Art. 1 Wgt, Inleidende bepalingen
Wet inzake de geldtransactiekantoren (Wgt)
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. geldtransactiekantoor: de natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een derde geldtransacties uitvoert, dan wel beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming daarvan;
b. derde: de natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die geen onderdeel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat indien een natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap:
1°. via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur invloed kan uitoefenen op een of meer andere natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen; of
2°. in een of meer andere rechtspersonen of vennootschappen een deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel, voorzover het natuurlijke personen betreft, een met een deelneming overeenkomende positie, die natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap tezamen met die andere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap dan wel natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen wordt aangemerkt als groep;
c. geldtransactie:
1°. het wisselen van munten of bankbiljetten;
2°. het uitbetalen van munten of bankbiljetten op vertoon van een creditcard, tegen inlevering van een of meer cheques of tegen inlevering van een of meer onderdelen van het couponblad van een waardepapier aan toonder tegen inlevering waarvan de rente op dit waardepapier kan worden geïnd;
3°. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere verwante activiteit;
d. register: het openbare register van geldtransactiekantoren dat door de zorg van Onze Minister wordt gehouden;
e. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
f. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van meer dan 5 procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van meer dan 5 procent van de stemrechten in een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of instelling.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Rotterdam 21 november 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AU7130
- Conclusie A-G Bleichrodt 8 juli 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1879
- Rb. Rotterdam 9 april 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BC9978
- Rb. Amsterdam 12 maart 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW0029
- Hof Den Haag 18 oktober 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2339
- Hof Amsterdam 5 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4068
- Rb. Rotterdam 25 februari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BZ2467
- Rb. Rotterdam 9 april 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BC9982
- Rb. Rotterdam 9 april 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BC9951
- Rb. Rotterdam 28 februari 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AW0607
- Rb. Rotterdam 3 februari 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AV1602
- Rb. Rotterdam 20 januari 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AV0213
- Rb. Rotterdam 17 juni 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AT8808
- Rb. Rotterdam 25 oktober 2004, ECLI:NL:RBROT:2004:AR4536
- Rb. Rotterdam 13 februari 2004, ECLI:NL:RBROT:2004:AO7448
- Rb. Rotterdam 9 juli 2003, ECLI:NL:RBROT:2003:AR5002
- Rb. Overijssel 12 december 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:6930
- Rb. Midden-Nederland 11 juni 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2524
- Conclusie 12 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1229
- Conclusie A-G Hofstee 12 juli 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ4199