Art. 8.5.26 Wetboek van Strafvordering
1. De officier van justitie kan een Europees onderzoeksbevel uitvoeren dat ziet op de tijdelijke overbrenging van een persoon die in Nederland rechtens zijn vrijheid is ontnomen, ter uitoefening van een bevoegdheid voor het verkrijgen van bewijs waarvoor de aanwezigheid van die persoon op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat is vereist. De officier van justitie bepaalt de termijn waarbinnen de persoon dient te worden teruggebracht.
2. Behalve op de in artikel 8.5.16 gegeven gronden, kan de uitvoering van het bevel worden geweigerd indien:
a. de betrokkene met de tijdelijke overbrenging niet instemt; of
b. de overbrenging de vrijheidsbeneming van de betrokkene kan verlengen.
3. Onverminderd het tweede lid, onderdeel a, wordt, indien de officier van justitie het in verband met de leeftijd, de lichamelijke of geestelijke gesteldheid van de betrokkene nodig acht, aan diens wettelijk vertegenwoordiger de mogelijkheid geboden zijn oordeel te geven over de tijdelijke overbrenging.
4. De praktische regeling voor de tijdelijke overbrenging van de betrokkene met inbegrip van de specifieke voorwaarden waaronder zijn vrijheidsbeneming in de uitvaardigende lidstaat zal plaatsvinden en de termijnen waarbinnen hij uit Nederland moet worden overgebracht en naar Nederland moet worden teruggebracht, wordt door de officier van justitie en de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat overeengekomen, met inachtneming van de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de betrokkene en het in de uitvaardigende staat vereiste beveiligingsniveau.
5. De betrokkene verblijft op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, van de lidstaat van doortocht, in detentie wegens de feiten ten aanzien waarvan in Nederland zijn vrijheid is ontnomen, tenzij de officier van justitie om zijn vrijlating verzoekt. De officier van justitie verzoekt om de vrijlating van de betrokkene zodra hij ervan in kennis wordt gesteld dat de grond voor vrijheidsbeneming in Nederland niet langer bestaat.
6. De detentie op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat wordt in mindering gebracht op de duur van de vrijheidsbeneming die de betrokkene in Nederland moet of zal moeten ondergaan.
7. De kosten die voortvloeien uit de overbrenging van de betrokkene naar en van de uitvaardigende lidstaat, worden door die lidstaat gedragen.