Art. 59 Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
1. De directeur kan een vreemdeling in de gelegenheid stellen om onder door hem te stellen voorwaarden de inrichting te verlaten:
a. in geval van incidenteel verlof onder toezicht op verzoek van de vreemdeling vanwege voor hem ingrijpende gebeurtenissen;
b. op verzoek van Onze Minister of van een ambtenaar als bedoeld in artikel 47 van de Vreemdelingenwet 2000 met het oog op terugkeeractiviteiten;
c. in verband met te ontvangen zorg als bedoeld in artikel 25;
d. teneinde een gerechtelijke procedure bij te wonen indien de vreemdeling krachtens wettelijk voorschrift verplicht is voor een rechter of bestuursorgaan te verschijnen of bij het bijwonen van de procedure een aanmerkelijk belang heeft en tegen het verlaten van de inrichting hiertoe geen overwegend bezwaar bestaat.
2. Met het oog op het verlaten van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, kan de directeur aan daartoe door hem aangewezen ambtenaren of medewerkers bevelen dat de betrokken persoon naar de daartoe bestemde plaats wordt overgebracht.
3. Het verlaten van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, schort de tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring niet op.