Art. 6 Verordening (EU) 2016/2336, Capaciteitsbeheer
1. De totale vangstcapaciteit, gemeten in brutotonnage en in kilowatt, van alle Unievissersvaartuigen waarvoor een lidstaat een machtiging voor gerichte visserij heeft afgegeven, mag op geen enkel moment meer bedragen dan de totale vangstcapaciteit, in de periode 2009-2011, uitgaand van het jaar met het hoogste cijfer, van de vaartuigen van die lidstaat die:
a) 10 ton of meer diepzeesoorten hebben gevangen tijdens een van de drie kalenderjaren 2009-2011, uitgaand van het jaar met het hoogste cijfer, en
b) geregistreerd zijn in een van de ultraperifere gebieden, in de zin van artikel 349 VWEU, van die lidstaat, waarbij de vangsten van diepzeesoorten door elk van die vaartuigen in een van de drie kalenderjaren 2009-2011 tenminste 10 % van hun totale jaarlijkse vangst uitmaakte, uitgaand van het jaar met het hoogste cijfer.
2. In afwijking van lid 1, onder a), mag, indien vóór 12 januari 2017 aan een lidstaat vangstmogelijkheden voor de in bijlage I vermelde soorten zijn toegewezen, maar de vaartuigen van die lidstaat in geen van de referentiejaren 10 ton of meer diepzeesoorten hebben gevangen, de totale vangstcapaciteit van die lidstaat op geen enkel moment meer bedragen dan de totale vangstcapaciteit van zijn vaartuigen in een van de drie laatste jaren waarin minstens een van zijn vaartuigen 10 ton of meer diepzeesoorten heeft gevangen, uitgaand van het jaar met het hoogste cijfer.