Art. 8.2.24 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. Indien door een andere staat gevolg is gegeven aan een door de officier van justitie of de rechter-commissaris gedaan verzoek om rechtshulp dat betrekking heeft op de inbeslagneming van voorwerpen dan wel het overnemen van gegevens, bevelen gegevens te verstrekken, het ontoegankelijk maken van gegevens of bevelen tot het bewaren en beschikbaar houden van gegevens, zijn de artikelen 6.4.1, 6.4.4, 6.4.5, 6.4.6, 6.4.7, 6.4.9, eerste lid, 6.4.11 en 6.4.14 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat alleen geklaagd kan worden over het verzoek en de voortduring van het daaraan gegeven gevolg.

2. Indien onbekend is of berechting zal plaatsvinden zijn, in afwijking van artikel 6.4.1, derde lid, bevoegd om over het klaagschrift te oordelen:

a. als het rechtshulpverzoek is gedaan door de rechter-commissaris of de officier van justitie bij een arrondissementsparket: de rechtbank van het desbetreffende arrondissement;

b. als het rechtshulpverzoek is gedaan door de officier van justitie bij het landelijk parket, het functioneel parket of het parket centrale verwerking openbaar ministerie: de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Den Haag, de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel en de rechtbank Rotterdam.

3. Indien de rechter het beklag gegrond acht, geeft de officier van justitie daaraan zoveel mogelijk het daarmee overeenkomende gevolg.

4. Indien een belanghebbende zich in de uitvoerende staat beklaagt over de inwilliging en de uitvoering van het verzoek en de officier van justitie of de rechter-commissaris hiervan door de uitvoerende autoriteit in kennis wordt gesteld, kan hij deze autoriteit de nodige inlichtingen over het verzoek verschaffen.

Verwijst naar

Artikelen die hiernaar verwijzen

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen