Art. 14 Verordening (EU) 2016/1624, Maatregelen van het Agentschap aan de buitengrenzen

Verordening (EU) 2016/1624

1. Een lidstaat kan het agentschap om bijstand vragen bij de uitvoering van zijn verplichtingen inzake het toezicht op de buitengrenzen. Het Agentschap voert tevens maatregelen uit overeenkomstig artikel 19.

2. Het Agentschap organiseert passende technische en operationele bijstand voor de ontvangende lidstaat en kan met inachtneming van het toepasselijke Unierecht en internationale recht, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement, een of meer van de volgende maatregelen nemen:

a) coördinatie van gezamenlijke operaties ten behoeve van een of meer lidstaten en inzet van Europese grens- en kustwachtteams;

b) organisatie van snelle grensinterventies en inzet van Europese grens- en kustwachtteams uit de snel inzetbare pool en indien nodig inzet van extra Europese grens- en kustwachtteams;

c) coördinatie van activiteiten ten behoeve van een of meer lidstaten en derde landen aan de buitengrenzen, waaronder gezamenlijke operaties met naburige derde landen;

d) inzet van Europese grens- en kustwachtteams in het kader van de ondersteuningsteams voor migratiebeheer in hotspotgebieden;

e) in het kader van de in dit lid, onder a), b) en c), vermelde operaties en overeenkomstig Verordening (EU) nr. 656/2014 en het internationale recht, verlening van technische en operationele bijstand aan lidstaten en derde landen ter ondersteuning van opsporings- en reddingsoperaties voor personen die op zee in nood verkeren, welke soms moeten worden ondernomen tijdens grensbewakingsoperaties op zee;

f) inzet van de eigen deskundigen en teamleden die door de lidstaten bij het Agentschap zijn gedetacheerd om de bevoegde nationale autoriteiten van de betrokken lidstaten gedurende een passende periode te ondersteunen;

g) inzet van technische uitrusting.

3. Het Agentschap financiert of medefinanciert de in lid 2 bedoelde activiteiten uit zijn begroting overeenkomstig de voor het Agentschap geldende financiële regeling.

4. Indien het Agentschap op grond van de situatie aan de buitengrenzen behoefte heeft aan aanzienlijk meer financiële middelen, stelt het Agentschap het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

Vorige artikelen

Volgende artikelen