Art. 8.5.25 Wetboek van Strafvordering
1. De rechter-commissaris kan op vordering van de officier van justitie een Europees onderzoeksbevel uitvoeren dat ertoe strekt een getuige of deskundige die zich op het Nederlands grondgebied bevindt, per videoconferentie te doen horen, verhoren of ondervragen door de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat. Het bevel kan ook betrekking hebben op het horen, verhoren of ondervragen van een verdachte.
2. In aanvulling op de in artikel 8.5.16 genoemde gronden voor weigering van de erkenning of uitvoering, kan de uitvoering van het bevel worden geweigerd, indien:
a. de verdachte die moet worden gehoord, verhoord of ondervraagd niet instemt met de videoconferentie; of
b. de uitvoering in een concrete zaak strijdig is met de grondbeginselen van het Nederlandse recht.
3. De praktische regeling voor toepassing van de videoconferentie wordt door de rechter-commissaris overeengekomen met de uitvaardigende autoriteit. De rechter-commissaris draagt in dit kader, met overeenkomstige toepassing van de bepalingen die op grond van dit wetboek gelden voor het horen, verhoren of ondervragen van een getuige, deskundige of verdachte door de rechter-commissaris, zorg voor:
a. het oproepen van de getuige of deskundige;
b. het oproepen van de verdachte, waarbij de verdachte wordt gewezen op zijn rechten volgens het recht van de uitvaardigende staat, op een tijdstip dat het hem mogelijk maakt zijn rechten op verdediging daadwerkelijk uit te oefenen;
c. de vaststelling van de identiteit van de persoon die moet worden gehoord, verhoord of ondervraagd.
4. Met betrekking tot verhoor of ondervraging per videoconferentie gelden de volgende voorschriften:
a. de rechter-commissaris is aanwezig tijdens het verhoor of de ondervraging, indien nodig bijgestaan door een tolk, en heeft tot taak de identiteit van de te horen, te verhoren of te ondervragen persoon vast te stellen en erop toe te zien dat de grondbeginselen van het Nederlandse recht in acht worden genomen. Indien de rechter-commissaris van oordeel is dat die beginselen tijdens het verhoor of de ondervraging worden geschonden, treft hij direct de nodige maatregelen opdat het verhoor of de ondervraging verder met inachtneming van deze beginselen verloopt;
b. de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat en de rechter-commissaris komen indien nodig maatregelen ter bescherming van de te horen, verhoren of ondervragen persoon overeen;
c. het verhoor of de ondervraging wordt rechtstreeks door of onder leiding van de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat overeenkomstig het recht van die lidstaat afgenomen;
d. op verzoek van de uitvaardigende lidstaat of van de te horen, verhoren of ondervragen persoon wordt die persoon bijgestaan door een tolk;
e. de verdachte wordt voorafgaand aan het verhoor of de ondervraging in kennis gesteld van zijn rechten die hem naar Nederlands recht en naar het recht van de uitvaardigende lidstaat toekomen. Getuigen en deskundigen kunnen zich beroepen op het verschoningsrecht neergelegd in Boek 1, Titel 6.2 en 6.3, evenals op het verschoningsrecht dat hen toekomt op basis van het recht van de uitvaardigende lidstaat, en worden daarvan voorafgaand aan het verhoor of de ondervraging in kennis gesteld.
5. Met inachtneming van de maatregelen die ter bescherming van personen zijn overeengekomen, stelt de rechter-commissaris na afloop van het verhoor of de ondervraging een proces-verbaal op, waarin worden vermeld de datum en de plaats van het verhoor of de ondervraging, de identiteit van de verhoorde persoon, de identiteit en de hoedanigheid van alle andere personen die in de uitvoerende staat aan het verhoor of de ondervraging hebben deelgenomen, eventuele beëdigingen en de technische omstandigheden waaronder het verhoor of de ondervraging heeft plaatsgevonden.
6. De artikelen 2.10.26, eerste lid, 2.10.27 in samenhang met artikel 2.10.14, 2.10.30, 2.10.34 tot en met 2.10.38 zijn van overeenkomstige toepassing.