Art. 8.5.27 Wetboek van Strafvordering
1. De officier van justitie kan een Europees onderzoeksbevel uitvoeren dat ziet op de tijdelijke overbrenging van een persoon die in de uitvaardigende lidstaat rechtens zijn vrijheid is ontnomen naar Nederland ter uitoefening van een bevoegdheid voor het verkrijgen van bewijs waarvoor zijn aanwezigheid in Nederland is vereist. Artikel 8.5.26, tweede lid, onderdeel a, en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
2. De overgebrachte persoon wordt gedurende zijn verblijf in Nederland op bevel van de officier van justitie in verzekering gesteld. De artikelen 61 en 64, eerste lid, van de Overleveringswet zijn voor zover nodig van overeenkomstige toepassing.
3. De inverzekeringstelling wordt door de officier van justitie opgeheven zodra hij ervan in kennis wordt gesteld dat de uitvaardigende lidstaat om de vrijlating van de betrokkene heeft verzocht.
4. Onverminderd het tweede lid wordt de overgebrachte persoon in Nederland niet vervolgd, wordt hem zijn vrijheid niet ontnomen en wordt hij niet anderszins aan een beperking van de persoonlijke vrijheid onderworpen wegens feiten die zijn gepleegd of veroordelingen die zijn uitgesproken voordat hij de uitvaardigende lidstaat heeft verlaten en die niet in het bevel zijn vermeld.
5. De in het vierde lid bedoelde onschendbaarheid eindigt indien de overgebrachte persoon gedurende een termijn van vijftien opeenvolgende dagen vanaf de datum waarop zijn aanwezigheid in Nederland niet langer was vereist, de gelegenheid heeft gehad Nederland te verlaten, maar:
a. niettemin is gebleven; of
b. na Nederland te hebben verlaten, is teruggekeerd.
6. De kosten die voortvloeien uit de overbrenging van de betrokkene naar en van Nederland worden door de uitvaardigende lidstaat gedragen.