Art. 17 Verordening (EU) 2016/1624, Procedure voor het starten van een snelle grensinterventie
1. Een verzoek van een lidstaat om een snelle grensinterventie te starten, gaat vergezeld van een beschrijving van de situatie, de mogelijke doelen en de te verwachten behoeften. Indien nodig kan de uitvoerend directeur onmiddellijk deskundigen van het Agentschap sturen om de situatie aan de buitengrenzen van de betrokken lidstaat te beoordelen.
2. De uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur onmiddellijk in kennis van een verzoek van een lidstaat om een snelle grensinterventie te starten.
3. Bij de beslissing over het verzoek van een lidstaat houdt de uitvoerend directeur rekening met de resultaten van de door het Agentschap verrichte risicoanalyses, de analyselaag van het overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1052/2013 opgestelde Europese situatiebeeld en de resultaten van de in artikel 13 bedoelde kwetsbaarheidsbeoordeling, alsook alle andere relevante informatie die door de betrokken lidstaat of een andere lidstaat is verstrekt.
4. De uitvoerend directeur neemt uiterlijk twee werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek een beslissing over het verzoek om een snelle grensinterventie te starten. De uitvoerend directeur stelt de betrokken lidstaat en de raad van bestuur gelijktijdig schriftelijk in kennis van zijn beslissing. In deze beslissing worden de voornaamste redenen vermeld waarop zij is gebaseerd.
5. Indien de uitvoerend directeur beslist een snelle grensinterventie te starten, zet hij Europese grens- en kustwachtteams in uit de snel inzetbare pool overeenkomstig artikel 20, lid 5, en de snel inzetbare uitrustingspool overeenkomstig artikel 39, lid 7, en beslist hij zo nodig over de onmiddellijke versterking door een of meer Europese grens- en kustwachtteams overeenkomstig artikel 20, lid 8.
6. De uitvoerend directeur stelt samen met de ontvangende lidstaat onmiddellijk of in ieder geval uiterlijk drie werkdagen na de datum van de beslissing een operationeel plan op als bedoeld in artikel 16, lid 3.
7. Zodra het operationele plan is goedgekeurd en aan de lidstaten is verstrekt, verzoekt de uitvoerend directeur de lidstaten schriftelijk om onmiddellijk de grenswachters en de andere relevante personeelsleden in te zetten die deel uitmaken van de snel inzetbare pool. De uitvoerend directeur geeft aan hoeveel van de in de snel inzetbare pool opgenomen grenswachters en andere relevante personeelsleden elke lidstaat wordt gevraagd in te zetten en aan welk profiel deze moeten voldoen.
8. Gelijktijdig met de in lid 7 bedoelde inzet stelt de uitvoerend directeur, teneinde te voorzien in de onmiddellijke versterking van de Europese grens- en kustwachtteams die uit de snel inzetbare pool worden ingezet, indien dat noodzakelijk is, de lidstaten in kennis van het gevraagde aantal en het gewenste profiel van de grenswachters en andere relevante personeelsleden die als aanvulling worden ingezet. Deze kennisgevingen worden schriftelijk verstrekt aan de nationale contactpunten onder vermelding van de voor het inzetten van de teams geplande datum. Er wordt hun tevens een kopie van het operationele plan verstrekt.
9. De lidstaten zien erop toe dat de aantallen en de profielen van de aan de snel inzetbare pool toegewezen grenswachters en andere relevante personeelsleden onmiddellijk ter beschikking van het Agentschap worden gesteld, om volledige inzetbaarheid te waarborgen overeenkomstig artikel 20, leden 5 en 7. De lidstaten stellen tevens extra grenswachters en andere relevante personeelsleden ter beschikking uit de nationale pool, overeenkomstig artikel 20, lid 8.
10. De teams uit de snel inzetbare pool worden ingezet uiterlijk vijf werkdagen na de datum waarop de uitvoerend directeur en de ontvangende lidstaat overeenstemming hebben bereikt over het operationele plan. Extra Europese grens- en kustwachtteams worden indien nodig ingezet binnen zeven werkdagen na de inzet van de teams uit de snel inzetbare pool.
11. Indien teams uit de snel inzetbare pool worden ingezet, onderzoekt de uitvoerend directeur in overleg met de raad van bestuur onverwijld de prioriteiten ten aanzien van de lopende en geplande gezamenlijke operaties van het Agentschap aan andere buitengrenzen, teneinde te voorzien in een eventuele herverdeling van de middelen ten gunste van de delen van de buitengrenzen waar een versterkte inzet het meest nodig is.