Art. 7.3.15 Wetboek van Strafvordering
1. De veroordeelde kan een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank tegen de beslissing van de officier van justitie tot:
a. het niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling;
b. het uitstellen van een beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling;
c. herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
2. Het bezwaarschrift is gemotiveerd en wordt ingediend binnen twee weken na de betekening van de kennisgeving van de beslissing.
3. Indien meerdere vrijheidsstraffen aaneensluitend worden tenuitvoergelegd, is tot kennisneming van het bezwaarschrift bevoegd de rechtbank die in eerste aanleg heeft geoordeeld over het feit waarvoor de langste onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd. Bij straffen van gelijke lengte zijn de rechtbanken gelijkelijk bevoegd.
4. Het onderzoek op de zitting vindt zo spoedig mogelijk plaats. De rechtbank beoordeelt of de officier van justitie bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.
5. De rechtbank verklaart het bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond dan wel gegrond. Acht de rechtbank het bezwaarschrift gegrond, dan bepaalt zij het tijdstip waarop de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld of de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt hervat. De rechtbank kan daarbij adviseren over de te stellen bijzondere voorwaarden.