Art. 9 Verordening (EU) 2016/2336, Specifieke vereisten voor de bescherming van VME's
1. Dit artikel is van toepassing op visserijactiviteiten met bodemvistuig beneden een diepte van 400 meter.
2. Indien de hoeveelheid VME-indicatoren, als omschreven in bijlage III, tijdens de visserijactiviteiten de in bijlage IV vastgelegde drempels overschrijdt, wordt verondersteld dat een VME is aangetroffen. Het vissersvaartuig staakt onmiddellijk de visserijactiviteiten in het betrokken gebied. De activiteiten worden pas hervat wanneer een alternatief gebied is bereikt op minimaal vijf zeemijl afstand van het gebied waar het VME werd aangetroffen.
3. Het vissersvaartuig meldt elk aangetroffen VME onmiddellijk aan de bevoegde nationale autoriteiten, die onverwijld de Commissie in kennis stellen.
4. De lidstaten gebruiken de beste beschikbare wetenschappelijke en technische informatie, met inbegrip van biogeografische gegevens en de in lid 3 bedoelde gegevens, om na te gaan waar kwetsbare VME's voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen. Daarnaast beoordeelt het bevoegde wetenschappelijk adviesorgaan op verzoek van de Commissie jaarlijks in welke gebieden VME's voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen.
Die beoordeling wordt verricht volgens de normen in de internationale richtsnoeren voor het beheer van diepzeevisserij op volle zee van de FAO uit 2008, onder toepassing van de voorzorgsbenadering op het visserijbeheer als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, en wordt openbaar gemaakt.
5. Indien op basis van de in lid 4 bedoelde procedure gebieden zijn geïdentificeerd waarin VME's voorkomen of waarschijnlijk voorkomen, stellen de lidstaten en het bevoegde wetenschappelijk adviesorgaan de Commissie daarvan tijdig in kennis.
6. Uiterlijk op 13 januari 2018 stelt de Commissie op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke en technische informatie en op basis van de beoordelingen en vaststellingen van de lidstaten en het wetenschappelijk adviesorgaan, uitvoeringshandelingen vast met het oog op het vastleggen van een lijst van gebieden waar VME's voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen. De Commissie evalueert de lijst jaarlijks op basis van het advies van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij en wijzigt de lijst in voorkomend geval door middel van uitvoeringshandelingen. De Commissie kan een gebied van de lijst schrappen mits zij, op basis van een effectbeoordeling en na raadpleging van het bevoegde wetenschappelijk adviesorgaan, vaststelt dat er voldoende aanwijzingen zijn voor het feit dat er zich in dat gebied geen VME's bevinden, of dat er passende instandhoudings- en beheersmaatregelen zijn getroffen om aanzienlijke nadelige gevolgen voor VME's in dat gebied te voorkomen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 18 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
7. De Commissie kan de VME-indicatoren op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke informatie evalueren en zij wordt gemachtigd de lijst in bijlage III overeenkomstig artikel 17 door middel van gedelegeerde handelingen te wijzigen.
8. Er moeten nieuwe effectbeoordelingen worden verricht indien zich aanzienlijke veranderingen voordoen in de technieken voor het vissen met bodemvistuig, of indien uit nieuwe wetenschappelijke informatie blijkt dat er in een bepaald gebied VME's aanwezig zijn.
9. Vissen met bodemvistuig is verboden in alle overeenkomstig lid 6 op de lijst geplaatste gebieden.