Art. 99 Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring

Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring

De Vreemdelingenwet 2000 wordt als volgt gewijzigd:

kwetsbare personen: personen zoals gedefinieerd in artikel 21 van de Opvangrichtlijn;

niet-begeleide minderjarige: een persoon zoals gedefinieerd in artikel 2, onder e, van de Opvangrichtlijn;

Een wijziging van artikel 2, onder e, of 21 van de Opvangrichtlijn gaat voor de toepassing van de definities in het eerste lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven.

De artikelen 58, tweede en derde lid, en 58a zijn van overeenkomstige toepassing

Onze Minister kan de maatregel, bedoeld in het eerste en tweede lid, opleggen aan de vreemdeling wiens aanvraag als bedoeld in artikel 28 is afgewezen, indien:

a. er een risico op onttrekking bestaat, of

b. de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

c. de directeur van een inrichting voor vreemdelingenbewaring waar de vreemdeling verblijft op grond van artikel 6 of 6a;.

Een persoon mag worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor en vervolgens aldaar worden opgehouden, indien:

a. de identiteit van een persoon niet onmiddellijk kan worden vastgesteld; of

b. de identiteit onmiddellijk kan worden vastgesteld en blijkt dat de persoon geen rechtmatig verblijf heeft, dan wel rechtmatig verblijf niet onmiddellijk blijkt.

De ophouding, bedoeld in het tweede lid, duurt ten hoogste negen uur en is gericht op identiteitsvaststelling, het bepalen van de verblijfsrechtelijke status van betrokkene en de afweging om al dan niet vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 59 toe te passen. De tijd tussen middennacht en negen uur voormiddags wordt hierbij niet meegerekend.

Indien nog grond bestaat voor het vermoeden dat de opgehouden persoon geen rechtmatig verblijf heeft, kan de in het derde lid bedoelde termijn door de Commandant der Koninklijke marechaussee respectievelijk de korpschef in het belang van het onderzoek met ten hoogste vierentwintig uur worden verlengd.

De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd de opgehouden persoon aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zaken van deze persoon te doorzoeken.

De in het eerste lid bedoelde ambtenaren hebben de bevoegdheden, bedoeld in het vijfde lid, eveneens ten aanzien van een in vreemdelingenbewaring gestelde vreemdeling, voor zover dit noodzakelijk is voor het verkrijgen van informatie omtrent de identiteit, de nationaliteit en de verblijfsrechtelijke positie van de desbetreffende vreemdeling.

In geval van terugkeer kan het reis- of identiteitspapier worden overgedragen aan de gezagvoerder van de vlucht waarmee de vreemdeling vertrekt naar het land waar de toelating gewaarborgd is.

De ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen kunnen van de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft en die niet binnen de bij deze wet gestelde termijn Nederland uit eigen beweging heeft verlaten, medewerking vorderen aan het vertrek uit Nederland. Zo nodig oefenen de ambtenaren, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder c, deze bevoegdheid uit met behulp van de sterke arm.

Onverminderd artikel 61, tweede lid, kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft en die niet binnen de bij deze wet gestelde termijn Nederland uit eigen beweging heeft verlaten, worden uitgezet.

Verwijst naar

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen