Art. 7.3.8 Wetboek van Strafvordering
1. Uiterlijk een maand voor het tijdstip, bedoeld in artikel 7.3.7, eerste lid, stelt de officier van justitie de veroordeelde in kennis van zijn gemotiveerde beslissing over het al dan niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling. De beslissing kan ook inhouden dat een beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld met ten hoogste zes maanden. De kennisgeving wordt betekend aan de veroordeelde.
2. Indien geen voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, kan de veroordeelde na zes maanden verzoeken om alsnog voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld. De officier van justitie beslist binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek en stelt de veroordeelde in kennis van zijn gemotiveerde beslissing. De kennisgeving wordt betekend aan de veroordeelde. Indien alsnog voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, bepaalt de officier van justitie de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Indien na het verzoek opnieuw geen voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, zijn de vorige zinnen van overeenkomstige toepassing.