Art. 8.5.9 Wetboek van Strafvordering
1. Een Europees onderzoeksbevel kan worden uitgevaardigd voor de tijdelijke overbrenging van een persoon die in Nederland rechtens zijn vrijheid is ontnomen naar de uitvoerende lidstaat, ter uitoefening van een bevoegdheid voor het verkrijgen van bewijs waarvoor zijn aanwezigheid in de uitvoerende lidstaat is vereist.
2. De uitvaardiging van het bevel vindt slechts plaats, indien:
a. de betrokkene met de tijdelijke overbrenging instemt; en
b. de overbrenging de vrijheidsbeneming van de betrokkene niet verlengt.
3. Onverminderd het tweede lid, onderdeel a, wordt, indien de uitvaardigende autoriteit het in verband met de leeftijd, de lichamelijke of geestelijke gesteldheid van de ter beschikking te stellen persoon nodig acht, aan diens wettelijk vertegenwoordiger de mogelijkheid geboden zijn oordeel te geven over de tijdelijke overbrenging.
4. Indien nodig verzoekt de officier van justitie de autoriteiten van een andere staat om doortocht.
5. De overgebrachte persoon verblijft op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat en, in voorkomend geval, van de lidstaat van doortocht, in detentie wegens de feiten ten aanzien waarvan in Nederland zijn vrijheid is ontnomen, tenzij de uitvaardigende autoriteit om zijn vrijlating verzoekt. De uitvaardigende autoriteit verzoekt om de vrijlating van de betrokkene zodra zij ervan in kennis wordt gesteld dat de grond voor detentie in Nederland niet langer bestaat.
6. De detentie op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat wordt in mindering gebracht op de duur van de vrijheidsbeneming die de betrokkene in Nederland moet of zal moeten ondergaan.
7. De kosten die voortvloeien uit de overbrenging van de betrokkene naar en van de uitvoerende lidstaat, worden door de Nederlandse autoriteiten gedragen.