Art. 7.3.10 Wetboek van Strafvordering
1. De proeftijd gaat in op de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De proeftijd is gelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, maar bedraagt ten minste een jaar.
2. De rechtbank kan op vordering van de officier van justitie de proeftijd eenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen.
3. De rechtbank kan op vordering van de officier van justitie de proeftijd telkens met ten hoogste twee jaar verlengen indien ernstig rekening ermee wordt gehouden dat de veroordeelde die niet ter beschikking is gesteld en aan wie geen maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking is opgelegd opnieuw een misdrijf zal begaan waarvoor een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan worden opgelegd, of indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag van die veroordeelde jegens slachtoffers of getuigen.
4. De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.