Art. 8.5.12 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. Indien het bevel betrekking heeft op een bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 2.8.7, 2.8.8, 2.8.10, 2.8.11, 2.8.12, 2.8.15, 2.8.18 en 2.8.19, op gecontroleerde aflevering, of op de verstrekking van gegevens als bedoeld in de artikelen 2.7.46, voor zover het bevel betrekking heeft op gegevens betreffende bankrekeningen, andere financiële rekeningen, bankoperaties en financiële operaties van andere financiële instellingen, en 2.7.49, geeft de officier van justitie in het Europees onderzoeksbevel de redenen op waarom hij toepassing van de bevoegdheid van belang acht voor de strafzaak. In een bevel dat strekt tot het verstrekken van gegevens als bedoeld in artikel 2.7.46, vierde lid, onderdelen a tot en met d, betreffende bankrekeningen en andere financiële rekeningen wordt informatie verschaft die de uitvoering ervan kan vergemakkelijken.

2. De praktische regeling van de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 2.8.7, 2.8.8, 2.8.15, 2.8.18 en 2.8.19, van de verstrekking van toekomstige gegevens als bedoeld in artikel 2.7.49, en van een gecontroleerde aflevering wordt in onderling overleg tussen de officier van justitie en de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat bepaald.

3. De duur van de uitvoering van een heimelijke bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 2.8.10, 2.8.11, 2.8.12 en 2.8.19, de nadere voorwaarden en de rechtspositie van de betrokken functionarissen tijdens de uitvoering wordt door de officier van justitie in overleg met de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat overeengekomen, in overeenstemming met de Nederlandse wet.

Verwijst naar

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen