Art. 11 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa, Vertegenwoordigers der Leden in het Comité van Ministers
Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
Voorrechten en immuniteiten worden aan de vertegenwoordigers der Leden niet toegekend voor het persoonlijk voordeel van deze individuele vertegenwoordigers, doch ten einde de onafhankelijke uitoefening van hun functie in verband met het Comité van Ministers te verzekeren. Derhalve heeft een Lid niet alleen het recht, maar tevens de plicht afstand te doen van de immuniteit van zijn vertegenwoordiger, telkens wanneer naar het oordeel van het Lid de immuniteit de loop der gerechtigheid in de weg zou staan, en van de immuniteit afstand kan worden gedaan, zonder dat inbreuk wordt gemaakt op het doel, waarvoor de immuniteit wordt toegekend.
Vorige artikelen
- Artikel 6 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 7 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 8 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 9 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 10 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
Volgende artikelen
- Artikel 12 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 13 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 14 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 15 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa
- Artikel 16 Algemeen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Raad van Europa