Art. 8.5.32 Wetboek van Strafvordering
1. De officier van justitie beslist zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen een dag na ontvangst, over de erkenning en uitvoering van een Europees onderzoeksbevel dat strekt tot het treffen van een voorlopige maatregel ter voorkoming van de vernietiging, omzetting, verplaatsing, overdracht of vervreemding van voorwerpen en gegevens die als bewijsmateriaal kunnen worden gebruikt. Van de beslissing wordt de uitvaardigende autoriteit direct in kennis gesteld.
2. De officier van justitie kan na overleg met de uitvaardigende autoriteit, naargelang de omstandigheden, passende voorwaarden stellen om de duur van de in het eerste lid bedoelde voorlopige maatregel te beperken. Indien de officier van justitie, overeenkomstig deze voorwaarden, overweegt om de voorlopige maatregel op te heffen, stelt hij de uitvaardigende autoriteit daarvan in kennis en geeft hij haar de gelegenheid opmerkingen te maken alvorens tot opheffing over te gaan.