Art. 17 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Openingen boven machineruimten
Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
1. Openingen boven machineruimten op plaatsen van categorie 1 en 2 moeten rondom naar behoren versterkt en op doeltreffende wijze door stalen schachten van ruim voldoende sterkte omsloten zijn; wanneer de schachten niet door andere constructies beschermd zijn, moet bijzondere aandacht aan de sterkte ervan worden besteed. De toegangsopeningen in deze schachten moeten zijn voorzien van deuren die voldoen aan de eisen van voorschrift 12, lid 1; de drempels moeten een hoogte van ten minste 600 mm boven het dek hebben op plaatsen van categorie 1 en van ten minste 380 mm boven het dek op plaatsen van categorie 2. Andere openingen in zulke schachten moeten zijn voorzien van gelijkwaardige afsluitmiddelen, die blijvend zijn bevestigd op de juiste plaats.
2. Wanneer schachten boven een machineruimte niet door andere structuren worden beschermd, zijn dubbele deuren (bijvoorbeeld binnen- en buitendeuren die voldoen aan de eisen van voorschrift 12, lid 1, vereist voor schepen voor welke een vrijboord wordt vastgesteld van minder dan het op tabel 28.2 van voorschrift 28 gebaseerde vrijboord. Er moet een binnendrempel van 230 mm in combinatie met een buitendrempel van 600 mm worden voorzien.
3. Hoofden van luchtroosters boven ketelruimen, van schoorstenen of van luchtkokers in machineruimten op blootgestelde plaatsen op het vrijboord- of bovenbouwdek moeten zo hoog boven dit het dek uitsteken als redelijk en praktisch uitvoerbaar is. In het algemeen moeten luchtkokers die in permanente verbinding met de machineruimten moeten staan hoofden van voldoende hoogte hebben om te voldoen aan voorschrift 19, lid 3, zonder dat het nodig is waterdichte afsluitmiddelen aan te brengen. Luchtkokers die in permanente verbinding met de noodgeneratorkamer moeten staan, moeten, indien deze volgens de stabiliteitsberekening over drijfvermogen beschikt of een naar beneden leidende opening beschermt, hoofden van voldoende hoogte hebben om te voldoen aan voorschrift 19, lid 3, zonder dat het nodig is waterdichte afsluitmiddelen aan te brengen.
4. Wanneer een en ander als gevolg van de omvang en inrichting van een schip niet praktisch uitvoerbaar is, mogen geringere hoogten voor hoofden van machineruimten en noodgeneratorkamers, voorzien van waterdichte afsluitmiddelen in overeenstemming met voorschrift 19, lid 4, door de Administratie worden toegestaan in combinatie met andere geschikte voorzieningen ter waarborging van een ononderbroken, deugdelijke ventilering van deze ruimten.
5. Openingen boven ketelruimen moeten worden uitgerust met stevige deksels van staal of van een ander gelijkwaardig materiaal die blijvend op de juiste plaats zijn aangebracht en waterdicht kunnen worden afgesloten.
Vorige artikelen
- Artikel 13 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 14 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 14-1 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 15 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 16 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
Volgende artikelen
- Artikel 18 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 19 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 20 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 21 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966
- Artikel 22 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966