Art. 14 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa, Vertegenwoordigers bij de Raadgevende Vergadering
Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
Vertegenwoordigers bij de Raadgevende Vergadering en hun plaatsvervangers zullen vrijgesteld zijn van alle officiële ondervragingen en van arrestatie en gerechtelijke vervolging naar aanleiding van door hen gesproken woorden of door hen uitgebrachte stemmen in de uitoefening van hun functie.
Vorige artikelen
- Artikel 9 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 10 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 11 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 12 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 13 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
Volgende artikelen
- Artikel 15 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 16 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 17 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 18 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 19 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa