Art. 50 Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
1. De directeur is bevoegd een vreemdeling in afzondering te plaatsen indien dit:
a. in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming noodzakelijk is; of
b. ter bescherming van de betrokken vreemdeling noodzakelijk is.
2. De afzondering duurt ten hoogste twee weken.
3. De afzondering wordt ten uitvoer gelegd in een afzonderingsruimte of in een andere verblijfsruimte. Gedurende het verblijf in afzondering neemt de vreemdeling niet deel aan activiteiten, voor zover de directeur niet anders bepaalt en behoudens het dagelijks verblijf in de buitenlucht, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onder e, of artikel 36, tweede lid, onder d. De directeur kan het contact met de buitenwereld gedurende het verblijf in de afzonderingsruimte beperken of uitsluiten.
4. De directeur kan de afzondering, bedoeld in het eerste lid, telkens voor ten hoogste één week verlengen, indien hij tot het oordeel is gekomen dat de noodzaak tot afzondering nog bestaat.
5. Indien onverwijlde tenuitvoerlegging van de afzondering, bedoeld in het eerste lid, geboden is, kan een ambtenaar of medewerker een vreemdeling voor een periode van ten hoogste vijftien uren in afzondering plaatsen. De directeur wordt van deze plaatsing onverwijld op de hoogte gesteld.
6. De directeur draagt zorg dat in geval van afzondering het nodige contact tussen ambtenaren en medewerkers van de inrichting en de vreemdeling wordt gewaarborgd en naar aard en frequentie op de situatie van de vreemdeling wordt afgestemd.
7. De directeur draagt zorg dat, ingeval de afzondering langer dan vierentwintig uren duurt en ten uitvoer wordt gelegd in een afzonderingsruimte, de rechtsbijstandverlener van de vreemdeling, de commissie van toezicht en de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger terstond hiervan in kennis worden gesteld.
8. Onze Minister stelt nadere regels omtrent het verblijf in en de inrichting van de afzonderingsruimte. Deze betreffen in elk geval de rechten die tijdens het verblijf in de afzonderingsruimte aan de vreemdeling toekomen.