Art. 7.3.7 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. De officier van justitie kan voorwaardelijke invrijheidstelling verlenen:

a. aan de veroordeelde tot vrijheidsstraf van meer dan een jaar en ten hoogste twee jaar wanneer de vrijheidsbeneming ten minste een jaar heeft geduurd en van het alsdan nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf een derde gedeelte is ondergaan;

b. aan de veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaar wanneer twee derde gedeelte daarvan is ondergaan, met dien verstande dat de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend niet langer kan zijn dan twee jaar.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

a. de rechter heeft bepaald dat een gedeelte van de vrijheidsstraf niet zal worden tenuitvoergelegd;

b. de rechtbank heeft gelast dat de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf of een gedeelte daarvan alsnog wordt tenuitvoergelegd;

c. de veroordeelde een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

3. Onder de straftijd wordt begrepen de tijd die door de veroordeelde in het buitenland in verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie is doorgebracht op grond van een Nederlands verzoek om overlevering of uitlevering, tenzij die tijd met toepassing van artikel 2.5.24, derde lid, laatste zin, al in mindering is gebracht op een andere vrijheidsstraf die de veroordeelde heeft ondergaan.

4. Bij de beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:

a. de mate waarin en de wijze waarop de veroordeelde door zijn gedrag heeft doen blijken van een bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving;

b. de mogelijkheden om eventuele aan de invrijheidstelling verbonden risico’s te beperken en beheersen;

c. de belangen van slachtoffers en andere relevante personen, waaronder de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de door het strafbare feit veroorzaakte schade te vergoeden.

5. De directeur van de inrichting en de reclasseringsinstelling adviseren de officier van justitie over het al dan niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling en over de daarbij te stellen bijzondere voorwaarden.

Verwijst naar

Artikelen die hiernaar verwijzen

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen