Art. 7.1.8 Wetboek van Strafvordering
1. De tenuitvoerleggingstermijn gaat in op de dag na die waarop de strafrechtelijke beslissing kan worden tenuitvoergelegd.
2. De tenuitvoerleggingstermijn loopt niet gedurende de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging en gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen of uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is.
3. Bij ongeoorloofde afwezigheid van een veroordeelde die zijn straf of maatregel ondergaat in een inrichting of instelling, begint voor die straf of maatregel een nieuwe tenuitvoerleggingstermijn op de dag na die waarop de ongeoorloofde afwezigheid aanving. Bij herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling begint een nieuwe tenuitvoerleggingstermijn op de dag na die van de herroeping.
4. Indien een geldelijke straf of maatregel is opgelegd en in de strafrechtelijke beslissing is bepaald dat het bedrag in gedeelten mag worden voldaan, dan wel Onze Minister uitstel van betaling heeft verleend of betaling in termijnen heeft toegestaan, wordt de tenuitvoerleggingstermijn verlengd met zes jaar.
5. De tenuitvoerleggingstermijn loopt ten aanzien van veroordelingen tot betaling als bedoeld in artikel 358, vierde lid, onderdelen a tot en met c, van de Faillissementswet niet gedurende de tijd dat de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is op de veroordeelde.
6. De tenuitvoerleggingstermijn loopt ten aanzien van geldsommen, tot betaling waarvan de veroordeelde op grond van een strafrechtelijke beslissing is verplicht, niet gedurende de tijd dat op grond van artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening een afkoelingsperiode is afgekondigd voor de veroordeelde.