deze elementen konden dus leiden tot een gebrek aan schijn van onafhankelijkheid of onpartijdigheid van deze rechters en die instantie, hetgeen afbreuk kan doen aan het vertrouwen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving en een rechtsstaat bij die justitiabelen moet wekken [arrest van 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van een rechter), C‑718/21, EU:C:2023:1015, punt 77].

51 Bovendien gelden de overwegingen van het Hof in het arrest van 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van een rechter) (C‑718/21, EU:C:2023:1015), met betrekking tot de kenmerkende aspecten van de benoeming tot rechter in de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de drie rechters die deel uitmaakten van de verwijzende instantie die in de zaak die tot dat arrest heeft geleid het Hof om een prejudiciële beslissing had verzocht, op dezelfde wijze voor alle rechters van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken die in dezelfde omstandigheden zijn benoemd [zie in die zin beschikking van 29 mei 2024, Rzecznik Praw Obywatelskich (Pools buitengewoon beroep), C‑720/21, EU:C:2024:489, punten 27 en 28].

52 Hoewel het Hof zich in het arrest van 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van een rechter) (C‑718/21, EU:C:2023:1015), heeft uitgesproken over de hoedanigheid van de verwijzende instantie als „rechterlijke instantie” van een lidstaat in de zin van artikel 267 VWEU, moet bovendien worden benadrukt dat de voorwaarde inzake de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid in dit kader in wezen samenvalt met de voorwaarde die geldt voor een instantie die als rechterlijke instantie uitspraak kan doen over vragen betreffende de uitlegging of de toepassing van het Unierecht, en als zodanig is onderworpen aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU (zie in die zin arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punten 35, 38 en 45, en 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 72).

53 In een situatie als die in het hoofdgeding, waarin een rechterlijke beslissing in het geding is die afkomstig is van een orgaan dat in laatste aanleg uitspraak doet en waarvan het Hof de hoedanigheid van rechterlijke instantie heeft uitgesloten omdat het niet voldoet aan de voorwaarden van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en voorafgaande instelling bij wet in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, kan een rechterlijke instantie deze omstandigheid, overeenkomstig het beginsel van voorrang van het Unierecht en de implicaties van een dergelijke beslissing van het Hof, dus niet buiten beschouwing laten.

54 Wat de concrete gevolgen van de vaststelling in punt 53 van het onderhavige arrest voor het hoofdgeding betreft, zij eraan herinnerd dat de nationale rechter in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, weliswaar bij uitsluiting bevoegd is om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen en het nationale recht uit te leggen en toe te passen, maar dat neemt niet weg dat het aan het Hof staat om de nationale rechterlijke instantie die hem om een prejudiciële beslissing heeft verzocht, de gegevens over de uitlegging van het Unierecht te verschaffen die noodzakelijk kunnen blijken voor de beslechting van dat geding, rekening houdend met de in de verwijzingsbeslissing vervatte informatie [zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

55 Het staat dus uiteindelijk aan de verwijzende rechter om na te gaan of de rechters die deel hebben uitgemaakt van de rechtsprekende formatie van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken die het arrest van 20 oktober 2021 heeft gewezen, zijn benoemd onder dezelfde voorwaarden als die welke kenmerkend waren voor de benoeming van de drie rechters die de verwijzende instantie hebben gevormd in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van een rechter) (C‑718/21, EU:C:2023:1015).

56 In dit verband blijkt echter uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de vijf rechters die samen met twee juryleden de rechtsprekende formatie van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken vormden die uitspraak heeft gedaan op het in het hoofdgeding aan de orde zijnde buitengewoon beroep, op dezelfde dag en onder dezelfde voorwaarden zijn benoemd als de verwijzende instantie in de zaak die tot het arrest van 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van een rechter) (C‑718/21, EU:C:2023:1015) heeft geleid.

57 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de aanwezigheid, binnen de betrokken instantie, van één enkele rechter die is benoemd in dezelfde omstandigheden als die welke aan de orde waren in de zaak die heeft geleid tot dat arrest, volstaat om deze instantie haar hoedanigheid van onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, te ontnemen [zie in die zin beschikking van 29 mei 2024, Rzecznik Praw Obywatelskich (Pools buitengewoon beroep), C‑720/21, EU:C:2024:489, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

58 Wat voorts het feit betreft dat de bepalingen van nationaal recht en de in punt 20 van het onderhavige arrest vermelde beslissingen van de Trybunał Konstytucyjny volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter hem belet om de regelmatigheid van de samenstelling te onderzoeken van een rechtsprekende formatie van de Sąd Najwyższy, in casu de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, die een definitief arrest van de verwijzende rechter in het hoofdgeding heeft vernietigd en deze zaak heeft terugverwezen naar de Sąd Najwyższy voor heronderzoek, volgt uit vaste rechtspraak dat de gevolgen van het beginsel van voorrang van het Unierecht bindend zijn voor alle organen van een lidstaat, zonder dat de nationale bepalingen – waaronder de grondwettelijke – daaraan in de weg kunnen staan [arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

59 Wat in het bijzonder deze bepalingen van nationaal recht betreft, heeft het Hof, ten eerste, na de indiening van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing in wezen reeds geoordeeld dat de Republiek Polen, door nationale regels vast te stellen en te handhaven die de nationale rechterlijke instanties, op straffe van tuchtrechtelijke sancties, verbieden na te gaan of zij of de rechters die van de betrokken rechterlijke instantie deel uitmaken, dan wel andere rechters of rechterlijke instanties voldoen aan de uit het Unierecht voortvloeiende vereisten inzake onafhankelijkheid, onpartijdigheid en voorafgaande instelling bij wet van de betrokken rechterlijke instanties en rechters, tekort is geschoten in zijn verplichtingen krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest en krachtens het beginsel van voorrang van het Unierecht [zie in die zin arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C‑204/21, EU:C:2023:442, punten 201 en 386].

60 In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C‑204/21, EU:C:2023:442), heeft het Hof immers de eerste en de tweede grief van de Europese Commissie aanvaard, die met name betrekking hadden op de verenigbaarheid van artikel 42a, §§ 1 en 2, van de wet inzake de gewone rechterlijke instanties met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest, die elke nationale rechterlijke instantie verbiedt om na te gaan of is voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit het Unierecht met betrekking tot de waarborg van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, en van artikel 107, § 1, punten 2 en 3, van deze wet, op grond waarvan het onderzoek of voldaan is aan deze vereisten als tuchtrechtelijk vergrijp kan worden aangemerkt.

61 Wat ten tweede de in de punten 20 en 58 van het onderhavige arrest vermelde beslissingen van de Trybunał Konstytucyjny betreft, moet daaraan worden toegevoegd dat uit vaste rechtspraak volgt dat de nationale rechter die gebruik heeft gemaakt van de hem door artikel 267, tweede alinea, VWEU geboden mogelijkheid, in voorkomend geval het oordeel van een hogere rechter naast zich neer moet leggen indien hij, gelet op de door het Hof gegeven uitlegging, meent dat dit oordeel in strijd is met het Unierecht, en zo nodig de nationale regel die hem verplicht om zich aan de beslissingen van die hogere rechter te houden, buiten toepassing moet laten. Deze oplossing geldt ook wanneer een gewone rechterlijke instantie volgens een regel van nationaal procesrecht gebonden is aan een beslissing van een nationaal grondwettelijk hof die hij in strijd acht met het Unierecht [zie in die zin arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punten 75 en 76].

62 Aangezien het Hof in het arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C‑204/21, EU:C:2023:442), heeft geoordeeld dat de bepalingen van de wet inzake de gewone rechterlijke instanties waarover de verwijzende rechter in de onderhavige zaak vragen stelt, onverenigbaar zijn met het Unierecht, moet dezelfde conclusie dus worden getrokken met betrekking tot die beslissingen van de Trybunał Konstytucyjny, die een soortgelijke strekking hebben als de strekking van de bepalingen omtrent het verbod voor elke nationale rechterlijke instantie om na te gaan of een andere instantie voldoet aan de uit het Unierecht voortvloeiende vereisten met betrekking tot de waarborg van een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht.

63 Gelet op een en ander moet op de eerste tot en met de derde vraag worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, en het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat en tegen rechtspraak van het grondwettelijk hof van die lidstaat op grond waarvan een nationale rechter verplicht is zich te houden aan een beslissing van een rechtsprekende formatie van een hogere rechterlijke instantie, wanneer deze nationale rechter op basis van een beslissing van het Hof vaststelt dat een of meer rechters die deel uitmaken van die rechtsprekende formatie, niet voldoen aan de vereisten van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en voorafgaande instelling bij wet in de zin van die bepaling, en hij bovendien op grond van het nationale recht wordt belet om de regelmatigheid van de samenstelling van die rechtsprekende formatie na te gaan op basis van dezelfde gegevens als die welke in die beslissing van het Hof in aanmerking waren genomen.

Vierde vraag

64 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat in een situatie waarin op grond van een beslissing van het Hof wordt vastgesteld dat een rechterlijk orgaan dat in laatste aanleg uitspraak doet, niet voldoet aan de vereisten van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en voorafgaande instelling bij wet in de zin van die bepaling, een beslissing van een dergelijk orgaan waarbij de betrokken zaak voor heronderzoek naar een lagere rechter wordt terugverwezen, als non-existent moet worden beschouwd of als een bestaande beslissing die deze lagere rechter niettemin mag afwijzen en mag weigeren toe te passen.

65 In dit verband moet worden opgemerkt dat deze vraag is gesteld voor het geval dat de verwijzende rechter op basis van de bevindingen uit het arrest van 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van een rechter) (C‑718/21, EU:C:2023:1015), zou vaststellen dat de rechtsprekende formatie van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, die het arrest van 2006 heeft vernietigd en de zaak in het hoofdgeding voor heronderzoek naar de Sąd Apelacyjny w Krakowie heeft terugverwezen, niet voldoet aan de vereisten van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en voorafgaande instelling bij wet in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.

66 In die omstandigheden moet ten eerste worden herinnerd aan het belang van het beginsel van het gezag van gewijsde, zowel in de rechtsorde van de Unie als in de nationale rechtsorden. Om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, is het immers van belang dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of nadat de beroepstermijnen zijn verstreken, niet meer opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld [arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C‑582/21, EU:C:2024:282, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

67 Ten tweede heeft het Hof reeds geoordeeld dat, aangezien artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU de lidstaten een duidelijke, nauwkeurige en onvoorwaardelijke resultaatsverplichting oplegt met betrekking tot de onafhankelijkheid die de rechterlijke instanties die gehouden zijn het Unierecht uit te leggen en toe te passen, is de verwijzende rechter in het kader van zijn bevoegdheden gehouden de volle werking van die bepaling te waarborgen, hetgeen in casu en onder voorbehoud van de in punt 65 van het onderhavige arrest uiteengezette premisse vereist dat het arrest van 20 oktober 2021 non-existent wordt verklaard [zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 159 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

68 Indien de verwijzende rechter van oordeel is dat het arrest van 20 oktober 2021 is gegeven door een instantie die geen onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht in de zin van het Unierecht vormt, kan in dit geval geen enkel argument ontleend aan het rechtszekerheidsbeginsel of een vermeend gezag van gewijsde met succes worden aangevoerd om een rechterlijke instantie als de Sąd Apelacyjny w Krakowie te beletten om een dergelijke beslissing non-existent te verklaren, mits een dergelijke consequentie in het licht van de betreffende procedurele situatie onontbeerlijk is om de voorrang van het Unierecht te waarborgen [zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punten 160 en 161 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

69 Uit het dossier blijkt dat dit in het hoofdgeding het geval is, aangezien deze zaak, ook al is het arrest van 20 oktober 2021 definitief, naar de verwijzende rechter is terugverwezen. In die omstandigheden moet de verwijzende rechter dat arrest dus non-existent verklaren.

70 Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat in een situatie waarin op grond van een beslissing van het Hof wordt vastgesteld dat een rechterlijk orgaan dat in laatste aanleg uitspraak doet, niet voldoet aan de vereisten van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en voorafgaande instelling bij wet in de zin van die bepaling, een beslissing van een dergelijk orgaan, waarbij de betrokken zaak voor heronderzoek naar een lagere rechter wordt terugverwezen, als non-existent moet worden beschouwd, mits een dergelijke consequentie in het licht van de betreffende procedurele situatie onontbeerlijk is om de voorrang van het Unierecht te waarborgen.

Kosten

71 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en het beginsel van voorrang van het Unierecht moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat en tegen rechtspraak van het grondwettelijk hof van die lidstaat op grond waarvan een nationale rechter verplicht is zich te houden aan een beslissing van een rechtsprekende formatie van een hogere rechterlijke instantie, wanneer die nationale rechter op basis van een beslissing van het Hof vaststelt dat een of meer rechters die deel uitmaken van die rechtsprekende formatie, niet voldoen aan de vereisten van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en voorafgaande instelling bij wet in de zin van die bepaling, en hij bovendien op grond van het nationale recht wordt belet om de regelmatigheid van de samenstelling van die rechtsprekende formatie na te gaan op basis van dezelfde gegevens als die welke in die beslissing van het Hof in aanmerking waren genomen.

2) Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat in een situatie waarin op grond van een beslissing van het Hof wordt vastgesteld dat een rechterlijk orgaan dat in laatste aanleg uitspraak doet, niet voldoet aan de vereisten van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en voorafgaande instelling bij wet in de zin van die bepaling, een beslissing van een dergelijk orgaan, waarbij de betrokken zaak voor heronderzoek naar een lagere rechter wordt terugverwezen, als non-existent moet worden beschouwd, mits een dergelijke consequentie in het licht van de betreffende procedurele situatie onontbeerlijk is om de voorrang van het Unierecht te waarborgen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Pools.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in