Art. 8.5.10 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. De officier van justitie kan een Europees onderzoeksbevel uitvaardigen voor het vastleggen van communicatie als bedoeld in artikel 2.8.13. Indien het bevel door meerdere lidstaten in zijn geheel kan worden uitgevoerd, wordt het bevel gericht aan een van die lidstaten, waarbij voorrang wordt gegeven aan de lidstaat waar de persoon op wie het vastleggen van communicatie betrekking heeft zich bevindt of zal bevinden.

2. Het bevel bevat de volgende informatie:

a. informatie aan de hand waarvan de identiteit van de persoon op wie de interceptie van communicatie betrekking heeft, kan worden vastgesteld;

b. de gewenste duur van de interceptie; en

c. voldoende technische gegevens, in het bijzonder ter bepaling van het doelwit van de interceptie, met het oog op de uitvoering van het bevel.

3. In het bevel wordt aangegeven waarom de interceptie van communicatie van belang wordt geacht voor de strafzaak.

4. De officier van justitie overlegt met de uitvoerende autoriteit over of het bevel wordt uitgevoerd door:

a. rechtstreekse doorgeleiding van communicatie naar Nederland; of

b. vastlegging en vervolgens overdracht van het resultaat van de interceptie aan Nederland.

5. De officier van justitie kan, indien hij daarvoor een bijzondere reden heeft, verzoeken om een transcriptie, decodering of ontsleuteling van de vastgelegde communicatie. Indien de uitvoerende autoriteit daarmee instemt, komen de kosten die voortvloeien uit de transcriptie, decodering of ontsleuteling van de vastgelegde communicatie voor rekening van de Nederlandse autoriteiten.

Verwijst naar

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen