Gerecht EU 11 juni 2025, T-781/22, ECLI:EU:T:2025:591
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid)
11 juni 2025 ( *1 )
„Gemeenschappelijk visserijbeleid – Artikel 9 van verordening (EU) 2016/2336 – Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1614 – Methoden en criteria voor de bepaling van gebieden waar kwetsbare mariene ecosystemen voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen – Vaststelling van een lijst van gebieden waarvan bekend is of waarschijnlijk is dat er kwetsbare mariene ecosystemen voorkomen – Instelling van beschermingszones – Exceptie van onwettigheid – Evenredigheid”
In zaak T‑781/22,
Madre Querida, SL, gevestigd te Burela (Spanje), en de overige verzoeksters wier namen zijn opgenomen in de bijlage ( 1 ), vertegenwoordigd door Á. Givaja Sanz, A. Lamadrid de Pablo en V. Romero Algarra, advocaten,
verzoeksters,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis en M. J. Ruiz Sánchez als gemachtigden,
en door
Comunidad Autónoma de Galicia, vertegenwoordigd door A. Givaja Sanz, A. Lamadrid de Pablo en V. Romero Algarra,
interveniënten,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Dawes en I. Galindo Martín als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Europees Parlement, vertegenwoordigd door I. Terwinghe, C. Ionescu Dima en C. Burgos als gemachtigden,
en door
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door L. Hamtcheva, F. Naert en G. Rugge als gemachtigden,
interveniënten,
wijst
HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, K. Kowalik-Bańczyk, E. Buttigieg, I. Dimitrakopoulos (rapporteur) en B. Ricziová, rechters,
griffier: P. Nuñez Ruiz, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 4 juli 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoeksters, Madre Querida, SL en de overige rechtspersonen wier namen zijn opgenomen in de bijlage, in wezen nietigverklaring van artikel 2 van en bijlage II bij uitvoeringsverordening (EU) 2022/1614 van de Commissie van 15 september 2022 tot bepaling van de bestaande diepzeevisserijgebieden en tot vaststelling van een lijst van gebieden waar kwetsbare mariene ecosystemen voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen (PB 2022, L 242, blz. 1; hierna: „bestreden uitvoeringsverordening”).
I. Voorgeschiedenis van het geding
2 Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en besluit 2004/585/EG van de Raad (PB 2013, L 354, blz. 22) stelt met name de doelstellingen en beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) vast. Zij voorziet onder meer in de vaststelling van maatregelen voor de instandhouding en de duurzame exploitatie van de biologische rijkdommen van de zee.
3 Verordening (EU) 2016/2336 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de visserij op diepzeebestanden in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan, tot vaststelling van bepalingen voor de visserij in de internationale wateren van het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan en tot intrekking van verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad (PB 2016, L 354, blz. 1; hierna:„basisverordening”) heeft tot doel bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van verordening nr. 1380/2013 met betrekking tot diepzeesoorten en ‑habitats, namelijk ervoor zorgen dat de visserijactiviteiten uit ecologisch oogpunt langdurig duurzaam zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid alsmede bij te dragen tot de voedselzekerheid.
4 Artikel 7, lid 1, van de basisverordening bepaalt dat uiterlijk op 13 juli 2017 de lidstaten voor de vaartuigen waarvoor overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de toegang tot diepzeebestanden en bij de visserij daarop in acht te nemen voorschriften (PB 2002, L 351, blz. 6) een diepzeevisdocument is toegekend en voor zover het betrekking heeft op visserijactiviteiten van vaartuigen die in elk kalenderjaar meer dan 10 ton vangen, de Europese Commissie in kennis stellen van de plaatsen waar deze vaartuigen tijdens de referentiejaren 2009‑2011 op diepzeesoorten hebben gevist; zij doen dat door middel van aangiften uit het satellietvolgsysteem (VMS) of, indien VMS-aangiften niet beschikbaar zijn, door middel van andere relevante en verifieerbare informatie.
5 Artikel 9, lid 6, van de basisverordening bepaalt dat de Commissie uitvoeringshandelingen vaststelt met het oog op het vastleggen van een lijst van gebieden waar kwetsbare mariene ecosystemen (hierna: „VME’s”) voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen. Volgens artikel 9, lid 9, van die verordening is vissen met bodemvistuig verboden in alle overeenkomstig lid 6 op de lijst geplaatste gebieden.
6 In april 2017 heeft de Commissie een oproep tot het indienen van gegevens gedaan ingevolge artikel 7, lid 1, van de basisverordening. Naar aanleiding van die oproep hebben de lidstaten VMS-aangiften en andere relevante en verifieerbare gegevens ingediend over de plaatsen waar de betrokken vaartuigen tijdens de referentiejaren 2009‑2011 op diepzeesoorten hebben gevist.
7 In juli 2017 heeft de Commissie, op basis van de door de lidstaten ingediende gegevens, de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) verzocht een advies uit te brengen met het oog op de bepaling van de bestaande diepzeevisserijgebieden en de vaststelling van een lijst van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen.
8 Op 5 januari 2021 heeft de ICES, na van de lidstaten aanvullende VME‑ en VMS-gegevens te hebben verkregen voor een periode tot en met 2018, en voor bepaalde gegevens zelfs tot en met 2020, een advies uitgebracht waarin de bestaande diepzeevisserijgebieden voor bodemvistuig op een diepte tussen 400 en 800 meter zijn bepaald en een lijst is opgenomen van de gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen (hierna: „ICES-advies van 2021”).
9 Op 17 november 2021 heeft de Commissie de ICES verzocht een aanvullend advies uit te brengen met de coördinaten van de bestaande diepzeevisserijgebieden en de lijst van VME-gebieden in uitsluitend de Uniewateren van het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan. Dit advies is op 7 februari 2022 uitgebracht.
10 Op 15 september 2022 heeft de Commissie op basis van deze informatie de bestreden uitvoeringsverordening vastgesteld, die met name is gebaseerd op artikel 9, lid 6, van de basisverordening.
11 Artikel 2 van de bestreden uitvoeringsverordening luidt: „1. De lijst van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, wordt vastgesteld overeenkomstig de coördinaten in bijlage II. 2. De gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, zijn onderworpen aan de regels van [verordening 2016/2336], en met name artikel 9, leden 1 en 9, van die verordening met betrekking tot de toepassing ervan op visserijactiviteiten met bodemvistuig beneden een diepte van 400 meter en het verbod op de visserij met bodemvistuig in al die aangewezen gebieden.”
II. Conclusies van partijen
12 Verzoeksters verzoeken het Gerecht in essentie: – artikel 2 van de bestreden uitvoeringsverordening en bijlage II daarbij nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement te verwijzen in hun eigen kosten.
13 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en hoe dan ook volledig ongegrond te verklaren; – verzoeksters te verwijzen in de kosten en de Comunidad Autónoma de Galicia (autonome gemeenschap Galicië, Spanje) te verwijzen in haar eigen kosten.
14 De Raad verzoekt het Gerecht: – het tweede middel, betreffende de gestelde exceptie van onwettigheid van artikel 9, leden 6 en 9, van de basisverordening, af te wijzen; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.
15 Het Parlement verzoekt het Gerecht: – de vorderingen van de Commissie toe te wijzen en bijgevolg het tweede middel, betreffende de gestelde onwettigheid van artikel 9, leden 6 en 9, van de basisverordening, gedeeltelijk niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond te verklaren; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.
16 Het Koninkrijk Spanje verzoekt het Gerecht in essentie: – het beroep tot nietigverklaring toe te wijzen; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
17 De Comunidad Autónoma de Galicia verzoekt het Gerecht in essentie: – artikel 2 van en bijlage II bij de bestreden uitvoeringsverordening nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en het Parlement en de Raad te verwijzen in hun eigen kosten.
III. In rechte
A. Ontvankelijkheid van het beroep voor zover het strekt tot nietigverklaring van artikel 2, lid 2, van de bestreden uitvoeringsverordening
18 Zoals blijkt uit verzoeksters’ eerste vordering, strekt deze tot nietigverklaring van artikel 2 van de bestreden uitvoeringsverordening in zijn geheel en van bijlage II bij die uitvoeringsverordening (zie punt 12 hierboven).
19 Dienaangaande zijn volgens vaste rechtspraak als voor een beroep tot nietigverklaring vatbare handelingen in de zin van artikel 263 VWEU slechts maatregelen te beschouwen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (arrest van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, EU:C:1981:264, punt 9; beschikking van 4 oktober 1991, Bosman/Commissie, C‑117/91, EU:C:1991:382, punt 13, en arresten van 15 januari 2003, Philip Morris International/Commissie, T‑377/00, T‑379/00, T‑380/00, T‑260/01 en T‑272/01, EU:T:2003:6, punt 77).
20 Om vast te stellen of tegen de maatregel waarvan nietigverklaring wordt gevorderd beroep kan worden ingesteld, dient er te worden gezien naar wat de maatregel in wezen inhoudt, waarbij de vorm waarin zij is gegoten in principe van geen belang is (arresten van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, EU:C:1981:264, punt 9; 28 november 1991, Luxemburg/Parlement, C‑213/88 en C‑39/89, EU:C:1991:449, punt 15, en 24 maart 1994, Air France/Commissie, T‑3/93, EU:T:1994:36, punten 43 en 57).
21 In casu moet worden vastgesteld dat in artikel 2, lid 2, van de bestreden uitvoeringsverordening, waarvan de bewoordingen in punt 11 hierboven in herinnering zijn gebracht, slechts wordt verwezen naar de toepasselijke regels van de basisverordening, zonder dat die bepaling een autonome regelgevende strekking heeft, en met name zonder ten aanzien van de betrokken personen aanvullende verplichtingen vast te stellen die hun rechtspositie aanmerkelijk kunnen wijzigen. Het gaat immers om een bepaling die louter het relevante rechtskader van de basisverordening in herinnering brengt, met name dat van artikel 9, leden 1 en 9. Bijgevolg moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het strekt tot nietigverklaring van artikel 2, lid 2, van de bestreden uitvoeringsverordening.
B. Gegrondheid van het beroep
22 Verzoeksters voeren twee middelen aan. Met het eerste middel voeren zij aan dat de bestreden uitvoeringsverordening in strijd is met artikel 9, lid 6, van de basisverordening en de algemene Unierechtelijke beginselen, met name de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid. Met het tweede middel werpen verzoeksters een exceptie van onwettigheid van de basisverordening op die is ontleend aan strijdigheid van artikel 9, leden 6 en 9, van die basisverordening met de algemene Unierechtelijke beginselen.
1. Eerste middel: schending van artikel 9, lid 6, van de basisverordening en van de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid
23 Verzoeksters zijn in wezen van mening dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met artikel 9, lid 6, van de basisverordening en het non-discriminatiebeginsel, aangezien zij zonder dat er wetenschappelijke informatie bestaat, voorzien in een gelijke behandeling van vistuig dat niet vergelijkbaar is, en in een ongelijke toepassing van het visserijverbod in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan. Tevens zijn die bepalingen in strijd met het evenredigheidsbeginsel omdat zij verder gaan dan wat passend en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen van het GVB. Volgens verzoeksters wordt visserij met passief vistuig krachtens die bepalingen namelijk verboden zonder dat rekening is gehouden met de impact van dat vistuig op de zeebodem, zonder dat de VME-beschermingspolygonen nauwkeurig en passend zijn afgebakend voor passief vistuig en zonder dat rekening is gehouden met de sociaaleconomische gevolgen van die beperkingen voor de marktdeelnemers. Volgens verzoeksters vormen die schendingen kennelijke beoordelingsfouten van de Commissie.
a) Schending van artikel 9, lid 6, van de basisverordening en van het non-discriminatiebeginsel
1) Eerste grief: schending van artikel 9, lid 6, van de basisverordening en van het non-discriminatiebeginsel wegens de gelijke behandeling van passief en mobiel vistuig bij de bepaling van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, zonder dat er daarvoor een objectieve reden bestaat
24 Verzoeksters, ondersteund door het Koninkrijk Spanje en de Comunidad Autónoma de Galicia, stellen in wezen dat vistuig zich onderscheidt door de functionaliteit ervan, naargelang het in het mariene milieu wordt voortgesleept (daarbij kan het onder meer gaan om trawlnetten; hierna: „mobiel vistuig”) dan wel op een specifieke plaats in het mariene milieu wordt vastgemaakt (daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om beuglijnen; hierna: „passief vistuig”). Verzoeksters betogen dat vistuig zich ook onderscheidt door de wijze waarop het wordt gebruikt, naargelang van de diepte waarop het wordt gebruikt en de nabijheid ervan tot de zeebodem. Volgens hen heeft passief vistuig een minimale impact op het oppervlak van de zeebodem, die hoe dan ook niet waarneembaar is. Onder meer de demersale beug (die door verzoeksters wordt gebruikt) heeft een verwaarloosbare impact.
25 De aanzienlijk grotere impact van bodemtrawls op de mariene ecosystemen en op de bodem zelf, doordat zij veel meer met de bodem in contact komen, wordt ook benadrukt in de basisverordening, met name in overweging 7 en artikel 16, lid 1, ervan. De Commissie was zich bewust van die verschillen en heeft de wetgevingsprocedure die tot de vaststelling van de basisverordening heeft geleid ingezet met het voorstel om de trawlvisserij te verbieden en om te vormen tot een beugvisserijvloot, waarbij zij stelde dat de beuglijnen een geringe impact hebben op de zeebodem. Verzoeksters wijzen ook op de verbintenis van de Unie om uitvoering te geven aan de resoluties 61/105 en 64/72 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en op het feit dat de Voedsel‑ en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) in haar internationale richtsnoeren voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee van29 augustus 2008 (hierna: „FAO-richtsnoeren uit 2008”) bij de beoordeling van de diepzeevisserijactiviteiten ook een onderscheid heeft gemaakt tussen de verschillende soorten vistuig. Ondanks die elementen stelt artikel 9, lid 9, van de basisverordening volgens verzoeksters zonder rechtvaardiging een ongedifferentieerd visserijverbod in dat alle bodemvistuig op dezelfde wijze treft in gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen.
26 Vervolgens benadrukken verzoeksters dat artikel 9, lid 6, van de basisverordening bepaalt dat de Commissie uiterlijk op 13 januari 2018 middels uitvoeringshandelingen een lijst moest opstellen van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen. Die lijst moest worden opgesteld „op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke en technische informatie en op basis van de beoordelingen en vaststellingen van de lidstaten en het wetenschappelijk adviesorgaan”. Noch de ICES – in zijn advies van 2021 –, noch de Commissie beschikte evenwel over enig technisch of wetenschappelijk bewijs waaruit blijkt dat passief vistuig (en met name de demersale beug) aanzienlijke gevolgen kon hebben voor VME’s. Derhalve betogen verzoeksters dat de Commissie artikel 9, lid 6, van de basisverordening heeft geschonden door bij de afbakening van de gebieden met VME’s in bijlage II bij de bestreden uitvoeringsverordening mobiel en passief vistuig ondanks de verschillen in impact op de zeebodem op dezelfde wijze te behandelen, zonder rekening te houden met de beste beschikbare wetenschappelijke en technische informatie. De Commissie heeft aldus het non-discriminatiebeginsel geschonden.
27 De Commissie betwist verzoeksters’ stellingen.
28 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het algemene non-discriminatiebeginsel of het algemene gelijkheidsbeginsel verlangt dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is [arresten van 30 april 2019, Italië/Raad (Vangstquota voor mediterrane zwaardvis), C‑611/17, EU:C:2019:332, punt 129, en 4 februari 2021, Azienda Agricola Ambrosi Nicola Giuseppe e.a., C‑640/19, EU:C:2021:97, punt 70].
29 In casu moet er ten eerste op worden gewezen dat verzoeksters’ stellingen, voor zover zij betrekking hebben op artikel 2, lid 2, van de bestreden uitvoeringsverordening, niet-ontvankelijk zijn (zie punt 21 hierboven). Ten tweede moeten de stellingen inzake schending van artikel 9, lid 9, van de basisverordening worden behandeld in het kader van het tweede middel.
30 Wat de grief ontleend aan schending van artikel 9, lid 6, van de basisverordening betreft, zij opgemerkt dat het gelet op verzoeksters’ stellingen (zie de punten 24‑26 hierboven) nodig is om die bepaling uit te leggen, teneinde de criteria vast te stellen voor het bepalen van de in bijlage II bij de bestreden uitvoeringsverordening opgenomen gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, en met name om uit te maken of die criteria een beoordeling inhouden van de nadelige gevolgen van het vissen met passief vistuig in de betrokken gebieden.
31 In de eerste plaats zij erop gewezen dat artikel 9, lid 6, van de basisverordening moet worden uitgelegd in het licht van bepaalde definities die rechtstreeks komen uit artikel 4 van die verordening, en moet worden vastgesteld dat dit artikel verwijst naar de definities in artikel 4 van verordening nr. 1380/2013 en in artikel 2 van verordening (EG) nr. 734/2008 van de Raad van 15 juli 2008 betreffende de bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen in volle zee tegen de nadelige effecten van het gebruik van bodemvistuig (PB 2008, L 201, blz. 8).
32 Dienaangaande bepaalt artikel 4, lid 2, onder j), van de basisverordening dat onder „VME-indicatoren” wordt verstaan de indicatoren die zijn opgenomen in bijlage III. Artikel 4, lid 2, onder h), van die verordening bepaalt dat vangsten van indicatorsoorten voor VME’s, in hoeveelheden die boven de in bijlage IV bij die verordening vermelde drempels liggen, als „aantreffen” worden beschouwd. Meer in het bijzonder bevat de betrokken bijlage III om te beginnen een lijst van VME-habitattypes, met de taxa waarbij de kans het grootst is dat zij worden aangetroffen in die habitats die als VME-indicatoren worden beschouwd. Voorts wordt in bovengenoemde bijlage IV, onder a) en b), het aantreffen van een mogelijk VME ofwel gedefinieerd op basis van een trawl en ander vistuig dan beuglijnen (waarbij de aanwezigheid van meer dan 30 kg levend koraal of 400 kg levende sponzen van VME-indicatoren als relevant wordt beschouwd), ofwel op basis van een uitgezette beuglijn (waarbij de aanwezigheid van VME-indicatoren aan tien haken per segment van duizend haken of per beuglijnsectie van 1200 meter, al naargelang welke van de twee het kortst is, als relevant wordt beschouwd). Volgens die bepalingen bestaan de bewijzen of indicatoren voor de aanwezigheid van VME’s dus uit gegevens die verband houden met de aard en de hoeveelheid soorten die zowel door mobiel vistuig als door passief vistuig worden „aangetroffen”. Die gegevens zijn niet alleen relevant en van belang voor de toepassing van artikel 9, leden 2 en 3, van de basisverordening, maar ook, zoals hieronder zal worden geanalyseerd (zie de punten 44‑51 hieronder), om overeenkomstig artikel 9, leden 4 en 6, van die verordening de gebieden te bepalen waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen.
33 De begrippen „bodemvistuig” en „significante nadelige effecten” maken overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 734/2008, waarnaar artikel 4 van de basisverordening verwijst, integrerend deel uit van de definitie van VME’s.
34 Ten eerste is bodemvistuig volgens artikel 2, onder d), van verordening nr. 734/2008 „vistuig dat bij normale visserijactiviteiten gebruikt wordt en in contact komt met de zeebodem”, waarvan in dat artikel voorbeelden worden gegeven („zoals bodemtrawls, […] grondbeugen”). Hieruit volgt duidelijk dat „bodemvistuig” in de zin van bovengenoemde definitie passief bodemvistuig, met inbegrip van beuglijnen, omvat.
35 Ten tweede bepaalt artikel 2, onder b), van verordening nr. 734/2008 dat „significante nadelige effecten” die de integriteit van het ecosysteem bedreigen overeenkomstig de preciseringen in artikel 2, onder c), van die verordening, het gevolg zijn van het feit dat de zeebodem tijdens normale visserijactiviteiten fysiek in contact komt met bodemvistuig in het algemeen. In die context houdt de uitdrukking „tijdens normale visserijactiviteiten” verband met de uitdrukking „fysiek contact met bodemvistuig” in artikel 2, onder b), van die verordening en houdt zij geen beoordeling in van de visserijactiviteiten die worden verricht in de betrokken maritieme gebieden. Die uitlegging vindt steun in artikel 2, onder d), van de betrokken verordening, volgens hetwelk onder „bodemvistuig”„vistuig dat bij normale visserijactiviteiten gebruikt wordt en in contact komt met de zeebodem” wordt verstaan.
36 Ten derde omvat de definitie in artikel 2, onder b), van verordening nr. 734/2008 ook een niet-limitatieve opsomming van VME’s, waaronder „riffen, onderzeese bergen, warmwaterkraters, koudwaterkoralen en koudwatersponsriffen”. Zoals de Commissie voor het Gerecht onweersproken stelt, stemt deze opsomming overeen met de in bijlage III bij de basisverordening genoemde VME-habitattypes, die, zoals hierboven is aangegeven, worden gedefinieerd op basis van representatieve taxa, ongeacht het type vistuig dat daarop van invloed kan zijn. Derhalve vloeit de kwalificatie van de gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, voort uit de toepassing van objectieve criteria die verband houden met de bewezen of waarschijnlijke aanwezigheid van de beschermde soorten zoals opgesomd, waarbij deze worden beschermd tegen de gevaren die verbonden zijn aan de effecten van visserij met „bodemvistuig” in het algemeen. Het soort bodemvistuig, mobiel of passief, heeft immers geen invloed op de indicatoren van die gebieden of op de door de wetgever in bijlage III bij de basisverordening geïdentificeerde VME-habitattypes. Hieruit volgt dat de Commissie, zoals zij ter terechtzitting terecht heeft betoogd, geen beoordelingsbevoegdheid had met betrekking tot de vraag of de kwalificatie van de uitdrukkelijk in de opsomming van bovengenoemde definitie [artikel 2, onder b), van verordening nr. 734/2008] opgenomen en in bijlage III bij de basisverordening overgenomen mariene habitats als VME’s afhing van de gegevens over de soorten bodemvistuig die bij normale visserijactiviteiten in de betrokken gebieden werden gebruikt.
37 Ten vierde worden bovengenoemde „significante nadelige effecten” volgens artikel 2, onder c), van verordening nr. 734/2008 afzonderlijk, gecombineerd of cumulatief bezien. De nadelige effecten van passief bodemvistuig behoeven derhalve niet afzonderlijk te worden onderzocht omdat de significante nadelige effecten op gebieden met VME’s reeds waarneembaar of te voorzien zijn wanneer wordt uitgegaan van mobiel vistuig en dus hooguit worden versterkt mocht worden vastgesteld dat passief vistuig extra nadelige effecten met zich meebrengt. Zoals in punt 36 hierboven is aangegeven, leidt de bewezen of waarschijnlijke aanwezigheid van beschermde soorten tot de kwalificatie van de relevante gebieden als gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, zodat hun bescherming tegen „bodemvistuig” in het algemeen gewaarborgd is.
38 Hieruit moet de conclusie worden getrokken dat, anders dan verzoeksters stellen (zie punt 26 hierboven), een gebied volgens artikel 2 van verordening nr. 734/2008 kan worden aangemerkt als een gebied waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, op grond van de significante nadelige effecten die voortvloeien uit het loutere gebruik van mobiel bodemvistuig of het gebruik van bodemvistuig in het algemeen, zonder dat die kwalificatie wat passief bodemvistuig betreft in twijfel kan worden getrokken vanwege de (potentieel minder) nadelige effecten daarvan voor het betrokken ecosysteem. In die omstandigheden kan de vaststelling van de lijst van die gebieden, die deel uitmaakt van bijlage II bij de bestreden uitvoeringsverordening, niet afhangen van de vergelijkende analyse van mobiel en passief vistuig, ook niet wanneer ervan wordt uitgegaan dat laatstgenoemd vistuig mogelijk minder gevaren inhoudt dan mobiel vistuig. Meer in het bijzonder moet erop worden gewezen dat de Commissie niet enkel de schadelijke gevolgen van passief vistuig kon beoordelen, aangezien een dergelijke benadering, doordat geen rekening zou worden gehouden met het nochtans aangetoonde risico van het gebruik van mobiel vistuig, niet toelaatbaar is. Voorts is, gelet op het bewezen of potentiële bestaan van VME’s, hoe dan ook niet aangetoond dat een of meer van de thans in bijlage II bij die uitvoeringsverordening opgenomen gebieden zouden zijn uitgesloten indien eveneens rekening was gehouden met passief vistuig. Derhalve kan de door de Commissie gevolgde benadering niet als discriminerend worden aangemerkt ten aanzien van het vissen met passief vistuig, waarvoor moet worden benadrukt dat het eveneens valt onder het voor „bodemvistuig” geldende algemene verbod van artikel 9, lid 9, van de basisverordening. Verzoeksters’ stelling dat passief vistuig geen nadelige effecten heeft, zal in het kader van het tweede middel worden onderzocht.
39 In de tweede plaats moet erop worden gewezen dat artikel 9, lid 4, van de basisverordening voor de jaarlijkse beoordeling van de gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, verwijst naar de FAO-richtsnoeren uit 2008. Uit de punten 14, 15 en 42 van die richtsnoeren blijkt welke factoren als criteria moeten worden gebruikt voor de identificatie van de VME’s.
40 Volgens die punten zijn die factoren, die verband houden met de kenmerken van de ecosystemen zelf, meer bepaald de biologische en structurele aspecten ervan: – uniciteit en zeldzaamheid (i); – functioneel belang van de habitat (ii); – kwetsbaarheid (iii); – kenmerken van de biologische cyclus van de soorten die deze habitat vormen en die het herstel ervan bemoeilijken (iv); – structurele complexiteit (v).
41 Hieruit volgt dat de kwalificatie van een marien ecosysteem als kwetsbaar niet vereist dat de nadelige effecten van passief bodemvistuig worden onderzocht. Het is juist dat de kwetsbaarheid van een ecosysteem overeenkomstig punt 15 van de FAO-richtsnoeren uit 2008 wordt beoordeeld in het licht van menselijke activiteiten en kan variëren naargelang het soort vistuig dat wordt gebruikt. Dit betekent evenwel niet dat om een ecosysteem als kwetsbaar te kunnen aanmerken de kwetsbaarheid ervan specifiek in het licht van elk gebruikte type vistuig moet worden beoordeeld, of dat deze beoordeling kan worden beperkt tot bepaalde soorten vistuig, met uitsluiting van andere, aangezien die kwalificatie is gebaseerd op de kenmerken van het ecosysteem zelf, die niet kunnen variëren naargelang het effect van elk soort vistuig dat wordt gebruikt.
42 Bovendien blijkt uit de punten 17, 18 en 47 van de FAO-richtsnoeren uit 2008 dat de beoordeling van de nadelige effecten van de in de betrokken gebieden beoefende of overwogen visserijactiviteiten volgt op de identificatie van de VME’s en deel uitmaakt van een later stadium van de procedure voor de bescherming ervan, die de vaststelling betreft van passende beheers‑ en instandhoudingsmaatregelen om significante nadelige effecten voor VME’s te voorkomen.
43 Bijgevolg bevatten de FAO-richtsnoeren uit 2008 geen uitleggingsgegevens waarmee verzoeksters’ stelling inzake de noodzaak om de eventuele gevolgen van het soort visserij en het te gebruiken vistuig te beoordelen, kan worden onderbouwd.
44 In de derde plaats is een teleologische en systematische analyse van artikel 9, lid 6, van de basisverordening vereist.
45 Ten eerste moet worden opgemerkt dat de in artikel 9, lid 4, van de basisverordening bedoelde identificatie door de lidstaten van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen en waarmee de Commissie rekening houdt bij het vaststellen van de lijst van die gebieden, met name is gebaseerd op biogeografische gegevens alsmede op gegevens over aangetroffen VME’s, die afhangen van de grootte van de vangst van bepaalde soorten (zie de bepalingen van de bijlagen III en IV bij die verordening) tijdens de visserijactiviteiten. Het gaat dus om gegevens die veeleer betrekking hebben op de biologische en structurele kenmerken van de betrokken habitats dan op kenmerken of effecten van de verschillende soorten bodemvistuig die worden gebruikt.
46 Ten tweede moet worden geoordeeld dat, ofschoon in artikel 9, lid 6, van de basisverordening, voor zover het ziet op het vastleggen van een lijst van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, een voorwaarde wordt ingesteld voor de instandhouding van VME’s, het daarbij toch om iets anders gaat dan het vaststellen van specifieke maatregelen voor de instandhouding en de duurzame exploitatie van de biologische rijkdommen van de zee.
47 Dienaangaande zij opgemerkt dat, zoals met name blijkt uit artikel 4, lid 1, punt 20, en artikel 7, leden 1 en 2, van verordening nr. 1380/2013, ten aanzien van het gebruikte soort vistuig of ook de gebruikskenmerken ervan „technische maatregelen” kunnen worden vastgesteld om de impact van visserijactiviteiten op componenten van het ecosysteem te reguleren. Een voorbeeld van een dergelijke maatregel, die onder „visserijbeheer” valt, is de maatregel van artikel 9, lid 9, van de basisverordening, volgens welke „[v]issen met bodemvistuig […] verboden [is] in alle overeenkomstig lid 6 op de lijst geplaatste gebieden”.
48 Ook de in artikel 9, lid 6, tweede volzin, van de basisverordening opgenomen mogelijkheid om een gebied van de VME-lijst te schrappen op basis van een effectbeoordeling en na de vaststelling van passende instandhoudings‑ en beheersmaatregelen om aanzienlijke nadelige gevolgen voor VME’s in dat gebied te voorkomen, veronderstelt juist dat dergelijke maatregelen zijn vastgesteld. Uit die bepaling kan dus niet worden afgeleid dat een beheersaanpak die een evaluatie vereist van de gevolgen van de maatregelen ter bescherming van VME’s voor de visserijactiviteiten en het economische en sociale leven (zie punt 23 hierboven), moet worden toegepast voor de vaststelling van de lijst van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen.
49 Ten derde zou een dergelijke aanpak, die in wezen door verzoeksters wordt bepleit, onverenigbaar zijn met het begrip „uitvoeringshandeling”, aangezien daardoor de essentiële onderdelen van de basisverordening met betrekking tot de bescherming van VME’s zouden worden gewijzigd of aangevuld (zie in die zin arrest van 28 februari 2023, Fenix International, C‑695/20, EU:C:2023:127, punten 44 en 48‑51) en de bevoegdheid van de Commissie krachtens artikel 9, lid 6, eerste volzin, van de basisverordening ruimschoots zou worden overschreden.
50 Aan die overweging kan niet worden afgedaan door artikel 9, lid 4, van de basisverordening, op grond waarvan de beoordeling van de gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, wordt verricht volgens de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 8, van verordening nr. 1380/2013, een benadering waarbij „het ontbreken van adequate wetenschappelijke informatie niet als reden mag worden aangevoerd om beheersmaatregelen voor de instandhouding van de doelsoorten, de geassocieerde of afhankelijke soorten en de niet-doelsoorten en hun omgeving, uit te stellen of achterwege te laten”. De toepassing van die benadering bij de vaststelling van de lijst van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, wordt namelijk gerechtvaardigd door het feit dat de identificatie van die gebieden integrerend deel uitmaakt van de bescherming ervan en daarnaast door de waarschijnlijkheid dat er onvoldoende (of onvoldoende betrouwbare en geloofwaardige) wetenschappelijke gegevens met betrekking tot de kenmerken van de betrokken ecosystemen zijn die in aanmerking moeten worden genomen om de VME’s te identificeren. Die benadering impliceert dat het ontbreken van dergelijke gegevens er niet aan in de weg mag staan dat de Commissie bij de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid ter zake (zie naar analogie arrest van 22 juni 2023, Arysta LifeScience Great Britain/Commissie, C‑259/22 P, niet gepubliceerd, EU:C:2023:513, punt 45) de betrokken gebieden kwalificeert als gebieden waar VME’s waarschijnlijk zullen voorkomen, en dat zij daarbij in voorkomend geval rekening houdt met elementen die verband houden met de verrichte visserijactiviteiten om te beoordelen of het voortbestaan van VME’s waarschijnlijk is.
51 Uit al die overwegingen in de punten 31 tot en met 50 hierboven volgt dat, anders dan verzoeksters stellen, artikel 9, lid 6, van de basisverordening geen beoordeling vereist van de significante nadelige effecten van passief vistuig in elk van de op de betrokken lijst opgenomen gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, noch een beheersaanpak, zelfs geen waarbij de gevolgen worden beoordeeld van de maatregelen ter bescherming van VME’s voor de visserijactiviteiten en het economische en sociale leven.
52 Verzoeksters richten hun argumenten in het bijzonder op de vraag of de „nadelige effecten” van passief vistuig, met inbegrip van demersale beuglijnen, waarmee rekening moest worden gehouden bij de vaststelling van de lijst van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, „significant” waren en de integriteit van het ecosysteem bedreigden (zie met name de punten 23 en 24 hierboven). In dat verband is in punt 41 hierboven reeds opgemerkt dat bij de vaststelling van een lijst van VME’s moet worden uitgegaan van de kenmerken van de ecosystemen zelf, met inbegrip van de kwetsbaarheid ervan, rekening houdend met het risico van schade die verband houdt met de significante nadelige effecten die in het algemeen voortvloeien uit het gebruik van bodemvistuig. De kwestie van het concrete soort vistuig dat wordt gebruikt, mobiel of passief, is derhalve niet bepalend voor de aanwijzing van die gebieden, zodat het argument dat er sprake is van discriminatie wegens het ontbreken van een analyse van de effecten van passief vistuig, niet kan slagen.
53 Ofschoon verzoeksters eveneens verwijzen naar overweging 7 en artikel 16, lid 1, van de basisverordening, naar de wetgevingsprocedure, naar de resoluties 61/105 en 64/72 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en naar de FAO-richtsnoeren uit 2008 (zie punt 25 hierboven), is reeds vastgesteld dat de systematische en teleologische benadering tot een andere conclusie leidt dan door hen geopperd. Voor zover verzoeksters uit bovengenoemde verwijzingen argumenten willen putten om aan te voeren dat passief vistuig geen nadelige effecten heeft, vallen die kwesties bovendien onder het tweede middel en zullen zij in dat kader worden onderzocht. Verzoeksters kunnen evenmin met succes argumenten inzake de wettigheid van de bestreden uitvoeringsverordening afleiden uit het oorspronkelijke voorstel van de Commissie voor de basisverordening.
54 Verzoeksters betogen ook dat in de wetenschappelijke literatuur is erkend dat beuglijnen, anders dan trawls, geen significante impact hebben op de zeebodem. In dat verband zij herinnerd aan de overwegingen van de wetgever die besloten liggen in de definitie in artikel 2 van verordening nr. 734/2008, waarnaar artikel 4 van de basisverordening verwijst, volgens welke passief vistuig nadelige effecten kan hebben op VME’s. Zoals in het kader van het tweede middel nader zal worden onderzocht, moet daarnaast worden vastgesteld dat op basis van het door verzoeksters bij het Gerecht ingediende bewijsmateriaal niet kan worden uitgesloten dat ook passief vistuig het risico van nadelige effecten op VME’s kan meebrengen, met name bij het herhaaldelijk uitzetten en ophalen ervan.
55 Voor zover verzoeksters ten slotte betogen dat het ICES-advies van 2021 weliswaar verwijst naar de bestaande verschillen tussen passief en mobiel vistuig, maar de intensiteit van visserijactiviteiten met dit passief vistuig (zoals de beug), en dus de impact ervan op de zeebodem, niet kwantificeert, moet worden vastgesteld dat de ICES blijkens de in zijn advies van 2021 gehanteerde methode uitdrukkelijk aangeeft alleen rekening te hebben kunnen houden met de intensiteit van de visserijactiviteiten met mobiel vistuig, het enige vistuig waarover hij over relevante informatie beschikte. Verzoeksters voeren geen duidelijke en precieze elementen aan om het ontbreken van voldoende nauwkeurige informatie over de intensiteit van visserijactiviteiten met passief vistuig ter discussie te stellen. Bovendien was het in aanmerking nemen van de intensiteit van visserijactiviteiten met mobiel vistuig slechts bedoeld om de waarschijnlijkheid te beoordelen van het bestaan, in gebieden met een „lage” aanwezigheidsindex, van een VME die reeds onomkeerbaar kon zijn beschadigd waardoor de voortzetting van visserijactiviteiten geen verdere significante nadelige effecten kon teweegbrengen. Wat de stellingen betreffende de kwestie van de evenredigheid van de vastgestelde maatregel betreft, zij opgemerkt dat deze zullen worden beoordeeld in het kader van de relevante grieven van het tweede onderdeel van het onderhavige middel.
56 Gelet op het voorgaande en onder voorbehoud van hetgeen in de punten 29, 38 (in fine) en 55 hierboven is vastgesteld, moet de eerste grief van het eerste middel, ontleend aan schending van artikel 9, lid 6, van de basisverordening en het non-discriminatiebeginsel wegens de gelijke behandeling, zonder dat daarvoor een objectieve reden bestaat, van passief en mobiel vistuig bij de bepaling van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, ongegrond worden verklaard.
2) Tweede grief: in de bestreden uitvoeringsverordening worden de Uniewateren van het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan niet op uniforme wijze behandeld, hetgeen in strijd is met het algemene beginsel van gelijkheid en non-discriminatie
57 Verzoeksters voeren in wezen aan dat de Commissie paradoxaal genoeg, enerzijds, bij gebreke van informatie over de gevolgen van visserij met passief bodemvistuig voor de ecoregio’s van de Azoren (Portugal) en de Noordzee heeft besloten om die regio’s uit te sluiten van de gebieden waar vissen met passief en mobiel bodemvistuig op een diepte tussen 400 en 800 meter verboden is, en anderzijds, bij gebreke van informatie over de impact van passief vistuig op de zeebodem in de gebieden voor de kust van Spanje, continentaal Portugal, Frankrijk en Ierland, heeft besloten om aldaar alle bodemvistuig – zowel passief als mobiel – zonder onderscheid te verbieden. Hieruit blijkt dat het verbod op passief bodemvistuig in de in bijlage II bij de bestreden uitvoeringsverordening afgebakende gebieden in strijd is met het algemene gelijkheids‑ of non-discriminatiebeginsel, aangezien beugvaartuigen die worden ingezet in de Noordzee en de West-Europese wateren ongelijk worden behandeld, terwijl er geen objectieve rechtvaardiging voor dit verschil in behandeling bestaat. Bovendien zijn artikel 2 van die uitvoeringsverordening en bijlage II daarbij in strijd met het evenredigheidsbeginsel, aangezien de bepalingen ervan, door het vissen met passief vistuig te verbieden zonder rekening te houden met de impact ervan op de zeebodem, de grenzen overschrijden van wat passend en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen.
58 De Commissie betwist verzoeksters’ stellingen.
59 Zoals blijkt uit de door de Commissie verstrekte uitleg en uit het ICES-advies van 2021 [onder „Geographical range” (geografisch bereik), blz. 2 en 12] en anders dan verzoeksters insinueren, houden de redenen voor de niet-opneming in de betrokken lijst van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen in de door verzoeksters genoemde andere regio’s, in casu geen verband met het feit dat de gevolgen van visserij met passief bodemvistuig voor de ecoregio’s niet bekend waren. Voor de regio van de Azoren was het ontbreken van informatie om het bestaan of waarschijnlijke bestaan van die gebieden te kunnen voorspellen relevant. Daarnaast is, zoals de Commissie onweersproken aangeeft, de ICES verzocht om een aanvullende analyse uit te voeren, teneinde in de toekomst een lijst van de betrokken gebieden te kunnen opstellen. Wat de wateren van Zweden en Denemarken betreft, was de beslissende factor, zoals is aangegeven, het volledig ontbreken van visserij (en meer in het algemeen van vismachtigingen) in het betrokken gebied of de betrokken gebieden. Derhalve is niet aangetoond dat de Commissie vergelijkbare situaties verschillend heeft behandeld of verschillende situaties gelijk heeft behandeld, zonder dat daar een objectieve rechtvaardiging voor bestond.
60 Subsidiair moet worden opgemerkt dat, gesteld al dat de Commissie haar verplichting niet is nagekomen om bepaalde gebieden in de regio van de Azoren of in de wateren van Zweden en Denemarken op te nemen in de lijst van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, die niet-nakoming niet van dien aard is dat zij de bepalingen van de bestreden uitvoeringsverordening waarbij andere gebieden in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan in die lijst zijn opgenomen, onrechtmatig maakt. Wat ten slotte de stellingen inzake schending van het evenredigheidsbeginsel betreft, zij opgemerkt dat deze zullen worden onderzocht in het kader van het relevante onderdeel van het onderhavige middel.
61 Derhalve moet verzoeksters’ tweede grief, waarmee zij aanvoeren dat de bestreden uitvoeringsverordening in strijd met het algemene gelijkheids‑ en non-discriminatiebeginsel niet voorziet in een uniforme behandeling van de Uniewateren van het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan, ongegrond worden verklaard.
3) Derde grief: de bestreden uitvoeringsverordening is gebaseerd op een methode waarbij in de zuidelijke wateren van het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaangebieden met een veel groter oppervlak worden gesloten dan in de noordelijke wateren ervan, hetgeen in strijd is met het non-discriminatiebeginsel
62 Verzoeksters, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, stellen in wezen dat de bestreden uitvoeringsverordening in strijd is met het non-discriminatiebeginsel, voor zover zij is gebaseerd op de in het ICES-advies van 2021 aanbevolen methode, volgens welke de omvang van de polygonen verandert en groter wordt naarmate zij zuidelijker zijn gelegen. De in bijlage II bij die uitvoeringsverordening genoemde gebieden zijn namelijk gebaseerd op de meeteenheid „C‑square”, waarvan de grootte volgens verzoeksters afhangt van de breedtegraad waarop dit „C‑square” is gelegen, en dus niet gelijk is in het gehele noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan. Dit betekent ook dat de bestreden uitvoeringsverordening niet strookt met de in de basisverordening aan de Commissie opgedragen taak om „eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening wat betreft de bepaling van de bestaande visserijgebieden”.
63 De Commissie betwist verzoeksters’ argumenten.
64 Verzoeksters beroepen zich met hun stellingen weliswaar op het non-discriminatiebeginsel, maar betwisten er in wezen de geschiktheid van de door de Commissie gehanteerde methode mee, zodat die stellingen overlappen met die welke zijn uiteengezet in het kader van de tweede grief van het tweede onderdeel van het onderhavige middel, die ongegrond is verklaard (zie de punten 80‑85 hieronder). Derhalve moeten ook de door verzoeksters in het kader van de onderhavige grief uiteengezette stellingen worden afgewezen.
b) Schending van het evenredigheidsbeginsel doordat met de bij de bestreden uitvoeringsverordening vastgestelde lijst van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, de grenzen worden overschreden van wat passend en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het GVB
65 Verzoeksters, ondersteund door het Koninkrijk Spanje en de Comunidad Autónoma de Galicia, betogen in wezen dat artikel 2 van de bestreden uitvoeringsverordening en bijlage II daarbij in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel doordat daarbij een ongedifferentieerd verbod op visserij met bodemvistuig is ingesteld waarbij, ten eerste, geen effectbeoordeling van passief vistuig is uitgevoerd, ten tweede, gebruik is gemaakt van een methode en van informatie die ongeschikt zijn om de grootte van „C‑squares” te bepalen, ten derde, voor passief vistuig bovendien bufferzones zijn opgenomen in de „C‑squares” waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, terwijl het voor dat vistuig onmogelijk is om die VME’s te bereiken en, ten vierde, geen rekening is gehouden met de sociaaleconomische gevolgen van de vastgestelde maatregelen voor de marktdeelnemers.
1) Eerste grief: bij gebreke van informatie over de gevolgen van passief vistuig voor VME’s is het ongedifferentieerde verbod op visserij met passief en mobiel vistuig in de op de lijst vermelde gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, kennelijk ongeschikt om de doelstelling van bescherming van de zeebodem te verwezenlijken
66 Verzoeksters, ondersteund door het Koninkrijk Spanje en de Comunidad Autónoma de Galicia, stellen in wezen dat artikel 2, lid 2, van de bestreden uitvoeringsverordening voorziet in een verbod op het vissen met mobiel en passief vistuig dat ten eerste is gebaseerd op een analyse van gegevens met betrekking tot uitsluitend mobiel vistuig, aangezien voor die analyse gebruik is gemaakt van een „swept-area ratio”-index (ratio van het beviste oppervlak; hierna: „SAR”) – waarbij alleen rekening wordt gehouden met de impact van mobiel vistuig op de bodem van de „C‑squares” en niet met die van passief vistuig (scenario 2 van het ICES-advies van 2021) – en dat, ten tweede, uitgaat van de meest repressieve versie (scenario 2, optie 1, van dat advies), zodat het ook „C‑squares” omvat waar de SAR-drempel niet eens wordt overschreden en waar dus zelfs mobiel vistuig, dat veel „agressiever” is dan passief vistuig, niet eens zeker „significant nadelige effecten” heeft. De bestreden uitvoeringsverordening is een kennelijk ongeschikte en onevenredige maatregel, aangezien de Commissie heeft nagelaten om de gevolgen van passief vistuig voor de zeebodem, en meer in het bijzonder die van beuglijnen „zonder of met slechts een verwaarloosbare impact”, te analyseren bij het bepalen van de visserijgebieden waar dat vistuig verboden is.
67 De Commissie heeft haar opmerkingen dienaangaande ingediend in het kader van het eerste onderdeel van het onderhavige middel.
68 In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat verzoeksters’ grief, voor zover zij stellen dat de bestreden uitvoeringsverordening „voorziet in een verbod” van visserij met mobiel vistuig en passief vistuig, niet-ontvankelijk is (zie punt 21 hierboven).
69 Wat in de tweede plaats de stelling betreft dat de betrokken maatregel kennelijk ongeschikt en onevenredig is, volgt uit vaste rechtspraak dat het evenredigheidsbeginsel, waarnaar wordt verwezen in verordening nr. 1380/2013 – die zelf wordt genoemd in de basisverordening –, deel uitmaakt van de algemene beginselen van het Unierecht en vereist dat de middelen waarmee een bepaling van Unierecht de legitiem door de betrokken regelgeving nagestreefde doelstellingen beoogt te bereiken, passend zijn en niet verder gaan dan daarvoor noodzakelijk is (zie in die zin arrest van 8 juni 2010, Vodafone e.a., C‑58/08, EU:C:2010:321, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 Dienaangaande zij er ook aan herinnerd dat de handelingen van de instellingen van de Unie volgens het evenredigheidsbeginsel niet buiten de grenzen mogen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd (zie arrest van 11 januari 2017, Spanje/Raad, C‑128/15, EU:C:2017:3, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens vaste rechtspraak slaagt een maatregel voor de evenredigheidstoets indien hij kan bijdragen aan de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling en moet hij niet noodzakelijkerwijs zelfstandig deze doelstelling kunnen verwezenlijken (arrest van 13 juni 2018, Deutscher Naturschutzring, C‑683/16, EU:C:2018:433, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71 In dit verband heeft de ICES, zoals blijkt uit tabel 1 van zijn advies van 2021, in de eerste kolom van de tabel vier verschillende manieren genoemd om gebieden met VME’s af te bakenen (afhankelijk van het relevante scenario en de relevante optie) en, in de tweede kolom van de tabel, de gevolgen voor het beheer ervan. Uit die elementen van het ICES-advies van 2021 en de bijbehorende toelichting blijkt dat de omvang van de visserijactiviteit niet in aanmerking is genomen als onderdeel van een benadering van het visserijbeheer of de afweging van concurrerende belangen, maar wel om de waarschijnlijkheid te beoordelen van het bestaan, in gebieden met een „lage” aanwezigheidsindex, van een VME die reeds onomkeerbaar kon zijn beschadigd waardoor de voortzetting van de visserijactiviteiten geen verdere significante nadelige effecten kon teweegbrengen. Uit het ICES-advies van 2021 blijkt met name dat in scenario 2 rekening is gehouden met de SAR’s die waren vastgesteld op basis van empirische gegevens voor de omvang van de visserijactiviteit en die in verband werden gebracht met de significante nadelige effecten, en aan de hand waarvan derhalve de gevolgen van de visserij voor de aan‑ of afwezigheid van VME’s konden worden beoordeeld. Zoals in punt 50 hierboven is uiteengezet, kan een dergelijke benadering in het kader van de toepassing van het voorzorgsbeginsel niet worden uitgesloten.
72 Zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de tweede kolom van tabel 1 van het ICES-advies van 2021, betreffende optie 1 van scenario 2 en de „[g]evolgen voor het beheer”, blijkt daar geen andere logica uit. In die kolom wordt er namelijk op gewezen dat die optie „voorrang geeft aan de bescherming van VME’s wanneer de aanwezigheid ervan ‚bewezen’ of ‚waarschijnlijk’ is” en mede ziet op „C‑squares met een lage VME-index, waar ook de visserijactiviteit laag is en significante nadelige effecten (SAI) als gevolg van vroegere visserijactiviteiten minder waarschijnlijk zijn”. Die elementen wijzen in het algemeen op een benadering die gericht is op de kenmerken van de betrokken gebieden. Hoe dan ook houdt het laatste deel van die beschrijving van de gevolgen voor het beheer, waarin staat dat op die manier „VME’s [worden] beschermd zonder hoge kosten voor de visser en […] een maximale bescherming van VME’s [wordt] geboden tegen de voetafdruk van de visserij”, louter een beoordeling in van de gevolgen van dat scenario met betrekking tot de bescherming van VME’s en de implicaties ervan voor de visserij, die evenwel niet – naast de elementen op bladzijde 5 van het ICES-advies van 2021, die samenvallen met de andere factoren die zijn vermeld in punt 40 hierboven en in de eerste kolom van tabel 1 op bladzijde 6 van dat advies – in aanmerking is genomen als aanvullende factor om de gebieden te bepalen waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen.
73 Verzoeksters’ stelling dat de Commissie rekening heeft gehouden met de „meest repressieve” optie, in die zin dat zij, anders dan bij de optie waarbij huns inziens „voorrang wordt gegeven aan de bescherming van VME’s met inachtneming van de gevolgen van de visserijactiviteiten voor die VME’s” (optie 2 van scenario 2 in het ICES-advies van 2021), heeft gekozen voor een scenario „waarbij voorrang wordt gegeven aan de bescherming van VME’s onafhankelijk van de visserijactiviteiten” (optie 1 van scenario 2 van dat advies), moet worden afgewezen, aangezien de Commissie bij het vastleggen van de lijst van de betrokken gebieden overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisverordening, in het kader van de haar toegekende bevoegdheden om een uitvoeringsverordening vast te stellen de bescherming van VME’s niet kon afwegen tegen andere doelstellingen van het GVB. Derhalve is verzoeksters’ kritiek op de keuze voor de in hun ogen „meest repressieve” optie bij gebruikmaking van de SAR-index ongegrond en kan de benadering van de Commissie op basis van bovengenoemde kritiek evenmin worden geacht in strijd te zijn met de in de punten 69 en 70 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak. Meer in het bijzonder moet worden vastgesteld dat optie 1 van scenario 2, die is opgenomen in het ICES-advies van 2021 en vervolgens door de Commissie is overgenomen in de bestreden uitvoeringsverordening, niet berust op een afweging tussen de bescherming van VME’s en andere doelstellingen van het GVB, noch op een benadering van het visserijbeheer die daarenboven zou kunnen worden omschreven als de „meest repressieve”, met name vergeleken met optie 2 van scenario 2, waarnaar wordt verwezen als scenario „met inachtneming van de gevolgen van de visserijactiviteiten voor [de VME’s]” (zie ook punt 55 hierboven).
74 Bijgevolg kunnen verzoeksters in casu niet op goede gronden kritiek leveren op de Commissie door te stellen dat de betrokken maatregelen kennelijk ongeschikt en onevenredig waren omdat zij de impact van passief vistuig op de zeebodem bij de vaststelling van de juist voor dit passief vistuig in het algemeen en de beug in het bijzonder verboden visserijgebieden in het geheel niet in aanmerking heeft genomen of heeft geanalyseerd, en daarbij uit de door de ICES in zijn advies van 2021 uiteengezette opties met name de „meest repressieve” heeft gekozen.
75 De eerste grief van het onderhavige onderdeel van het eerste middel moet derhalve ongegrond worden verklaard.
2) Tweede grief: de vormgeving van de in bijlage II bij de bestreden uitvoeringsverordening genoemde polygonen berust op een methode die in het licht van de beschikbare informatie kennelijk ongeschikt is
76 Verzoeksters, ondersteund door het Koninkrijk Spanje en de Comunidad Autónoma de Galicia, stellen dat de ICES voor de afbakening van de „C‑squares” in zijn advies van 2021 informatie uit zijn eigen databank heeft gebruikt. Vóór de vaststelling van de bestreden uitvoeringsverordening is de Commissie door de Instituto Español de Oceanografía (Spaanse instelling voor oceanografie; hierna: „IEO”) er nochtans van in kennis gesteld dat op basis van informatie waarover de lidstaten beschikten, de „C‑squares” veel nauwkeuriger konden worden bepaald aan de hand van gegevensverzamelingstechnieken en verspreidingsmodellen op kleinere schaal en met een hogere resolutie. Volgens de IEO was de Commissie op de hoogte van die informatie uit door haar medegefinancierde projecten, zoals de projecten Indemares en Intemares.
77 De Commissie heeft die informatie evenwel buiten beschouwing gelaten bij de afbakening van de gebieden in bijlage II bij de bestreden uitvoeringsverordening, zodat de lidstaten de door de ICES in kaart gebrachte gebieden niet met hun eigen informatie hebben kunnen aanvullen. Anders dan artikel 9, lid 6, van de basisverordening vereist, heeft zij dus geen gebruikgemaakt van de beste beschikbare informatie. Dit verzuim valt volgens verzoeksters niet te rijmen met de verwezenlijking van de doelstelling van bescherming van die ecosystemen en is in elk geval „onevenredig […] om de doelstelling van duurzame visserij te verwezenlijken” als bedoeld in de basisverordening en het GVB zelf. Het feit dat de lidstaten de methode van de „C‑squares” hanteren om informatie te verschaffen over visserijactiviteiten is huns inziens niet in tegenspraak met de kennelijke ongeschiktheid van die methode om gebieden te bepalen waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen.
78 Volgens verzoeksters wordt door de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO), anders dan de Commissie stelt, geen gebruikgemaakt van die methode, maar wel teruggevallen op een dichtheidsschatting die wordt aangeduid als de „Kernel”-methode [Durán Muñoz, P., „Cold-water corals and deep-sea sponges by-catch mitigation: dealing with groundfish survey data in the management of the northwest Atlantic Ocean high seas fisheries” (beperking van de bijvangst van koudwaterkoralen en diepzeesponzen: verwerking van onderzoeksgegevens over bodemvissen bij het beheer van de visserij op volle zee in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan), Marine Policy, deel 116, 2020].
79 De Commissie betwist verzoeksters’ stellingen.
80 Wat verzoeksters’ kritiek betreft op de op de eenheid „C‑square” gebaseerde methode, waarvan de beperkingen huns inziens resulteren in een benadering die niet te rijmen valt met de verwezenlijking van de doelstelling van bescherming van VME’s en die in elk geval onevenredig is om de doelstelling van duurzame visserij als bedoeld in de basisverordening en het GVB te verwezenlijken (zie punt 77 hierboven), zij inleidend opgemerkt dat artikel 9 van de basisverordening (met inbegrip van de FAO-richtsnoeren waarnaar het verwijst) geen specifieke regels bevat met betrekking tot de concrete methode die moet worden gehanteerd bij het opstellen van de lijst van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, met name wat betreft het technische raster of het coördinatenstelsel dat als cartografisch referentiekader moet worden gebruikt, zodat ervan uit moet worden gegaan dat die aangelegenheden vallen binnen de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie met betrekking tot de toepassing van de criteria voor het opstellen van de lijst van die gebieden (zie punt 50 hierboven). In dit kader moet de Commissie een ruime beoordelingsbevoegdheid worden toegekend opdat zij de haar opgedragen doelstelling efficiënt kan nastreven, alsmede vanwege de ingewikkelde technische evaluaties die zij moet maken (zie naar analogie arrest van 19 januari 2012, Xeda International en Pace International/Commissie, T‑71/10, niet gepubliceerd, EU:T:2012:18, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Gelet op deze elementen kan, in het kader van de toetsing door het Gerecht van de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel, aan de wettigheid van een op dit gebied genomen maatregel slechts afbreuk worden gedaan indien deze kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de Commissie nagestreefde doel (zie naar analogie arrest van 9 september 2020, Slovenië/Commissie, T‑626/17, EU:T:2020:402, punt 173).
81 Verzoeksters’ argumenten moeten worden onderzocht in het licht van deze en de in de punten 69 en 70 hierboven in herinnering gebrachte overwegingen.
82 Ten eerste heeft de ICES in zijn advies van 2021 uiteengezet dat de betrokken benadering, namelijk het gebruik van het systeem van „C‑squares” met een resolutie van 0,05° lengtegraad bij 0,05° breedtegraad [ongeveer 15 km2 (3 km × 5 km) op 60° noorderbreedte] in wezen een praktische schaal bood voor het verzamelen, onderzoeken en beoordelen van gegevens over visserijactiviteiten in het mariene milieu. In dat verband heeft hij verwezen naar de gemodelleerde bathymetrische gegevens van het European Marine Observation and Data Network [Europees netwerk voor observatie van maritieme gegevens (EMODnet)] en naar de werkzaamheden van de NAFO, waarbij inderdaad een aantal onnauwkeurigheden of tekortkomingen worden genoemd die voortvloeien uit het gebruik van de methode van de „C‑squares”. De ICES is ter zake evenwel tot de slotsom gekomen dat bepaalde voor kritiek vatbare variaties die voortvloeien uit het gebruik van de betrokken methode, „niet [konden] worden verholpen met de beschikbare gegevens en […] fundamentele wijzigingen [vergden] op het punt van het beroep op VMS-gegevens van de ICES [of] van de fijnschalige analyse door de verschillende lidstaten van de Unie”.
83 Ten tweede stellen verzoeksters en het Koninkrijk Spanje weliswaar, met name onder verwijzing naar de IEO (zie punt 76 hierboven), dat nauwkeuriger informatie van voornamelijk de projecten Indemares en Intemares beschikbaar was, maar die elementen volstaan niet om aan te nemen dat de Commissie, door gebruikmaking van de methode van de „C‑squares” – dat wil zeggen de methode die de ICES in zijn advies van 2021 in aanmerking heeft genomen –, haar beoordelingsmarge kennelijk heeft overschreden of dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de beste beschikbare wetenschappelijke en technische informatie. In haar betoog baseert de Commissie zich namelijk niet alleen op het feit dat zij gedwongen was gebruik te maken van de beschikbare gegevens die aan de hand van die methode waren verzameld, maar stelt zij ook dat bij haar benadering rekening is gehouden met de kenmerken van de bodemvisserij en met de noodzaak om een uniforme toepassing van de basisverordening te verzekeren. In dat verband heeft zij verwezen naar de op de „C‑squares” gebaseerde methode, die wordt gehanteerd door zowel de lidstaten, met het oog op het in kaart brengen van visserijactiviteiten, als organisaties, zoals de Visserijcommissie voor het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC), waarvan de Unie lid is, met het oog op de afbakening van visserijverboden met betrekking tot de VME’s die vergelijkbaar zijn met het verbod van de basisverordening. Bovendien geven verzoeksters of het Koninkrijk Spanje geen alternatief aan dat, gelet op de noodzaak om de benaderingen van de lidstaten te harmoniseren en artikel 9, lid 6, van die verordening op uniforme wijze toe te passen, doeltreffend en haalbaar is.
84 Uit de verwijzing naar de IEO (zie punt 76 hierboven) en de daarmee verband houdende stellingen (zie punt 77 hierboven) blijkt evenmin dat de andere overgelegde gegevens voor alle relevante maritieme gebieden die door de ICES in zijn advies van 2021 en door de Commissie in de bestreden uitvoeringsverordening in aanmerking zijn genomen, nauwkeuriger zijn, met name op de datum van vaststelling van die uitvoeringsverordening, noch dat een of meerdere van de door de ICES en de Commissie gebruikte concrete gegevens kunnen worden geacht de toegepaste methode kennelijk ongeschikt te maken in het licht van de door verzoeksters en het Koninkrijk Spanje verstrekte informatie of vanwege de mogelijkheid om andere methoden te hanteren, zoals de „Kernel”-methode, die wordt aangeduid als een methode voor dichtheidsschatting, een beweerdelijk door de NAFO toegepaste kwantitatieve methode aan de hand waarvan de verspreiding en de omvang van gebieden met VME’s kan worden bepaald (zie punt 78 hierboven). Voorts moet worden opgemerkt dat de ICES zich in zijn advies van 2021 met name heeft gebaseerd op bathymetrische gegevens uit de databank van EMODnet, die worden verzameld met de hulp van een grote groep belanghebbenden. Bovendien zij opgemerkt, zoals de Commissie er ter terechtzitting op heeft gewezen zonder door verzoeksters of het Koninkrijk Spanje te zijn weersproken, dat het Koninkrijk Spanje, ondanks dat artikel 9, lid 6, van de basisverordening bepaalt dat de lidstaten een lijst kunnen opstellen van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen waarop de Commissie zich kan baseren (bovenop het ICES-advies), de Commissie geen dergelijke lijst in overweging heeft gegeven.
85 Uit die stellingen blijkt dus niet dat de Commissie met de methode van de „C‑squares” een methode heeft toegepast die kennelijk ongeschikt is in het licht van de beschikbare informatie, noch dat haar benadering onevenredig is aan de nagestreefde doelstelling. Derhalve moet verzoeksters’ tweede grief ongegrond worden verklaard.
3) Derde grief: de vormgeving van de in bijlage II bij de bestreden uitvoeringsverordening genoemde polygonen, die bufferzones omvatten, is onevenredig en kennelijk ongeschikt voor de verwezenlijking van de doelstelling van bescherming van de zeebodem
86 Verzoeksters, ondersteund door het Koninkrijk Spanje en de Comunidad Autónoma de Galicia, voeren in wezen met betrekking tot de bufferzones aan dat de door de Commissie gebruikte methode voor de afbakening van de omvang van de „C‑squares”, als onderdeel van een systeem van rasterlijnen die afhangen van de identificatie van een VME op een bepaald punt, kennelijk onjuist en onevenredig is wanneer zij wordt toegepast op passief vistuig, en dat zij op geen enkele technische of wetenschappelijke grondslag berust. Zij benadrukken dat de door de ICES in zijn advies van 2021 gevolgde benadering, volgens welke de locatie van mobiel vistuig (netten en vistuig) in wezen aanzienlijk kan verschillen van die van het vaartuig (zie punt 90 hieronder), geschikt is om de bescherming van de VME-habitats in elk „C‑square” te waarborgen, gelet op het ongecontroleerd verschuiven van de netten van mobiel vistuig wanneer dit door het vaartuig wordt verplaatst. Daarentegen is die redenering onlogisch wanneer het gaat om passief vistuig, aangezien dit op een specifiek punt van het aquatische milieu vastzit en nagenoeg niet verschuift. Volgens hen is het „volstrekt onmogelijk dat visserijactiviteiten met passief vistuig in bufferzones ooit in contact kunnen komen met [VME’s]”.
87 Verzoeksters voegen daaraan toe dat de vicevoorzitter van de adviesraad van de ICES bij zijn uiteenzetting voor het Parlement van het rapport dat de Commissie als wetenschappelijke informatie had gebruikt ter ondersteuning van de bestreden uitvoeringsverordening, erop heeft gewezen dat „de analyse en de polygonen [waren] gekozen op basis van [mobiel] vistuig en niet op basis van passief vistuig”.
88 Volgens verzoeksters wordt daar in de bestreden uitvoeringsverordening geen rekening mee gehouden en houdt deze, wat de bufferzones betreft, dan ook een beperking in van de visserij met passief vistuig, die ter verwezenlijking van het doel van bescherming van VME’s verre van de meest geschikte maatregel vormt, doch wel uiterst beperkend en ongerechtvaardigd is, waardoor de levensvatbaarheid van de visserij met dat vistuig in gevaar wordt gebracht. Voor het standpunt van de Commissie kan geen steun worden gevonden in het feit dat de Uniewetgever in artikel 9, lid 2, van de basisverordening een „veiligheidszone” heeft ingesteld. Bijgevolg heeft de Commissie artikel 2 van de bestreden uitvoeringsverordening en bijlage II daarbij in wezen vastgesteld in strijd met het evenredigheidsbeginsel door de grenzen te overschrijden van wat passend en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen van het GVB.
89 De Commissie betwist verzoeksters’ stellingen.
90 Bij wijze van inleiding zij opgemerkt dat in het ICES-advies van 2021 het volgende wordt verklaard met betrekking tot de bufferzones rond de gesloten „C‑squares”: „Moderne navigatiesystemen zorgen voor een zeer nauwkeurige locatie van vissersvaartuigen op zee. Wanneer echter wordt gevist op een diepte tussen 400 en 800 meter, kan de locatie van het vistuig aanzienlijk verschillen van die van het vaartuig. De ICES acht een buffer van een halve C‑square rond elke C‑square voldoende om de bescherming van de VME-habitats aan de rand van de C‑square te waarborgen. De keuze voor een buffer van een halve C‑square veeleer dan voor een andere afstand heeft voornamelijk te maken met het gemak van toepassing ervan (ICES, 2020b). Voorheen had de ICES (ICES, 2013) […] voor de op de al dan niet vlakke zeebodem aanwezige VME’s een bufferzone aanbevolen van ongeveer twee (minder dan 500 m diepte) of drie keer (meer dan 500 m diepte) de plaatselijke diepte […]. Gelet op de complexiteit om de in het huidige advies opgenomen aanbeveling toe te passen, heeft de ICES gekozen voor een buffer van een halve C‑square rond elke C‑square.”
91 Wat verzoeksters’ kritiek op het instellen van „bufferzones” (beschermingszones) betreft, dat in wezen bestaat in het toevoegen van een „halve C‑square” aan de reeds beschermde „C‑squares” met VME’s, zij vastgesteld dat beschermingszones noodzakelijk waren ter waarborging van de nuttige werking van artikel 9, leden 6 en 9, van de basisverordening en van de door de gecombineerde toepassing van die bepalingen nagestreefde doeltreffende bescherming van VME’s.
92 Gelet op de relevante toelichtingen in het ICES-advies van 2021 (zie punt 90 hierboven) is het instellen van die bufferzones immers bedoeld om overeenkomstig het voorzorgsbeginsel de bescherming te waarborgen van VME-habitats die zich aan de rand van de „C‑squares” kunnen bevinden en dus door de visserijactiviteiten van vaartuigen in de nabijheid van die „C‑squares” in gevaar kunnen worden gebracht wegens het waarschijnlijke verschil in locatie van het vaartuig en dat van het vistuig, dat gelet op de relevante diepten (tussen 400 en 800 meter) potentieel aanzienlijk is.
93 Ofschoon die bufferzones geen VME-indicatoren bevatten en er volgens de voor de ICES en de Commissie toegankelijke gegevens dus geen VME’s kunnen voorkomen, is het instellen van die zones als essentieel onderdeel van de gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, dus in overeenstemming met de door artikel 9 van de basisverordening nagestreefde doelstellingen om die VME’s te beschermen en noodzakelijk voor een doeltreffende en uniforme uitvoering van die verordening (zie naar analogie arrest van 8 juni 2010, Vodafone e.a., C‑58/08, EU:C:2010:321, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Verzoeksters’ grief dat de opneming van bufferzones in de zones waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, zoals vastgesteld in de bestreden uitvoeringsverordening, een kennelijk ongeschikte maatregel ter bescherming van de zeebodem is en ook onevenredig is (zie punt 86 hierboven), kan niet slagen, net zomin als de sociaaleconomische stellingen in verband met de levensvatbaarheid van de visserijactiviteiten met passief vistuig (zie punt 88 hierboven), die in dit stadium van de analyse niet relevant zijn.
94 Bovendien is de in artikel 9 van de basisverordening bedoelde bescherming van VME’s gericht tegen het risico verbonden aan visserij met bodemvistuig in het algemeen, zodat het feit dat bovengenoemd risico zich vooral voordoet bij mobiel vistuig, de mogelijkheid voor de Commissie om in het kader van de uitoefening van haar bevoegdheid dergelijke gebieden in te stellen, niet kan uitsluiten of beperken. Volgens die logica is het voor de afbakening zelf van de bufferzones evenmin ter zake dienend of de invoering mogelijk was van een „machtiging om in de bufferzones te vissen” met passief vistuig, een maatregel die verzoeksters in hun schriftelijke stukken voor het Gerecht hebben ondersteund. Hoe dan ook kan niet worden uitgesloten, zoals blijkt uit de punten 149 en 151 hieronder, dat passief vistuig als gevolg van waterstromen of zijwaartse bewegingen tijdens het ophalen ervan onbedoeld verschuift (of zelfs verloren gaat) en daardoor schade wordt toegebracht aan VME’s.
95 Wat verzoeksters’ grief betreft inzake schending van het evenredigheidsbeginsel wegens de omvang van de bufferzones (zie punt 88 hierboven), zij nog opgemerkt dat de toetsing door het Gerecht overeenkomstig de in punt 80 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, gelet op het in essentie technische karakter van de aspecten van de door de Commissie gevolgde methode, beperkt is tot de vraag of de omvang van die zones kennelijk ongeschikt is voor het doel van de instelling ervan, dat verband houdt met het voorkomen van het bovengenoemde waarschijnlijke risico, dat zelf samenhangt met de visserij met bodemvistuig in het algemeen. Verzoeksters hebben evenwel niet kunnen aantonen dat de omvang van de betrokken zones kennelijk ongeschikt is.
96 Verzoeksters hebben namelijk geen concreet en omstandig bewijsmateriaal aangedragen waaruit de kennelijke ongeschiktheid blijkt van de benadering waarbij een bufferzone van een „halve C‑square” rond elke „C‑square” wordt toegevoegd gelet op het potentieel aanzienlijke verschil in locatie van het vaartuig en van het vistuig bij het vissen op een diepte tussen 400 en 800 meter. Uit de door verzoeksters overgelegde berekeningen van de afmetingen van de bufferzones die afkomstig zijn van de Organisation des pêches de Bretagne (Bretoense visserijvereniging) en uit gegevens die partijen hebben opgesteld in antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting, blijkt weliswaar dat de bufferzones aanzienlijk zijn, maar dat dit geen factor is die de voorgaande analysen kan wijzigen.
97 Voor zover verzoeksters’ aan het begin van punt 86 hierboven in herinnering gebrachte stellingen eventueel aldus kunnen worden uitgelegd dat zij ook gericht zijn tegen de sluiting van gebieden die vrij zouden zijn van VME’s en ingesloten liggen tussen „C‑squares” met VME’s, zij bovendien opgemerkt dat met de door de ICES in zijn advies van 2021 gegeven uitleg wordt aangegeven dat vissersvaartuigen in zeer kleine gebieden wellicht niet doeltreffend kunnen vissen zonder gevolgen te riskeren voor aangrenzende gesloten gebieden en dat, in gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, het risico op schade als gevolg van visserijactiviteiten in aangrenzende gebieden moest worden vermeden (zie het ICES-advies van 2021, blz. 16). Deze overwegingen zijn dus vergelijkbaar met de reeds in de context van de bufferzones van een „halve C‑square” onderzochte overwegingen en vallen binnen de doelstelling om de nuttige werking van de bescherming van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, te waarborgen.
98 Voorts blijkt uit het ICES-advies van 2021 ook dat de ingesloten gebieden in kwestie „een grotere kans maakten om VME’s te bevatten dan andere gebieden waarover er geen gegevens waren, aangezien zij omringd waren door gebieden (C‑squares) met VME’s”. Hieruit is afgeleid dat er mogelijk louter te weinig gegevens over de aanwezige VME’s in die gebieden waren. Een dergelijke uiteenzetting van de redenen voor de sluiting van die gebieden volstaat in het licht van het voorzorgsbeginsel en gelet op de beoordelingsmarge van de Commissie ter zake (zie punt 50 hierboven).
99 Gelet op het voorgaande is niet aangetoond dat de Commissie kennelijk niet naar behoren heeft gehandeld en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden bij het concipiëren van de in bijlage II bij de bestreden uitvoeringsverordening opgesomde polygonen met bufferzones. Verzoeksters’ derde grief moet derhalve worden afgewezen.
4) Vierde grief: het niet in aanmerking nemen van de economische en sociale gevolgen bij de afbakening van de in bijlage II bij de bestreden uitvoeringsverordening genoemde gebieden is in strijd met het evenredigheidsbeginsel en met het GVB
100 Verzoeksters, ondersteund door het Koninkrijk Spanje en de Comunidad Autónoma de Galicia, voeren aan dat de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader van het GVB een exclusieve bevoegdheid van de Unie is krachtens artikel 3, lid 1, onder d), VWEU. Volgens verzoeksters valt de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee en het beheer van de visserij en de vloten die deze rijkdommen exploiteren, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1380/2013. Voorts voeren zij aan dat artikel 2, lid 1, van die verordening bepaalt dat het GVB er borg voor staat dat de activiteiten in het kader van de visserij uit ecologisch oogpunt langdurig duurzaam zijn en bovendien worden beheerd „op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden”. Volgens verzoeksters moeten zowel de basisverordening als de bestreden uitvoeringsverordening overeenkomstig het GVB derhalve voorzien in maatregelen die bijdragen tot het beheer van de visserijactiviteiten op ecologisch duurzame wijze en op een manier die strookt met het realiseren van voordelen op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid.
101 In casu heeft de Commissie volgens verzoeksters geen rekening gehouden met enige economische of sociale informatie om de lijst op te stellen van de gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen. De Commissie gaat huns inziens volledig voorbij aan de concrete impact van de bij de bestreden uitvoeringsverordening opgelegde verboden op de toekomstige grootte van de vangst, omzet, rentabiliteit en levensvatbaarheid van de betrokken ondernemingen en op de tewerkstelling bij die ondernemingen. Bij gebreke van een dergelijke analyse kon de Commissie niet beoordelen welke maatregelen minder beperkend en dus geschikter en evenrediger hadden kunnen zijn om de doelstellingen van bescherming van de zeebodem te bereiken. De Commissie heeft door dit te doen de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid overschreden. In de eerste plaats zijn volgens verzoeksters in geen van de door de ICES voorgestelde benaderingen concrete economische of sociaaleconomische overwegingen opgenomen met betrekking tot de gevolgen van de verboden op visserijactiviteiten. In de tweede plaats heeft de Commissie evenmin via andere kanalen dan de ICES informatie op economisch of sociaal gebied of op het gebied van werkgelegenheid verzameld en heeft zij de betrokken sector dienaangaande niet geraadpleegd. Volgens verzoeksters heeft de Commissie derhalve niet kunnen beoordelen of de vastgestelde maatregel evenredig was en het minst beperkend ter verwezenlijking van de beoogde doelstellingen, noch of deze in overeenstemming was met artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1380/2013.
102 De Commissie betwist verzoeksters’ stellingen en meent dat deze samen met andere stellingen inzake schending van het evenredigheidsbeginsel zijn beantwoord in het kader van het tweede middel.
103 Zoals reeds is vastgesteld in de punten 31 tot en met 51 hierboven, vereist artikel 9, lid 6, van de basisverordening geen beoordeling van de significante nadelige effecten van passief vistuig in elk van de op de betrokken lijst opgenomen gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, noch een beheersaanpak, zelfs geen waarbij de gevolgen worden beoordeeld van de maatregelen ter bescherming van VME’s voor de visserijactiviteiten en het economische en sociale leven. Verzoeksters’ argumenten betreffende de basisverordening (zie punt 100 hierboven) zullen worden beoordeeld in het kader van het tweede middel.
104 Onder dit voorbehoud dient verzoeksters’ vierde grief, volgens welke het niet in aanmerking nemen van de economische en sociale gevolgen bij de afbakening van de in bijlage II bij de bestreden uitvoeringsverordening genoemde gebieden in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en met het GVB, ongegrond te worden verklaard, zodat het eerste middel in zijn geheel moet worden afgewezen.
2. Tweede middel: exceptie van onwettigheid van artikel 9, leden 6 en 9, van de basisverordening op grond dat daarin ten onrechte wordt verwezen naar uitvoeringshandelingen om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering ervan vast te stellen, en dat die bepalingen in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel en de GVB-voorschriften
a) Inleidende overwegingen over de exceptie van onwettigheid
105 In het kader van het tweede middel werpen verzoeksters een exceptie van onwettigheid van de basisverordening op voor het geval dat het eerste middel wordt afgewezen. Dit middel valt uiteen in twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft artikel 9, lid 6, van de basisverordening, aangezien de verwijzing daarin naar een uitvoeringshandeling ter aanvulling van de daarin bepaalde essentiële onderdelen in strijd is met artikel 291, lid 2, VWEU. Met het tweede onderdeel wordt aangevoerd dat het in artikel 9, lid 9, van die verordening neergelegde ongedifferentieerde verbod om met bodemvistuig te vissen in gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, in strijd is met de GVB-voorschriften en het evenredigheidsbeginsel.
106 Er bestaat een verband tussen de bestreden uitvoeringsverordening en de regel waarvan de onwettigheid wordt opgeworpen. Ten eerste is die uitvoeringsverordening door de Commissie vastgesteld ter uitvoering van artikel 9 van de basisverordening, meer bepaald lid 6 ervan, op grond waarvan zij een lijst dient op te stellen van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen. Ten tweede houdt de opneming van een gebied in die lijst overeenkomstig artikel 9, lid 9, van die verordening een verbod in om dat gebied te bevissen met bodemvistuig.
107 De Commissie, ondersteund door de Raad en het Parlement, is van mening dat het tweede middel niet-ontvankelijk is voor zover daarbij krachtens artikel 277 VWEU een exceptie van onwettigheid van artikel 9, lid 9, van de basisverordening wordt opgeworpen. Artikel 2 van de bestreden uitvoeringsverordening is in wezen uitsluitend gebaseerd op artikel 9, lid 6, van de basisverordening.
108 Uit de rechtspraak volgt dat artikel 277 VWEU niet tot doel heeft een partij in staat te stellen om bij de behandeling van ieder door haar ingesteld beroep de toepasselijkheid van welke handeling van algemene strekking dan ook te betwisten, zodat de handeling waarvan de onwettigheid wordt aangevoerd, al dan niet rechtstreeks van toepassing moet zijn op de door het beroep aan de orde gestelde casuspositie (arrest van 13 juli 1966, Italië/Raad en Commissie, 32/65, EU:C:1966:42, blz. 611; zie ook arrest van 16 maart 2023, Commissie/Calhau Correia de Paiva, C‑511/21 P, EU:C:2023:208, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
109 Bovendien bestaat er met name een rechtstreeks juridisch verband tussen de bestreden handeling en de betrokken algemene handeling waarvan de onwettigheid wordt aangevoerd, wanneer de algemene handeling de rechtsgrondslag vormt van de rechtstreeks bestreden individuele of regelgevende maatregel (zie arrest van 17 december 2020, BP/FRA, C‑601/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:1048, punt 29, betreffende individuele maatregelen).
110 In casu zij opgemerkt dat niet wordt betwist dat artikel 9, lid 6, van de basisverordening de rechtsgrondslag vormt van artikel 2 van de bestreden uitvoeringsverordening, die in de aanhef ervan naar de basisverordening verwijst, zodat de exceptie van onwettigheid van die bepaling ontvankelijk is overeenkomstig de in de punten 108 en 109 hierboven aangehaalde rechtspraak.
111 Wat daarentegen het door de Commissie, de Raad en het Parlement aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid van de exceptie van onwettigheid van artikel 9, lid 9, van de basisverordening betreft, acht het Gerecht het aangewezen om de gegrondheid van die exceptie te beoordelen zonder de ontvankelijkheid ervan te onderzoeken.
b) Eerste onderdeel van het tweede middel: schending van artikel 291, lid 2, VWEU doordat artikel 9, lid 6, van de basisverordening verwijst naar een uitvoeringshandeling ter aanvulling van de essentiële onderdelen ervan
112 Verzoeksters stellen in wezen dat de toekenning van een uitvoeringsbevoegdheid aan de Commissie slechts verenigbaar is met artikel 291, lid 2, VWEU indien die uitvoeringsbevoegdheid eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van juridisch bindende handelingen van de Unie in het leven roept en de Commissie geen enkele beoordelingsmarge laat bij de uitvoering ervan.
113 Volgens verzoeksters was de door de Commissie vastgestelde lijst van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, in casu het resultaat van een keuze die zij heeft gemaakt uit de scenario’s die haar door de ICES zijn voorgelegd en die waren gebaseerd op variabelen van de ICES die de vaststelling van meerdere combinaties en alternatieven mogelijk maakten. Zij boden uiteenlopende beschermingsniveaus voor VME’s en hadden in meerdere of mindere mate gevolgen voor de visserijactiviteiten. De Commissie heeft zich dus niet beperkt tot het verzekeren van de uniforme uitvoering van de basisverordening, maar heeft bij de vaststelling van de lijst van die gebieden, waarbij zij is uitgegaan van de door de ICES uiteengezette optie 1 van scenario 2, een beoordeling en een keuze gemaakt door uiteenlopende belangen tegen elkaar af te wegen. Voorts heeft zij op discretionaire basis besloten de wateren van de Noordzee en de Azoren van het toepassingsgebied uit te sluiten. Bijgevolg houdt die lijst een beleidskeuze in die aan de Uniewetgever had moeten worden overgelaten.
114 Volgens verzoeksters kan artikel 9, leden 6 en 9, van de basisverordening niet verwijzen naar een uitvoeringshandeling of een gedelegeerde handeling voor de vaststelling van de lijst van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, aangezien die lijst geen eenvormige uitvoeringsvoorwaarden vaststelt en bovendien beoogt essentiële onderdelen aan te vullen of te wijzigen. In repliek voeren verzoeksters aan dat de aan de Commissie bij artikel 9, lid 6, van de basisverordening toegekende uitvoeringsbevoegdheid, anders dan zij stelt, in strijd is met artikel 291, lid 2, VWEU, aangezien die bevoegdheid niet waarborgt dat het verbod op het vissen met gelijk welk bodemvistuig onder eenvormige voorwaarden van toepassing is.
115 De Commissie, ondersteund door de Raad en het Parlement, betwist verzoeksters’ stellingen.
116 Artikel 291, lid 2, VWEU bepaalt dat indien het nodig is dat juridisch bindende handelingen van de Unie volgens eenvormige voorwaarden worden uitgevoerd, bij die handelingen uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend aan de Commissie of, in naar behoren gemotiveerde specifieke gevallen en in de bij de artikelen 24 en 26 VEU bepaalde gevallen, aan de Raad.
117 Wat de grenzen van de uitvoeringsbevoegdheden als bedoeld in artikel 291, lid 2, VWEU betreft, zij eraan herinnerd dat alleen de Uniewetgever bevoegd is tot vaststelling van de essentiële voorschriften betreffende een onderwerp. Hieruit volgt dat de bepalingen waarin de wezenlijke bestanddelen van een basisregeling zijn neergelegd en waarvan de vaststelling noopt tot het maken van politieke keuzen die tot de eigen verantwoordelijkheden van die wetgever behoren, niet kunnen worden vastgesteld in uitvoeringshandelingen en evenmin overigens in gedelegeerde handelingen als bedoeld in artikel 290 VWEU (arrest van 28 februari 2023, Fenix International, C‑695/20, EU:C:2023:127, punt 41).
118 Bovendien moet de vaststelling van de als wezenlijk aan te merken bestanddelen van een onderwerp berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn, en moet rekening worden gehouden met de kenmerken en bijzonderheden van het betreffende onderwerp (arrest van 28 februari 2023, Fenix International, C‑695/20, EU:C:2023:127, punt 42).
119 De krachtens artikel 291, lid 2, VWEU aan de Commissie en de Raad verleende uitvoeringsbevoegdheden omvatten in essentie de bevoegdheid om maatregelen vast te stellen die noodzakelijk of nuttig zijn voor de uniforme uitvoering van de bepalingen van de wetgevingshandeling op grond waarvan zij worden vastgesteld en die, met inachtneming van de door deze handeling nagestreefde algemene hoofddoelen, enkel de inhoud ervan nader bepalen, zonder deze handeling – al dan niet in essentiële onderdelen ervan – te wijzigen of aan te vullen (arrest van 28 februari 2023, Fenix International, C‑695/20, EU:C:2023:127, punt 49).
120 In het bijzonder dient te worden geoordeeld dat een uitvoeringsmaatregel zich beperkt tot de precisering van de bepalingen van de betrokken wetgevingshandeling wanneer daarmee louter wordt beoogd, in het algemeen of in bepaalde specifieke gevallen de draagwijdte van die bepalingen te verduidelijken of de toepassingsmodaliteiten ervan vast te stellen, op voorwaarde evenwel dat die maatregel daardoor elke tegenstrijdigheid met de doelstellingen van die bepalingen vermijdt en op geen enkele wijze de normatieve inhoud of de werkingssfeer van die handeling wijzigt (arrest van 28 februari 2023, Fenix International, C‑695/20, EU:C:2023:127, punt 50).
121 In het kader van het onderzoek van de exceptie van onwettigheid van artikel 9, lid 6, van de basisverordening moet worden onderzocht of met die bepaling wordt beoogd onderdelen vast te stellen die verder gaan dan hetgeen in bovengenoemde rechtspraak is bepaald.
122 In casu moet derhalve worden onderzocht of de verwijzing in artikel 9 van de basisverordening naar een uitvoeringshandeling uitsluitend is bedoeld om de bepalingen ervan te preciseren, dan wel, zoals verzoeksters betogen, om essentiële of zelfs niet-essentiële onderdelen van dat artikel zodanig te wijzigen dat inbreuk wordt gemaakt op artikel 291 VWEU.
123 In navolging van hetgeen de Commissie, ondersteund door de Raad en het Parlement, stelt, zij erop gewezen dat met de in artikel 9, lid 6, eerste volzin, van de basisverordening bedoelde uitvoeringshandelingen betreffende de opstelling van een lijst van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, die gebieden slechts nader worden bepaald en daarmee dus ratione loci concreet gestalte wordt gegeven aan de bij dat artikel ingestelde beschermingsregeling voor VME’s, rekening houdend met de uit de beschikbare gegevens blijkende concrete omstandigheden van de zeebodem en het mariene milieu, en zulks op basis van de in dat artikel vastgestelde procedure en materiële criteria. Dienaangaande zij erop gewezen dat de essentiële onderdelen van de definitie en de criteria voor identificatie van een VME (verordening nr. 734/2008, de FAO-richtsnoeren uit 2008 en het voorzorgsbeginsel), de VME-indicatoren (bijlagen III en IV bij de basisverordening) en de procedure voor vaststelling van de lijst met die ecosystemen (rekening houdend met de beste beschikbare wetenschappelijke en technische informatie en de beoordelingen en vaststellingen van de lidstaten en het wetenschappelijk adviesorgaan van de Commissie) reeds naar voren komen uit artikel 9 van de basisverordening. Om te voldoen aan de noodzaak om eenvormige voorwaarden vast te stellen voor de uitvoering van de bij dat artikel ingestelde beschermingsmaatregelen, moesten deze maatregelen op Unieniveau worden vastgesteld.
124 De Commissie heeft de in artikel 9, lid 6, van de basisverordening bedoelde lijst van gebieden waar VME’s voorkomen of waarschijnlijk zullen voorkomen, opgesteld op grond van voldoende duidelijke en nauwkeurige materiële VME-criteria en volgens een eveneens in de basisverordening vastgestelde procedure. Het is juist dat die bepaling haar een zekere beoordelingsmarge laat met betrekking tot de toepassing van die criteria. Overeenkomstig de rechtspraak volgens welke de Commissie in het kader van de uitvoering van de basisverordening over enige beoordelingsbevoegdheid beschikt, met name bij de vaststelling van de precieze methode voor de toepassing van de door de wetgever in die verordening vastgestelde criteria, is dat evenwel verenigbaar met haar uitvoeringsbevoegdheid (zie in die zin arrest van 23 september 2015, Nederland/Commissie, T‑261/13 en T‑86/14, EU:T:2015:671, punt 44).
125 Wat voorts verzoeksters’ argumenten betreft volgens welke de Commissie in casu in wezen discretionaire, politieke en economische keuzen heeft gemaakt vanwege de toekenning van bevoegdheden die in strijd zijn met artikel 291 VWEU (zie de in de punten 113 en 114 hierboven in herinnering gebrachte argumenten), en zoals reeds is opgemerkt in het kader van het eerste middel, zij erop gewezen dat de Commissie niet de bevoegdheid heeft gekregen om met betrekking tot de instandhouding van mariene ecosystemen en rijkdommen dergelijke keuzen te maken (zie de punten 45‑51 hierboven). Bovendien zijn verzoeksters’ bovengenoemde stellingen, voor zover zij zien op de door de Commissie bij de vaststelling van de bestreden uitvoeringsverordening daadwerkelijk ondernomen actie, niet ter zake dienend in het kader van de exceptie van onwettigheid van de basisverordening.
126 Wat meer in het algemeen de beweerdelijk aan de Commissie verleende bevoegdheden inzake het beheer van het visserijbeleid betreft, is er in het kader van het eerste middel reeds op gewezen dat de Commissie, anders dan verzoeksters stellen, wel degelijk binnen het kader van haar uitvoeringsbevoegdheden is gebleven en niet heeft gehandeld in het kader van het beheer van het visserijbeleid (zie met name de punten 50 en 51 hierboven). In dat verband is ook opgemerkt dat zij voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van het (voort)bestaan van VME’s waarvan de integriteit zou kunnen worden bedreigd door bodemvistuig met significante nadelige effecten, elementen in aanmerking kon nemen die verband houden met de verrichte visserijactiviteiten. Die aanpak was bedoeld om rekening te houden met de uit de beschikbare gegevens blijkende concrete omstandigheden van de zeebodem en het mariene milieu (zie punt 123 hierboven).
127 Het eerste onderdeel van het tweede middel, dat is ontleend aan schending van artikel 291, lid 2, VWEU doordat artikel 9, lid 6, van de basisverordening verwijst naar een uitvoeringshandeling ter aanvulling van de essentiële onderdelen ervan, moet derhalve ongegrond worden verklaard.
c) Tweede onderdeel van het tweede middel: het in artikel 9, lid 9, van de basisverordening neergelegde ongedifferentieerde verbod om te vissen met bodemvistuig is in strijd met het evenredigheidsbeginsel en de GVB-voorschriften, en is ter zake ontoereikend gemotiveerd
128 Verzoeksters, ondersteund door het Koninkrijk Spanje en de Comunidad Autónoma de Galicia, betogen in wezen dat het bij artikel 9, lid 9, van de basisverordening ingestelde ongedifferentieerde verbod onverenigbaar is met de GVB-voorschriften en het evenredigheidsbeginsel. Volgens hen zou een visserijverbod dat naargelang het vistuig en de gevolgen ervan voor de zeebodem is gedifferentieerd op basis van de beste wetenschappelijke, technische en economische informatie, een passende en evenredige maatregel zijn geweest. Een dergelijke stelling, die gericht is tegen het feit dat de wetgever geen onderscheid heeft gemaakt, kan ook worden uitgelegd als kritiek dat de wetgever niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de keuze van de betrokken maatregel te motiveren.
129 Enerzijds bevat artikel 9, lid 9, van de basisverordening volgens verzoeksters een ongedifferentieerd verbod op het vissen met bodemvistuig, zonder dat de exacte inhoud van dit verbod bekend is. Anderzijds worden bodemtrawls in overweging 7 van de basisverordening huns inziens uitdrukkelijk omschreven als vistuig waarvan de impact op de zeebodem „een groter risico voor VME’s [meebrengt en waarvoor] bovendien de hoogste percentages onbedoelde vangst van diepzeesoorten [worden] gerapporteerd”. Overeenkomstig die vaststelling verbiedt artikel 8, lid 4, van die verordening de afgifte van vismachtigingen voor „het vissen met bodemtrawls op een diepte van meer dan 800 meter”.
130 Volgens verzoeksters is het dan ook paradoxaal en onwettig dat in de basisverordening zelf bodemtrawls worden aangemerkt als vistuig met een grote impact op de zeebodem, maar dat daarin niettemin wordt bepaald dat vissen met elk bodemvistuig, wat het betrokken type bodemvisserij ook moge zijn, voortaan zonder onderscheid moet worden verboden, ongeacht de feitelijke gevolgen ervan voor de mariene ecosystemen en ongeacht de sociaaleconomische gevolgen van een dergelijk verbod. Dit is volledig buiten proportie.
131 In repliek stellen verzoeksters in wezen dat de basisverordening moest voorzien in maatregelen die bijdragen tot het beheer van de visserijactiviteiten op ecologisch duurzame wijze en op een manier die strookt met het realiseren van voordelen op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid (doelstellingen van het GVB). Naar hun mening is geen enkel van de door de instellingen aangevoerde elementen dienstig als bewijs dat passief vistuig, met name de beug, een significant effect heeft op de mariene ecosystemen.
132 Ten slotte verklaren verzoeksters onder verwijzing naar de wijzigingen die hebben plaatsgevonden tijdens de wetgevingsprocedure die tot de vaststelling van de basisverordening heeft geleid, dat het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Parlement, de Raad en de Commissie over beter wetgeven (PB 2016, L 123, blz. 1‑14, punt 15) bepaalt dat het Parlement en de Raad, wanneer zij dit passend en noodzakelijk achten voor het wetgevingsproces, effectbeoordelingen opstellen over hun „wezenlijke wijzigingen” van het Commissievoorstel. Volgens verzoeksters heeft de wetgever in casu, ondanks de invoering van een wezenlijke wijziging in artikel 9, lid 9, van de basisverordening, doordat een algemeen verbod is toegevoegd aan de door de Commissie voorgestelde „minder strenge maatregelen”, geen effectbeoordeling verricht waaruit bleek dat zijn amendement passend en noodzakelijk was, en heeft hij evenmin rekening gehouden met de effectbeoordeling van de Commissie.
133 In het licht van de voorgaande overwegingen moet volgens verzoeksters tot de slotsom worden gekomen dat het in artikel 9, lid 9, van de basisverordening neergelegde verbod om met gelijk welk bodemvistuig te vissen, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en kennelijk ongeschikt is om het doel van bescherming van de zeebodem te bereiken.
134 De Commissie, ondersteund door de Raad en het Parlement, betwist de stellingen van verzoeksters, het Koninkrijk Spanje en de Comunidad Autónoma de Galicia.
135 In dat verband zij bij wijze van inleiding opgemerkt dat met name uit artikel 2, leden 1 tot en met 3 en lid 5, onder a), f), i) en j), en uit artikel 4, lid 1, punten 8 en 9, van verordening nr. 1380/2013 in wezen volgt dat de ecologische duurzaamheid van visserijactiviteiten op de lange termijn inhoudt dat de gevolgen van die activiteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt door de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer en de ecosysteemgerichte benadering toe te passen.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 11 januari 2024, C-330/22, ECLI:EU:C:2024:19
- HvJ EU 16 maart 2023, C-511/21, ECLI:EU:C:2023:208
- HvJ EU 28 februari 2023, C-695/20, ECLI:EU:C:2023:127
- HvJ EU 15 april 2021, C-733/19, ECLI:EU:C:2021:272
- HvJ EU 4 februari 2021, C-640/19, ECLI:EU:C:2021:97
- Gerecht EU 9 september 2020, T-626/17, ECLI:EU:T:2020:402
- HvJ EU 30 april 2019, C-611/17, ECLI:EU:C:2019:332
- HvJ EU 13 juni 2018, C-683/16, ECLI:EU:C:2018:433
- HvJ EU 11 januari 2017, C-128/15, ECLI:EU:C:2017:3
- Gerecht EU 23 september 2015, T-261/13, ECLI:EU:T:2015:671
- Gerecht EU 19 januari 2012, T-71/10, ECLI:EU:T:2012:18
- HvJ EU 8 juni 2010, C-58/08, ECLI:EU:C:2010:321
- HvJ EU 23 maart 2006, C-535/03, ECLI:EU:C:2006:193
- Gerecht EU 15 januari 2003, T-377/00, ECLI:EU:T:2003:6
- Gerecht EU 24 maart 1994, T-3/93, ECLI:EU:T:1994:36
- HvJ EU 11 november 1981, 60/81, ECLI:EU:C:1981:264
- HvJ EU 13 juli 1966, 32/65, ECLI:EU:C:1966:42