Art. 45 Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
1. De directeur is met het oog op het handhaven van de orde en veiligheid in de inrichting en de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring bevoegd van een vreemdeling vingerafdrukken af te nemen en een gezichtsopname te maken.
2. In de gevallen waarin van de vreemdeling eerder overeenkomstig de Vreemdelingenwet 2000 vingerafdrukken zijn genomen en verwerkt is de directeur bevoegd een vergelijking te maken met de van de vreemdeling verwerkte vingerafdrukken, teneinde de identiteit van de vreemdeling te verifiëren bij eerste binnenkomst van de vreemdeling in de inrichting.
3. Teneinde de identiteit van de vreemdeling te verifiëren anders dan op grond van het tweede lid is de directeur bevoegd vingerafdrukken van de vreemdeling af te nemen en deze te vergelijken met de op grond van het eerste lid afgenomen vingerafdrukken in de volgende gevallen:
a. voorafgaand aan en na afloop van bezoek, tenzij dit bezoek plaatsvindt met direct visueel en geïndividualiseerd toezicht op de persoon van de vreemdeling en de bezoeker;
b. bij elke binnenkomst en telkens bij het verlaten van de inrichting.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor het verwerken van de persoonsgegevens, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.