Art. 8.3.2 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. In het kader van het onderzoek kunnen door de officier van justitie, de hulpofficier van justitie, de opsporingsambtenaar en de rechter-commissaris de bevoegdheden worden uitgeoefend die zij kunnen uitoefenen in een Nederlands onderzoek naar dezelfde strafbare feiten.

2. Buitenlandse opsporingsambtenaren die deel uitmaken van het gemeenschappelijke onderzoeksteam kunnen in Nederland geen andere bevoegdheden uitoefenen dan die welke zij kunnen toepassen op grond van de tussen de bij het gemeenschappelijke onderzoeksteam betrokken staten geldende verdragen, verbindende rechtshandelingen van de Europese Unie en de Nederlandse wet.

3. De bevoegdheidsuitoefening in Nederland blijft binnen de grenzen die daaraan in een Nederlands onderzoek zijn gesteld en vindt plaats met inachtneming van de bepalingen die op een vergelijkbaar Nederlands onderzoek betrekking hebben.

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen