Art. 8.5.23 Wetboek van Strafvordering
1. De officier van justitie stelt de resultaten van de uitvoering van het Europees onderzoeksbevel zo spoedig mogelijk ter beschikking aan de uitvaardigende autoriteit. Indien een klaagschrift als bedoeld in artikel 8.5.35, eerste lid, is ingediend of nog kan worden ingediend binnen de in dat artikellid genoemde termijn, dan wel overeenkomstig artikel 2.7.71, eerste lid, beroep is ingesteld of nog kan worden ingesteld, vindt de overdracht van de daarop betrekking hebbende resultaten pas plaats nadat onherroepelijk is beslist op het klaagschrift of het beroep dan wel nadat de in artikel 8.5.35, eerste lid, genoemde termijn of de termijn voor indiening van het beroep ongebruikt is verstreken.
2. De officier van justitie kan bij de afgifte aan de uitvaardigende autoriteit bedingen dat over te dragen bewijsmateriaal zal worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.
3. In afwijking van het eerste lid kan, indien de uitvaardigende autoriteit voldoende heeft gemotiveerd dat een onmiddellijke overdracht essentieel is voor het goede verloop van het onderzoek of voor de bescherming van de individuele rechten, aan de uitvaardigende autoriteit bewijsmateriaal verkregen ter uitvoering van het bevel ter beschikking worden gesteld, indien en voor zover dit geen ernstige en onomkeerbare schade toebrengt aan de belangen van de belanghebbende. De terbeschikkingstelling vindt plaats onder de voorwaarden dat:
a. het Nederlandse recht ten aanzien van de voorwerpen en gegevens volledig wordt gerespecteerd;
b. de voorwerpen en gegevens niet als bewijsmiddel worden gebruikt.
4. De in het derde lid bedoelde voorwaarden worden opgeheven wanneer onherroepelijk is beslist op het klaagschrift of het beroep dan wel nadat de in artikel 8.5.35, eerste lid, genoemde termijn of de termijn voor indiening van het beroep ongebruikt is verstreken.
5. Indien de over te dragen resultaten van belang zijn voor andere procedures, kan de officier van justitie op uitdrukkelijk verzoek van en na overleg met de uitvaardigende autoriteit, bewijsmateriaal ter beschikking stellen aan de uitvaardigende autoriteit onder de voorwaarde dat het wordt teruggezonden wanneer de uitvaardigende autoriteit dat niet meer nodig heeft, dan wel op een ander door de bevoegde autoriteiten afgesproken tijdstip.
6. Artikel 2.1.18, tweede lid, is niet van toepassing voor zover de desbetreffende gegevens aan de andere staat zijn afgegeven.